Engelse woordjes leren

204 gratis Engelse flashcards uit de lessen 1–17 van de Flashcardly-cursus, elk met een afbeelding, native audio en een voorbeeldzin. Zonder account.

Leer deze 204 woorden in de app

Met afbeeldingen, native audio, en elk woord komt terug vlak voordat je het zou vergeten. Gratis op iPhone en Android.

Gratis downloaden
Download in de App Store Ontdek het op Google Play Scan met de camera van je telefoon

Starterset: de eerste 204 woorden, les voor les

Fout melden

Vertel ons wat er niet klopt. We bekijken elke melding.

Wat klopt er niet?

Tik op een plaatje om het te horen.

Les 1 · Begroetingen 12 woorden

  • Hello Hallo

    Hello, how are you?

    Hallo, hoe gaat het?

  • Welcome Welkom

    Welcome to our home.

    Welkom in ons huis.

  • Good morning Goedemorgen

    Good morning!

    Goedemorgen!

  • yes ja

    Yes, I understand.

    Ja, ik begrijp het.

  • Good evening Goedenavond

    Good evening!

    Goedenavond!

  • no nee

    She said no.

    Ze zei nee.

  • Goodbye doei

    Goodbye, Anna!

    Doei, Anna!

  • Good afternoon Goedemiddag

    Good afternoon!

    Goedemiddag!

  • See you soon Tot snel

    See you soon, Mia!

    Tot snel, Mia!

  • See you tomorrow Tot morgen

    See you tomorrow!

    Tot morgen!

  • Nice to meet you Aangenaam

    Nice to meet you too!

    Aangenaam kennis te maken!

  • How are you? Hoe gaat het met je

    How are you today?

    Hoe gaat het met je vandaag?

Les 2 · Mensen & aanspreekvormen 12 woorden

  • man de man

    The man reads the book.

    De man leest het boek.

  • woman de vrouw

    The woman wears a hat.

    De vrouw draagt een hoed.

  • boy de jongen

    The boy plays with toys.

    De jongen speelt met speelgoed.

  • girl het meisje

    The girl has a ball.

    Het meisje heeft een bal.

  • person de persoon

    He is a nice person.

    Hij is een aardig persoon.

  • people de mensen

    The people are very happy.

    De mensen zijn erg blij.

  • adult de volwassene

    I am an adult.

    Ik ben een volwassene.

  • baby de baby

    The baby needs milk.

    De baby heeft melk nodig.

  • Mr meneer

    Mr. Smith likes to read books.

    Meneer Smith leest graag boeken.

  • Mrs mevrouw

    Mrs. Smith is a teacher.

    Mevrouw Smith is een lerares.

  • neighbor de buurman

    My neighbor is very friendly.

    Mijn buurman is erg vriendelijk.

  • friend de vriend

    My friend likes to read books.

    Mijn vriend leest graag boeken.

Alle 17 lessen tonen (204 woorden) Minder lessen tonen

Les 3 · Tijd — basis 12 woorden

  • today vandaag

    Today is a good day.

    Vandaag is een goede dag.

  • tomorrow morgen

    Tomorrow is a new day.

    Morgen is een nieuwe dag.

  • yesterday gisteren

    I saw her yesterday.

    Ik heb haar gisteren gezien.

  • now nu

    He wants it now.

    Hij wil het nu.

  • afternoon de middag

    I like the afternoon.

    Ik vind de middag fijn.

  • evening de avond

    The evening is quiet.

    De avond is rustig.

  • minute de minuut

    We need five minutes.

    We hebben vijf minuten nodig.

  • morning de ochtend

    I eat breakfast in the morning.

    Ik eet 's ochtends mijn ontbijt.

  • later later

    I will do it later.

    Ik doe het later.

  • early vroeg

    She wakes up early.

    Zij wordt vroeg wakker.

  • late te laat

    He is often late.

    Hij is vaak te laat.

  • hour het uur

    The class lasts one hour.

    De les duurt één uur.

Les 4 · Namen & herkomst 12 woorden

  • What's your name? Hoe heet je?

    What's your name?

    Hoe heet je?

  • My name is Mijn naam is

    My name is Emily.

    Mijn naam is Emily.

  • Where are you from? Waar kom je vandaan?

    Where are you from?

    Waar kom je vandaan?

  • I'm from Ik kom uit ...

    I'm from Germany.

    Ik kom uit Duitsland.

  • Where do you live? Waar woon je

    Where do you live?

    Waar woon je?

  • I live in Ik woon in

    I live in Japan.

    Ik woon in Japan.

  • What languages do you speak? Welke talen spreek je?

    What languages do you speak?

    Welke talen spreek je?

  • I speak ik spreek

    I speak English well.

    Ik spreek goed Engels.

  • I speak a little Ik spreek een beetje ...

    I speak a little French.

    Ik spreek een beetje Frans.

  • Where were you born Waar ben je geboren

    Where were you born?

    Waar ben je geboren?

  • What's your surname? Wat is je achternaam?

    What's your surname?

    Wat is je achternaam?

  • This is my friend Dit is mijn vriend(in)

    This is my friend Lisa.

    Dit is mijn vriendin Lisa.

Les 5 · Alledaagse werkwoorden — basishandelingen 12 woorden

  • make maken

    I make good coffee.

    Ik maak goede koffie.

  • get krijgen

    He got a present.

    Hij kreeg een cadeau.

  • have hebben

    Emma has a car.

    Emma heeft een auto.

  • eat eten

    They are eating apples.

    Zij eten appels.

  • drink drinken

    Do you drink coffee?

    Drink jij koffie?

  • sleep slapen

    I want to sleep now.

    Ik wil nu slapen.

  • see zien

    Can you see the house?

    Kun je het huis zien?

  • look at kijken naar

    Adam likes to look at pictures.

    Adam vindt het leuk om naar foto's te kijken.

  • read lezen

    The student reads books.

    De student leest boeken.

  • open openen

    She opens the window.

    Zij opent het raam.

  • close sluiten

    I close the door.

    Ik sluit de deur.

  • come komen

    You come here every day.

    Je komt hier elke dag.

Les 6 · Beleefde verzoeken 12 woorden

  • Please. alsjeblieft

    Please open the door.

    Wil je alsjeblieft de deur openen?

  • Thank you. Dank je wel

    Thank you for your help.

    Dank je wel voor je hulp.

  • You're welcome. Graag gedaan.

    You're welcome.

    Graag gedaan.

  • Excuse me. Pardon

    Excuse me, I need help.

    Pardon, ik heb hulp nodig.

  • Sorry. sorry

    I am sorry.

    Het spijt me.

  • Could you help me? Kun je me helpen?

    Could you help me?

    Kun je me helpen?

  • Could you please repeat? Kun je dat alsjeblieft herhalen?

    Could you please repeat that?

    Kun je dat alsjeblieft herhalen?

  • Could you speak more slowly? Zou je wat langzamer kunnen spreken?

    Could you speak more slowly?

    Zou je wat langzamer kunnen spreken?

  • Could I have ... please? Mag ik ... alsjeblieft?

    Could I have water please?

    Mag ik water alsjeblieft?

  • I'd like ik zou graag ... willen

    I'd like some more tea.

    Ik zou graag nog wat thee willen.

  • May I...? Mag ik ...?

    May I have some water?

    Mag ik wat water?

  • Is it okay if...? Is het goed als ...?

    Is it okay if I sit?

    Is het goed als ik ga zitten?

Les 7 · Cijfers 12 woorden

  • zero nul

    Zero is less than one.

    Nul is minder dan één.

  • one één

    I have one apple.

    Ik heb één appel.

  • two twee

    There are two cats.

    Er zijn twee katten.

  • three drie

    No, three is too much.

    Nee, drie is te veel.

  • four vier

    Give me four, please.

    Geef me er vier, alsjeblieft.

  • five vijf

    I have five dogs.

    Ik heb vijf honden.

  • six zes

    He came with six friends.

    Hij kwam met zes vrienden.

  • seven zeven

    I am running seven kilometers.

    Ik ren zeven kilometer.

  • eight acht

    A spider has eight legs.

    Een spin heeft acht poten.

  • nine negen

    Nine is my lucky number.

    Negen is mijn geluksgetal.

  • ten tien

    We have ten fingers.

    Wij hebben tien vingers.

  • plus plus

    Two plus two is four.

    Twee plus twee is vier.

Les 8 · Begrijpen & verduidelijken 12 woorden

  • I don't understand. Ik begrijp het niet

    I don't understand.

    Ik begrijp het niet.

  • Could you repeat that please? Kun je dat alsjeblieft herhalen?

    Could you repeat that please?

    Kun je dat alsjeblieft herhalen?

  • More slowly please. Iets langzamer, alsjeblieft.

    More slowly please.

    Iets langzamer, alsjeblieft.

  • What does that mean? Wat betekent dat?

    What does that mean?

    Wat betekent dat?

  • How do you say that in ...? Hoe zeg je dat in ...?

    How do you say that in Spanish?

    Hoe zeg je dat in het Spaans?

  • How do you spell that? Hoe spel je dat?

    How do you spell that?

    Hoe spel je dat?

  • Can you write it down? Kun je het opschrijven?

    Can you write it down, please?

    Kun je het opschrijven, alsjeblieft?

  • Can you show me? Kun je me ... laten zien

    Can you show me the photo?

    Kun je me de foto laten zien?

  • Do you speak ...? Spreek je ...?

    Do you speak English?

    Spreek je Engels?

  • Just a moment please. Een momentje, alsjeblieft.

    Just a moment please.

    Een momentje, alsjeblieft.

  • I think so. Ik denk het wel.

    I think so too.

    Ik denk het ook.

  • I don't know. Ik weet het niet.

    I don't know.

    Ik weet het niet.

Les 9 · Aanwijzen & verwijswoorden 12 woorden

  • this dit

    This is my red car.

    Dit is mijn rode auto.

  • that die

    That dog is very friendly.

    Die hond is erg vriendelijk.

  • here hier

    I like being here.

    Ik vind het fijn om hier te zijn.

  • there daar

    We meet there after work.

    We spreken daar na het werk af.

  • another nog een

    He wants another piece of cake.

    Hij wil nog een stukje taart.

  • same hetzelfde

    We wear the same blue shirt.

    Wij dragen hetzelfde blauwe shirt.

  • these deze

    These apples are ready to eat.

    Deze appels zijn klaar om te eten.

  • those die

    Those cookies look very good.

    Die koekjes zien er erg lekker uit.

  • right here precies hier

    The keys are right here.

    De sleutels liggen precies hier.

  • over there daar

    My shoes are over there.

    Mijn schoenen staan daar.

  • on top of boven op

    The cat is on top of the table.

    De kat zit boven op de tafel.

  • underneath onder

    The dog is underneath the table.

    De hond zit onder de tafel.

Les 10 · Korte gesprekjes 12 woorden

  • How's it going? Hoe gaat het?

    How's it going?

    Hoe gaat het?

  • Long time no see. Lang niet gezien.

    Long time no see.

    Lang niet gezien.

  • What do you enjoy? Waar geniet je van

    What do you enjoy?

    Waar geniet je van?

  • What are you up to? Wat ben je aan het doen ...?

    What are you up to now?

    Wat ben je nu aan het doen?

  • Have a nice day. Prettige dag

    Have a nice day, John!

    Prettige dag nog, John!

  • Take care. Pas goed op jezelf

    Take care. See you tomorrow.

    Pas goed op jezelf. Tot morgen.

  • Good luck! Veel succes!

    Good luck! I believe in you!

    Veel succes! Ik geloof in je!

  • Congratulations! Gefeliciteerd!

    Congratulations! You finished the hard work.

    Gefeliciteerd! Je hebt het zware werk afgerond.

  • Cheers! Proost!

    Cheers!

    Proost!

  • No problem. Geen probleem

    No problem, I can help you.

    Geen probleem, ik kan je helpen.

  • Don't worry. Maak je geen zorgen

    Don't worry, it will be okay.

    Maak je geen zorgen, het komt wel goed.

  • Sounds good. Dat klinkt goed

    Sounds good to me, thanks!

    Dat klinkt goed voor mij, bedankt!

Les 11 · Alledaagse werkwoorden — communiceren & denken 12 woorden

  • know weten

    You know the answer now.

    Je weet het antwoord nu.

  • ask vragen

    You can ask your brother.

    Je kunt het aan je broer vragen.

  • hear horen

    Can you hear that sound?

    Kun je dat geluid horen?

  • learn leren

    You learn something new everyday.

    Je leert elke dag iets nieuws.

  • talk with praten met

    Do you like talking with your friends?

    Vind je het leuk om met je vrienden te praten?

  • say zeggen

    I want to say something.

    Ik wil iets zeggen.

  • choose kiezen

    You choose your favorite color.

    Je kiest je favoriete kleur.

  • write schrijven

    The students write a story.

    De studenten schrijven een verhaal.

  • call bellen

    I am going to call you.

    Ik ga je bellen.

  • listen to luisteren naar

    I listen to the radio.

    Ik luister naar de radio.

  • study studeren

    I study hard for every test.

    Ik moet hard studeren voor elke toets.

  • tell vertellen

    He tells me his name.

    Hij vertelt me zijn naam.

Les 12 · Werkwoorden — sociaal & informeel communiceren 12 woorden

  • meet ontmoeten

    I will meet you tomorrow.

    Ik ontmoet je morgen.

  • join zich aansluiten bij

    She will join our group.

    Zij zal zich bij onze groep aansluiten.

  • enjoy genieten van

    We enjoy the music.

    Wij genieten van de muziek.

  • describe beschrijven

    The boy described the animal.

    De jongen beschreef het dier.

  • explain uitleggen

    She will explain the problem.

    Zij zal het probleem uitleggen.

  • teach lesgeven

    I teach the new students.

    Ik lesgeef de nieuwe studenten.

  • introduce voorstellen

    I will introduce my friend.

    Ik zal mijn vriend voorstellen.

  • accept accepteren

    She accepts the gift.

    Zij accepteert het cadeau.

  • refuse weigeren

    The child refuses the food.

    Het kind weigert het eten.

  • promise beloven

    I promise to help you.

    Ik beloof dat ik je zal helpen.

  • discuss bespreken

    They discuss the new plan.

    Zij bespreken het nieuwe plan.

  • contact contact opnemen met

    I will contact the doctor.

    Ik zal contact opnemen met de dokter.

Les 13 · Werkwoorden — geluid & lichaamstaal 12 woorden

  • laugh lachen

    The children laugh loudly.

    De kinderen lachen hard.

  • shout schreeuwen

    The boy shouts for help.

    De jongen schreeuwt om hulp.

  • whisper fluisteren

    He whispers in my ear.

    Hij fluistert in mijn oor.

  • wave zwaaien

    She waves goodbye.

    Ze zwaait gedag.

  • nod knikken

    The woman nods her head.

    De vrouw knikt met haar hoofd.

  • hug knuffelen

    The mother hugs her child.

    De moeder knuffelt haar kind.

  • kiss kussen

    The mother kisses her child.

    De moeder kust haar kind.

  • point wijzen

    The child points at the dog.

    Het kind wijst naar de hond.

  • blink knipperen

    He blinks his eyes quickly.

    Hij knippert snel met zijn ogen.

  • frown fronsen

    The father frowns at his son.

    De vader fronst naar zijn zoon.

  • yawn gapen

    The tired man yawns.

    De vermoeide man gaapt.

  • sniff snuiven

    The dog sniffs the food.

    De hond snuift aan het eten.

Les 14 · Bijvoeglijke naamwoorden & tegenstellingen 12 woorden

  • good goed

    She is a good person.

    Zij is een goede persoon.

  • bad slecht

    That milk smells bad.

    Die melk ruikt slecht.

  • big groot

    The big dog can jump.

    De grote hond kan springen.

  • small klein

    The baby has small hands.

    De baby heeft kleine handjes.

  • wrong fout

    Your answer is wrong.

    Je antwoord is fout.

  • easy makkelijk

    This math problem is easy.

    Deze som is makkelijk.

  • difficult moeilijk

    That test was difficult.

    Die toets was moeilijk.

  • fast snel

    Cars go very fast.

    Auto's rijden erg snel.

  • slow langzaam

    The turtle is very slow.

    De schildpad is erg langzaam.

  • new nieuw

    This is a new car.

    Dit is een nieuwe auto.

  • true waar

    Is this story true?

    Is dit verhaal waar?

  • false onjuist

    The answer is false.

    Het antwoord is onjuist.

Les 15 · Alledaagse bezigheden 12 woorden

  • I want to Ik wil

    I want to eat pizza.

    Ik wil pizza eten.

  • I need to ik moet ...

    I need to call her.

    Ik moet haar bellen.

  • I'm going to ik ga ...

    I'm going to eat soon.

    Ik ga zo eten.

  • I'd like to ik zou graag ...

    I'd like to play tennis.

    Ik zou graag tennissen.

  • I have to ik moet

    I have to go now.

    Ik moet nu gaan.

  • May I ...? Mag ik ...

    May I have water, please?

    Mag ik water, alsjeblieft?

  • Help me with help me met ...

    Please help me with this bag.

    Help me alsjeblieft met deze tas.

  • Show me how to laat me zien hoe je ...

    Show me how to do this.

    Laat me zien hoe je dit doet.

  • I can't ... right now. Ik kan nu niet ...

    I can't help right now.

    Ik kan nu niet helpen.

  • I’m trying to Ik probeer te

    I’m trying to sleep now.

    Ik probeer te slapen nu.

  • Is it possible to ...? Is het mogelijk om ...

    Is it possible to swim here?

    Is het mogelijk om hier te zwemmen?

  • Where can I ...? Waar kan ik ...

    Where can I eat lunch?

    Waar kan ik lunchen?

Les 16 · Tijd & kalenders 12 woorden

  • Monday maandag

    Monday is the first day.

    Maandag is de eerste dag.

  • Tuesday dinsdag

    Tuesday is always fun.

    Dinsdag is altijd leuk.

  • Wednesday woensdag

    She goes home Wednesday.

    Ze gaat woensdag naar huis.

  • Thursday donderdag

    He comes on Thursday.

    Hij komt op donderdag.

  • Friday vrijdag

    Friday is the best day.

    Vrijdag is de beste dag.

  • Saturday zaterdag

    I leave on Saturday.

    Ik vertrek op zaterdag.

  • Sunday zondag

    I will rest on Sunday.

    Ik ga op zondag uitrusten.

  • weekday de doordeweekse dag

    She works every weekday morning.

    Ze werkt elke doordeweekse ochtend.

  • weekend het weekend

    Who does not like the weekend?

    Wie houdt er niet van het weekend?

  • daily dagelijks

    We read the newspaper daily .

    Wij lezen dagelijks de krant.

  • weekly wekelijks

    I usually watch the news weekly.

    Ik kijk meestal wekelijks naar het nieuws.

  • monthly maandelijks

    They pay the monthly price.

    Zij betalen de maandelijkse prijs.

Les 17 · Tijdswoorden — dag, nacht, jaar 12 woorden

  • day de dag

    We waited for one day.

    We hebben één dag gewacht.

  • night de nacht

    We sleep at night.

    Wij slapen 's nachts.

  • week de week

    We stayed for one week.

    We zijn één week gebleven.

  • month de maand

    He worked for one month.

    Hij heeft één maand gewerkt.

  • year het jaar

    We waited for one year.

    We hebben één jaar gewacht.

  • time de tijd

    We need more time.

    We hebben meer tijd nodig.

  • moment het moment

    He waited for a moment.

    Hij wachtte even een moment.

  • future de toekomst

    I think about the future.

    Ik denk na over de toekomst.

  • o'clock uur

    I wake up at seven o'clock.

    Ik word om zeven uur wakker.

  • midnight de middernacht

    We will leave at midnight.

    We vertrekken om middernacht.

  • midday de middag

    The sun is hot at midday.

    De zon is heet op de middag.

  • tonight vanavond

    The guests will arrive tonight.

    De gasten komen vanavond aan.

Snelle quiz

Vijf vragen over de woorden op deze pagina.

Zo leer je met deze kaarten

  1. Vijf bakjes. Nummer vijf bakjes of enveloppen van 1 tot 5 en leg alle kaarten in bakje 1.
  2. Afbeelding naar boven. Zeg het Engelse woord hardop en draai de kaart om. Goed: de kaart gaat een bakje verder. Fout: hij gaat een bakje terug, niet naar het begin.
  3. Tussenpozen. Bakje 1 elke dag, bakje 2 om de 3 dagen, bakje 3 elke week, bakje 4 om de 16 dagen, bakje 5 om de 35 dagen: bijna dezelfde tussenpozen als in de app.
  4. Maximaal 12 nieuwe kaarten per dag, dus één les. Luister hierboven eerst naar elk woord voordat je begint.

Dit is het Leitner-systeem: waarom spreiding werkt · hoe Flashcardly herhalingen plant.

Gratis voor persoonlijk gebruik en in de klas. Link liever naar deze pagina dan de bestanden zelf opnieuw online te zetten.

Leer alle 2208 Engelse woorden met audio.

Flashcardly regelt de bakjes voor je en brengt elk woord terug voordat je het vergeet. Gratis op iPhone en Android.

Scan de code met de camera van je telefoon om de app te downloaden.