가장 많이 쓰이는 네덜란드어 단어 1,000개

모든 단어에 그림, 원어민 음성, 한국어 번역이 달린 예문이 있어요. 스피커를 누르면 단어나 예문을 들을 수 있어요.

단어 1,000개 전부 앱으로 익혀 보세요

그림과 원어민 음성, 그리고 잊기 직전에 다시 나오는 복습까지. iPhone·Android 무료.

무료로 받기
App Store에서 다운로드 하기 Google Play에서 다운로드 휴대폰 카메라로 스캔하세요

순위를 매긴 방법

Flashcardly 네덜란드어 코스를 순서 그대로 정리한 목록이에요. 빈도와 일상에서 얼마나 유용한지를 기준으로, 언어 교사의 의견을 반영해 순서를 정했어요. 말뭉치 출현 횟수를 그대로 센 목록이 아니어서 “the”, “of” 같은 기능어가 상위권을 채우지 않아요(참고로 “남자” 단어의 순위는 13위).

단어 목록

오류 신고

무엇이 잘못됐는지 알려 주세요. 모든 신고를 확인합니다.

무엇이 잘못됐나요?

그림을 탭하면 발음을 들을 수 있어요.

1–100번째 단어

  1. Hallo — 안녕하세요
    Hallo 안녕하세요

    Hallo, hoe gaat het? 안녕하세요, 어떻게 지내세요?

  2. Welkom — 환영합니다
    Welkom 환영합니다

    Welkom in ons huis. 저희 집에 오신 것을 환영합니다.

  3. Goedemorgen — 좋은 아침이에요
    Goedemorgen 좋은 아침이에요

    Goedemorgen! 좋은 아침이에요!

  4. ja — 네
    ja 네

    Ja, ik begrijp het. 네, 알겠어요.

  5. Goedenavond — 좋은 저녁이에요
    Goedenavond 좋은 저녁이에요

    Goedenavond! 좋은 저녁이에요!

  6. nee — 아니요
    nee 아니요

    Ze zei nee. 그녀는 아니요라고 말했어요.

  7. doei — 안녕히 가세요
    doei 안녕히 가세요

    Doei, Anna! 안녕히 가세요, 안나 씨!

  8. Goedemiddag — 안녕하세요
    Goedemiddag 안녕하세요

    Goedemiddag! 안녕하세요!

  9. Tot snel — 곧 봐요
    Tot snel 곧 봐요

    Tot snel, Mia! 미아 씨, 곧 봐요!

  10. Tot morgen — 내일 봐요
    Tot morgen 내일 봐요

    Tot morgen! 내일 봐요!

  11. Aangenaam — 만나서 반가워요
    Aangenaam 만나서 반가워요

    Aangenaam kennis te maken! 저도 만나서 반가워요.

  12. Hoe gaat het met je — 어떻게 지내세요?
    Hoe gaat het met je 어떻게 지내세요?

    Hoe gaat het met je vandaag? 오늘 어떻게 지내세요?

  13. de man — 남자
    de man 남자

    De man leest het boek. 남자는 책을 읽어요.

  14. de vrouw — 여자
    de vrouw 여자

    De vrouw draagt een hoed. 여자가 모자를 써요.

  15. de jongen — 소년
    de jongen 소년

    De jongen speelt met speelgoed. 소년이 장난감을 가지고 놀아요.

  16. het meisje — 소녀
    het meisje 소녀

    Het meisje heeft een bal. 소녀가 공을 가지고 있어요.

  17. de persoon — 사람
    de persoon 사람

    Hij is een aardig persoon. 그는 좋은 사람이에요.

  18. de mensen — 사람들
    de mensen 사람들

    De mensen zijn erg blij. 사람들이 아주 행복해요.

  19. de volwassene — 성인
    de volwassene 성인

    Ik ben een volwassene. 저는 성인이에요.

  20. de baby — 아기
    de baby 아기

    De baby heeft melk nodig. 아기가 우유가 필요해요.

  21. meneer — 씨
    meneer 씨

    Meneer Smith leest graag boeken. 스미스 씨는 책 읽는 것을 좋아해요.

  22. mevrouw — 부인
    mevrouw 부인

    Mevrouw Smith is een lerares. 스미스 부인은 선생님이에요.

  23. de buurman — 이웃
    de buurman 이웃

    Mijn buurman is erg vriendelijk. 제 이웃은 아주 친절해요.

  24. de vriend — 친구
    de vriend 친구

    Mijn vriend leest graag boeken. 제 친구는 책 읽는 것을 좋아해요.

  25. vandaag — 오늘
    vandaag 오늘

    Vandaag is een goede dag. 오늘은 좋은 날이에요.

  26. morgen — 내일
    morgen 내일

    Morgen is een nieuwe dag. 내일은 새로운 날이에요.

  27. gisteren — 어제
    gisteren 어제

    Ik heb haar gisteren gezien. 저는 어제 그녀를 봤어요.

  28. nu — 지금
    nu 지금

    Hij wil het nu. 그는 지금 그것을 원해요.

  29. de middag — 오후
    de middag 오후

    Ik vind de middag fijn. 저는 오후를 좋아해요.

  30. de avond — 저녁
    de avond 저녁

    De avond is rustig. 저녁은 조용해요.

  31. de minuut — 분
    de minuut 분

    We hebben vijf minuten nodig. 저희는 오 분이 필요해요.

  32. de ochtend — 아침
    de ochtend 아침

    Ik eet 's ochtends mijn ontbijt. 저는 아침에 아침을 먹어요.

  33. later — 나중에
    later 나중에

    Ik doe het later. 나중에 할 거예요.

  34. vroeg — 일찍
    vroeg 일찍

    Zij wordt vroeg wakker. 그녀는 일찍 일어나요.

  35. te laat — 늦다
    te laat 늦다

    Hij is vaak te laat. 그 사람은 자주 늦어요.

  36. het uur — 시간
    het uur 시간

    De les duurt één uur. 수업은 한 시간이에요.

  37. Hoe heet je? — 이름이 뭐예요?
    Hoe heet je? 이름이 뭐예요?

    Hoe heet je? 이름이 뭐예요?

  38. Mijn naam is — 제 이름은 ...예요
    Mijn naam is 제 이름은 ...예요

    Mijn naam is Emily. 제 이름은 에밀리예요.

  39. Waar kom je vandaan? — 어디에서 왔어요?
    Waar kom je vandaan? 어디에서 왔어요?

    Waar kom je vandaan? 어디에서 왔어요?

  40. Ik kom uit ... — 에서 왔어요
    Ik kom uit ... 에서 왔어요

    Ik kom uit Duitsland. 저는 독일에서 왔어요.

  41. Waar woon je — 어디에 살아요?
    Waar woon je 어디에 살아요?

    Waar woon je? 어디에 살아요?

  42. Ik woon in — 에 살다
    Ik woon in 에 살다

    Ik woon in Japan. 저는 일본에 살아요.

  43. Welke talen spreek je? — 어떤 언어를 하세요?
    Welke talen spreek je? 어떤 언어를 하세요?

    Welke talen spreek je? 어떤 언어를 하세요?

  44. ik spreek — 말하다
    ik spreek 말하다

    Ik spreek goed Engels. 저는 영어를 잘 말해요.

  45. Ik spreek een beetje ... — 조금 하다
    Ik spreek een beetje ... 조금 하다

    Ik spreek een beetje Frans. 저는 프랑스어를 조금 해요.

  46. Waar ben je geboren — 어디에서 태어났어요?
    Waar ben je geboren 어디에서 태어났어요?

    Waar ben je geboren? 어디에서 태어났어요?

  47. Wat is je achternaam? — 성이 어떻게 되세요?
    Wat is je achternaam? 성이 어떻게 되세요?

    Wat is je achternaam? 성이 어떻게 되세요?

  48. Dit is mijn vriend(in) — 이쪽은 제 친구예요
    Dit is mijn vriend(in) 이쪽은 제 친구예요

    Dit is mijn vriendin Lisa. 이쪽은 제 친구 리사예요.

  49. maken — 만들다
    maken 만들다

    Ik maak goede koffie. 저는 맛있는 커피를 만들어요.

  50. krijgen — 받다
    krijgen 받다

    Hij kreeg een cadeau. 그는 선물을 받았어요.

  51. hebben — 있다
    hebben 있다

    Emma heeft een auto. 엠마는 차가 있어요.

  52. eten — 먹다
    eten 먹다

    Zij eten appels. 그들은 사과를 먹어요.

  53. drinken — 마시다
    drinken 마시다

    Drink jij koffie? 커피를 마셔요?

  54. slapen — 자다
    slapen 자다

    Ik wil nu slapen. 저는 지금 자고 싶어요.

  55. zien — 보다
    zien 보다

    Kun je het huis zien? 집을 볼 수 있어요?

  56. kijken naar — 쳐다보다
    kijken naar 쳐다보다

    Adam vindt het leuk om naar foto's te kijken. 아담은 사진을 쳐다보는 것을 좋아합니다.

  57. lezen — 읽다
    lezen 읽다

    De student leest boeken. 학생은 책을 읽어요.

  58. openen — 열다
    openen 열다

    Zij opent het raam. 그녀는 창문을 열어요.

  59. sluiten — 닫다
    sluiten 닫다

    Ik sluit de deur. 저는 문을 닫아요.

  60. komen — 오다
    komen 오다

    Je komt hier elke dag. 매일 여기에 와요.

  61. alsjeblieft — 주세요
    alsjeblieft 주세요

    Wil je alsjeblieft de deur openen? 문을 열어 주세요.

  62. Dank je wel — 감사합니다
    Dank je wel 감사합니다

    Dank je wel voor je hulp. 도와주셔서 감사합니다.

  63. Graag gedaan. — 천만에요
    Graag gedaan. 천만에요

    Graag gedaan. 천만에요.

  64. Pardon — 실례합니다
    Pardon 실례합니다

    Pardon, ik heb hulp nodig. 실례합니다, 도움이 필요해요.

  65. sorry — 죄송해요
    sorry 죄송해요

    Het spijt me. 죄송해요.

  66. Kun je me helpen? — 도와주시겠어요?
    Kun je me helpen? 도와주시겠어요?

    Kun je me helpen? 저 좀 도와주시겠어요?

  67. Kun je dat alsjeblieft herhalen? — 다시 말씀해 주시겠어요?
    Kun je dat alsjeblieft herhalen? 다시 말씀해 주시겠어요?

    Kun je dat alsjeblieft herhalen? 그걸 다시 말씀해 주시겠어요?

  68. Zou je wat langzamer kunnen spreken? — 조금 더 천천히 말씀해 주시겠어요?
    Zou je wat langzamer kunnen spreken? 조금 더 천천히 말씀해 주시겠어요?

    Zou je wat langzamer kunnen spreken? 조금 더 천천히 말씀해 주시겠어요?

  69. Mag ik ... alsjeblieft? — 주시겠어요?
    Mag ik ... alsjeblieft? 주시겠어요?

    Mag ik water alsjeblieft? 물 좀 주시겠어요?

  70. ik zou graag ... willen — 주세요
    ik zou graag ... willen 주세요

    Ik zou graag nog wat thee willen. 차를 좀 더 주세요.

  71. Mag ik ...? — 해도 돼요?
    Mag ik ...? 해도 돼요?

    Mag ik wat water? 물 좀 마셔도 돼요?

  72. Is het goed als ...? — 아도 되다
    Is het goed als ...? 아도 되다

    Is het goed als ik ga zitten? 앉아도 돼요?

  73. nul — 영
    nul 영

    Nul is minder dan één. 영은 일보다 작아요.

  74. één — 하나
    één 하나

    Ik heb één appel. 저는 사과가 하나 있어요.

  75. twee — 둘
    twee 둘

    Er zijn twee katten. 고양이가 두 마리 있어요.

  76. drie — 셋
    drie 셋

    Nee, drie is te veel. 아니요, 셋은 너무 많아요.

  77. vier — 넷
    vier 넷

    Geef me er vier, alsjeblieft. 네 개 주세요.

  78. vijf — 다섯
    vijf 다섯

    Ik heb vijf honden. 저는 개가 다섯 마리 있어요.

  79. zes — 여섯
    zes 여섯

    Hij kwam met zes vrienden. 그는 친구 여섯 명과 같이 왔어요.

  80. zeven — 칠
    zeven 칠

    Ik ren zeven kilometer. 저는 칠 킬로미터를 달려요.

  81. acht — 여덟
    acht 여덟

    Een spin heeft acht poten. 거미는 다리가 여덟 개 있어요.

  82. negen — 구
    negen 구

    Negen is mijn geluksgetal. 구는 제 행운의 숫자예요.

  83. tien — 열
    tien 열

    Wij hebben tien vingers. 우리는 손가락이 열 개 있어요.

  84. plus — 더하기
    plus 더하기

    Twee plus twee is vier. 이 더하기 이는 사예요.

  85. Ik begrijp het niet — 이해가 안 돼요
    Ik begrijp het niet 이해가 안 돼요

    Ik begrijp het niet. 이해가 안 돼요.

  86. Kun je dat alsjeblieft herhalen? — 다시 말씀해 주시겠어요?
    Kun je dat alsjeblieft herhalen? 다시 말씀해 주시겠어요?

    Kun je dat alsjeblieft herhalen? 다시 말씀해 주시겠어요?

  87. Iets langzamer, alsjeblieft. — 더 천천히 말해 주세요
    Iets langzamer, alsjeblieft. 더 천천히 말해 주세요

    Iets langzamer, alsjeblieft. 더 천천히 말해 주세요.

  88. Wat betekent dat? — 그게 무슨 뜻이에요?
    Wat betekent dat? 그게 무슨 뜻이에요?

    Wat betekent dat? 그게 무슨 뜻이에요?

  89. Hoe zeg je dat in ...? — ~로 뭐라고 해요?
    Hoe zeg je dat in ...? ~로 뭐라고 해요?

    Hoe zeg je dat in het Spaans? 스페인어로 뭐라고 해요?

  90. Hoe spel je dat? — 철자가 어떻게 돼요?
    Hoe spel je dat? 철자가 어떻게 돼요?

    Hoe spel je dat? 철자가 어떻게 돼요?

  91. Kun je het opschrijven? — 적어 주시겠어요?
    Kun je het opschrijven? 적어 주시겠어요?

    Kun je het opschrijven, alsjeblieft? 좀 적어 주시겠어요?

  92. Kun je me ... laten zien — 보여 줄 수 있어요?
    Kun je me ... laten zien 보여 줄 수 있어요?

    Kun je me de foto laten zien? 사진을 보여 줄 수 있어요?

  93. Spreek je ...? — ... 할 줄 알아요?
    Spreek je ...? ... 할 줄 알아요?

    Spreek je Engels? 영어 할 줄 알아요?

  94. Een momentje, alsjeblieft. — 잠시만요
    Een momentje, alsjeblieft. 잠시만요

    Een momentje, alsjeblieft. 잠시만요.

  95. Ik denk het wel. — 그렇게 생각하다
    Ik denk het wel. 그렇게 생각하다

    Ik denk het ook. 저도 그렇게 생각해요.

  96. Ik weet het niet. — 몰라요
    Ik weet het niet. 몰라요

    Ik weet het niet. 몰라요.

  97. dit — 이것
    dit 이것

    Dit is mijn rode auto. 이것은 제 빨간 차예요.

  98. die — 그
    die 그

    Die hond is erg vriendelijk. 그 개는 아주 순해요.

  99. hier — 여기
    hier 여기

    Ik vind het fijn om hier te zijn. 저는 여기 있는 것을 좋아해요.

  100. daar — 거기
    daar 거기

    We spreken daar na het werk af. 우리는 퇴근 후에 거기에서 만나요.

101–200번째 단어

  1. nog een — 다른
    nog een 다른

    Hij wil nog een stukje taart. 그는 다른 케이크 조각을 원해요.

  2. hetzelfde — 같다
    hetzelfde 같다

    Wij dragen hetzelfde blauwe shirt. 우리는 같은 파란색 셔츠를 입어요.

  3. deze — 이
    deze 이

    Deze appels zijn klaar om te eten. 이 사과들은 지금 먹기 좋아요.

  4. die — 그
    die 그

    Die koekjes zien er erg lekker uit. 그 쿠키 정말 맛있어 보여요.

  5. precies hier — 바로 여기
    precies hier 바로 여기

    De sleutels liggen precies hier. 열쇠가 바로 여기에 있어요.

  6. daar — 저기
    daar 저기

    Mijn schoenen staan daar. 제 신발은 저기에 있어요.

  7. boven op — 위에
    boven op 위에

    De kat zit boven op de tafel. 고양이가 테이블 위에 있어요.

  8. onder — 밑
    onder 밑

    De hond zit onder de tafel. 강아지가 테이블 밑에 있어요.

  9. Hoe gaat het? — 어떻게 지내요?
    Hoe gaat het? 어떻게 지내요?

    Hoe gaat het? 어떻게 지내요?

  10. Lang niet gezien. — 오랜만이에요
    Lang niet gezien. 오랜만이에요

    Lang niet gezien. 오랜만이에요.

  11. Waar geniet je van — 무엇을 즐기세요?
    Waar geniet je van 무엇을 즐기세요?

    Waar geniet je van? 무엇을 즐기세요?

  12. Wat ben je aan het doen ...? — 뭐 해요?
    Wat ben je aan het doen ...? 뭐 해요?

    Wat ben je nu aan het doen? 지금 뭐 해요?

  13. Prettige dag — 좋은 하루 보내세요
    Prettige dag 좋은 하루 보내세요

    Prettige dag nog, John! 존 씨, 좋은 하루 보내세요!

  14. Pas goed op jezelf — 조심해서 가세요
    Pas goed op jezelf 조심해서 가세요

    Pas goed op jezelf. Tot morgen. 조심해서 가세요. 내일 봐요.

  15. Veel succes! — 행운을 빌어요
    Veel succes! 행운을 빌어요

    Veel succes! Ik geloof in je! 행운을 빌어요! 저는 믿어요!

  16. Gefeliciteerd! — 축하해요
    Gefeliciteerd! 축하해요

    Gefeliciteerd! Je hebt het zware werk afgerond. 축하해요! 힘든 일을 다 끝냈어요.

  17. Proost! — 건배해요
    Proost! 건배해요

    Proost! 건배해요!

  18. Geen probleem — 괜찮아요
    Geen probleem 괜찮아요

    Geen probleem, ik kan je helpen. 괜찮아요, 제가 도와줄 수 있어요.

  19. Maak je geen zorgen — 걱정하지 마세요
    Maak je geen zorgen 걱정하지 마세요

    Maak je geen zorgen, het komt wel goed. 걱정하지 마세요, 다 괜찮을 거예요.

  20. Dat klinkt goed — 좋아요
    Dat klinkt goed 좋아요

    Dat klinkt goed voor mij, bedankt! 저는 좋아요, 고마워요!

  21. weten — 알다
    weten 알다

    Je weet het antwoord nu. 이제 정답을 알아요.

  22. vragen — 물어보다
    vragen 물어보다

    Je kunt het aan je broer vragen. 남동생에게 물어볼 수 있어요.

  23. horen — 들리다
    horen 들리다

    Kun je dat geluid horen? 저 소리가 들려요?

  24. leren — 배우다
    leren 배우다

    Je leert elke dag iets nieuws. 매일 새로운 것을 배워요.

  25. praten met — 이야기하다
    praten met 이야기하다

    Vind je het leuk om met je vrienden te praten? 친구들과 이야기하는 것을 좋아해요?

  26. zeggen — 말하다
    zeggen 말하다

    Ik wil iets zeggen. 저는 무언가를 말하고 싶어요.

  27. kiezen — 고르다
    kiezen 고르다

    Je kiest je favoriete kleur. 가장 좋아하는 색을 골라요.

  28. schrijven — 쓰다
    schrijven 쓰다

    De studenten schrijven een verhaal. 학생들은 이야기를 써요.

  29. bellen — 전화하다
    bellen 전화하다

    Ik ga je bellen. 제가 전화할 거예요.

  30. luisteren naar — 듣다
    luisteren naar 듣다

    Ik luister naar de radio. 저는 라디오를 들어요.

  31. studeren — 공부하다
    studeren 공부하다

    Ik moet hard studeren voor elke toets. 저는 시험마다 열심히 공부해요.

  32. vertellen — 알려주다
    vertellen 알려주다

    Hij vertelt me zijn naam. 그는 나에게 그의 이름을 알려줍니다.

  33. ontmoeten — 만나다
    ontmoeten 만나다

    Ik ontmoet je morgen. 내일 만날게요.

  34. zich aansluiten bij — 가입하다
    zich aansluiten bij 가입하다

    Zij zal zich bij onze groep aansluiten. 그녀는 우리 그룹에 가입할 거예요.

  35. genieten van — 즐기다
    genieten van 즐기다

    Wij genieten van de muziek. 우리는 음악을 즐겨요.

  36. beschrijven — 묘사하다
    beschrijven 묘사하다

    De jongen beschreef het dier. 그 소년은 그 동물을 묘사했습니다.

  37. uitleggen — 설명하다
    uitleggen 설명하다

    Zij zal het probleem uitleggen. 그녀가 그 문제를 설명할 거예요.

  38. lesgeven — 가르치다
    lesgeven 가르치다

    Ik lesgeef de nieuwe studenten. 저는 새로운 학생들을 가르쳐요.

  39. voorstellen — 소개하다
    voorstellen 소개하다

    Ik zal mijn vriend voorstellen. 제 친구를 소개할게요.

  40. accepteren — 받다
    accepteren 받다

    Zij accepteert het cadeau. 그녀는 선물을 받아요.

  41. weigeren — 거부하다
    weigeren 거부하다

    Het kind weigert het eten. 그 아이는 음식을 거부해요.

  42. beloven — 약속하다
    beloven 약속하다

    Ik beloof dat ik je zal helpen. 제가 도와주기로 약속할게요.

  43. bespreken — 논의하다
    bespreken 논의하다

    Zij bespreken het nieuwe plan. 그들은 새로운 계획을 논의합니다.

  44. contact opnemen met — 연락하다
    contact opnemen met 연락하다

    Ik zal contact opnemen met de dokter. 의사 선생님께 연락할게요.

  45. lachen — 웃다
    lachen 웃다

    De kinderen lachen hard. 아이들이 크게 웃습니다.

  46. schreeuwen — 소리치다
    schreeuwen 소리치다

    De jongen schreeuwt om hulp. 소년이 도와달라고 소리칩니다.

  47. fluisteren — 속삭이다
    fluisteren 속삭이다

    Hij fluistert in mijn oor. 그는 내 귀에 대고 속삭여요.

  48. zwaaien — 손을 흔들다
    zwaaien 손을 흔들다

    Ze zwaait gedag. 그녀는 작별 인사로 손을 흔든다.

  49. knikken — 끄덕이다
    knikken 끄덕이다

    De vrouw knikt met haar hoofd. 여자가 고개를 끄덕입니다.

  50. knuffelen — 껴안다
    knuffelen 껴안다

    De moeder knuffelt haar kind. 어머니가 아이를 껴안습니다.

  51. kussen — 뽀뽀하다
    kussen 뽀뽀하다

    De moeder kust haar kind. 엄마가 아이에게 뽀뽀해요.

  52. wijzen — 가리키다
    wijzen 가리키다

    Het kind wijst naar de hond. 아이가 강아지를 가리킵니다.

  53. knipperen — 깜빡이다
    knipperen 깜빡이다

    Hij knippert snel met zijn ogen. 그는 눈을 빠르게 깜빡입니다.

  54. fronsen — 찌푸리다
    fronsen 찌푸리다

    De vader fronst naar zijn zoon. 아버지는 아들을 보고 얼굴을 찌푸립니다.

  55. gapen — 하품하다
    gapen 하품하다

    De vermoeide man gaapt. 피곤한 남자가 하품합니다.

  56. snuiven — 냄새를 맡다
    snuiven 냄새를 맡다

    De hond snuift aan het eten. 강아지가 음식의 냄새를 맡아요.

  57. goed — 좋다
    goed 좋다

    Zij is een goede persoon. 그녀는 좋은 사람이에요.

  58. slecht — 나쁘다
    slecht 나쁘다

    Die melk ruikt slecht. 그 우유는 냄새가 나빠요.

  59. groot — 크다
    groot 크다

    De grote hond kan springen. 큰 개는 점프할 수 있어요.

  60. klein — 작다
    klein 작다

    De baby heeft kleine handjes. 아기는 손이 작아요.

  61. fout — 틀리다
    fout 틀리다

    Je antwoord is fout. 대답이 틀렸어요.

  62. makkelijk — 쉽다
    makkelijk 쉽다

    Deze som is makkelijk. 이 수학 문제는 쉬워요.

  63. moeilijk — 어렵다
    moeilijk 어렵다

    Die toets was moeilijk. 그 시험은 어려웠어요.

  64. snel — 빠르다
    snel 빠르다

    Auto's rijden erg snel. 차들이 아주 빨리 가요.

  65. langzaam — 느리다
    langzaam 느리다

    De schildpad is erg langzaam. 거북이는 매우 느려요.

  66. nieuw — 새롭다
    nieuw 새롭다

    Dit is een nieuwe auto. 이것은 새로운 차예요.

  67. waar — 사실이다
    waar 사실이다

    Is dit verhaal waar? 이 이야기는 사실이에요?

  68. onjuist — 틀리다
    onjuist 틀리다

    Het antwoord is onjuist. 그 답은 틀려요.

  69. Ik wil — -고 싶다
    Ik wil -고 싶다

    Ik wil pizza eten. 피자를 먹고 싶어요.

  70. ik moet ... — 해야 하다
    ik moet ... 해야 하다

    Ik moet haar bellen. 그녀에게 전화해야 해요.

  71. ik ga ... — ㄹ 거예요
    ik ga ... ㄹ 거예요

    Ik ga zo eten. 곧 먹을 거예요.

  72. ik zou graag ... — -기를 원하다
    ik zou graag ... -기를 원하다

    Ik zou graag tennissen. 저는 테니스 치기를 원합니다.

  73. ik moet — -아야 하다
    ik moet -아야 하다

    Ik moet nu gaan. 지금 가야 해요.

  74. Mag ik ... — 해도 되다
    Mag ik ... 해도 되다

    Mag ik water, alsjeblieft? 물 좀 마셔도 돼요?

  75. help me met ... — ... 좀 도와주세요
    help me met ... ... 좀 도와주세요

    Help me alsjeblieft met deze tas. 이 가방 좀 도와주세요.

  76. laat me zien hoe je ... — ...하는 방법을 알려주세요
    laat me zien hoe je ... ...하는 방법을 알려주세요

    Laat me zien hoe je dit doet. 이거 하는 방법을 알려주세요.

  77. Ik kan nu niet ... — 지금 ...ㄹ 수 없다
    Ik kan nu niet ... 지금 ...ㄹ 수 없다

    Ik kan nu niet helpen. 지금 도와줄 수 없어요.

  78. Ik probeer te — 으려고 노력하다
    Ik probeer te 으려고 노력하다

    Ik probeer te slapen nu. 지금 자려고 노력하고 있어요.

  79. Is het mogelijk om ... — 가능하다
    Is het mogelijk om ... 가능하다

    Is het mogelijk om hier te zwemmen? 여기서 수영이 가능해요?

  80. Waar kan ik ... — 어디에서 ...ㄹ 수 있어요?
    Waar kan ik ... 어디에서 ...ㄹ 수 있어요?

    Waar kan ik lunchen? 어디에서 점심을 먹을 수 있어요?

  81. maandag — 월요일
    maandag 월요일

    Maandag is de eerste dag. 월요일은 첫 번째 날이에요.

  82. dinsdag — 화요일
    dinsdag 화요일

    Dinsdag is altijd leuk. 화요일은 항상 재미있어요.

  83. woensdag — 수요일
    woensdag 수요일

    Ze gaat woensdag naar huis. 그녀는 수요일에 집에 가요.

  84. donderdag — 목요일
    donderdag 목요일

    Hij komt op donderdag. 그는 목요일에 와요.

  85. vrijdag — 금요일
    vrijdag 금요일

    Vrijdag is de beste dag. 금요일이 가장 좋은 날이에요.

  86. zaterdag — 토요일
    zaterdag 토요일

    Ik vertrek op zaterdag. 저는 토요일에 떠나요.

  87. zondag — 일요일
    zondag 일요일

    Ik ga op zondag uitrusten. 저는 일요일에 쉴 거예요.

  88. de doordeweekse dag — 평일
    de doordeweekse dag 평일

    Ze werkt elke doordeweekse ochtend. 그녀는 평일 아침마다 일해요.

  89. het weekend — 주말
    het weekend 주말

    Wie houdt er niet van het weekend? 누가 주말을 안 좋아해요?

  90. dagelijks — 매일
    dagelijks 매일

    Wij lezen dagelijks de krant. 우리는 매일 신문을 읽어요.

  91. wekelijks — 매주
    wekelijks 매주

    Ik kijk meestal wekelijks naar het nieuws. 저는 보통 매주 뉴스를 봐요.

  92. maandelijks — 매달
    maandelijks 매달

    Zij betalen de maandelijkse prijs. 그들은 매달 요금을 내요.

  93. de dag — 하루
    de dag 하루

    We hebben één dag gewacht. 우리는 하루 동안 기다렸어요.

  94. de nacht — 밤
    de nacht 밤

    Wij slapen 's nachts. 우리는 밤에 자요.

  95. de week — 주
    de week 주

    We zijn één week gebleven. 우리는 일주일 동안 머물렀어요.

  96. de maand — 달
    de maand 달

    Hij heeft één maand gewerkt. 그는 한 달 동안 일했습니다.

  97. het jaar — 년
    het jaar 년

    We hebben één jaar gewacht. 우리는 일 년 동안 기다렸어요.

  98. de tijd — 시간
    de tijd 시간

    We hebben meer tijd nodig. 우리는 시간이 더 필요해요.

  99. het moment — 잠시
    het moment 잠시

    Hij wachtte even een moment. 그는 잠시 동안 기다렸습니다.

  100. de toekomst — 미래
    de toekomst 미래

    Ik denk na over de toekomst. 저는 미래에 대해 생각해요.

201–300번째 단어

  1. uur — 시
    uur 시

    Ik word om zeven uur wakker. 저는 일곱 시에 일어납니다.

  2. de middernacht — 자정
    de middernacht 자정

    We vertrekken om middernacht. 우리는 자정에 출발할 거예요.

  3. de middag — 한낮
    de middag 한낮

    De zon is heet op de middag. 한낮에는 태양이 뜨겁습니다.

  4. vanavond — 오늘 밤
    vanavond 오늘 밤

    De gasten komen vanavond aan. 손님들은 오늘 밤에 도착할 거예요.

  5. de hulp — 도와주다
    de hulp 도와주다

    Hulp! Ik zit in de problemen. 도와주세요! 제가 곤란해요.

  6. het gevaar — 위험
    het gevaar 위험

    We zijn in gevaar! 저희는 위험에 처해 있어요!

  7. de politie — 경찰
    de politie 경찰

    Bel de politie! 경찰을 불러요!

  8. de dokter — 의사
    de dokter 의사

    Ik heb een dokter nodig! 의사가 필요해요!

  9. de ambulance — 구급차
    de ambulance 구급차

    Bel een ambulance! 구급차를 부르세요!

  10. de brandweerman — 소방관
    de brandweerman 소방관

    De brandweermannen zijn helden. 소방관들은 영웅이에요.

  11. het ongeluk — 사고
    het ongeluk 사고

    Ik heb een ongeluk gehad. 제가 사고가 났어요.

  12. beschermen — 보호하다
    beschermen 보호하다

    De politie moet ons beschermen. 경찰이 우리를 보호해요.

  13. waarschuwen — 경고하다
    waarschuwen 경고하다

    Ik moet ze waarschuwen! 제가 그들에게 경고해야 해요!

  14. de wekker — 경보
    de wekker 경보

    De wekker ging af! 경보가 울렸어요!

  15. de brand — 불
    de brand 불

    Er is brand! 불이 났어요!

  16. de rook — 연기
    de rook 연기

    Er komt rook uit het gebouw! 건물에서 연기가 나오고 있어요!

  17. werken als — 일하다
    werken als 일하다

    Ze werken als verpleegkundigen in het ziekenhuis. 그들은 병원 간호사로 일해요.

  18. kopen — 사다
    kopen 사다

    Je kunt hier fruit kopen. 여기서 과일을 살 수 있어요.

  19. betalen — 내다
    betalen 내다

    Je moet hiervoor betalen. 이것은 돈을 내야 해요.

  20. verkopen — 팔다
    verkopen 팔다

    Ze verkopen hier vers fruit. 여기서 신선한 과일을 팔아요.

  21. leggen — 놓다
    leggen 놓다

    Hij legt het boek op tafel. 그는 책을 테이블 위에 놓아요.

  22. zitten — 앉다
    zitten 앉다

    Emma zit in die stoel. 에마는 그 의자에 앉아요.

  23. staan — 서다
    staan 서다

    Ik sta bij de deur. 저는 문 옆에 서요.

  24. zwemmen — 수영하다
    zwemmen 수영하다

    Zij kunnen snel zwemmen. 그들은 빨리 수영할 수 있어요.

  25. rijden — 운전하다
    rijden 운전하다

    Je moet voorzichtig rijden. 조심해서 운전해야 해요.

  26. plannen — 계획하다
    plannen 계획하다

    Zij plannen om binnenkort op bezoek te komen. 그들은 곧 방문을 계획해요.

  27. afmaken — 끝내다
    afmaken 끝내다

    Hij kan zijn huiswerk later afmaken. 그는 나중에 숙제를 끝낼 수 있어요.

  28. geven — 주다
    geven 주다

    Ik geef cadeaus aan vrienden. 저는 친구들에게 선물을 줘요.

  29. elf — 열하나
    elf 열하나

    Ik krijg altijd elf stukken. 저는 항상 열한 개를 받아요.

  30. twaalf — 열둘
    twaalf 열둘

    Er zitten twaalf eieren in een doos. 달걀 한 팩에 열두 개가 있어요.

  31. dertien — 십삼
    dertien 십삼

    Het getal dertien brengt ongeluk. 숫자 십삼은 운이 나빠요.

  32. veertien — 십사
    veertien 십사

    Het appartementencomplex heeft veertien verdiepingen. 아파트는 십사 층이에요.

  33. vijftien — 십오
    vijftien 십오

    Ik sla het boek open op pagina vijftien. 저는 책의 십오 페이지를 펴요.

  34. zestien — 십육
    zestien 십육

    Dat is zestien keer meer! 그것은 십육 배 더 많아요!

  35. zeventien — 열일곱
    zeventien 열일곱

    Wij hebben zeventien potloden. 저희는 연필이 열일곱 자루 있어요.

  36. achttien — 십팔
    achttien 십팔

    Het is achttien meter hoog. 그것은 높이가 십팔 미터예요.

  37. negentien — 열아홉
    negentien 열아홉

    Negentien is mijn lievelingsgetal. 열아홉은 제가 제일 좋아하는 숫자예요.

  38. twintig — 스물
    twintig 스물

    Zij heeft twintig kleine appels nodig. 그녀는 작은 사과 스무 개가 필요해요.

  39. dertig — 서른
    dertig 서른

    Hij is dertig jaar oud. 그는 서른 살이에요.

  40. honderd — 백
    honderd 백

    Hij telde tot honderd. 그는 백까지 세었어요.

  41. veertig — 마흔
    veertig 마흔

    Ze heeft in totaal veertig potloden. 그녀는 연필을 모두 마흔 자루 가지고 있어요.

  42. vijftig — 오십
    vijftig 오십

    Hij heeft vijftig dollar. 그는 오십 달러가 있어요.

  43. zestig — 육십
    zestig 육십

    John is zestig jaar oud. 존 씨는 육십 살이에요.

  44. zeventig — 일흔
    zeventig 일흔

    Mijn opa is zeventig. 우리 할아버지는 일흔 살이세요.

  45. tachtig — 팔십
    tachtig 팔십

    Ik heb tachtig gram suiker. 저는 설탕 팔십 그램이 있어요.

  46. negentig — 구십
    negentig 구십

    Hij heeft negentig boeken om te lezen. 그는 읽을 책이 구십 권 있어요.

  47. duizend — 천
    duizend 천

    Duizend is een groot getal. 천은 큰 숫자예요.

  48. miljoen — 백만
    miljoen 백만

    Die auto kost een miljoen dollar. 저 차는 백만 달러예요.

  49. helft — 반
    helft 반

    Hij at de helft van de pizza op. 그는 피자 반을 먹었어요.

  50. het kwart — 사분의 일
    het kwart 사분의 일

    Er is nog maar een kwart van over. 그것들 중 사분의 일만 남았어요.

  51. het dozijn — 다스
    het dozijn 다스

    Ik koop een dozijn eieren in de winkel. 저는 가게에서 달걀 한 다스를 사요.

  52. het paar — 켤레
    het paar 켤레

    Dat paar schoenen is schoon. 저 신발 한 켤레는 깨끗해요.

  53. eerste — 첫 번째
    eerste 첫 번째

    Hij won gemakkelijk de eerste plaats. 그는 쉽게 첫 번째 자리를 차지했어요.

  54. tweede — 두 번째
    tweede 두 번째

    Dit is de tweede keer dat ik hier ben. 여기는 제 두 번째예요.

  55. derde — 세 번째
    derde 세 번째

    Ze eindigden op de derde plaats. 그들은 세 번째로 들어왔어요.

  56. vierde — 네 번째
    vierde 네 번째

    Ik sta als vierde in de rij. 저는 줄에서 네 번째예요.

  57. vijfde — 다섯 번째
    vijfde 다섯 번째

    Zij zit in de vijfde rij. 그녀는 다섯 번째 줄에 있어요.

  58. zesde — 여섯 번째
    zesde 여섯 번째

    Hij is de zesde persoon. 그는 여섯 번째 사람이에요.

  59. zevende — 일곱 번째
    zevende 일곱 번째

    Ze wonen op de zevende verdieping. 그들은 일곱 번째 층에 살아요.

  60. achtste — 여덟 번째
    achtste 여덟 번째

    Dit is de achtste appel. 이것은 여덟 번째 사과예요.

  61. negende — 아홉째
    negende 아홉째

    De negende dag is een feestdag. 아홉째 날은 공휴일이에요.

  62. tiende — 열 번째
    tiende 열 번째

    Zij staat op de tiende plaats. 그녀는 열 번째예요.

  63. elfde — 열한 번째
    elfde 열한 번째

    Ze vieren hun elfde jubileum. 그들은 열한 번째 기념일을 축하해요.

  64. twaalfde — 열두 번째
    twaalfde 열두 번째

    Dat is de twaalfde maand. 그것은 열두 번째 달이에요.

  65. altijd — 항상
    altijd 항상

    Ik drink 's ochtends altijd koffie. 저는 아침에 항상 커피를 마셔요.

  66. meestal — 보통
    meestal 보통

    Hij eet meestal rond het middaguur zijn lunch. 그는 보통 정오에 점심을 먹어요.

  67. vaak — 자주
    vaak 자주

    Mensen eten hier vaak pizza. 사람들은 여기서 자주 피자를 먹어요.

  68. soms — 가끔
    soms 가끔

    Zij gaat soms naar de bibliotheek. 그녀는 가끔 도서관에 가요.

  69. zelden — 좀처럼
    zelden 좀처럼

    Ik eet zelden fastfood. 저는 패스트푸드를 좀처럼 안 먹어요.

  70. nooit — 전혀
    nooit 전혀

    Zij gaan nooit naar die winkel. 그 사람들은 그 가게에 전혀 가지 않아요.

  71. elke dag — 매일
    elke dag 매일

    Wij eten elke dag chocolade. 저희는 매일 초콜릿을 먹어요.

  72. elke week — 매주
    elke week 매주

    Zij zwemt elke week. 그녀는 매주 수영해요.

  73. in het weekend — 주말에
    in het weekend 주말에

    Ik ontspan in het weekend thuis. 저는 주말에 집에서 쉬어요.

  74. in de ochtend — 아침에
    in de ochtend 아침에

    Mensen eten 's ochtends ontbijt. 사람들은 아침에 아침을 먹어요.

  75. ’s nachts — 밤에
    ’s nachts 밤에

    Ze slapen ’s nachts in hun bedden. 그들은 밤에 침대에서 자요.

  76. na het werk — 퇴근 후에
    na het werk 퇴근 후에

    Hij ontspant elke dag na het werk. 그는 매일 퇴근 후에 쉬어요.

  77. één keer per ... — 에 한 번
    één keer per ... 에 한 번

    Ik ga één keer per week. 저는 일주일에 한 번 가요.

  78. twee keer per — ~에 두 번
    twee keer per ~에 두 번

    Mijn vader komt twee keer per week op bezoek. 우리 아빠는 일주일에 두 번 방문해요.

  79. om de ... — 격-
    om de ... 격-

    Ze komen om de week langs. 그들은 격주로 방문해요.

  80. ten minste — 적어도
    ten minste 적어도

    Hij eet ten minste één appel per dag. 그는 매일 사과를 적어도 한 개 먹어요.

  81. hooguit — 많아야
    hooguit 많아야

    Ik koop er hooguit twee. 많아야 두 개 살 거예요.

  82. meer dan — 이상
    meer dan 이상

    Dit is meer dan genoeg eten. 이것은 충분한 양 이상의 음식이에요.

  83. minder dan — 보다 적다
    minder dan 보다 적다

    Je hebt minder dan de vorige keer. 지난번보다 적게 받았어요.

  84. een beetje — 조금
    een beetje 조금

    Hij heeft een beetje hulp nodig. 그는 도움이 조금 필요해요.

  85. een beetje — 조금
    een beetje 조금

    Ze at een beetje van de taart. 그녀는 케이크를 조금 먹었어요.

  86. veel — 많이
    veel 많이

    Ik studeer veel. 저는 공부를 많이 해요.

  87. te veel — 너무 많이
    te veel 너무 많이

    Ze aten te veel taart. 그들은 케이크를 너무 많이 먹었어요.

  88. niet genoeg — 부족하다
    niet genoeg 부족하다

    Dit bedrag is niet genoeg. 이 양은 부족해요.

  89. geleden — 전
    geleden 전

    Ik ben twee dagen geleden aangekomen. 저는 이틀 전에 도착했어요.

  90. binnenkort — 곧
    binnenkort 곧

    Mijn vriend komt binnenkort aan. 제 친구가 곧 도착할 거예요.

  91. nog — 여전히
    nog 여전히

    Ik heb nog honger. 저는 여전히 배가 고파요.

  92. ooit — 적
    ooit 적

    Heb je ooit de oceaan gezien? 바다를 본 적이 있나요?

  93. nog niet — 아직
    nog niet 아직

    Mijn vriend is nog niet gearriveerd. 제 친구가 아직 도착하지 않았어요.

  94. meteen — 당장
    meteen 당장

    Ik heb meteen hulp nodig. 저는 당장 도움이 필요해요.

  95. misschien — 아마
    misschien 아마

    Misschien komt ze later. 그녀는 아마도 나중에 올 거예요.

  96. eens — 언젠가
    eens 언젠가

    We zullen elkaar eens ontmoeten. 우리 언젠가 만나요.

  97. altijd — 언제든지
    altijd 언제든지

    Je kunt ons altijd bezoeken. 언제든지 저희를 방문해 주세요.

  98. vóór — 전에
    vóór 전에

    Wij vertrokken vóór de storm. 우리는 폭풍이 오기 전에 떠났습니다.

  99. na — 후에
    na 후에

    We vertrekken na de maaltijd. 우리는 식사 후에 출발할 거예요.

  100. tegenwoordig — 요즘
    tegenwoordig 요즘

    Mensen reizen tegenwoordig meer. 요즘은 사람들이 여행을 더 많이 다녀요.

301–400번째 단어

  1. januari — 일월
    januari 일월

    Januari is de eerste maand. 일월은 첫 번째 달이에요.

  2. februari — 2월
    februari 2월

    Februari is meestal een korte maand. 2월은 보통 짧은 달이에요.

  3. maart — 삼월
    maart 삼월

    Ik bezoek hen meestal in maart. 저는 보통 삼월에 그들을 방문해요.

  4. april — 4월
    april 4월

    De basketbalwedstrijd is in april. 농구 경기는 4월에 있어요.

  5. mei — 오월
    mei 오월

    Mijn eindexamen is in mei. 제 기말고사는 오월에 있어요.

  6. juni — 유월
    juni 유월

    Ik weet het antwoord in juni. 저는 유월까지 답을 알 거예요.

  7. juli — 칠월
    juli 칠월

    Juli is meestal een erg warme maand. 칠월은 보통 매우 따뜻한 달이에요.

  8. augustus — 팔월
    augustus 팔월

    Kunnen we in augustus weer afspreken? 팔월에 다시 만날 수 있어요?

  9. september — 구월
    september 구월

    Mijn vakantie is in september. 제 휴가는 구월에 있어요.

  10. oktober — 시월
    oktober 시월

    Is je verjaardag in oktober? 생일이 시월이에요?

  11. november — 11월
    november 11월

    Waarom regent het in november? 왜 11월에 비가 와요?

  12. december — 12월
    december 12월

    december is de laatste maand. 12월은 마지막 달이에요.

  13. over — 넘다
    over 넘다

    De kat springt over de doos. 고양이가 상자를 뛰어넘어요.

  14. onder — 아래
    onder 아래

    Ze wonen onder een grote boom. 그들은 큰 나무 아래에 살아요.

  15. door — 통해
    door 통해

    Hij loopt door de deur. 그는 문을 통해 걸어가요.

  16. langs — 따라
    langs 따라

    Wij lopen langs het strand. 우리는 해변을 따라 걸어요.

  17. rond — 주변
    rond 주변

    Mensen lopen rond het park. 사람들이 공원 주변을 걸어요.

  18. aan de overkant van — 건너다
    aan de overkant van 건너다

    Ik ga aan de overkant van de straat. 저는 길을 건너요.

  19. in — 안으로
    in 안으로

    Hij loopt langzaam de kamer in. 그는 방 안으로 천천히 걸어 들어가요.

  20. uit — 밖으로
    uit 밖으로

    Het kind rent de school uit. 아이가 학교 밖으로 뛰어나가요.

  21. omhoog — 위
    omhoog 위

    Ze kijkt omhoog naar de wolken. 그녀는 위를 보며 구름을 봐요.

  22. neer — 아래
    neer 아래

    De hond legde de bal neer. 강아지가 공을 아래로 내려놓았어요.

  23. naar boven — 위층
    naar boven 위층

    Ik ga naar boven om te slapen. 저는 자러 위층에 가요.

  24. beneden — 아래층
    beneden 아래층

    Ik hoor geluiden beneden. 아래층에서 소리가 들려요.

  25. meebrengen — 가져오다
    meebrengen 가져오다

    Zij brengen eten mee naar het feest. 그들은 파티에 음식을 가져와요.

  26. pakken — 가져가다
    pakken 가져가다

    Je pakt altijd mijn pen. 항상 제 펜을 가져가요.

  27. dragen — 들다
    dragen 들다

    Hij kan de doos dragen. 그는 상자를 들 수 있어요.

  28. ophalen — 찾다
    ophalen 찾다

    Kun je het pakketje ophalen? 택배를 찾을 수 있어요?

  29. laten vallen — 떨어뜨리다
    laten vallen 떨어뜨리다

    Als ik de telefoon laat vallen, gaat hij kapot. 제가 핸드폰을 떨어뜨리면 깨질 거예요.

  30. aanreiken — 건네다
    aanreiken 건네다

    Kun je me het zout aanreiken? 소금 좀 건네줄 수 있어요?

  31. neerzetten — 내려놓다
    neerzetten 내려놓다

    Wij zetten onze rugzakken neer. 저희는 배낭을 내려놨어요.

  32. opruimen — 치우다
    opruimen 치우다

    Ik ruim mijn speelgoed op. 저는 제 장난감을 치워요.

  33. buitenzetten — 내놓다
    buitenzetten 내놓다

    Zij buitenzet het vuilnis. 그녀는 쓰레기를 내놓을 거예요.

  34. ophangen — 걸다
    ophangen 걸다

    Ze hangen hun jassen op. 그들은 코트를 걸어요.

  35. aanzetten — 켜다
    aanzetten 켜다

    Je zet het licht aan. 불을 켜요.

  36. uitzetten — 끄다
    uitzetten 끄다

    Kan iemand de radio uitzetten? 누가 라디오를 꺼 줄 수 있어요?

  37. springen — 뛰어넘다
    springen 뛰어넘다

    De kat springt over de muur. 고양이가 담장을 뛰어넘어요.

  38. gooien — 던지다
    gooien 던지다

    De jongen gooit de steen. 소년이 돌을 던집니다.

  39. vangen — 잡다
    vangen 잡다

    Hij vangt de bal. 그는 공을 잡아요.

  40. rijden — 타다
    rijden 타다

    De jongen rijdt op een paard. 소년이 말을 탑니다.

  41. vliegen — 날다
    vliegen 날다

    De vogels vliegen in de lucht. 새들이 하늘을 날아요.

  42. kruipen — 기다
    kruipen 기다

    De baby kruipt op de vloer. 아기가 바닥에서 기고 있어요.

  43. overslaan — 건너뛰다
    overslaan 건너뛰다

    Zij sloeg de eerste pagina over. 그녀는 첫 페이지를 건너뛰었습니다.

  44. schoppen — 차다
    schoppen 차다

    Het kind schopt tegen de bal. 아이가 공을 찹니다.

  45. stuiteren — 튀다
    stuiteren 튀다

    De bal stuitert op de grond. 공이 바닥에서 튑니다.

  46. klimmen — 올라가다
    klimmen 올라가다

    De kat klimt in de boom. 고양이가 나무에 올라가요.

  47. duiken — 다이빙하다
    duiken 다이빙하다

    De jongen duikt in het water. 소년이 물속으로 다이빙해요.

  48. glijden — 미끄러지다
    glijden 미끄러지다

    De doos glijdt over de vloer. 상자가 바닥에서 미끄러집니다.

  49. knijpen — 꼬집다
    knijpen 꼬집다

    Hij kneep in mijn arm. 그가 제 팔을 꼬집었어요.

  50. knijpen — 꽉 쥐다
    knijpen 꽉 쥐다

    Zij knijpt in mijn hand. 그녀는 내 손을 꽉 쥐어요.

  51. prikken — 찌르다
    prikken 찌르다

    Het kind prikte in mijn arm. 아이가 제 팔을 찔렀어요.

  52. aaien — 쓰다듬다
    aaien 쓰다듬다

    De jongen aait de hond. 소년이 강아지를 쓰다듬어요.

  53. wrijven — 비비다
    wrijven 비비다

    Ik wrijf in mijn vermoeide ogen. 저는 피곤한 눈을 비벼요.

  54. draaien — 꼬다
    draaien 꼬다

    De man draait aan het touw. 그 남자는 밧줄을 꼽니다.

  55. schudden — 흔들다
    schudden 흔들다

    De baby schudt met het speelgoed. 아기가 장난감을 흔들어요.

  56. vouwen — 접다
    vouwen 접다

    Ik vouw het papier. 저는 종이를 접어요.

  57. drukken op — 누르다
    drukken op 누르다

    Zij drukt op de rode knop. 그녀는 빨간 버튼을 누릅니다.

  58. bevestigen — 매다
    bevestigen 매다

    Hij zal het touw bevestigen. 그는 밧줄을 맬 것입니다.

  59. trekken — 당기다
    trekken 당기다

    De man trekt aan het zware touw. 그 남자는 무거운 밧줄을 당깁니다.

  60. inpakken — 싸다
    inpakken 싸다

    Ik pak mijn tas in. 저는 가방을 쌉니다.

  61. Waar is de ... — ... 어디에 있어요?
    Waar is de ... ... 어디에 있어요?

    Waar is het hotel? 호텔이 어디에 있어요?

  62. Is er een ... in de buurt — 근처에 ... 있어요?
    Is er een ... in de buurt 근처에 ... 있어요?

    Is er een bank in de buurt? 근처에 은행이 있어요?

  63. Hoe kom ik bij ...? — 어떻게 가요?
    Hoe kom ik bij ...? 어떻게 가요?

    Hoe kom ik bij school? 학교에 어떻게 가요?

  64. Welke bus gaat naar ...? — 어느 버스가 가요?
    Welke bus gaat naar ...? 어느 버스가 가요?

    Welke bus gaat naar het centrum? 시내에 어느 버스가 가요?

  65. Welke lijn gaat naar ... — 몇 호선이 ...에 가요?
    Welke lijn gaat naar ... 몇 호선이 ...에 가요?

    Welke lijn gaat naar het museum? 박물관에 몇 호선이 가요?

  66. Hoe lang duurt het ... — 얼마나 걸려요?
    Hoe lang duurt het ... 얼마나 걸려요?

    Ik vraag me af hoe lang het duurt. 얼마나 걸리는지 궁금해요.

  67. Hoe ver is het — 얼마나 멀어요?
    Hoe ver is het 얼마나 멀어요?

    Hoe ver is het? 얼마나 멀어요?

  68. Kun je me ... op de kaart laten zien? — 지도에서 보여줄 수 있어요?
    Kun je me ... op de kaart laten zien? 지도에서 보여줄 수 있어요?

    Kun je me op de kaart laten zien? 지도에서 보여줄 수 있어요?

  69. ik zoek — 찾다
    ik zoek 찾다

    Ze zijn op zoek naar een toilet. 그들은 화장실을 찾고 있어요.

  70. de dichtstbijzijnde — 가장 가깝다
    de dichtstbijzijnde 가장 가깝다

    De dichtstbijzijnde winkel is daar beneden. 가장 가까운 가게는 저 아래에 있어요.

  71. Gaat dit naar ...? — 에 가다
    Gaat dit naar ...? 에 가다

    Gaat dit naar het restaurant? 이거 식당에 가요?

  72. Bij welke halte moet ik zijn voor ...? — 어디서 내려요?
    Bij welke halte moet ik zijn voor ...? 어디서 내려요?

    Bij welke halte moet ik zijn voor het centrum? 시내에 가려면 어디서 내려요?

  73. het station — 역
    het station 역

    Ze wachten op het station. 그들은 기차역에서 기다려요.

  74. de bushalte — 버스 정류장
    de bushalte 버스 정류장

    De bushalte is vlakbij. 버스 정류장이 근처에 있어요.

  75. de metrohalte — 지하철역
    de metrohalte 지하철역

    Deze metrohalte is erg druk. 이 지하철역은 아주 붐벼요.

  76. het hotel — 호텔
    het hotel 호텔

    Je kunt online een hotel boeken. 온라인으로 호텔을 예약할 수 있어요.

  77. de apotheek — 약국
    de apotheek 약국

    Mark werkt bij de apotheek. 마크 씨는 약국에서 일해요.

  78. de bank — 은행
    de bank 은행

    Hij gaat naar de bank. 그는 은행에 가요.

  79. het toilet — 화장실
    het toilet 화장실

    Dit is een schoon toilet. 여기는 깨끗한 화장실이에요.

  80. de supermarkt — 슈퍼마켓
    de supermarkt 슈퍼마켓

    Wij kopen eten in de supermarkt. 우리는 슈퍼마켓에서 음식을 사요.

  81. het restaurant — 식당
    het restaurant 식당

    Ze vinden dat restaurant erg leuk. 그들은 그 식당을 정말 좋아해요.

  82. het café — 카페
    het café 카페

    Jane werkt in het café. 제인은 카페에서 일해요.

  83. het park — 공원
    het park 공원

    Ze houdt van het groene park. 그녀는 초록색 공원을 좋아해요.

  84. het ziekenhuis — 병원
    het ziekenhuis 병원

    Een ziekenhuis helpt zieke mensen. 병원은 아픈 사람들을 도와줘요.

  85. de luchthaven — 공항
    de luchthaven 공항

    We kwamen aan op de luchthaven. 우리는 공항에 도착했습니다.

  86. het stadion — 경기장
    het stadion 경기장

    Wij gingen naar het stadion. 우리는 경기장에 갔어요.

  87. de fabriek — 공장
    de fabriek 공장

    Deze fabriek maakt kleding. 이 공장은 옷을 만들어요.

  88. de universiteit — 대학교
    de universiteit 대학교

    Zij studeert aan de universiteit. 그녀는 대학교에서 공부해요.

  89. de hogeschool — 대학교
    de hogeschool 대학교

    Zij studeert aan de hogeschool. 그녀는 대학교에서 공부해요.

  90. de club — 동아리
    de club 동아리

    We zijn lid geworden van de sportclub. 우리는 스포츠 동아리에 가입했습니다.

  91. de gevangenis — 교도소
    de gevangenis 교도소

    De crimineel is uit de gevangenis ontsnapt. 범죄자가 교도소에서 탈출했습니다.

  92. de toren — 탑
    de toren 탑

    Ik zie de hoge toren. 높은 탑이 보여요.

  93. het winkelcentrum — 쇼핑몰
    het winkelcentrum 쇼핑몰

    Ik heb schoenen gekocht in het winkelcentrum. 저는 쇼핑몰에서 신발을 샀어요.

  94. het gemeentehuis — 시청
    het gemeentehuis 시청

    We hebben afgesproken bij het gemeentehuis. 우리는 시청에서 만났어요.

  95. het politiebureau — 경찰서
    het politiebureau 경찰서

    Ik zie het politiebureau. 경찰서가 보여요.

  96. de brandweerkazerne — 소방서
    de brandweerkazerne 소방서

    Ik woon vlak bij de brandweerkazerne. 저는 소방서 근처에 살아요.

  97. Sla linksaf — 좌회전하다
    Sla linksaf 좌회전하다

    Sla linksaf hier. 여기서 좌회전해요.

  98. sla rechtsaf — 우회전하다
    sla rechtsaf 우회전하다

    Sla rechtsaf bij het kruispunt. 교차로에서 우회전하세요.

  99. Ga rechtdoor — 똑바로 가다
    Ga rechtdoor 똑바로 가다

    Ga rechtdoor naar school. 학교로 똑바로 가요.

  100. Het is dichtbij — 가깝다
    Het is dichtbij 가깝다

    Het is dichtbij. 가까워요.

401–500번째 단어

  1. Het is ver — 멀다
    Het is ver 멀다

    Het is ver. 멀어요.

  2. aan de overkant van de straat — 길 건너편
    aan de overkant van de straat 길 건너편

    Hij woont aan de overkant van de straat. 그는 길 건너편에 살아요.

  3. op de hoek — 모퉁이에서
    op de hoek 모퉁이에서

    Ze staat op de hoek te wachten. 그녀는 모퉁이에서 기다리고 있어요.

  4. bij het stoplicht — 신호등에서
    bij het stoplicht 신호등에서

    We stopten bij het stoplicht. 우리는 신호등에서 멈췄어요.

  5. op het kruispunt — 교차로에
    op het kruispunt 교차로에

    De bar is op het kruispunt. 술집은 교차로에 있어요.

  6. het zebrapad — 횡단보도
    het zebrapad 횡단보도

    Dat zebrapad is erg veilig. 저 횡단보도는 아주 안전해요.

  7. één blok verderop — 한 블록 떨어져
    één blok verderop 한 블록 떨어져

    Het museum is één blok verderop. 박물관은 한 블록 떨어져 있어요.

  8. de borden volgen — 표지판을 따라가다
    de borden volgen 표지판을 따라가다

    Je moet de borden volgen naar de veiligheid. 안전한 곳으로 표지판을 따라가세요.

  9. de koffer — 여행 가방
    de koffer 여행 가방

    Heb je je koffer al ingepakt? 벌써 여행 가방을 다 쌌어요?

  10. de magneet — 자석
    de magneet 자석

    De kleine magneet is een cadeau. 작은 자석은 선물이에요.

  11. de haarborstel — 머리빗
    de haarborstel 머리빗

    Ze kan haar haarborstel niet vinden. 그녀는 머리빗을 못 찾아요.

  12. het kussen — 베개
    het kussen 베개

    Dit kussen is zacht en warm. 이 베개는 부드럽고 따뜻해요.

  13. de deken — 담요
    de deken 담요

    Pak een deken als je het koud hebt. 추우면 담요를 가져가세요.

  14. de matras — 매트리스
    de matras 매트리스

    Onze nieuwe matras ligt echt heerlijk. 우리 새 매트리스는 정말 편해요.

  15. het gordijn — 커튼
    het gordijn 커튼

    Doe alsjeblieft het gordijn open, het is donker. 커튼을 열어 주세요, 어두워요.

  16. de jaloezieën — 블라인드
    de jaloezieën 블라인드

    Ik doe 's avonds meestal de jaloezieën dicht. 저는 보통 밤에 블라인드를 내려요.

  17. het tapijt — 카펫
    het tapijt 카펫

    Er ligt stof onder het tapijt. 카펫 아래에 먼지가 있어요.

  18. de vaas — 꽃병
    de vaas 꽃병

    Deze vaas ziet er duur uit. 이 꽃병은 비싸 보여요.

  19. de bezem — 빗자루
    de bezem 빗자루

    Heeft dit appartement een bezem? 이 아파트에 빗자루가 있어요?

  20. het wc-papier — 휴지
    het wc-papier 휴지

    Oh nee, het wc-papier is op! 이런, 휴지가 다 떨어졌어요!

  21. de wol — 털
    de wol 털

    Het schaap heeft dikke wol. 그 양은 털이 아주 두껍습니다.

  22. het metaal — 금속
    het metaal 금속

    We hebben hout en metaal nodig. 우리는 나무와 금속이 필요합니다.

  23. plastic — 플라스틱
    plastic 플라스틱

    Ze wast de plastic kom. 그녀는 플라스틱 그릇을 씻어요.

  24. het leer — 가죽
    het leer 가죽

    Ik heb een nieuwe leren tas gekocht. 저는 새 가죽 가방을 샀어요.

  25. de katoen — 목화
    de katoen 목화

    De boer verbouwt katoen. 농부는 목화를 재배합니다.

  26. de zijde — 비단
    de zijde 비단

    Deze zijde is erg zacht. 이 비단은 매우 부드러워요.

  27. het rubber — 고무
    het rubber 고무

    De bal is gemaakt van rubber. 그 공은 고무로 만들어졌습니다.

  28. de denim — 데님
    de denim 데님

    Hij kocht dikke denimstof. 그는 두꺼운 데님 원단을 샀어요.

  29. keramisch — 도자기
    keramisch 도자기

    Ze waste de keramische kom af. 그녀는 도자기 그릇을 닦았습니다.

  30. het marmer — 대리석
    het marmer 대리석

    Ze sneden het witte marmer. 그들은 하얀 대리석을 깎았습니다.

  31. de baksteen — 벽돌
    de baksteen 벽돌

    Hij houdt een rode baksteen vast. 그는 빨간 벽돌을 들고 있습니다.

  32. het staal — 강철
    het staal 강철

    Ze maken de gereedschappen van staal. 그들은 그 도구들을 강철로 만듭니다.

  33. achter — 뒤
    achter 뒤

    Het staat achter dat gebouw. 저 건물 뒤에 있어요.

  34. voor — 앞
    voor 앞

    Zij staat voor mij. 그녀는 제 앞에 있어요.

  35. tussen — 사이
    tussen 사이

    Het park ligt tussen twee huizen. 공원은 두 집 사이에 있어요.

  36. naast — 옆
    naast 옆

    Die winkel ligt naast mijn huis. 저 가게는 우리 집 옆에 있어요.

  37. de tegenovergestelde — 반대
    de tegenovergestelde 반대

    Wij gaan de tegenovergestelde richting op. 우리는 반대 방향으로 가요.

  38. tegenover — 맞은편
    tegenover 맞은편

    Wij wonen tegenover de winkel. 저희는 가게 맞은편에 살아요.

  39. om de hoek — 모퉁이 근처
    om de hoek 모퉁이 근처

    Ze woont nu om de hoek. 그분은 이제 모퉁이 근처에 살아요.

  40. richting — 쪽으로
    richting 쪽으로

    De kinderen lopen richting de grote boom. 아이들이 큰 나무 쪽으로 걸어요.

  41. voorbij — 지나가다
    voorbij 지나가다

    Je moet voorbij de brug gaan. 다리를 지나가야 해요.

  42. aan het einde van de straat — 길 끝
    aan het einde van de straat 길 끝

    Ik woon aan het einde van de straat. 저는 길 끝에 살아요.

  43. aan de linkerkant — 왼쪽
    aan de linkerkant 왼쪽

    Zij parkeert aan de linkerkant. 그녀는 왼쪽에 주차해요.

  44. aan de rechterkant — 오른쪽에
    aan de rechterkant 오른쪽에

    Ze staan aan de rechterkant. 오른쪽에 있어요.

  45. boven — 위에
    boven 위에

    De zon staat boven de berg. 해가 산 위에 떠 있습니다.

  46. onder — 아래에
    onder 아래에

    Het dorp ligt onder de berg. 마을은 산 아래에 있습니다.

  47. bovenop — 맨 위에
    bovenop 맨 위에

    De doos staat bovenop. 상자가 맨 위에 있어요.

  48. vlakbij — 근처에
    vlakbij 근처에

    Ik woon vlakbij de rivier. 저는 강 근처에 살아요.

  49. in het midden — 한가운데
    in het midden 한가운데

    Hij staat in het midden. 그는 한가운데에 서 있습니다.

  50. binnen — 안에
    binnen 안에

    De hond is binnen in het huis. 강아지가 집 안에 있어요.

  51. de plek — 장소
    de plek 장소

    We hebben een veilige plek gevonden. 우리는 안전한 장소를 찾았습니다.

  52. de winkel — 가게
    de winkel 가게

    Wij kopen eten in de winkel. 우리는 가게에서 음식을 사요.

  53. het huis — 집
    het huis 집

    Het gezin woont in dat huis. 그 가족은 저 집에 살아요.

  54. het busstation — 버스 터미널
    het busstation 버스 터미널

    Ik wacht bij het busstation. 나는 버스 터미널에서 기다려요.

  55. het stadscentrum — 도심
    het stadscentrum 도심

    Ik woon vlak bij het stadscentrum. 저는 도심 근처에 살아요.

  56. het winkelcentrum — 쇼핑몰
    het winkelcentrum 쇼핑몰

    Het winkelcentrum is erg groot. 그 쇼핑몰은 정말 커요.

  57. de fontein — 분수
    de fontein 분수

    Die fontein heeft heel helder water. 저 분수는 물이 매우 맑아요.

  58. de rotonde — 회전교차로
    de rotonde 회전교차로

    Deze rotonde helpt het verkeer. 이 회전교차로는 교통에 도움이 돼요.

  59. de kruising — 교차로
    de kruising 교차로

    We stopten bij de kruising. 우리는 교차로에서 멈췄어요.

  60. de brug — 다리
    de brug 다리

    Mensen lopen over de brug. 사람들이 다리를 걸어서 건너요.

  61. de tunnel — 터널
    de tunnel 터널

    De auto rijdt door een tunnel. 차가 터널을 지나가요.

  62. het stopbord — 정지 표지판
    het stopbord 정지 표지판

    Je moet je aan het stopbord houden. 정지 표지판을 지켜야 해요.

  63. het viaduct — 육교
    het viaduct 육교

    Ze hebben bij ons in de buurt een viaduct gebouwd. 집 근처에 육교를 지었어요.

  64. de tunnel — 지하도
    de tunnel 지하도

    We lopen door de tunnel. 저희는 지하도로 걸어갈 거예요.

  65. de bezienswaardigheid — 랜드마크
    de bezienswaardigheid 랜드마크

    De bezienswaardigheid ligt vlak bij de rivier. 랜드마크는 강 근처에 있어요.

  66. het verkeersbord — 교통 표지판
    het verkeersbord 교통 표지판

    Dit verkeersbord betekent stoppen. 이 교통 표지판은 정지라는 뜻이에요.

  67. het standbeeld — 동상
    het standbeeld 동상

    Hij zag het prachtige standbeeld. 그는 아름다운 동상을 봤어요.

  68. het monument — 기념비
    het monument 기념비

    Ze bezochten het hoge monument. 그들은 높은 기념비를 방문했어요.

  69. het noorden — 북쪽
    het noorden 북쪽

    Het noorden van deze stad is interessant. 이 도시의 북쪽은 흥미로워요.

  70. het zuiden — 남쪽
    het zuiden 남쪽

    De wind komt uit het zuiden. 바람이 남쪽에서 불어옵니다.

  71. oosten — 동쪽
    oosten 동쪽

    De wind komt uit het oosten. 바람이 동쪽에서 불어옵니다.

  72. het westen — 서쪽
    het westen 서쪽

    De zon gaat onder in het westen. 해는 서쪽으로 져요.

  73. het noordoosten — 북동쪽
    het noordoosten 북동쪽

    Ben woont in het noordoosten. 벤 씨는 북동쪽 지역에 살아요.

  74. het noordwesten — 북서쪽
    het noordwesten 북서쪽

    Die staat ligt in het noordwesten. 그 주는 북서쪽에 있어요.

  75. zuidoosten — 남동쪽
    zuidoosten 남동쪽

    Hij woont in het zuidoosten van het land. 그는 남동쪽 지역에 살아요.

  76. het zuidwesten — 남서쪽
    het zuidwesten 남서쪽

    Ze reden naar het zuidwesten. 그들은 남서쪽으로 운전해서 갔어요.

  77. de U-bocht — 유턴
    de U-bocht 유턴

    Dit is een U-bocht. 이것은 유턴이에요.

  78. de doodlopende weg — 막다른 길
    de doodlopende weg 막다른 길

    Die straat is een doodlopende weg. 저 길은 막다른 길이에요.

  79. de roltrap — 에스컬레이터
    de roltrap 에스컬레이터

    De roltrap brengt je naar de bovenste verdieping. 에스컬레이터가 꼭대기 층까지 올라가요.

  80. de hellingbaan — 경사로
    de hellingbaan 경사로

    Rolstoelen hebben hellingbanen nodig. 휠체어는 경사로가 필요해요.

  81. het weer — 날씨
    het weer 날씨

    Het is vandaag mooi weer. 오늘 날씨가 좋아요.

  82. zonnig — 화창하다
    zonnig 화창하다

    Hij houdt van een zonnige dag. 그는 화창한 날을 좋아해요.

  83. bewolkt — 흐리다
    bewolkt 흐리다

    Ze verwachten een bewolkte middag. 그들은 흐린 오후를 예상해요.

  84. regenachtig — 비가 오다
    regenachtig 비가 오다

    Een regenachtige dag kan gezellig zijn. 비가 오는 날은 아늑할 수 있어요.

  85. winderig — 바람이 불다
    winderig 바람이 불다

    Het is buiten winderig. 밖에 바람이 불어요.

  86. heet — 뜨겁다
    heet 뜨겁다

    Deze thee is erg heet. 이 차는 아주 뜨거워요.

  87. koud — 차다
    koud 차다

    De koude wind waait in de winter. 겨울에는 찬 바람이 불어요.

  88. warm — 따뜻하다
    warm 따뜻하다

    Het was vandaag warm op het strand. 오늘 해변은 따뜻했어요.

  89. de lente — 봄
    de lente 봄

    De bloemen houden van de lente. 꽃들은 봄을 좋아해요.

  90. de zomer — 여름
    de zomer 여름

    De zomer is een erg heet seizoen. 여름은 아주 더운 계절이에요.

  91. de herfst — 가을
    de herfst 가을

    De herfst is mijn favoriete seizoen. 가을은 제가 제일 좋아하는 계절이에요.

  92. de winter — 겨울
    de winter 겨울

    Winter kan hier erg koud zijn. 여기는 겨울이 아주 추울 수 있어요.

  93. de zon — 해
    de zon 해

    De zon schijnt aan de hemel. 하늘에 해가 떠 있어요.

  94. de maan — 달
    de maan 달

    Ik zie de heldere maan. 밝은 달이 보여요.

  95. de ster — 별
    de ster 별

    Ik zie een heldere ster. 밝은 별이 보여요.

  96. de lucht — 하늘
    de lucht 하늘

    Vogels vliegen in de lucht. 새들이 하늘을 날아다녀요.

  97. de wolk — 구름
    de wolk 구름

    Een donkere wolk verbergt de zon. 먹구름이 해를 가리고 있어요.

  98. de regen — 비
    de regen 비

    De regen valt uit de lucht. 하늘에서 비가 내려요.

  99. de wind — 바람
    de wind 바람

    Wij voelen de koude wind. 우리는 찬 바람을 느껴요.

  100. de storm — 폭풍
    de storm 폭풍

    De sterke storm brak de bomen. 강한 폭풍이 나무들을 부러뜨렸습니다.

501–600번째 단어

  1. de regenboog — 무지개
    de regenboog 무지개

    Ik zie een regenboog in de lucht. 하늘에 무지개가 떴어요.

  2. de schaduw — 그림자
    de schaduw 그림자

    Ik zie een donkere schaduw. 어두운 그림자가 보여요.

  3. de zonsondergang — 노을
    de zonsondergang 노을

    We hebben naar de prachtige zonsondergang gekeken. 우리는 아름다운 노을을 구경했어요.

  4. de donder — 천둥
    de donder 천둥

    We hoorden de harde donder. 우리는 커다란 천둥소리를 들었습니다.

  5. de paraplu — 우산
    de paraplu 우산

    Ze heeft een rode paraplu. 그녀는 빨간 우산을 가지고 있어요.

  6. de regenjas — 우비
    de regenjas 우비

    Deze regenjas houdt me warm. 이 우비는 저를 따뜻하게 해줘요.

  7. de weersverwachting — 예보
    de weersverwachting 예보

    Ik kijk elke dag naar de weersverwachting. 저는 매일 일기 예보를 봐요.

  8. de schaduw — 그늘
    de schaduw 그늘

    We hebben schaduw nodig op een hete dag. 더운 날에는 그늘이 필요해요.

  9. het onweer — 뇌우
    het onweer 뇌우

    Een onweer brengt zware regen met zich mee. 뇌우는 많은 비를 동반해요.

  10. de bliksem — 번개
    de bliksem 번개

    Hij zag gisteravond felle bliksem. 그는 어젯밤에 밝은 번개를 봤어요.

  11. de mist — 안개
    de mist 안개

    Ze reden door dikke mist. 그들은 짙은 안개 속을 운전했어요.

  12. de sneeuw — 눈
    de sneeuw 눈

    Dit is verse, witte sneeuw. 이것은 깨끗하고 하얀 눈이에요.

  13. het ijs — 얼음
    het ijs 얼음

    We doen ijs in onze drankjes. 우리는 음료수에 얼음을 넣어요.

  14. de hagel — 우박
    de hagel 우박

    Er ligt een heleboel hagel buiten. 밖에 우박이 정말 많이 내려요.

  15. glad — 미끄럽다
    glad 미끄럽다

    Ze viel op het gladde ijs. 그녀는 미끄러운 얼음 위에서 넘어졌어요.

  16. de temperatuur — 기온
    de temperatuur 기온

    Ze controleren dagelijks de temperatuur. 그들은 매일 기온을 확인해요.

  17. het bos — 숲
    het bos 숲

    Een bos staat vol met bomen. 숲은 나무로 가득해요.

  18. de rivier — 강
    de rivier 강

    De rivier heeft koel, helder water. 강은 시원하고 맑은 물이 있어요.

  19. het meer — 호수
    het meer 호수

    Ze zwemt in het diepe meer. 그녀는 깊은 호수에서 수영해요.

  20. de berg — 산
    de berg 산

    Ze beklommen de hoge berg. 그들은 높은 산을 올랐어요.

  21. de natuur — 자연
    de natuur 자연

    Peter houdt van de natuur. 피터 씨는 자연을 사랑해요.

  22. de kust — 해안
    de kust 해안

    Dit is een prachtige kust. 이곳은 아름다운 해안이에요.

  23. het eiland — 섬
    het eiland 섬

    Hij woont op een klein eiland. 그는 작은 섬에 살아요.

  24. de woestijn — 사막
    de woestijn 사막

    Een woestijn is een erg droge plek. 사막은 매우 건조한 곳이에요.

  25. de vallei — 계곡
    de vallei 계곡

    De vallei is groen en breed. 계곡이 푸르고 넓어요.

  26. de waterval — 폭포
    de waterval 폭포

    Ze zagen een prachtige waterval. 그들은 아름다운 폭포를 봤어요.

  27. de klif — 절벽
    de klif 절벽

    Die klif is erg hoog. 저 절벽은 아주 높아요.

  28. de weide — 초원
    de weide 초원

    Ze houdt ervan om in weiden te wandelen. 그녀는 초원에서 걷는 것을 좋아해요.

  29. de boom — 나무
    de boom 나무

    De hond slaapt onder de boom. 강아지가 나무 아래에서 자고 있어요.

  30. de bloem — 꽃
    de bloem 꽃

    De rode bloem is mooi. 빨간 꽃이 아름다워요.

  31. het blad — 나뭇잎
    het blad 나뭇잎

    Er viel een blad van de boom. 나무에서 나뭇잎이 떨어졌어요.

  32. het gras — 풀
    het gras 풀

    De koe eet het gras. 소가 풀을 먹습니다.

  33. de plant — 식물
    de plant 식물

    De plant heeft groene bladeren. 그 식물은 초록색 잎을 가지고 있습니다.

  34. de rots — 바위
    de rots 바위

    De man tilde de zware rots op. 그 남자는 무거운 바위를 들어 올렸습니다.

  35. de steen — 돌
    de steen 돌

    Ik heb een zware steen gevonden. 저는 무거운 돌을 발견했어요.

  36. de tak — 나뭇가지
    de tak 나뭇가지

    De vogel zit op de tak. 새가 나뭇가지에 앉아 있어요.

  37. de wortel — 뿌리
    de wortel 뿌리

    Deze plant heeft een lange wortel. 이 식물은 뿌리가 길어요.

  38. het zaad — 씨앗
    het zaad 씨앗

    De boer plant het zaad. 농부가 씨앗을 심습니다.

  39. de struik — 덤불
    de struik 덤불

    De vogel verstopt zich in de struik. 새가 덤불 속에 숨어 있어요.

  40. het hout — 나무
    het hout 나무

    Ik heb hout nodig voor het vuur. 불을 피우려면 나무가 필요해요.

  41. de wereld — 세상
    de wereld 세상

    De wereld is erg groot. 세상은 정말 넓어요.

  42. de stad — 도시
    de stad 도시

    Veel mensen wonen in de stad. 많은 사람들이 도시에 살아요.

  43. het land — 나라
    het land 나라

    Hij woont in een ander land. 그는 다른 나라에 살고 있어요.

  44. de stad — 마을
    de stad 마을

    Wij wonen in een klein stadje. 우리는 작은 마을에 살아요.

  45. de weg — 도로
    de weg 도로

    Deze weg is erg lang. 이 도로는 매우 깁니다.

  46. de heuvel — 언덕
    de heuvel 언덕

    Het huis staat op de heuvel. 그 집은 언덕 위에 있어요.

  47. het land — 육지
    het land 육지

    De zeelieden zagen het land. 선원들은 육지를 보았습니다.

  48. de lucht — 공기
    de lucht 공기

    Ik adem de schone lucht in. 나는 깨끗한 공기를 마셔요.

  49. de oceaan — 바다
    de oceaan 바다

    Vissen leven in de oceaan. 물고기는 바다에 삽니다.

  50. de grond — 땅
    de grond 땅

    De man zit op de grond. 그 남자는 땅에 앉아 있습니다.

  51. de regio — 지역
    de regio 지역

    Wij wonen in een koude regio. 우리는 추운 지역에 살아요.

  52. de omgeving — 구역
    de omgeving 구역

    Veel mensen wonen in deze omgeving. 많은 사람들이 이 구역에 삽니다.

  53. het strand — 해변
    het strand 해변

    Ik vind het strand leuk. 저는 해변을 좋아해요.

  54. de zee — 바다
    de zee 바다

    De zee is blauw. 바다가 파래요.

  55. de golven — 파도
    de golven 파도

    Ze kijken naar de golven van de oceaan. 그들은 바다 파도를 봐요.

  56. het zand — 모래
    het zand 모래

    Zij houdt van warm, zacht zand. 그녀는 따뜻하고 부드러운 모래를 좋아해요.

  57. de zonnebrandcrème — 선크림
    de zonnebrandcrème 선크림

    Ik gebruik zonnebrandcrème op zonnige dagen. 저는 맑은 날에 선크림을 발라요.

  58. de strandparasol — 파라솔
    de strandparasol 파라솔

    Die strandparasol is kleurrijk. 저 파라솔은 알록달록해요.

  59. de slippers — 조리
    de slippers 조리

    Deze slippers zitten comfortabel. 이 조리는 편해요.

  60. het badpak — 수영복
    het badpak 수영복

    Zij heeft een nieuw badpak. 그녀는 새 수영복이 있어요.

  61. de zwembroek — 수영복
    de zwembroek 수영복

    Vergeet je zwembroek niet. 수영복을 잊지 마세요.

  62. de badmeester — 인명 구조원
    de badmeester 인명 구조원

    De badmeester houdt zwemmers veilig. 인명 구조원은 수영하는 사람들을 안전하게 지켜요.

  63. de vloed — 만조
    de vloed 만조

    Bij vloed is het erg nat. 만조는 아주 축축해요.

  64. de zonnebrand — 일광 화상
    de zonnebrand 일광 화상

    Die zonnebrand ziet er behoorlijk pijnlijk uit. 그 일광 화상이 꽤 아파 보여요.

  65. het kaartje — 표
    het kaartje 표

    Ze heeft een treinkaartje. 그녀는 기차표가 있어요.

  66. de bagage — 짐
    de bagage 짐

    Waar laten we onze bagage? 짐을 어디에 둬요?

  67. de kaartautomaat — 티켓 판매기
    de kaartautomaat 티켓 판매기

    Ik koop het bij de kaartautomaat. 티켓 판매기에서 살 거예요.

  68. het perron — 승강장
    het perron 승강장

    Dat is het perron voor de trein. 저기는 기차 승강장이에요.

  69. het rooster — 시간표
    het rooster 시간표

    Zij leest het rooster. 그녀는 시간표를 읽어요.

  70. de bus — 버스
    de bus 버스

    Wachten we op een bus? 우리 버스를 기다리고 있어요?

  71. de trein — 기차
    de trein 기차

    De trein is erg modern. 기차가 아주 현대적이에요.

  72. de tram — 트램
    de tram 트램

    De snelste manier is met de tram. 가장 빠른 방법은 트램이에요.

  73. de taxi — 택시
    de taxi 택시

    Hoeveel kost de taxi? 택시 요금이 얼마예요?

  74. op tijd — 제시간에
    op tijd 제시간에

    Het is belangrijk om op tijd te komen. 제시간에 도착하는 것이 중요해요.

  75. vertraging hebben — 지연되다
    vertraging hebben 지연되다

    Die vlucht had vertraging. 그 비행기는 지연됐어요.

  76. de metro — 지하철
    de metro 지하철

    Een metro rijdt ondergronds. 지하철은 지하로 다녀요.

  77. de auto — 차
    de auto 차

    Hij heeft een nieuwe auto gekocht. 그는 새 차를 샀어요.

  78. de vrachtwagen — 트럭
    de vrachtwagen 트럭

    De man bestuurt een grote vrachtwagen. 그 남자는 큰 트럭을 운전합니다.

  79. de fiets — 자전거
    de fiets 자전거

    Ik rijd met mijn fiets naar school. 나는 학교에 자전거를 타고 가요.

  80. de tractor — 트랙터
    de tractor 트랙터

    De boer rijdt op een grote tractor. 농부는 커다란 트랙터를 운전합니다.

  81. de motor — 오토바이
    de motor 오토바이

    Hij rijdt op een snelle motor. 그는 빠른 오토바이를 탑니다.

  82. de step — 스쿠터
    de step 스쿠터

    Het kind rijdt op een step. 아이가 스쿠터를 타요.

  83. de bestelbus — 승합차
    de bestelbus 승합차

    Hij rijdt in een grote bestelbus. 그는 커다란 승합차를 운전합니다.

  84. de bestuurder — 운전사
    de bestuurder 운전사

    De bestuurder stopte de auto. 운전사가 차를 세웠습니다.

  85. het verkeer — 교통
    het verkeer 교통

    Het verkeer gaat vandaag erg langzaam. 오늘은 교통 흐름이 매우 느려요.

  86. het wiel — 바퀴
    het wiel 바퀴

    Hij heeft het kapotte wiel gerepareerd. 그는 고장 난 바퀴를 고쳤습니다.

  87. de parkeerplaats — 주차
    de parkeerplaats 주차

    We hebben een parkeerplaats gevonden. 우리는 주차 공간을 찾았어요.

  88. de trailer — 트레일러
    de trailer 트레일러

    De vrachtwagen trekt de trailer. 트럭이 트레일러를 끌고 갑니다.

  89. het vliegtuig — 비행기
    het vliegtuig 비행기

    Het vliegtuig landt op het vliegveld. 비행기가 공항에 착륙합니다.

  90. de boot — 보트
    de boot 보트

    Ik zie een kleine boot. 작은 보트가 보입니다.

  91. het schip — 배
    het schip 배

    Het grote schip steekt de oceaan over. 큰 배가 대양을 건너갑니다.

  92. de helikopter — 헬리콥터
    de helikopter 헬리콥터

    De helikopter vliegt in de lucht. 헬리콥터가 하늘을 날아요.

  93. de raket — 로켓
    de raket 로켓

    De raket vliegt de lucht in. 로켓이 하늘로 날아갑니다.

  94. het ruimteschip — 우주선
    het ruimteschip 우주선

    Het ruimteschip landde op de maan. 우주선이 달에 착륙했습니다.

  95. de brandweerauto — 소방차
    de brandweerauto 소방차

    De brandweerauto vervoert water. 소방차는 물을 싣고 다닙니다.

  96. de straaljager — 제트기
    de straaljager 제트기

    De straaljager vliegt erg snel. 제트기는 매우 빠르게 납니다.

  97. de kajak — 카약
    de kajak 카약

    Ze zit in de kajak. 그녀는 카약에 앉아 있습니다.

  98. het vlot — 뗏목
    het vlot 뗏목

    We hebben een houten vlot gebouwd. 우리는 나무 뗏목을 만들었습니다.

  99. de kano — 카누
    de kano 카누

    Hij peddelt in de kleine kano. 그는 작은 카누를 젓고 있습니다.

  100. de zeilboot — 범선
    de zeilboot 범선

    De wind verplaatst de zeilboot. 바람이 범선을 움직입니다.

601–700번째 단어

  1. de prijs — 가격
    de prijs 가격

    Zie je de prijs? 가격이 보여요?

  2. goedkoop — 싸다
    goedkoop 싸다

    Hij kocht goedkope schoenen. 그는 싼 신발을 샀어요.

  3. duur — 비싸다
    duur 비싸다

    Die auto ziet er duur uit. 저 차는 비싸 보여요.

  4. het contant geld — 현금
    het contant geld 현금

    Ik denk dat ze wat contant geld nodig heeft. 그녀는 현금이 좀 필요한 것 같아요.

  5. de creditcard — 신용카드
    de creditcard 신용카드

    Ik kan met mijn creditcard betalen. 신용카드로 결제할 수 있어요.

  6. de kassabon — 영수증
    de kassabon 영수증

    Mag ik de kassabon, alsjeblieft? 영수증 좀 주시겠어요?

  7. de rekening — 계산서
    de rekening 계산서

    Wie gaat de rekening betalen? 누가 계산서를 낼 거예요?

  8. het wisselgeld — 거스름돈
    het wisselgeld 거스름돈

    Ik heb betaald en kreeg wat wisselgeld terug. 저는 돈을 내고 거스름돈을 받았어요.

  9. de munt — 동전
    de munt 동전

    Ik heb een paar munten. 저는 동전이 몇 개 있어요.

  10. het bankbiljet — 지폐
    het bankbiljet 지폐

    Wat voor een bankbiljet is dat? 저것은 무슨 지폐예요?

  11. Hoeveel kost dit — 이게 얼마예요?
    Hoeveel kost dit 이게 얼마예요?

    Hoeveel kost dit? 이게 얼마예요?

  12. Kan ik met de kaart betalen? — 카드로 결제할 수 있어요?
    Kan ik met de kaart betalen? 카드로 결제할 수 있어요?

    Kan ik met de kaart betalen? 카드로 결제할 수 있어요?

  13. de munteenheid — 통화
    de munteenheid 통화

    Die munteenheid is erg sterk. 그 통화는 매우 강해요.

  14. de wisselkoers — 환율
    de wisselkoers 환율

    Deze wisselkoers is verschrikkelijk. 이 환율은 정말 안 좋아요.

  15. het wisselkantoor — 환전소
    het wisselkantoor 환전소

    We hebben een wisselkantoor nodig. 환전소가 필요해요.

  16. de commissie — 수수료
    de commissie 수수료

    Moet je commissie betalen? 수수료를 내야 해요?

  17. de buitenlandse valuta — 외화
    de buitenlandse valuta 외화

    Dat is buitenlandse valuta. 저것은 외화예요.

  18. de kaartbetaling — 카드 결제
    de kaartbetaling 카드 결제

    De kaartbetaling is gelukt. 카드 결제가 되었어요.

  19. contactloos — 비접촉식
    contactloos 비접촉식

    Dit is een contactloze betaling. 이것은 비접촉식 결제예요.

  20. de pincode — 비밀번호
    de pincode 비밀번호

    Ik ben mijn pincode vergeten. 저는 비밀번호를 잊어버렸어요.

  21. de opnamekosten — 출금 수수료
    de opnamekosten 출금 수수료

    Ze hebben de opnamekosten betaald. 그들은 출금 수수료를 냈어요.

  22. de daglimiet — 일일 한도
    de daglimiet 일일 한도

    Ze heeft de daglimiet bereikt. 그녀는 일일 한도에 도달했어요.

  23. de terugbetaling — 환불
    de terugbetaling 환불

    Je ontvangt een terugbetaling. 환불을 받으실 거예요.

  24. de servicekosten — 봉사료
    de servicekosten 봉사료

    De servicekosten zijn inbegrepen. 봉사료가 포함되어 있어요.

  25. de winkel — 가게
    de winkel 가게

    Dit is mijn favoriete winkel. 여기는 제가 가장 좋아하는 가게예요.

  26. de kassier — 계산원
    de kassier 계산원

    Zij is de nieuwe kassier. 그분은 새로운 계산원이에요.

  27. de rij — 줄
    de rij 줄

    Deze rij is erg lang. 이 줄이 아주 길어요.

  28. open — 열다
    open 열다

    De winkel is vandaag open. 가게가 오늘 문을 열어요.

  29. gesloten — 닫다
    gesloten 닫다

    Helaas is de apotheek gesloten. 아쉽게도 약국이 문을 닫았어요.

  30. de prijskaart — 가격표
    de prijskaart 가격표

    Ze zagen de prijskaart. 그들은 가격표를 봤어요.

  31. de korting — 할인
    de korting 할인

    Ik ben dol op hun kortingen. 저는 여기 할인을 정말 좋아해요.

  32. het retourbeleid — 반품 규정
    het retourbeleid 반품 규정

    Dit retourbeleid lijkt eerlijk. 이 반품 규정은 공정한 것 같아요.

  33. de garantie — 보증
    de garantie 보증

    Een garantie beschermt je aankoop. 보증이 구매를 보호해요.

  34. het pashokje — 탈의실
    het pashokje 탈의실

    Ze gebruikten het pashokje. 그들은 탈의실을 이용했어요.

  35. het winkelwagentje — 쇼핑 카트
    het winkelwagentje 쇼핑 카트

    We hebben een winkelwagentje nodig. 쇼핑 카트가 필요해요.

  36. de klant — 손님
    de klant 손님

    De klant heeft altijd gelijk. 손님은 항상 옳아요.

  37. de tafel — 테이블
    de tafel 테이블

    Kun je deze salade op de tafel zetten? 이 샐러드를 테이블 위에 놓아 줄 수 있어요?

  38. het menu — 메뉴
    het menu 메뉴

    Ze hebben een uitgebreid menu. 그곳은 메뉴가 아주 많아요.

  39. de reservering — 예약
    de reservering 예약

    Wij hebben een reservering. 저희 예약이 있어요.

  40. de server — 종업원
    de server 종업원

    De servers werken hard. 종업원들이 열심히 일해요.

  41. de bestelling — 주문
    de bestelling 주문

    Wij plaatsen nu onze bestelling. 저희는 지금 주문을 해요.

  42. het water — 물
    het water 물

    Zij drinkt koud water. 그녀는 차가운 물을 마셔요.

  43. de koffie — 커피
    de koffie 커피

    Zij drinken sterke koffie. 그들은 진한 커피를 마셔요.

  44. de thee — 차
    de thee 차

    Hete thee in de winter is het lekkerst. 겨울에 따뜻한 차가 최고예요.

  45. het bier — 맥주
    het bier 맥주

    Ik wil graag nog een bier, alstublieft. 맥주 하나 더 주세요.

  46. de wijn — 와인
    de wijn 와인

    Kunnen we deze wijn krijgen, alsjeblieft? 이 와인으로 주시겠어요?

  47. De rekening, alstublieft. — 계산서 주세요
    De rekening, alstublieft. 계산서 주세요

    De rekening, alstublieft. 계산서 주세요.

  48. heerlijk — 맛있다
    heerlijk 맛있다

    Die taart is heerlijk! 그 파이는 맛있어요!

  49. het voorgerecht — 에피타이저
    het voorgerecht 에피타이저

    We bestellen eerst een voorgerecht. 먼저 에피타이저를 주문할게요.

  50. het hoofdgerecht — 메인 요리
    het hoofdgerecht 메인 요리

    Ik ben dol op het hoofdgerecht. 저는 메인 요리를 정말 좋아해요.

  51. het dessert — 디저트
    het dessert 디저트

    Ze vindt het dessert lekker. 그녀는 디저트를 좋아해요.

  52. het dagmenu — 오늘의 특선
    het dagmenu 오늘의 특선

    Dat is het dagmenu. 저것은 오늘의 특선이에요.

  53. het dagmenu — 오늘의 메뉴
    het dagmenu 오늘의 메뉴

    Ze hebben het dagmenu. 오늘의 메뉴가 있어요.

  54. tafel voor twee — 두 명 자리
    tafel voor twee 두 명 자리

    We hebben een tafel voor twee nodig. 두 명 자리가 필요해요.

  55. de reservering op naam van ... — ~ 이름으로 예약하다
    de reservering op naam van ... ~ 이름으로 예약하다

    Ze heeft een reservering op naam van Smith. 스미스 씨 이름으로 예약했어요.

  56. het kraanwater — 수돗물
    het kraanwater 수돗물

    Ik drink meestal kraanwater. 저는 보통 수돗물을 마셔요.

  57. de rekening delen — 나누어 내다
    de rekening delen 나누어 내다

    We kunnen de rekening delen. 우리는 나누어 낼 수 있어요.

  58. samen betalen — 같이 계산하다
    samen betalen 같이 계산하다

    Wij zullen samen betalen. 저희가 같이 계산할 거예요.

  59. de fooi — 팁
    de fooi 팁

    Ik geef altijd grote fooien. 저는 항상 팁을 많이 줘요.

  60. betalen bij de kassa — 카운터에서 계산하다
    betalen bij de kassa 카운터에서 계산하다

    Kunnen we betalen bij de kassa? 카운터에서 계산할 수 있어요?

  61. de maat — 사이즈
    de maat 사이즈

    Deze maat is te klein. 이 사이즈는 너무 작아요.

  62. passen — 맞다
    passen 맞다

    Ze past nog steeds in haar oude spijkerbroek. 그녀는 아직도 예전 청바지가 맞아요.

  63. te groot — 너무 크다
    te groot 너무 크다

    Ik vind dit shirt te groot. 이 셔츠는 너무 큰 것 같아요.

  64. te klein — 너무 작다
    te klein 너무 작다

    Helaas is deze schoen te klein. 아쉽게도 이 신발은 너무 작아요.

  65. passen — 써 보다
    passen 써 보다

    Wij passen nieuwe hoeden. 저희는 새 모자를 써 봐요.

  66. zwart — 검은색
    zwart 검은색

    Ben draagt een zwart shirt. 벤 씨는 검은색 셔츠를 입어요.

  67. wit — 하얗다
    wit 하얗다

    Zij draagt een witte broek. 그녀는 하얀 바지를 입어요.

  68. rood — 빨갛다
    rood 빨갛다

    Zijn rode rozen niet de beste? 빨간 장미가 최고이지 않나요?

  69. blauw — 파란색
    blauw 파란색

    Is blauw je lievelingskleur? 파란색이 가장 좋아하는 색이에요?

  70. groen — 초록색
    groen 초록색

    Zou je de groene jurk nemen? 초록색 드레스로 하실래요?

  71. geel — 노랗다
    geel 노랗다

    Ze houdt van gele shirts. 그녀는 노란 셔츠를 좋아해요.

  72. de kleur — 색깔
    de kleur 색깔

    Welke kleur vind je mooi? 무슨 색깔을 좋아해요?

  73. roze — 분홍색
    roze 분홍색

    Ik zie een roze bloem. 분홍색 꽃이 보여요.

  74. paars — 보라색
    paars 보라색

    Ik zie een paarse bloem. 보라색 꽃이 보여요.

  75. bruin — 갈색
    bruin 갈색

    Ik zie een bruine hond. 저는 갈색 개를 보고 있어요.

  76. grijs — 회색
    grijs 회색

    De kat is grijs. 그 고양이는 회색이에요.

  77. gouden — 금색
    gouden 금색

    De ring is gouden. 반지는 금색이에요.

  78. zilver — 은색
    zilver 은색

    De auto is zilver. 자동차는 은색이에요.

  79. beige — 베이지색
    beige 베이지색

    Zij draagt een beige shirt. 그녀는 베이지색 셔츠를 입고 있어요.

  80. marineblauw — 남색
    marineblauw 남색

    Zijn jas is marineblauw. 그의 재킷은 남색이에요.

  81. fel — 밝다
    fel 밝다

    De zon is erg fel. 햇빛이 정말 밝아요.

  82. bleek — 창백하다
    bleek 창백하다

    Het zieke kind is bleek. 아픈 아이가 창백합니다.

  83. donker — 어둡다
    donker 어둡다

    De kamer is erg donker. 방이 아주 어두워요.

  84. gestreept — 줄무늬의
    gestreept 줄무늬의

    Hij draagt een gestreept overhemd. 그는 줄무늬 셔츠를 입고 있어요.

  85. de kamer — 방
    de kamer 방

    Ben je blij met je kamer? 방이 마음에 들어요?

  86. de deur — 문
    de deur 문

    Deze deur moet worden vervangen. 이 문은 교체해야 해요.

  87. de sleutel — 열쇠
    de sleutel 열쇠

    Ik denk dat ik mijn sleutel kwijt ben. 열쇠를 잃어버린 것 같아요.

  88. het raam — 창문
    het raam 창문

    Het raam is erg schoon. 창문이 아주 깨끗해요.

  89. het licht — 빛
    het licht 빛

    Deze kamer krijgt veel licht. 이 방은 빛이 많이 들어와요.

  90. de schakelaar — 스위치
    de schakelaar 스위치

    De schakelaar voor het licht zit op de muur. 전등 스위치는 벽에 있어요.

  91. het bed — 침대
    het bed 침대

    Ik moet nog steeds een bed kopen. 저는 아직 침대를 사야 해요.

  92. de keuken — 부엌
    de keuken 부엌

    Deze keuken is erg schoon. 이 부엌은 아주 깨끗해요.

  93. de badkamer — 화장실
    de badkamer 화장실

    Ze gebruikt vaak de badkamer. 그녀는 화장실을 자주 사용해요.

  94. de douche — 샤워
    de douche 샤워

    Zij nemen dagelijks een douche. 그들은 매일 샤워를 해요.

  95. de wifi — 와이파이
    de wifi 와이파이

    Heeft deze bar wifi? 이 바에 와이파이 있어요?

  96. het adres — 주소
    het adres 주소

    Wat is je adres? 주소가 뭐예요?

  97. de hoofdpijn — 두통
    de hoofdpijn 두통

    Hoofdpijn is nooit leuk. 두통은 절대 즐겁지 않아요.

  98. de koorts — 열
    de koorts 열

    Hij heeft hoge koorts. 그는 열이 심해요.

  99. de hoest — 기침
    de hoest 기침

    Mijn hoest gaat niet weg. 제 기침이 안 멈춰요.

  100. de keelpijn — 목이 아프다
    de keelpijn 목이 아프다

    Marry heeft keelpijn. 메리 씨는 목이 아파요.

701–800번째 단어

  1. de loopneus — 콧물
    de loopneus 콧물

    Dat is een loopneus. 저건 콧물이에요.

  2. duizelig — 어지럽다
    duizelig 어지럽다

    Ik voel me duizelig na het ronddraaien. 빙글빙글 돌고 나서 어지러워요.

  3. ziek — 아프다
    ziek 아프다

    Ze voelt zich vandaag erg ziek. 그녀는 오늘 아주 아파요.

  4. de medicatie — 약
    de medicatie 약

    Vergeet niet om je medicatie in te nemen. 약을 먹는 것을 잊지 마세요.

  5. het recept — 처방전
    het recept 처방전

    Is dit uw recept, meneer? 손님, 이게 처방전이에요?

  6. de dokter — 의사
    de dokter 의사

    Een dokter helpt veel mensen. 의사는 많은 사람들을 도와요.

  7. de apotheek — 약국
    de apotheek 약국

    Wij bezoeken soms de apotheek. 우리는 가끔 약국에 가요.

  8. de kliniek — 의원
    de kliniek 의원

    Opa is momenteel in de kliniek. 할아버지는 지금 의원에 계세요.

  9. de toeristische informatie — 관광 정보
    de toeristische informatie 관광 정보

    Het bord geeft toeristische informatie. 표지판은 관광 정보를 제공해요.

  10. de bibliotheek — 도서관
    de bibliotheek 도서관

    De bibliotheek staat vol met mensen. 도서관은 사람들로 가득해요.

  11. de bank — 은행
    de bank 은행

    Papa moet nog naar de bank. 아빠는 아직 은행에 가야 해요.

  12. de kapper — 미용사
    de kapper 미용사

    Ze vindt de kapper leuk. 그녀는 미용사를 좋아해요.

  13. de kapper — 이발사
    de kapper 이발사

    Die kapper knipt elke dag haar. 저 이발사는 매일 머리를 잘라요.

  14. de stomerij — 세탁소
    de stomerij 세탁소

    Dit pak moet naar de stomerij. 이 정장은 세탁소에 맡겨야 해요.

  15. de reparatiewerkplaats — 수리점
    de reparatiewerkplaats 수리점

    Is de reparatiewerkplaats vandaag open? 오늘 수리점이 문을 열어요?

  16. de telefoonwinkel — 휴대폰 매장
    de telefoonwinkel 휴대폰 매장

    Zij werkt in de telefoonwinkel. 그녀는 휴대폰 매장에서 일해요.

  17. de koeriersdienst — 택배
    de koeriersdienst 택배

    We hebben het pakket met de koeriersdienst verstuurd. 저희는 택배로 소포를 보냈어요.

  18. de autohuur — 렌터카
    de autohuur 렌터카

    We hebben voor het weekend een autohuur geboekt. 우리는 주말에 렌터카를 예약했어요.

  19. de fietsverhuur — 자전거 대여소
    de fietsverhuur 자전거 대여소

    Deze fietsverhuur ziet er nieuw uit. 이 자전거 대여소는 새것 같아요.

  20. de dierenarts — 수의사
    de dierenarts 수의사

    De dierenarts controleert onze hond elke maand. 수의사가 매달 우리 개를 진찰해요.

  21. verliezen — 잃어버리다
    verliezen 잃어버리다

    Ik ben mijn sleutels in het park verloren. 공원에서 열쇠를 잃어버렸어요.

  22. de portemonnee — 지갑
    de portemonnee 지갑

    Hij is zijn portemonnee verloren in de bus. 그는 버스에서 지갑을 잃어버렸어요.

  23. de telefoon — 휴대폰
    de telefoon 휴대폰

    Zet tijdens de les alsjeblieft je telefoon uit. 수업 시간에는 휴대폰을 꺼 주세요.

  24. de identiteitskaart — 신분증
    de identiteitskaart 신분증

    Heb je je identiteitskaart gevonden? 신분증을 찾았어요?

  25. de tas — 가방
    de tas 가방

    Haar tas zit altijd vol. 그녀의 가방은 항상 가득해요.

  26. het verslag — 보고서
    het verslag 보고서

    Ze schreef een verslag over de vergadering. 그녀는 회의에 대한 보고서를 썼어요.

  27. de beschrijving — 설명
    de beschrijving 설명

    Dit is een geweldige beschrijving. 이것은 정말 놀라운 설명이에요.

  28. het telefoonnummer — 연락처
    het telefoonnummer 연락처

    Ik heb je telefoonnummer nodig. 연락처가 필요해요.

  29. de gevonden voorwerpen — 분실물 센터
    de gevonden voorwerpen 분실물 센터

    Ze vond het bij de gevonden voorwerpen. 그녀는 그것을 분실물 센터에서 찾았어요.

  30. de sleutels — 열쇠
    de sleutels 열쇠

    Ik ben gisteren mijn sleutels verloren. 어제 열쇠를 잃어버렸어요.

  31. terugbrengen — 돌려주다
    terugbrengen 돌려주다

    Zij zal het boek morgenochtend terugbrengen. 그녀는 내일 아침에 그 책을 돌려줄 거예요.

  32. de eigenaar — 주인
    de eigenaar 주인

    Ken jij de eigenaar? 주인을 알아요?

  33. de verpleegkundige — 간호사
    de verpleegkundige 간호사

    De verpleegkundige hielp de patiënt. 간호사가 환자를 도왔습니다.

  34. de tandarts — 치과의사
    de tandarts 치과의사

    De tandarts heeft mijn tand gerepareerd. 치과의사가 제 치아를 고쳐주었어요.

  35. de ober — 웨이터
    de ober 웨이터

    De ober bracht ons eten. 웨이터가 음식을 가져다주었습니다.

  36. de serveerster — 웨이트리스
    de serveerster 웨이트리스

    De serveerster bracht ons eten. 웨이트리스가 우리 음식을 가져다주었습니다.

  37. de chef-kok — 요리사
    de chef-kok 요리사

    De chef-kok bereidt de maaltijd. 요리사가 음식을 요리합니다.

  38. de monteur — 정비사
    de monteur 정비사

    De monteur heeft mijn auto gerepareerd. 정비사가 제 차를 고쳤어요.

  39. de postbode — 우체부
    de postbode 우체부

    De postbode bracht een brief. 우체부님이 편지를 가져다주셨어요.

  40. de schoonmaker — 청소부
    de schoonmaker 청소부

    De schoonmaker heeft de vloer gedweild. 청소부가 바닥을 닦았습니다.

  41. de tuinman — 정원사
    de tuinman 정원사

    De tuinman geeft de planten water. 정원사가 식물에 물을 줍니다.

  42. de schilder — 화가
    de schilder 화가

    De schilder schildert een prachtig schilderij. 화가는 아름다운 그림을 그립니다.

  43. de kleermaker — 재단사
    de kleermaker 재단사

    De kleermaker maakt prachtige kleding. 재단사는 아름다운 옷을 만듭니다.

  44. de bibliothecaris — 사서
    de bibliothecaris 사서

    De bibliothecaris organiseert de boeken. 사서가 책들을 정리합니다.

  45. de acteur — 배우
    de acteur 배우

    Ik zag de beroemde acteur. 저는 그 유명한 배우를 봤어요.

  46. de actrice — 여배우
    de actrice 여배우

    Ik zag de beroemde actrice. 저는 그 유명한 여배우를 봤어요.

  47. de kunstenaar — 화가
    de kunstenaar 화가

    De kunstenaar schildert een schilderij. 화가는 그림을 그립니다.

  48. de fotograaf — 사진작가
    de fotograaf 사진작가

    De fotograaf maakte een foto van mij. 사진작가가 제 사진을 찍어 주었어요.

  49. de schrijver — 작가
    de schrijver 작가

    De schrijver heeft het boek afgemaakt. 작가는 책을 다 썼습니다.

  50. de manager — 매니저
    de manager 매니저

    We hebben de nieuwe manager ontmoet. 우리는 새로운 매니저를 만났습니다.

  51. de advocaat — 변호사
    de advocaat 변호사

    Ik heb een goede advocaat nodig. 저는 유능한 변호사가 필요해요.

  52. de secretaresse — 비서
    de secretaresse 비서

    De secretaresse werkt op kantoor. 비서는 사무실에서 일합니다.

  53. de journalist — 언론인
    de journalist 언론인

    De journalist schrijft het nieuws. 언론인은 뉴스를 씁니다.

  54. de assistent — 비서
    de assistent 비서

    Mijn assistent zal je helpen. 제 비서가 도와드릴 거예요.

  55. de verslaggever — 기자
    de verslaggever 기자

    De verslaggever schrijft het nieuws. 기자는 뉴스를 씁니다.

  56. de ontwerper — 디자이너
    de ontwerper 디자이너

    De ontwerper maakt prachtige kleding. 그 디자이너는 아름다운 옷을 만듭니다.

  57. de ingenieur — 엔지니어
    de ingenieur 엔지니어

    De ingenieur repareerde de machine. 엔지니어가 기계를 고쳤습니다.

  58. de piloot — 조종사
    de piloot 조종사

    De piloot bestuurt het vliegtuig. 조종사가 비행기를 조종합니다.

  59. de boer — 농부
    de boer 농부

    De boer werkt op het land. 농부는 들판에서 일합니다.

  60. de visser — 어부
    de visser 어부

    De visser ving een grote vis. 어부가 큰 물고기를 잡았습니다.

  61. de wetenschapper — 과학자
    de wetenschapper 과학자

    De wetenschapper ontdekte een nieuw medicijn. 그 과학자가 새로운 약을 발견했습니다.

  62. de programmeur — 프로그래머
    de programmeur 프로그래머

    De programmeur schrijft de software. 프로그래머는 소프트웨어를 작성합니다.

  63. de politieagent — 경찰관
    de politieagent 경찰관

    De politieagent heeft de dief gepakt. 경찰관이 도둑을 잡았습니다.

  64. de soldaat — 군인
    de soldaat 군인

    De soldaat beschermt de stad. 그 군인이 도시를 보호합니다.

  65. de professor — 교수
    de professor 교수

    De professor geeft les aan de studenten. 교수님은 학생들을 가르칩니다.

  66. de bouwvakker — 건설 노동자
    de bouwvakker 건설 노동자

    De bouwvakker bouwt het nieuwe huis. 건설 노동자가 새 집을 짓습니다.

  67. de bakker — 제빵사
    de bakker 제빵사

    De bakker maakt vers brood. 제빵사는 갓 구운 빵을 만듭니다.

  68. de atleet — 운동선수
    de atleet 운동선수

    De atleet rent heel erg snel. 그 운동선수는 매우 빠르게 달립니다.

  69. de uitgang — 출구
    de uitgang 출구

    Pardon, waar is de uitgang? 실례합니다, 출구가 어디예요?

  70. de ingang — 입구
    de ingang 입구

    Dit zou de ingang moeten zijn. 여기가 입구일 거예요.

  71. duwen — 밀다
    duwen 밀다

    Zij duwen de rode deur. 그들은 빨간 문을 밀어요.

  72. trekken — 당기다
    trekken 당기다

    Je moet aan de deur trekken. 문을 당겨야 해요.

  73. verboden te roken — 금연
    verboden te roken 금연

    Dit bord zegt dat het hier verboden te roken is. 이 표지판에 금연이라고 쓰여 있어요.

  74. verboden te parkeren — 주차 금지
    verboden te parkeren 주차 금지

    Het is hier verboden te parkeren, sorry. 여기는 주차 금지예요, 죄송해요.

  75. buiten gebruik — 고장 나다
    buiten gebruik 고장 나다

    Die lift is buiten gebruik. 저 엘리베이터는 고장 났어요.

  76. alleen voor personeel — 직원 전용
    alleen voor personeel 직원 전용

    Die ruimte is alleen voor personeel. 그 공간은 직원 전용이에요.

  77. de nooduitgang — 비상구
    de nooduitgang 비상구

    Elk gebouw heeft een nooduitgang. 모든 건물에는 비상구가 있어요.

  78. de informatie — 정보
    de informatie 정보

    We hebben meer informatie nodig. 저희는 정보가 더 필요해요.

  79. het loket — 매표소
    het loket 매표소

    Dat is het loket. 저기는 매표소예요.

  80. niet op het gras lopen — 잔디밭에 들어가지 않다
    niet op het gras lopen 잔디밭에 들어가지 않다

    Loop alstublieft niet op het gras. 잔디밭에 들어가지 마세요.

  81. de geldautomaat — 현금 인출기
    de geldautomaat 현금 인출기

    Waar is de geldautomaat? 현금 인출기가 어디에 있어요?

  82. de bankrekening — 은행 계좌
    de bankrekening 은행 계좌

    Ze heeft een bankrekening. 그녀는 은행 계좌가 있어요.

  83. de bankpas — 은행 카드
    de bankpas 은행 카드

    Wij gebruiken altijd een bankpas. 저희는 항상 은행 카드를 사용해요.

  84. geld opnemen — 현금을 인출하다
    geld opnemen 현금을 인출하다

    Ik neem elke week geld op. 저는 매주 현금을 인출해요.

  85. contant geld storten — 현금을 입금하다
    contant geld storten 현금을 입금하다

    Je kunt bij geldautomaten contant geld storten. 현금 인출기에서 현금을 입금해요.

  86. geld overmaken — 송금하다
    geld overmaken 송금하다

    Ze maken elke dag geld over. 그들은 매일 송금해요.

  87. het saldo — 잔액
    het saldo 잔액

    Ze controleert haar banksaldo. 그녀는 계좌 잔액을 확인해요.

  88. het bankafschrift — 명세서
    het bankafschrift 명세서

    Waar is je bankafschrift? 은행 명세서가 어디에 있어요?

  89. de vergoeding — 수수료
    de vergoeding 수수료

    Zit er een vergoeding aan deze transactie verbonden? 이 거래는 수수료가 있어요?

  90. de toeslag — 추가 요금
    de toeslag 추가 요금

    Ik heb de toeslag al betaald. 저는 이미 추가 요금을 지불했습니다.

  91. de spaarrekening — 예금 계좌
    de spaarrekening 예금 계좌

    We hebben een spaarrekening geopend. 저희는 예금 계좌를 만들었어요.

  92. de kluis — 금고
    de kluis 금고

    Het geld ligt in de kluis. 돈이 금고에 있어요.

  93. de bank — 소파
    de bank 소파

    Deze bank is erg comfortabel. 이 소파는 아주 편해요.

  94. de tafel — 테이블
    de tafel 테이블

    Is dit een nieuwe tafel? 이게 새 테이블이에요?

  95. de stoel — 의자
    de stoel 의자

    Fred zit altijd in de stoel. 프레드는 항상 의자에 앉아요.

  96. de kledingkast — 옷장
    de kledingkast 옷장

    De kledingkast zit vol met kleren. 옷장에 옷이 가득해요.

  97. de plank — 선반
    de plank 선반

    Ik moet mijn plank schoonmaken. 저는 제 선반을 청소해야 해요.

  98. de koelkast — 냉장고
    de koelkast 냉장고

    De koelkast houdt eten koud. 냉장고는 음식을 차갑게 유지해요.

  99. de vriezer — 냉동실
    de vriezer 냉동실

    De vriezer zit vol. 냉동실이 가득 찼어요.

  100. het fornuis — 가스레인지
    het fornuis 가스레인지

    Hij gebruikt het fornuis vaak. 그는 가스레인지를 자주 사용해요.

801–900번째 단어

  1. de oven — 오븐
    de oven 오븐

    Deze oven wordt erg heet. 이 오븐은 아주 뜨거워져요.

  2. de gootsteen — 싱크대
    de gootsteen 싱크대

    De gootsteen staat vol met borden. 싱크대에 접시가 가득해요.

  3. de lamp — 램프
    de lamp 램프

    Mijn moeder gebruikt een lamp om te lezen. 우리 엄마는 책을 읽을 때 램프를 사용해요.

  4. de prullenbak — 쓰레기통
    de prullenbak 쓰레기통

    Daniel heeft de prullenbak geleegd. 다니엘 씨는 쓰레기통을 비웠어요.

  5. de klok — 시계
    de klok 시계

    De klok geeft de tijd aan. 시계가 시간을 가리킵니다.

  6. de computer — 컴퓨터
    de computer 컴퓨터

    Ik gebruik een computer voor mijn werk. 저는 업무를 위해 컴퓨터를 사용합니다.

  7. de lijst — 틀
    de lijst 틀

    Hij schilderde de houten lijst. 그는 나무 틀을 칠했습니다.

  8. de radio — 라디오
    de radio 라디오

    Ik luister naar de radio. 저는 라디오를 들어요.

  9. de camera — 카메라
    de camera 카메라

    Ik heb een nieuwe camera gekocht. 저는 새 카메라를 샀어요.

  10. de open haard — 벽난로
    de open haard 벽난로

    Het vuur brandt in de open haard. 불이 벽난로에서 타고 있습니다.

  11. de leunstoel — 안락의자
    de leunstoel 안락의자

    Hij rust in de leunstoel. 그는 안락의자에 앉아 쉽니다.

  12. de kast — 찬장
    de kast 찬장

    De borden staan in de kast. 접시들은 찬장에 있어요.

  13. de boekenkast — 책장
    de boekenkast 책장

    Hij heeft een nieuwe boekenkast gekocht. 그는 새 책장을 샀어요.

  14. de lade — 서랍
    de lade 서랍

    De sleutels liggen in de lade. 열쇠는 서랍 안에 있어요.

  15. de hal — 복도
    de hal 복도

    We wachtten in de hal. 우리는 복도에서 기다렸습니다.

  16. het kleed — 러그
    het kleed 러그

    De kat slaapt op het kleed. 고양이가 러그 위에서 잠을 자요.

  17. de woonkamer — 거실
    de woonkamer 거실

    Dit is onze oude woonkamer. 이곳은 저희의 오래된 거실이에요.

  18. de slaapkamer — 침실
    de slaapkamer 침실

    Ze hebben de slaapkamer blauw geverfd. 그들은 침실을 파란색으로 칠했어요.

  19. de eetkamer — 식당
    de eetkamer 식당

    Wij eten in de eetkamer. 우리는 식당에서 밥을 먹어요.

  20. de gang — 복도
    de gang 복도

    Die gang is erg lang. 저 복도는 아주 길어요.

  21. het balkon — 발코니
    het balkon 발코니

    Een balkon biedt uitzicht over de stad. 발코니에서 도시 전망을 볼 수 있어요.

  22. de tuin — 정원
    de tuin 정원

    Zijn tuin is erg mooi. 그의 정원은 정말 아름다워요.

  23. de tuin — 마당
    de tuin 마당

    De kinderen spelen in de tuin. 아이들이 마당에서 놀고 있어요.

  24. de garage — 차고
    de garage 차고

    De garagedeur sluit automatisch. 차고 문이 자동으로 닫혀요.

  25. de kelder — 지하실
    de kelder 지하실

    Deze kelder is erg schoon. 이 지하실은 아주 깨끗해요.

  26. het plafond — 천장
    het plafond 천장

    We hebben het plafond wit geverfd. 저희는 천장을 하얗게 칠했어요.

  27. het dak — 지붕
    het dak 지붕

    Dat dak ziet er oud uit. 저 지붕은 낡아 보여요.

  28. de muur — 벽
    de muur 벽

    Hij schilderde de muur blauw. 그는 벽을 파란색으로 칠했어요.

  29. schoon — 깨끗하다
    schoon 깨끗하다

    Zij wil een schoon huis. 그녀는 깨끗한 집을 원해요.

  30. wassen — 설거지하다
    wassen 설거지하다

    Ik ga nu de afwas doen. 저는 지금 설거지할 거예요.

  31. koken — 요리하다
    koken 요리하다

    Zij koken elke avond het avondeten. 그들은 매일 밤 저녁을 요리해요.

  32. koken — 끓이다
    koken 끓이다

    Je kookt water voor thee. 차를 마시려고 물을 끓여요.

  33. bakken — 튀기다
    bakken 튀기다

    Bakt u uw eten vaak? 음식을 자주 튀겨요?

  34. bakken — 굽다
    bakken 굽다

    Zij bakt vandaag brood. 그녀는 오늘 빵을 구워요.

  35. vegen — 쓸다
    vegen 쓸다

    Ik veeg de vloer sneller. 저는 바닥을 더 빨리 쓸어요.

  36. de dweil — 대걸레
    de dweil 대걸레

    De schoonmaker gebruikt de dweil. 청소부가 대걸레를 사용해요.

  37. stofzuigen — 청소기를 돌리다
    stofzuigen 청소기를 돌리다

    Wij stofzuigen de woonkamer. 저희는 거실에서 청소기를 돌려요.

  38. het stof — 먼지
    het stof 먼지

    Ze veegt het stof weg. 그녀는 먼지를 닦아내요.

  39. water geven — 물을 주다
    water geven 물을 주다

    Ze geven wekelijks water aan de tuin. 그들은 매주 정원에 물을 줘요.

  40. uitdoen — 끄다
    uitdoen 끄다

    Kun je het licht uitdoen? 불을 꺼 줄래요?

  41. schenken — 따르다
    schenken 따르다

    Zij schenkt water in het kopje. 그녀는 컵에 물을 따라요.

  42. roeren — 젓다
    roeren 젓다

    Ik roer in de hete soep. 저는 뜨거운 수프를 저어요.

  43. hakken — 패다
    hakken 패다

    De man hakt het hout. 그 남자는 장작을 팹니다.

  44. dopen — 적시다
    dopen 적시다

    Zij dopt de doek in het water. 그녀는 천을 물에 적십니다.

  45. schillen — 까다
    schillen 까다

    Zij schilt de sinaasappel. 그녀는 오렌지를 까고 있어요.

  46. raspen — 갈다
    raspen 갈다

    Zij raspt de groenten. 그녀는 채소를 갈아요.

  47. de hitte — 열기
    de hitte 열기

    Ik voel de hitte van het vuur. 불에서 나오는 열기가 느껴져요.

  48. mengen — 섞다
    mengen 섞다

    Ik meng het zout en het water. 저는 소금과 물을 섞어요.

  49. besmeren — 바르다
    besmeren 바르다

    Zij besmeert het brood met boter. 그녀는 빵에 버터를 바른다.

  50. smelten — 녹이다
    smelten 녹이다

    De zon smelt het ijs. 태양이 얼음을 녹여요.

  51. meten — 재다
    meten 재다

    Ik meet het lange touw. 나는 긴 밧줄을 잽니다.

  52. vullen — 채우다
    vullen 채우다

    Ik vul de beker met water. 저는 컵에 물을 채워요.

  53. de wasmachine — 세탁기
    de wasmachine 세탁기

    Deze wasmachine is schoon. 이 세탁기는 깨끗해요.

  54. de wasdroger — 건조기
    de wasdroger 건조기

    De wasdroger is erg heet. 건조기가 아주 뜨거워요.

  55. het wasmiddel — 세제
    het wasmiddel 세제

    We hebben nu meer wasmiddel nodig. 지금 세제가 더 필요해요.

  56. de wasverzachter — 섬유 유연제
    de wasverzachter 섬유 유연제

    Zij gebruikt altijd wasverzachter. 그녀는 항상 섬유 유연제를 사용해요.

  57. de vlek — 얼룩
    de vlek 얼룩

    Wanneer heb je deze vlek gekregen? 이 얼룩은 언제 묻었어요?

  58. de vlekkenverwijderaar — 얼룩 제거제
    de vlekkenverwijderaar 얼룩 제거제

    Deze vlekkenverwijderaar werkt goed. 이 얼룩 제거제는 효과가 좋아요.

  59. de wasmand — 빨래 바구니
    de wasmand 빨래 바구니

    We hebben een wasmand nodig. 빨래 바구니가 필요해요.

  60. de kledinghanger — 옷걸이
    de kledinghanger 옷걸이

    Ik kan de kledinghanger niet vinden. 옷걸이를 못 찾겠어요.

  61. de wasknijper — 빨래집게
    de wasknijper 빨래집게

    Gebruik jij wasknijpers? 빨래집게를 사용해요?

  62. de waslijn — 빨랫줄
    de waslijn 빨랫줄

    Deze waslijn houdt natte was vast. 이 빨랫줄에 젖은 빨래가 걸려 있어요.

  63. de strijkplank — 다리미판
    de strijkplank 다리미판

    De strijkplank staat in de weg. 다리미판이 방해가 돼요.

  64. het strijkijzer — 다리미
    het strijkijzer 다리미

    Ze gebruikt een heet strijkijzer voor haar kleding. 그녀는 옷에 뜨거운 다리미를 사용해요.

  65. kapot — 고장 나다
    kapot 고장 나다

    Helaas is dat speelgoed kapot. 아쉽게도 그 장난감은 고장 났어요.

  66. repareren — 고치다
    repareren 고치다

    Wij repareren hier kapotte dingen. 저희는 여기서 고장 난 것들을 고쳐요.

  67. de kraan — 수도꼭지
    de kraan 수도꼭지

    Onze kraan lekt nog steeds. 우리 수도꼭지가 아직도 새요.

  68. het lek — 누수
    het lek 누수

    Ze zijn eindelijk het lek aan het repareren. 드디어 누수를 고치고 있어요.

  69. de pijp — 파이프
    de pijp 파이프

    Ik kan de pijp zien. 파이프가 보여요.

  70. repareren — 수리하다
    repareren 수리하다

    Weet je hoe je het moet repareren? 그거 어떻게 수리하는지 알아요?

  71. de loodgieter — 배관공
    de loodgieter 배관공

    Ze heeft vandaag de loodgieter gebeld. 그녀는 오늘 배관공을 불렀어요.

  72. de elektricien — 전기 기사
    de elektricien 전기 기사

    Ze hebben een elektricien ingehuurd. 그들은 전기 기사를 고용했어요.

  73. de zekering — 퓨즈
    de zekering 퓨즈

    Deze zekering beschermt het circuit. 이 퓨즈가 회로를 보호해요.

  74. de gloeilamp — 전구
    de gloeilamp 전구

    Hebben we nog een gloeilamp? 다른 전구가 있어요?

  75. vervangen — 교체하다
    vervangen 교체하다

    Wij vervangen oude banden. 우리는 오래된 타이어를 교체해요.

  76. het onderhoud — 정비
    het onderhoud 정비

    Ze plegen regelmatig onderhoud. 정기적인 정비를 해요.

  77. de knipbeurt — 이발
    de knipbeurt 이발

    Ik heb binnenkort een knipbeurt nodig. 곧 이발을 해야 해요.

  78. het parfum — 향수
    het parfum 향수

    Zij houdt van dat parfum. 그녀는 그 향수를 좋아해요.

  79. de shampoo — 샴푸
    de shampoo 샴푸

    Heb je nog een andere shampoo? 다른 샴푸 있어요?

  80. de zeep — 비누
    de zeep 비누

    Je moet je wassen met zeep. 비누로 씻어야 해요.

  81. de tandenborstel — 칫솔
    de tandenborstel 칫솔

    Hoe oud is je tandenborstel? 칫솔이 얼마나 오래됐어요?

  82. de tandpasta — 치약
    de tandpasta 치약

    Dit is de beste tandpasta. 이게 제일 좋은 치약이에요.

  83. de handdoek — 수건
    de handdoek 수건

    Schone handdoeken liggen op de plank. 깨끗한 수건들이 선반 위에 있어요.

  84. het scheermes — 면도기
    het scheermes 면도기

    Ik gebruik elke keer een nieuw scheermes. 저는 매번 새 면도기를 사용해요.

  85. de kam — 빗
    de kam 빗

    Ze gebruikt dagelijks een kam. 그녀는 매일 빗을 사용해요.

  86. de spiegel — 거울
    de spiegel 거울

    Heb je gisteren de spiegel schoongemaakt? 어제 거울을 닦았어요?

  87. de deodorant — 데오도란트
    de deodorant 데오도란트

    Ik heb elke dag deodorant nodig. 저는 매일 데오도란트가 필요해요.

  88. de douchegel — 샤워젤
    de douchegel 샤워젤

    Deze douchegel ruikt lekker. 이 샤워젤은 냄새가 좋아요.

  89. het hoofd — 머리
    het hoofd 머리

    Bescherm alsjeblieft je hoofd. 머리를 보호해 주세요.

  90. het gezicht — 얼굴
    het gezicht 얼굴

    Je wast elke ochtend je gezicht. 매일 아침 얼굴을 씻어요.

  91. de voet — 발
    de voet 발

    Kun je je voet aanraken? 발을 만질 수 있어요?

  92. het oog — 눈
    het oog 눈

    Je hebt prachtige ogen. 눈이 정말 아름다워요.

  93. de arm — 팔
    de arm 팔

    Hij heeft gisteren zijn arm gebroken. 그는 어제 팔이 부러졌어요.

  94. de neus — 코
    de neus 코

    Wie heeft de grotere neus? 누가 코가 더 커요?

  95. de mond — 입
    de mond 입

    Ze stopte het snoepje in haar mond. 그녀는 입에 사탕을 넣었어요.

  96. de tanden — 이
    de tanden 이

    Ze poetsen dagelijks hun tanden. 그들은 매일 이를 닦아요.

  97. de hand — 손
    de hand 손

    Het wassen van je handen is erg belangrijk. 손을 씻는 것은 매우 중요해요.

  98. het oor — 귀
    het oor 귀

    Heeft dit dier oren? 이 동물은 귀가 있어요?

  99. het been — 다리
    het been 다리

    Doet je been pijn? 다리가 아파요?

  100. het haar — 머리카락
    het haar 머리카락

    Hoe vaak borstel jij je haar? 머리카락을 얼마나 자주 빗어요?

901–1000번째 단어

  1. het lichaam — 몸
    het lichaam 몸

    De man heeft een sterk lichaam. 그 남자는 몸이 튼튼합니다.

  2. glimlachen — 미소 짓다
    glimlachen 미소 짓다

    Het kind glimlacht naar mij. 그 아이가 저를 보고 미소 짓습니다.

  3. de rug — 등
    de rug 등

    Hij raakte mijn rug aan. 그가 제 등을 만졌어요.

  4. de nek — 목
    de nek 목

    Ze raakte haar nek aan. 그녀는 자신의 목을 만졌습니다.

  5. de schouder — 어깨
    de schouder 어깨

    De dokter raakte mijn schouder aan. 의사 선생님이 제 어깨를 만지셨어요.

  6. de maag — 배
    de maag 배

    Mijn maag doet pijn. 배가 아파요.

  7. de borst — 가슴
    de borst 가슴

    Hij voelde pijn in zijn borst. 그는 가슴에 통증을 느꼈습니다.

  8. de lip — 입술
    de lip 입술

    De jongen raakte zijn lip aan. 그 소년은 자신의 입술을 만졌습니다.

  9. de tong — 혀
    de tong 혀

    De hete soep verbrandde mijn tong. 뜨거운 국물에 혀를 데었어요.

  10. de keel — 목구멍
    de keel 목구멍

    Mijn keel is erg droog. 목이 너무 건조해요.

  11. de snor — 콧수염
    de snor 콧수염

    Mijn vader heeft een snor. 우리 아버지는 콧수염이 있으세요.

  12. de baard — 수염
    de baard 수염

    De man heeft een lange baard. 그 남자는 수염이 길어요.

  13. de vinger — 손가락
    de vinger 손가락

    De baby pakte mijn vinger vast. 아기가 제 손가락을 잡았어요.

  14. de duim — 엄지손가락
    de duim 엄지손가락

    Hij wees met zijn duim. 그는 엄지손가락으로 가리켰습니다.

  15. de teen — 발가락
    de teen 발가락

    Ik heb mijn teen bezeerd. 발가락을 다쳤어요.

  16. de knie — 무릎
    de knie 무릎

    Hij boog zijn rechterknie. 그는 오른쪽 무릎을 굽혔다.

  17. de elleboog — 팔꿈치
    de elleboog 팔꿈치

    De dokter onderzocht mijn elleboog. 의사 선생님이 제 팔꿈치를 진찰하셨어요.

  18. de pols — 손목
    de pols 손목

    Ik heb mijn pols bezeerd. 저는 손목을 다쳤어요.

  19. de enkel — 발목
    de enkel 발목

    Ze heeft haar enkel bezeerd. 그녀는 발목을 다쳤어요.

  20. de handpalm — 손바닥
    de handpalm 손바닥

    Ze opende haar handpalm. 그녀는 손바닥을 폈습니다.

  21. de hiel — 뒤꿈치
    de hiel 뒤꿈치

    De hond beet in mijn hiel. 강아지가 제 뒤꿈치를 물었어요.

  22. de heup — 고관절
    de heup 고관절

    Mijn linkerheup doet pijn. 왼쪽 고관절이 아파요.

  23. de taille — 허리
    de taille 허리

    Hij bond een touw om zijn taille. 그는 허리에 밧줄을 묶었습니다.

  24. de spier — 근육
    de spier 근육

    Mijn beenspier doet pijn. 다리 근육이 아파요.

  25. de oefening — 운동
    de oefening 운동

    Dit is een geweldige fitnessoefening. 이것은 정말 대단한 운동이에요.

  26. de sportschool — 헬스장
    de sportschool 헬스장

    Ga je naar de sportschool? 헬스장에 가요?

  27. de training — 체력 단련
    de training 체력 단련

    Regelmatige training houdt je gezond. 규칙적인 체력 단련은 당신을 건강하게 유지해 줍니다.

  28. opwarmen — 워밍업하다
    opwarmen 워밍업하다

    Dit helpt om de spieren op te warmen. 이것은 근육을 워밍업하는 데 도움이 돼요.

  29. rekken — 스트레칭하다
    rekken 스트레칭하다

    Ik rek me elke ochtend uit. 저는 매일 아침 스트레칭해요.

  30. rennen — 달리다
    rennen 달리다

    Zij rennen erg snel. 그들은 매우 빨리 달려요.

  31. lopen — 걷다
    lopen 걷다

    Ze houdt ervan om 's avonds te lopen. 그녀는 저녁에 걷는 것을 좋아해요.

  32. gewichten heffen — 무게를 들다
    gewichten heffen 무게를 들다

    Door gewichten heffen groeien je spieren. 무게를 드는 것은 근육을 키워요.

  33. de yoga — 요가
    de yoga 요가

    Yoga voelt erg rustgevend. 요가는 마음을 정말 편안하게 해 줘요.

  34. ademen — 호흡
    ademen 호흡

    Wij oefenen met diep ademen. 우리는 깊게 호흡하는 연습을 해요.

  35. fit blijven — 건강을 유지하다
    fit blijven 건강을 유지하다

    Ik blijf fit door hard te lopen. 저는 달리기로 건강을 유지해요.

  36. de rustdag — 휴식일
    de rustdag 휴식일

    Ze heeft een rustdag nodig. 그녀는 휴식일이 필요해요.

  37. uitgaan — 나가다
    uitgaan 나가다

    Wij gaan meestal op vrijdag uit. 저희는 보통 금요일에 나가요.

  38. de nachtclub — 나이트클럽
    de nachtclub 나이트클럽

    De nachtclub is na middernacht vol. 나이트클럽은 자정 이후에 꽉 차요.

  39. de bar — 바
    de bar 바

    Laten we straks afspreken bij de bar. 나중에 바에서 만나요.

  40. de sigaret — 담배
    de sigaret 담배

    Hij staat buiten een sigaret te roken. 그는 밖에서 담배를 피우고 있어요.

  41. de asbak — 재떨이
    de asbak 재떨이

    Gebruik alsjeblieft de asbak. 재떨이를 사용해 주세요.

  42. de aansteker — 라이터
    de aansteker 라이터

    Heb je een aansteker? 라이터 있어요?

  43. de alcohol — 술
    de alcohol 술

    Ze drinkt niet vaak alcohol. 그녀는 술을 자주 안 마셔요.

  44. de flesopener — 병따개
    de flesopener 병따개

    We hebben een flesopener nodig voor deze fles. 이거에 병따개가 필요해요.

  45. dansen — 춤추다
    dansen 춤추다

    Mijn vrienden willen altijd dansen. 제 친구들은 항상 춤추고 싶어 해요.

  46. dronken — 취하다
    dronken 취하다

    Hij is dronken, dus hij loopt naar huis. 그는 취해서 집에 걸어가요.

  47. de handtas — 핸드백
    de handtas 핸드백

    Haar telefoon zit in de rode handtas. 그녀의 핸드폰은 빨간 핸드백 안에 있어요.

  48. de zanger — 가수
    de zanger 가수

    De zanger was geweldig vanavond. 오늘 가수가 정말 멋졌어요.

  49. de nies — 재채기
    de nies 재채기

    Die nies was erg hard. 그 재채기 소리가 아주 컸어요.

  50. de spierpijn — 근육통
    de spierpijn 근육통

    Mijn training veroorzaakte spierpijn. 훈련 때문에 근육통이 생겼어요.

  51. de kramp — 쥐
    de kramp 쥐

    Kramp in je been is het ergste. 다리에 쥐가 나면 최악이에요.

  52. de stijve nek — 목이 뻐근하다
    de stijve nek 목이 뻐근하다

    Hoe kom ik van deze stijve nek af? 목이 뻐근한데 어떻게 고칠까요?

  53. de blauwe plek — 멍
    de blauwe plek 멍

    Ik heb een grote blauwe plek. 저는 큰 멍이 들었어요.

  54. de buikpijn — 배탈
    de buikpijn 배탈

    Ik kreeg gisteren buikpijn. 어제 배탈이 났어요.

  55. de kiespijn — 치통
    de kiespijn 치통

    Dat is een erge kiespijn. 치통이 아주 심해요.

  56. de rugpijn — 요통
    de rugpijn 요통

    Oma heeft vandaag rugpijn. 할머니는 오늘 요통이 있으세요.

  57. de oorpijn — 귀 통증
    de oorpijn 귀 통증

    Hij heeft nu oorpijn. 그는 지금 귀 통증이 있어요.

  58. de uitputting — 탈진
    de uitputting 탈진

    Je baan kan leiden tot uitputting. 직업이 탈진을 유발할 수 있어요.

  59. de allergie — 알레르기
    de allergie 알레르기

    Mijn allergie is het ergst in de lente. 제 알레르기는 봄에 가장 심해요.

  60. Het doet hier pijn — 여기가 아파요
    Het doet hier pijn 여기가 아파요

    Het doet hier pijn. 여기가 아파요.

  61. huilen — 울다
    huilen 울다

    Het verdrietige kind huilt. 슬픈 아이가 울고 있어요.

  62. vallen — 떨어지다
    vallen 떨어지다

    De vrucht valt van de boom. 과일이 나무에서 떨어집니다.

  63. ziek — 아프다
    ziek 아프다

    Het kind is erg ziek. 그 아이는 아주 많이 아파요.

  64. goed — 괜찮다
    goed 괜찮다

    Ik voel me vandaag goed. 오늘은 몸 상태가 괜찮아요.

  65. snijden — 자르다
    snijden 자르다

    Zij snijdt het brood. 그녀는 빵을 잘라요.

  66. het verband — 붕대
    het verband 붕대

    Hij deed een verband op de wond. 그는 상처에 붕대를 감았어요.

  67. branden — 타다
    branden 타다

    Het droge hout brandt snel. 마른 나무는 빨리 탑니다.

  68. krabben — 할퀴다
    krabben 할퀴다

    De kat krabde in mijn arm. 고양이가 제 팔을 할퀴었어요.

  69. stoten — 부딪히다
    stoten 부딪히다

    Ik stootte mijn hoofd. 머리를 부딪혔어요.

  70. het litteken — 흉터
    het litteken 흉터

    Hij raakte het oude litteken aan. 그는 오래된 흉터를 만졌습니다.

  71. herstellen — 회복하다
    herstellen 회복하다

    Hij herstelde van de ziekte. 그는 병에서 회복했습니다.

  72. genezen — 낫다
    genezen 낫다

    De diepe wond zal genezen. 깊은 상처가 곧 나을 거예요.

  73. de stroomstoring — 정전
    de stroomstoring 정전

    Gelukkig was de stroomstoring kort. 다행히 정전이 짧았어요.

  74. inpluggen — 플러그
    inpluggen 플러그

    Hij vergat de oplader van de laptop in te pluggen. 그는 노트북 충전기 플러그를 꽂는 것을 잊어버렸어요.

  75. het stopcontact — 콘센트
    het stopcontact 콘센트

    Ze stak haar telefoon in het stopcontact aan de muur. 그녀는 휴대폰을 벽 콘센트에 꽂았어요.

  76. het verlengsnoer — 연장선
    het verlengsnoer 연장선

    Dit verlengsnoer is lang. 이 연장선은 길어요.

  77. de stekkerdoos — 멀티탭
    de stekkerdoos 멀티탭

    Ze sloot haar computer aan op de stekkerdoos. 그녀는 컴퓨터를 멀티탭에 연결했어요.

  78. de wereldstekker — 어댑터 플러그
    de wereldstekker 어댑터 플러그

    Je hebt een wereldstekker nodig. 어댑터 플러그가 필요해요.

  79. de meterkast — 두꺼비집
    de meterkast 두꺼비집

    De meterkast is kapot. 두꺼비집이 고장 났어요.

  80. de stroomonderbreker — 차단기
    de stroomonderbreker 차단기

    De stroomonderbreker sloeg tijdens de storm uit. 폭풍우 때 차단기가 내려갔어요.

  81. de spanning — 전압
    de spanning 전압

    Deze spanning lijkt erg laag. 이 전압은 아주 낮은 것 같아요.

  82. de batterij — 배터리
    de batterij 배터리

    Een batterij voedt de zaklamp. 배터리가 손전등을 작동시켜요.

  83. de lege batterij — 방전된 배터리
    de lege batterij 방전된 배터리

    We moeten de lege batterij opladen. 방전된 배터리를 충전해야 해요.

  84. de batterij vervangen — 배터리를 교체하다
    de batterij vervangen 배터리를 교체하다

    Je vervangt de batterij vaak. 자주 배터리를 교체해요.

  85. de elektriciteit — 전기
    de elektriciteit 전기

    We hebben elektriciteit nodig voor licht. 빛을 위해 전기가 필요해요.

  86. het gas — 가스
    het gas 가스

    De geur van gas vulde de keuken. 가스 냄새가 주방을 가득 채웠어요.

  87. de uiterste inleverdatum — 납부 기한
    de uiterste inleverdatum 납부 기한

    Controleer alsjeblieft de uiterste inleverdatum op de rekening. 고지서에서 납부 기한을 확인해 주세요.

  88. de verwarming — 난방
    de verwarming 난방

    Kun je de verwarming aanzetten? 난방을 켤 수 있어요?

  89. het internet — 인터넷
    het internet 인터넷

    Ze gebruiken dagelijks het internet. 그들은 매일 인터넷을 사용해요.

  90. de rekening — 청구서
    de rekening 청구서

    Wat is de uiterste betaaldatum voor de waterrekening? 수도 요금 청구서의 납부 기한이 언제예요?

  91. de technicus — 기술자
    de technicus 기술자

    Er kwam een technicus om de lijn te controleren. 기술자가 선을 점검하러 왔어요.

  92. de leverancier — 공급 업체
    de leverancier 공급 업체

    De leverancier stuurde een nieuw contract. 공급 업체가 새 계약서를 보냈어요.

  93. het contract — 계약
    het contract 계약

    Het contract is verlopen. 계약이 만료되었어요.

  94. de provider — 제공업체
    de provider 제공업체

    Ik ben overgestapt naar een andere internetprovider. 저는 인터넷 제공업체를 바꿨어요.

  95. het rekeningnummer — 계좌 번호
    het rekeningnummer 계좌 번호

    Wat is mijn rekeningnummer? 제 계좌 번호가 뭐예요?

  96. de klantenservice — 고객 서비스
    de klantenservice 고객 서비스

    Wij bieden een uitstekende klantenservice. 저희는 훌륭한 고객 서비스를 제공해요.

  97. het formulier — 서식
    het formulier 서식

    Hij heeft een geprint formulier nodig. 그는 인쇄된 서식이 필요해요.

  98. de handtekening — 서명
    de handtekening 서명

    Is mijn handtekening voldoende? 제 서명이 충분할까요?

  99. het paspoort — 여권
    het paspoort 여권

    Ben je je paspoort verloren? 여권을 잃어버렸어요?

  100. het visum — 비자
    het visum 비자

    Dat land vereist een visum. 그 나라는 비자가 필요해요.

개인 학습과 수업에 무료로 쓸 수 있어요.

미니 퀴즈

처음 100개 단어로 5문제를 풀어 보세요.

네덜란드어 단어 1,000개를 순서대로 익혀 보세요.

앱이 그림과 음성으로 한 번에 12개씩 가르치고, 잊어버리기 전에 다시 보여 줘요. iPhone과 Android에서 무료.

휴대폰 카메라로 스캔하면 앱을 받을 수 있어요.