가장 많이 쓰이는 네덜란드어 단어 100개

모든 단어에 그림, 원어민 음성, 한국어 번역이 달린 예문이 있어요. 스피커를 누르면 단어나 예문을 들을 수 있어요.

단어 100개 전부 앱으로 익혀 보세요

그림과 원어민 음성, 그리고 잊기 직전에 다시 나오는 복습까지. iPhone·Android 무료.

무료로 받기
App Store에서 다운로드 하기 Google Play에서 다운로드 휴대폰 카메라로 스캔하세요

순위를 매긴 방법

Flashcardly 네덜란드어 코스를 순서 그대로 정리한 목록이에요. 빈도와 일상에서 얼마나 유용한지를 기준으로, 언어 교사의 의견을 반영해 순서를 정했어요. 말뭉치 출현 횟수를 그대로 센 목록이 아니어서 “the”, “of” 같은 기능어가 상위권을 채우지 않아요(참고로 “남자” 단어의 순위는 13위).

단어 목록

오류 신고

무엇이 잘못됐는지 알려 주세요. 모든 신고를 확인합니다.

무엇이 잘못됐나요?

그림을 탭하면 발음을 들을 수 있어요.

  1. Hallo — 안녕하세요
    Hallo 안녕하세요

    Hallo, hoe gaat het? 안녕하세요, 어떻게 지내세요?

  2. Welkom — 환영합니다
    Welkom 환영합니다

    Welkom in ons huis. 저희 집에 오신 것을 환영합니다.

  3. Goedemorgen — 좋은 아침이에요
    Goedemorgen 좋은 아침이에요

    Goedemorgen! 좋은 아침이에요!

  4. ja — 네
    ja 네

    Ja, ik begrijp het. 네, 알겠어요.

  5. Goedenavond — 좋은 저녁이에요
    Goedenavond 좋은 저녁이에요

    Goedenavond! 좋은 저녁이에요!

  6. nee — 아니요
    nee 아니요

    Ze zei nee. 그녀는 아니요라고 말했어요.

  7. doei — 안녕히 가세요
    doei 안녕히 가세요

    Doei, Anna! 안녕히 가세요, 안나 씨!

  8. Goedemiddag — 안녕하세요
    Goedemiddag 안녕하세요

    Goedemiddag! 안녕하세요!

  9. Tot snel — 곧 봐요
    Tot snel 곧 봐요

    Tot snel, Mia! 미아 씨, 곧 봐요!

  10. Tot morgen — 내일 봐요
    Tot morgen 내일 봐요

    Tot morgen! 내일 봐요!

  11. Aangenaam — 만나서 반가워요
    Aangenaam 만나서 반가워요

    Aangenaam kennis te maken! 저도 만나서 반가워요.

  12. Hoe gaat het met je — 어떻게 지내세요?
    Hoe gaat het met je 어떻게 지내세요?

    Hoe gaat het met je vandaag? 오늘 어떻게 지내세요?

  13. de man — 남자
    de man 남자

    De man leest het boek. 남자는 책을 읽어요.

  14. de vrouw — 여자
    de vrouw 여자

    De vrouw draagt een hoed. 여자가 모자를 써요.

  15. de jongen — 소년
    de jongen 소년

    De jongen speelt met speelgoed. 소년이 장난감을 가지고 놀아요.

  16. het meisje — 소녀
    het meisje 소녀

    Het meisje heeft een bal. 소녀가 공을 가지고 있어요.

  17. de persoon — 사람
    de persoon 사람

    Hij is een aardig persoon. 그는 좋은 사람이에요.

  18. de mensen — 사람들
    de mensen 사람들

    De mensen zijn erg blij. 사람들이 아주 행복해요.

  19. de volwassene — 성인
    de volwassene 성인

    Ik ben een volwassene. 저는 성인이에요.

  20. de baby — 아기
    de baby 아기

    De baby heeft melk nodig. 아기가 우유가 필요해요.

  21. meneer — 씨
    meneer 씨

    Meneer Smith leest graag boeken. 스미스 씨는 책 읽는 것을 좋아해요.

  22. mevrouw — 부인
    mevrouw 부인

    Mevrouw Smith is een lerares. 스미스 부인은 선생님이에요.

  23. de buurman — 이웃
    de buurman 이웃

    Mijn buurman is erg vriendelijk. 제 이웃은 아주 친절해요.

  24. de vriend — 친구
    de vriend 친구

    Mijn vriend leest graag boeken. 제 친구는 책 읽는 것을 좋아해요.

  25. vandaag — 오늘
    vandaag 오늘

    Vandaag is een goede dag. 오늘은 좋은 날이에요.

  26. morgen — 내일
    morgen 내일

    Morgen is een nieuwe dag. 내일은 새로운 날이에요.

  27. gisteren — 어제
    gisteren 어제

    Ik heb haar gisteren gezien. 저는 어제 그녀를 봤어요.

  28. nu — 지금
    nu 지금

    Hij wil het nu. 그는 지금 그것을 원해요.

  29. de middag — 오후
    de middag 오후

    Ik vind de middag fijn. 저는 오후를 좋아해요.

  30. de avond — 저녁
    de avond 저녁

    De avond is rustig. 저녁은 조용해요.

  31. de minuut — 분
    de minuut 분

    We hebben vijf minuten nodig. 저희는 오 분이 필요해요.

  32. de ochtend — 아침
    de ochtend 아침

    Ik eet 's ochtends mijn ontbijt. 저는 아침에 아침을 먹어요.

  33. later — 나중에
    later 나중에

    Ik doe het later. 나중에 할 거예요.

  34. vroeg — 일찍
    vroeg 일찍

    Zij wordt vroeg wakker. 그녀는 일찍 일어나요.

  35. te laat — 늦다
    te laat 늦다

    Hij is vaak te laat. 그 사람은 자주 늦어요.

  36. het uur — 시간
    het uur 시간

    De les duurt één uur. 수업은 한 시간이에요.

  37. Hoe heet je? — 이름이 뭐예요?
    Hoe heet je? 이름이 뭐예요?

    Hoe heet je? 이름이 뭐예요?

  38. Mijn naam is — 제 이름은 ...예요
    Mijn naam is 제 이름은 ...예요

    Mijn naam is Emily. 제 이름은 에밀리예요.

  39. Waar kom je vandaan? — 어디에서 왔어요?
    Waar kom je vandaan? 어디에서 왔어요?

    Waar kom je vandaan? 어디에서 왔어요?

  40. Ik kom uit ... — 에서 왔어요
    Ik kom uit ... 에서 왔어요

    Ik kom uit Duitsland. 저는 독일에서 왔어요.

  41. Waar woon je — 어디에 살아요?
    Waar woon je 어디에 살아요?

    Waar woon je? 어디에 살아요?

  42. Ik woon in — 에 살다
    Ik woon in 에 살다

    Ik woon in Japan. 저는 일본에 살아요.

  43. Welke talen spreek je? — 어떤 언어를 하세요?
    Welke talen spreek je? 어떤 언어를 하세요?

    Welke talen spreek je? 어떤 언어를 하세요?

  44. ik spreek — 말하다
    ik spreek 말하다

    Ik spreek goed Engels. 저는 영어를 잘 말해요.

  45. Ik spreek een beetje ... — 조금 하다
    Ik spreek een beetje ... 조금 하다

    Ik spreek een beetje Frans. 저는 프랑스어를 조금 해요.

  46. Waar ben je geboren — 어디에서 태어났어요?
    Waar ben je geboren 어디에서 태어났어요?

    Waar ben je geboren? 어디에서 태어났어요?

  47. Wat is je achternaam? — 성이 어떻게 되세요?
    Wat is je achternaam? 성이 어떻게 되세요?

    Wat is je achternaam? 성이 어떻게 되세요?

  48. Dit is mijn vriend(in) — 이쪽은 제 친구예요
    Dit is mijn vriend(in) 이쪽은 제 친구예요

    Dit is mijn vriendin Lisa. 이쪽은 제 친구 리사예요.

  49. maken — 만들다
    maken 만들다

    Ik maak goede koffie. 저는 맛있는 커피를 만들어요.

  50. krijgen — 받다
    krijgen 받다

    Hij kreeg een cadeau. 그는 선물을 받았어요.

  51. hebben — 있다
    hebben 있다

    Emma heeft een auto. 엠마는 차가 있어요.

  52. eten — 먹다
    eten 먹다

    Zij eten appels. 그들은 사과를 먹어요.

  53. drinken — 마시다
    drinken 마시다

    Drink jij koffie? 커피를 마셔요?

  54. slapen — 자다
    slapen 자다

    Ik wil nu slapen. 저는 지금 자고 싶어요.

  55. zien — 보다
    zien 보다

    Kun je het huis zien? 집을 볼 수 있어요?

  56. kijken naar — 쳐다보다
    kijken naar 쳐다보다

    Adam vindt het leuk om naar foto's te kijken. 아담은 사진을 쳐다보는 것을 좋아합니다.

  57. lezen — 읽다
    lezen 읽다

    De student leest boeken. 학생은 책을 읽어요.

  58. openen — 열다
    openen 열다

    Zij opent het raam. 그녀는 창문을 열어요.

  59. sluiten — 닫다
    sluiten 닫다

    Ik sluit de deur. 저는 문을 닫아요.

  60. komen — 오다
    komen 오다

    Je komt hier elke dag. 매일 여기에 와요.

  61. alsjeblieft — 주세요
    alsjeblieft 주세요

    Wil je alsjeblieft de deur openen? 문을 열어 주세요.

  62. Dank je wel — 감사합니다
    Dank je wel 감사합니다

    Dank je wel voor je hulp. 도와주셔서 감사합니다.

  63. Graag gedaan. — 천만에요
    Graag gedaan. 천만에요

    Graag gedaan. 천만에요.

  64. Pardon — 실례합니다
    Pardon 실례합니다

    Pardon, ik heb hulp nodig. 실례합니다, 도움이 필요해요.

  65. sorry — 죄송해요
    sorry 죄송해요

    Het spijt me. 죄송해요.

  66. Kun je me helpen? — 도와주시겠어요?
    Kun je me helpen? 도와주시겠어요?

    Kun je me helpen? 저 좀 도와주시겠어요?

  67. Kun je dat alsjeblieft herhalen? — 다시 말씀해 주시겠어요?
    Kun je dat alsjeblieft herhalen? 다시 말씀해 주시겠어요?

    Kun je dat alsjeblieft herhalen? 그걸 다시 말씀해 주시겠어요?

  68. Zou je wat langzamer kunnen spreken? — 조금 더 천천히 말씀해 주시겠어요?
    Zou je wat langzamer kunnen spreken? 조금 더 천천히 말씀해 주시겠어요?

    Zou je wat langzamer kunnen spreken? 조금 더 천천히 말씀해 주시겠어요?

  69. Mag ik ... alsjeblieft? — 주시겠어요?
    Mag ik ... alsjeblieft? 주시겠어요?

    Mag ik water alsjeblieft? 물 좀 주시겠어요?

  70. ik zou graag ... willen — 주세요
    ik zou graag ... willen 주세요

    Ik zou graag nog wat thee willen. 차를 좀 더 주세요.

  71. Mag ik ...? — 해도 돼요?
    Mag ik ...? 해도 돼요?

    Mag ik wat water? 물 좀 마셔도 돼요?

  72. Is het goed als ...? — 아도 되다
    Is het goed als ...? 아도 되다

    Is het goed als ik ga zitten? 앉아도 돼요?

  73. nul — 영
    nul 영

    Nul is minder dan één. 영은 일보다 작아요.

  74. één — 하나
    één 하나

    Ik heb één appel. 저는 사과가 하나 있어요.

  75. twee — 둘
    twee 둘

    Er zijn twee katten. 고양이가 두 마리 있어요.

  76. drie — 셋
    drie 셋

    Nee, drie is te veel. 아니요, 셋은 너무 많아요.

  77. vier — 넷
    vier 넷

    Geef me er vier, alsjeblieft. 네 개 주세요.

  78. vijf — 다섯
    vijf 다섯

    Ik heb vijf honden. 저는 개가 다섯 마리 있어요.

  79. zes — 여섯
    zes 여섯

    Hij kwam met zes vrienden. 그는 친구 여섯 명과 같이 왔어요.

  80. zeven — 칠
    zeven 칠

    Ik ren zeven kilometer. 저는 칠 킬로미터를 달려요.

  81. acht — 여덟
    acht 여덟

    Een spin heeft acht poten. 거미는 다리가 여덟 개 있어요.

  82. negen — 구
    negen 구

    Negen is mijn geluksgetal. 구는 제 행운의 숫자예요.

  83. tien — 열
    tien 열

    Wij hebben tien vingers. 우리는 손가락이 열 개 있어요.

  84. plus — 더하기
    plus 더하기

    Twee plus twee is vier. 이 더하기 이는 사예요.

  85. Ik begrijp het niet — 이해가 안 돼요
    Ik begrijp het niet 이해가 안 돼요

    Ik begrijp het niet. 이해가 안 돼요.

  86. Kun je dat alsjeblieft herhalen? — 다시 말씀해 주시겠어요?
    Kun je dat alsjeblieft herhalen? 다시 말씀해 주시겠어요?

    Kun je dat alsjeblieft herhalen? 다시 말씀해 주시겠어요?

  87. Iets langzamer, alsjeblieft. — 더 천천히 말해 주세요
    Iets langzamer, alsjeblieft. 더 천천히 말해 주세요

    Iets langzamer, alsjeblieft. 더 천천히 말해 주세요.

  88. Wat betekent dat? — 그게 무슨 뜻이에요?
    Wat betekent dat? 그게 무슨 뜻이에요?

    Wat betekent dat? 그게 무슨 뜻이에요?

  89. Hoe zeg je dat in ...? — ~로 뭐라고 해요?
    Hoe zeg je dat in ...? ~로 뭐라고 해요?

    Hoe zeg je dat in het Spaans? 스페인어로 뭐라고 해요?

  90. Hoe spel je dat? — 철자가 어떻게 돼요?
    Hoe spel je dat? 철자가 어떻게 돼요?

    Hoe spel je dat? 철자가 어떻게 돼요?

  91. Kun je het opschrijven? — 적어 주시겠어요?
    Kun je het opschrijven? 적어 주시겠어요?

    Kun je het opschrijven, alsjeblieft? 좀 적어 주시겠어요?

  92. Kun je me ... laten zien — 보여 줄 수 있어요?
    Kun je me ... laten zien 보여 줄 수 있어요?

    Kun je me de foto laten zien? 사진을 보여 줄 수 있어요?

  93. Spreek je ...? — ... 할 줄 알아요?
    Spreek je ...? ... 할 줄 알아요?

    Spreek je Engels? 영어 할 줄 알아요?

  94. Een momentje, alsjeblieft. — 잠시만요
    Een momentje, alsjeblieft. 잠시만요

    Een momentje, alsjeblieft. 잠시만요.

  95. Ik denk het wel. — 그렇게 생각하다
    Ik denk het wel. 그렇게 생각하다

    Ik denk het ook. 저도 그렇게 생각해요.

  96. Ik weet het niet. — 몰라요
    Ik weet het niet. 몰라요

    Ik weet het niet. 몰라요.

  97. dit — 이것
    dit 이것

    Dit is mijn rode auto. 이것은 제 빨간 차예요.

  98. die — 그
    die 그

    Die hond is erg vriendelijk. 그 개는 아주 순해요.

  99. hier — 여기
    hier 여기

    Ik vind het fijn om hier te zijn. 저는 여기 있는 것을 좋아해요.

  100. daar — 거기
    daar 거기

    We spreken daar na het werk af. 우리는 퇴근 후에 거기에서 만나요.

개인 학습과 수업에 무료로 쓸 수 있어요.

미니 퀴즈

처음 100개 단어로 5문제를 풀어 보세요.

네덜란드어 단어 100개를 순서대로 익혀 보세요.

앱이 그림과 음성으로 한 번에 12개씩 가르치고, 잊어버리기 전에 다시 보여 줘요. iPhone과 Android에서 무료.

휴대폰 카메라로 스캔하면 앱을 받을 수 있어요.