Dutch Verbs

The first Dutch verbs in the course: maken (make), krijgen (get), hebben (have), eten (eat), drinken (drink), slapen (sleep), zien (see), kijken naar (look at). All 223 verbs are below, each with a picture, native audio and an example sentence.

Learn these 223 words in the app

Pictures, native audio, and each word comes back right before you’d forget it. Free on iPhone & Android.

Get it free
Download on the App Store Get it on Google Play Scan with your phone camera

All 223 Dutch verbs, lesson by lesson

Report a mistake

Tell us what looks wrong. We check every report.

What’s wrong?

Tap a picture to hear it.

Lesson 5 · Everyday Verbs — Core Actions 12 words

  • maken make

    Ik maak goede koffie.

    I make good coffee.

  • krijgen get

    Hij kreeg een cadeau.

    He got a present.

  • hebben have

    Emma heeft een auto.

    Emma has a car.

  • eten eat

    Zij eten appels.

    They are eating apples.

  • drinken drink

    Drink jij koffie?

    Do you drink coffee?

  • slapen sleep

    Ik wil nu slapen.

    I want to sleep now.

  • zien see

    Kun je het huis zien?

    Can you see the house?

  • kijken naar look at

    Adam vindt het leuk om naar foto's te kijken.

    Adam likes to look at pictures.

  • lezen read

    De student leest boeken.

    The student reads books.

  • openen open

    Zij opent het raam.

    She opens the window.

  • sluiten close

    Ik sluit de deur.

    I close the door.

  • komen come

    Je komt hier elke dag.

    You come here every day.

Lesson 11 · Everyday Verbs — Communication & Thinking 12 words

  • weten know

    Je weet het antwoord nu.

    You know the answer now.

  • vragen ask

    Je kunt het aan je broer vragen.

    You can ask your brother.

  • horen hear

    Kun je dat geluid horen?

    Can you hear that sound?

  • leren learn

    Je leert elke dag iets nieuws.

    You learn something new everyday.

  • praten met talk with

    Vind je het leuk om met je vrienden te praten?

    Do you like talking with your friends?

  • zeggen say

    Ik wil iets zeggen.

    I want to say something.

  • kiezen choose

    Je kiest je favoriete kleur.

    You choose your favorite color.

  • schrijven write

    De studenten schrijven een verhaal.

    The students write a story.

  • bellen call

    Ik ga je bellen.

    I am going to call you.

  • luisteren naar listen to

    Ik luister naar de radio.

    I listen to the radio.

  • studeren study

    Ik moet hard studeren voor elke toets.

    I study hard for every test.

  • vertellen tell

    Hij vertelt me zijn naam.

    He tells me his name.

Lesson 12 · Verbs — Social & Casual Communication 12 words

  • ontmoeten meet

    Ik ontmoet je morgen.

    I will meet you tomorrow.

  • zich aansluiten bij join

    Zij zal zich bij onze groep aansluiten.

    She will join our group.

  • genieten van enjoy

    Wij genieten van de muziek.

    We enjoy the music.

  • beschrijven describe

    De jongen beschreef het dier.

    The boy described the animal.

  • uitleggen explain

    Zij zal het probleem uitleggen.

    She will explain the problem.

  • lesgeven teach

    Ik lesgeef de nieuwe studenten.

    I teach the new students.

  • voorstellen introduce

    Ik zal mijn vriend voorstellen.

    I will introduce my friend.

  • accepteren accept

    Zij accepteert het cadeau.

    She accepts the gift.

  • weigeren refuse

    Het kind weigert het eten.

    The child refuses the food.

  • beloven promise

    Ik beloof dat ik je zal helpen.

    I promise to help you.

  • bespreken discuss

    Zij bespreken het nieuwe plan.

    They discuss the new plan.

  • contact opnemen met contact

    Ik zal contact opnemen met de dokter.

    I will contact the doctor.

Lesson 13 · Verbs — Sound & Body Language 12 words

  • lachen laugh

    De kinderen lachen hard.

    The children laugh loudly.

  • schreeuwen shout

    De jongen schreeuwt om hulp.

    The boy shouts for help.

  • fluisteren whisper

    Hij fluistert in mijn oor.

    He whispers in my ear.

  • zwaaien wave

    Ze zwaait gedag.

    She waves goodbye.

  • knikken nod

    De vrouw knikt met haar hoofd.

    The woman nods her head.

  • knuffelen hug

    De moeder knuffelt haar kind.

    The mother hugs her child.

  • kussen kiss

    De moeder kust haar kind.

    The mother kisses her child.

  • wijzen point

    Het kind wijst naar de hond.

    The child points at the dog.

  • knipperen blink

    Hij knippert snel met zijn ogen.

    He blinks his eyes quickly.

  • fronsen frown

    De vader fronst naar zijn zoon.

    The father frowns at his son.

  • gapen yawn

    De vermoeide man gaapt.

    The tired man yawns.

  • snuiven sniff

    De hond snuift aan het eten.

    The dog sniffs the food.

Lesson 18 · Safety & Help 2 words

  • beschermen protect

    De politie moet ons beschermen.

    The police protect us.

  • waarschuwen warn

    Ik moet ze waarschuwen!

    I need to warn them!

Lesson 19 · Everyday Verbs — Work, Movement & Plans 11 words

  • kopen buy

    Je kunt hier fruit kopen.

    You can buy fruit here.

  • betalen pay

    Je moet hiervoor betalen.

    You must pay for this.

  • verkopen sell

    Ze verkopen hier vers fruit.

    They sell fresh fruit here.

  • leggen put

    Hij legt het boek op tafel.

    He puts the book on table.

  • zitten sit

    Emma zit in die stoel.

    Emma sits in that chair.

  • staan stand

    Ik sta bij de deur.

    I stand by the door.

  • zwemmen swim

    Zij kunnen snel zwemmen.

    They can swim fast.

  • rijden drive

    Je moet voorzichtig rijden.

    You need to drive carefully.

  • plannen plan

    Zij plannen om binnenkort op bezoek te komen.

    They plan to visit soon.

  • afmaken finish

    Hij kan zijn huiswerk later afmaken.

    He can finish homework later.

  • geven give

    Ik geef cadeaus aan vrienden.

    I give presents to friends.

Lesson 28 · Everyday Action Verbs 2 11 words

  • meebrengen bring

    Zij brengen eten mee naar het feest.

    They bring food to the party.

  • pakken take

    Je pakt altijd mijn pen.

    You always take my pen.

  • dragen carry

    Hij kan de doos dragen.

    He can carry the box.

  • ophalen pick up

    Kun je het pakketje ophalen?

    Can you pick up the package?

  • laten vallen drop

    Als ik de telefoon laat vallen, gaat hij kapot.

    If I drop the phone, it will break.

  • aanreiken pass

    Kun je me het zout aanreiken?

    Can you pass me the salt?

  • neerzetten put down

    Wij zetten onze rugzakken neer.

    We put down our backpacks.

  • opruimen put away

    Ik ruim mijn speelgoed op.

    I put away my toys.

  • ophangen hang up

    Ze hangen hun jassen op.

    They hang up their coats.

  • aanzetten turn on

    Je zet het licht aan.

    You turn on the light.

  • uitzetten turn off

    Kan iemand de radio uitzetten?

    Can someone turn off the radio?

Lesson 29 · Verbs — Movement & Play 12 words

  • springen jump

    De kat springt over de muur.

    The cat jumps over the wall.

  • gooien throw

    De jongen gooit de steen.

    The boy throws the stone.

  • vangen catch

    Hij vangt de bal.

    He catches the ball.

  • rijden ride

    De jongen rijdt op een paard.

    The boy rides a horse.

  • vliegen fly

    De vogels vliegen in de lucht.

    The birds fly in the sky.

  • kruipen crawl

    De baby kruipt op de vloer.

    The baby crawls on the floor.

  • overslaan skip

    Zij sloeg de eerste pagina over.

    She skipped the first page.

  • schoppen kick

    Het kind schopt tegen de bal.

    The child kicks the ball.

  • stuiteren bounce

    De bal stuitert op de grond.

    The ball bounces on the ground.

  • klimmen climb

    De kat klimt in de boom.

    The cat climbs the tree.

  • duiken dive

    De jongen duikt in het water.

    The boy dives into the water.

  • glijden slide

    De doos glijdt over de vloer.

    The box slides on the floor.

Lesson 30 · Verbs — Hands-on & Functional 12 words

  • knijpen pinch

    Hij kneep in mijn arm.

    He pinched my arm.

  • knijpen squeeze

    Zij knijpt in mijn hand.

    She squeezes my hand.

  • prikken poke

    Het kind prikte in mijn arm.

    The child poked my arm.

  • aaien stroke

    De jongen aait de hond.

    The boy strokes the dog.

  • wrijven rub

    Ik wrijf in mijn vermoeide ogen.

    I rub my tired eyes.

  • draaien twist

    De man draait aan het touw.

    The man twists the rope.

  • schudden shake

    De baby schudt met het speelgoed.

    The baby shakes the toy.

  • vouwen fold

    Ik vouw het papier.

    I fold the paper.

  • drukken op press

    Zij drukt op de rode knop.

    She presses the red button.

  • bevestigen attach

    Hij zal het touw bevestigen.

    He will attach the rope.

  • trekken pull

    De man trekt aan het zware touw.

    The man pulls the heavy rope.

  • inpakken pack

    Ik pak mijn tas in.

    I pack my bag.

Lesson 31 · Where-is & Getting to 1 words

  • ik zoek I'm looking for

    Ze zijn op zoek naar een toilet.

    They are looking for a restroom.

Lesson 56 · Clothing & Sizes 2 words

  • passen fits

    Ze past nog steeds in haar oude spijkerbroek.

    She still fits her old jeans.

  • passen try on

    Wij passen nieuwe hoeden.

    We try on new hats.

Lesson 61 · Lost & Found Essentials 2 words

  • verliezen lost

    Ik ben mijn sleutels in het park verloren.

    I lost my keys at the park.

  • terugbrengen return

    Zij zal het boek morgenochtend terugbrengen.

    She will return the book tomorrow morning.

Lesson 65 · Public Signs & Notices 2 words

  • duwen Push

    Zij duwen de rode deur.

    They push the red door.

  • trekken Pull

    Je moet aan de deur trekken.

    You need to pull the door.

Lesson 70 · Household Actions 9 words

  • wassen wash

    Ik ga nu de afwas doen.

    I will wash dishes now.

  • koken cook

    Zij koken elke avond het avondeten.

    They cook dinner every night.

  • koken boil

    Je kookt water voor thee.

    You boil water for tea.

  • bakken fry

    Bakt u uw eten vaak?

    Do you fry your food often?

  • bakken bake

    Zij bakt vandaag brood.

    She bakes bread today.

  • vegen sweep

    Ik veeg de vloer sneller.

    I sweep the floor faster.

  • stofzuigen vacuum

    Wij stofzuigen de woonkamer.

    We vacuum the living room.

  • water geven to water

    Ze geven wekelijks water aan de tuin.

    They water the garden weekly.

  • uitdoen switch off

    Kun je het licht uitdoen?

    Can you turn off the lights?

Lesson 71 · Cooking & Kitchen Verbs 11 words

  • schenken pour

    Zij schenkt water in het kopje.

    She pours water into the cup.

  • roeren stir

    Ik roer in de hete soep.

    I stir the hot soup.

  • hakken chop

    De man hakt het hout.

    The man chops the wood.

  • dopen dip

    Zij dopt de doek in het water.

    She dips the cloth in water.

  • schillen peel

    Zij schilt de sinaasappel.

    She peels the orange.

  • raspen grate

    Zij raspt de groenten.

    She grates the vegetables.

  • mengen mix

    Ik meng het zout en het water.

    I mix the salt and water.

  • besmeren spread

    Zij besmeert het brood met boter.

    She spreads butter on the bread.

  • smelten melt

    De zon smelt het ijs.

    The sun melts the ice.

  • meten measure

    Ik meet het lange touw.

    I measure the long rope.

  • vullen fill

    Ik vul de beker met water.

    I fill the cup with water.

Lesson 73 · Repairs & Maintenance 3 words

  • repareren fix

    Wij repareren hier kapotte dingen.

    We fix broken things here.

  • repareren repair

    Weet je hoe je het moet repareren?

    Do you know how to repair it?

  • vervangen replace

    Wij vervangen oude banden.

    We replace old tires.

Lesson 76 · Upper Body & Face 1 words

  • glimlachen smile

    Het kind glimlacht naar mij.

    The child smiles at me.

Lesson 78 · Body & Fitness 4 words

  • opwarmen warm up

    Dit helpt om de spieren op te warmen.

    This helps warm up muscles.

  • rekken stretch

    Ik rek me elke ochtend uit.

    I stretch every morning.

  • rennen run

    Zij rennen erg snel.

    They run very fast.

  • lopen walk

    Ze houdt ervan om 's avonds te lopen.

    She likes to walk in the evening.

Lesson 79 · Nightlife 2 words

  • uitgaan to go out

    Wij gaan meestal op vrijdag uit.

    We usually go out on Fridays.

  • dansen dance

    Mijn vrienden willen altijd dansen.

    My friends always want to dance.

Lesson 81 · Aches, Cuts & First Aid 8 words

  • huilen cry

    Het verdrietige kind huilt.

    The sad child is crying.

  • vallen fall

    De vrucht valt van de boom.

    The fruit falls from the tree.

  • snijden cut

    Zij snijdt het brood.

    She cuts the bread.

  • branden burn

    Het droge hout brandt snel.

    The dry wood burns quickly.

  • krabben scratch

    De kat krabde in mijn arm.

    The cat scratched my arm.

  • stoten bump

    Ik stootte mijn hoofd.

    I bumped my head.

  • herstellen recover

    Hij herstelde van de ziekte.

    He recovered from the illness.

  • genezen heal

    De diepe wond zal genezen.

    The deep wound will heal.

Lesson 82 · Power & Electricity 1 words

  • inpluggen plug

    Hij vergat de oplader van de laptop in te pluggen.

    He forgot to plug in the laptop charger.

Lesson 85 · Numbers — Bigger & Beyond 2 words

  • verdubbelen double

    De koopman verdubbelde de prijs.

    The merchant doubled the price.

  • verdrievoudigen triple

    De prijs van brood zal verdrievoudigen.

    The price of bread will triple.

Lesson 95 · Meals & Mealtimes 1 words

  • helpen help

    Mijn vriend helpt mij.

    My friend is helping me.

Lesson 96 · The Five Senses 1 words

  • voelen feel

    Ik voel het koude water.

    I feel the cold water.

Lesson 106 · Likes & Dislikes 2 words

  • ik vind het fijn als ... I like

    Ik vind het fijn als mensen eerlijk zijn.

    I like when people are honest.

  • ik houd van I love

    Ik houd van het, omdat het van mij is.

    I love it, because it is mine.

Lesson 108 · Preferences in Context 2 1 words

  • ik kan niet kiezen I can't decide

    Zij kunnen niet kiezen, ik ook niet.

    They can't decide either.

Lesson 119 · Appointments & Schedules 1 words

  • verplaatsen reschedule

    Zij zullen de vergadering verplaatsen.

    They will reschedule the meeting.

Lesson 121 · Daily Routine 7 words

  • wakker worden wake up

    Ze houdt ervan om vroeg wakker te worden.

    She likes to wake up early.

  • opstaan get up

    Zij staan bij zonsopgang op.

    They get up at sunrise.

  • douchen have a shower

    Je doucht elke ochtend.

    You have a shower every morning.

  • zich aankleden get dressed

    Ik moet me aankleden voor school.

    I need to get dressed before school.

  • ontbijten have breakfast

    Wij ontbijten elke ochtend.

    We have breakfast every morning.

  • lunchen have lunch

    Zij lunchen om twaalf uur.

    They have lunch at noon.

  • thuiskomen come home

    Ik thuiskom na school.

    I come home after school.

Lesson 123 · Describing Things — Practical adjectives 1 words

  • repareren fixed

    Hij repareerde de kapotte fiets.

    He fixed the broken bike.

Lesson 126 · Learning & Study Habits 3 words

  • herhalen repeat

    Kun je de instructies alsjeblieft herhalen?

    Please repeat the instructions.

  • uit het hoofd leren memorize

    Ze leren hun tekst makkelijk uit het hoofd.

    They memorize their lines easily.

  • verbeteren improve

    Je kunt je cijfer verbeteren.

    You can improve your grade.

Lesson 134 · Social Visits & Hosting 3 words

  • uitnodigen invite

    Zij nodigen vrienden uit voor het feest.

    They invite friends to the party.

  • ontvangen host

    Ik ontvang elke zomer gasten.

    I host guests every summer.

  • meebrengen bring a

    Je brengt een lekker dessert mee.

    You bring a good dessert.

Lesson 137 · Pets & Animals 2 words

  • voeren feed

    Zij zal de hond voeren.

    She will feed the dog.

  • hondensnoepjes treats

    Ze zijn dol op hondensnoepjes.

    They love dog treats very much.

Lesson 140 · Home Maintenance & Tools 3 words

  • repareren repair

    Hij repareert de kapotte stoel.

    He repairs the broken chair.

  • lekken leak

    Er lekt water uit de pijp.

    Water leaks from the pipe.

  • repareren fix

    Ik zal de kapotte deur repareren.

    I will fix the broken door.

Lesson 143 · Troubleshooting & Emergencies 3 words

  • helpen help

    Ik help mijn vriend.

    I help my friend.

  • kwijtraken lost

    Ik ben mijn tas kwijtgeraakt.

    I lost my bag.

  • gestolen stolen

    De dief heeft het geld gestolen.

    The thief has stolen the money.

Lesson 144 · City Transit & Commuting 1 words

  • passeren pass

    De trein passeert het station.

    The train passes the station.

Lesson 145 · Business & Trade 4 words

  • handelen trade

    Zij handelen in goederen op de markt.

    They trade goods at the market.

  • importeren import

    Ze importeren voedsel uit andere landen.

    They import food from other countries.

  • exporteren export

    Ons land exporteert rijst.

    Our country exports rice.

  • investeren invest

    Wij investeren geld in het bedrijf.

    We invest money in the company.

Lesson 147 · Digital Life & Connectivity 4 words

  • verwijderen delete

    Ik zal het bericht verwijderen.

    I will delete the message.

  • zoeken search

    De mannen zoeken naar water.

    The men search for water.

  • bijwerken update

    Ik zal de informatie bijwerken.

    I will update the information.

  • downloaden download

    Ik downloadde het nieuwe bestand.

    I downloaded the new file.

Lesson 148 · Hobbies & Free Time 5 words

  • lezen reading

    Ze vinden het leuk om dagelijks boeken te lezen.

    They enjoy reading books daily.

  • zingen singing

    Ze genieten elke dag van het zingen.

    They enjoy singing every day.

  • dansen dancing

    Ze houdt van dansen op feestjes.

    She loves dancing at parties.

  • wandelen hiking

    Wij wandelen graag in de zomer.

    We enjoy hiking in summer.

  • zwemmen swimming

    Ik houd van zwemmen in het meer.

    I love swimming at the lake.

Lesson 150 · Creative Hobbies 2 words

  • breien knitting

    Ze houdt van het breien van warme sjaals.

    She enjoys knitting warm scarves.

  • naaien sewing

    Haar vaardigheden in het naaien verbeteren elke week.

    Her sewing skills improve every week.

Lesson 152 · Sports & Games 3 words

  • scoren score

    Ik score punten in het spel.

    I score points in the game.

  • winnen win

    Je kunt elke keer winnen.

    You can win every time.

  • verliezen lose

    Ze verliezen de bal soms.

    They lose the ball sometimes.

Lesson 153 · Sports Verbs — On the Field 8 words

  • schieten shoot

    De jager schiet de pijl af.

    The hunter shoots the arrow.

  • verdedigen defend

    De soldaten verdedigen de stad.

    The soldiers defend the city.

  • juichen cheer

    De mensen juichen voor de winnaar.

    The people cheer for the winner.

  • slaan hit

    De jongen sloeg de bal.

    The boy hit the ball.

  • tillen lift

    Hij tilt de zware doos op.

    He lifts the heavy box.

  • dribbelen dribble

    De jongen dribbelt met de bal.

    The boy dribbles the ball.

  • aanpakken tackle

    We moeten dit moeilijke probleem aanpakken.

    We must tackle this difficult problem.

  • gooien pitch

    De speler gooit de bal.

    The player pitches the ball.

Lesson 156 · Sports — Outdoor & Action 7 words

  • surfen surfing

    De man surft op een golf.

    The man is surfing a wave.

  • vissen fishing

    Wij zijn in de rivier aan het vissen.

    We are fishing in the river.

  • zeilen sailing

    Het schip zeilt nu.

    The ship is sailing now.

  • klimmen climbing

    De jongen klimt in de boom.

    The boy is climbing the tree.

  • joggen jogging

    De man jogt buiten.

    The man is jogging outside.

  • skeeleren rollerblading

    Hij skeelert in het park.

    He is rollerblading in the park.

  • peddelen paddling

    Wij zijn de kleine boot aan het peddelen.

    We are paddling the small boat.

Lesson 158 · Entertainment at Home 4 words

  • streamen streaming

    Ze vinden het leuk om online films te streamen.

    They enjoy streaming movies online.

  • pauzeren pause

    Kun je de film alsjeblieft pauzeren?

    Can you pause the movie please?

  • afspelen play

    Ik kan de film van vorige week afspelen.

    I can play the movie from last week.

  • terugspoelen rewind

    Ik heb dat stukje gemist, kun je alsjeblieft terugspoelen?

    I missed that part, please rewind!

Lesson 159 · Entertainment Out & About 1 words

  • show show

    Hij denkt dat iedereen van die show houdt.

    He thinks that everyone loves that show.

Lesson 161 · Digital Life 1 5 words

  • uploaden to upload

    Wij uploaden foto's naar de website.

    We upload photos to the website.

  • downloaden download

    Zij zal het bestand later downloaden.

    She will download the file later.

  • delen to share

    Kun je die video met mij delen?

    Can you share that video with me?

  • like like

    Wauw, je foto heeft wel duizend likes!

    Wow, your photo has one thousand likes!

  • volgen to follow

    Op sociale media volgt ze veel kunstenaars.

    On social media, she follows many artists.

Lesson 173 · Outer Space & Cosmos 1 words

  • draaien om orbit

    De maan draait om de planeet.

    The moon orbits the planet.

Lesson 175 · Travel Plans 3 words

  • overstappen transfer

    Zij kan overstappen op een andere vlucht.

    She can transfer to another flight.

  • annuleren cancel

    Ik moet de boeking direct annuleren.

    I must cancel the booking at once.

  • wijzigen change

    Je kunt de boeking bij de balie wijzigen.

    You can change the booking at the desk.

Lesson 178 · Talking About the Past 2 — Tell what happened 1 words

  • ik ging I went

    Ik ging na schooltijd naar huis.

    I went home after school.

Lesson 181 · Giving Advice — Friendly suggestions 1 words

  • proberen Try

    Probeer het de volgende keer serieus te nemen.

    Try to take it seriously next time.

Lesson 183 · Handling Problems — Quick fixes 1 words

  • Ik heb ... gemist I missed ...

    Ik heb de bus gemist, dus ik ren.

    I missed the bus, so I run.

Free for personal and classroom use.

Quick quiz

Five questions from the words on this page.

Learn these Dutch verbs with pictures and audio.

The app teaches them in five-minute lessons and brings each one back before you forget it. Free on iPhone and Android.

Scan with your phone's camera to get the app.