Engelse werkwoorden

De eerste Engelse werkwoorden in de cursus: make (maken), get (krijgen), have (hebben), eat (eten), drink (drinken), sleep (slapen), see (zien), look at (kijken naar). Hieronder staan alle 223 werkwoorden, elk met een afbeelding, native audio en een voorbeeldzin.

Leer deze 223 woorden in de app

Met afbeeldingen, native audio, en elk woord komt terug vlak voordat je het zou vergeten. Gratis op iPhone en Android.

Gratis downloaden
Download in de App Store Ontdek het op Google Play Scan met de camera van je telefoon

Werkwoorden in het Engels: alle 223, les voor les

Fout melden

Vertel ons wat er niet klopt. We bekijken elke melding.

Wat klopt er niet?

Tik op een plaatje om het te horen.

Les 5 · Alledaagse werkwoorden — basishandelingen 12 woorden

  • make maken

    I make good coffee.

    Ik maak goede koffie.

  • get krijgen

    He got a present.

    Hij kreeg een cadeau.

  • have hebben

    Emma has a car.

    Emma heeft een auto.

  • eat eten

    They are eating apples.

    Zij eten appels.

  • drink drinken

    Do you drink coffee?

    Drink jij koffie?

  • sleep slapen

    I want to sleep now.

    Ik wil nu slapen.

  • see zien

    Can you see the house?

    Kun je het huis zien?

  • look at kijken naar

    Adam likes to look at pictures.

    Adam vindt het leuk om naar foto's te kijken.

  • read lezen

    The student reads books.

    De student leest boeken.

  • open openen

    She opens the window.

    Zij opent het raam.

  • close sluiten

    I close the door.

    Ik sluit de deur.

  • come komen

    You come here every day.

    Je komt hier elke dag.

Les 11 · Alledaagse werkwoorden — communiceren & denken 12 woorden

  • know weten

    You know the answer now.

    Je weet het antwoord nu.

  • ask vragen

    You can ask your brother.

    Je kunt het aan je broer vragen.

  • hear horen

    Can you hear that sound?

    Kun je dat geluid horen?

  • learn leren

    You learn something new everyday.

    Je leert elke dag iets nieuws.

  • talk with praten met

    Do you like talking with your friends?

    Vind je het leuk om met je vrienden te praten?

  • say zeggen

    I want to say something.

    Ik wil iets zeggen.

  • choose kiezen

    You choose your favorite color.

    Je kiest je favoriete kleur.

  • write schrijven

    The students write a story.

    De studenten schrijven een verhaal.

  • call bellen

    I am going to call you.

    Ik ga je bellen.

  • listen to luisteren naar

    I listen to the radio.

    Ik luister naar de radio.

  • study studeren

    I study hard for every test.

    Ik moet hard studeren voor elke toets.

  • tell vertellen

    He tells me his name.

    Hij vertelt me zijn naam.

Les 12 · Werkwoorden — sociaal & informeel communiceren 12 woorden

  • meet ontmoeten

    I will meet you tomorrow.

    Ik ontmoet je morgen.

  • join zich aansluiten bij

    She will join our group.

    Zij zal zich bij onze groep aansluiten.

  • enjoy genieten van

    We enjoy the music.

    Wij genieten van de muziek.

  • describe beschrijven

    The boy described the animal.

    De jongen beschreef het dier.

  • explain uitleggen

    She will explain the problem.

    Zij zal het probleem uitleggen.

  • teach lesgeven

    I teach the new students.

    Ik lesgeef de nieuwe studenten.

  • introduce voorstellen

    I will introduce my friend.

    Ik zal mijn vriend voorstellen.

  • accept accepteren

    She accepts the gift.

    Zij accepteert het cadeau.

  • refuse weigeren

    The child refuses the food.

    Het kind weigert het eten.

  • promise beloven

    I promise to help you.

    Ik beloof dat ik je zal helpen.

  • discuss bespreken

    They discuss the new plan.

    Zij bespreken het nieuwe plan.

  • contact contact opnemen met

    I will contact the doctor.

    Ik zal contact opnemen met de dokter.

Les 13 · Werkwoorden — geluid & lichaamstaal 12 woorden

  • laugh lachen

    The children laugh loudly.

    De kinderen lachen hard.

  • shout schreeuwen

    The boy shouts for help.

    De jongen schreeuwt om hulp.

  • whisper fluisteren

    He whispers in my ear.

    Hij fluistert in mijn oor.

  • wave zwaaien

    She waves goodbye.

    Ze zwaait gedag.

  • nod knikken

    The woman nods her head.

    De vrouw knikt met haar hoofd.

  • hug knuffelen

    The mother hugs her child.

    De moeder knuffelt haar kind.

  • kiss kussen

    The mother kisses her child.

    De moeder kust haar kind.

  • point wijzen

    The child points at the dog.

    Het kind wijst naar de hond.

  • blink knipperen

    He blinks his eyes quickly.

    Hij knippert snel met zijn ogen.

  • frown fronsen

    The father frowns at his son.

    De vader fronst naar zijn zoon.

  • yawn gapen

    The tired man yawns.

    De vermoeide man gaapt.

  • sniff snuiven

    The dog sniffs the food.

    De hond snuift aan het eten.

Les 18 · Veiligheid & hulp 2 woorden

  • protect beschermen

    The police protect us.

    De politie moet ons beschermen.

  • warn waarschuwen

    I need to warn them!

    Ik moet ze waarschuwen!

Les 19 · Alledaagse werkwoorden — werk, beweging & plannen 11 woorden

  • buy kopen

    You can buy fruit here.

    Je kunt hier fruit kopen.

  • pay betalen

    You must pay for this.

    Je moet hiervoor betalen.

  • sell verkopen

    They sell fresh fruit here.

    Ze verkopen hier vers fruit.

  • put leggen

    He puts the book on table.

    Hij legt het boek op tafel.

  • sit zitten

    Emma sits in that chair.

    Emma zit in die stoel.

  • stand staan

    I stand by the door.

    Ik sta bij de deur.

  • swim zwemmen

    They can swim fast.

    Zij kunnen snel zwemmen.

  • drive rijden

    You need to drive carefully.

    Je moet voorzichtig rijden.

  • plan plannen

    They plan to visit soon.

    Zij plannen om binnenkort op bezoek te komen.

  • finish afmaken

    He can finish homework later.

    Hij kan zijn huiswerk later afmaken.

  • give geven

    I give presents to friends.

    Ik geef cadeaus aan vrienden.

Les 28 · Alledaagse actiewerkwoorden 2 11 woorden

  • bring meebrengen

    They bring food to the party.

    Zij brengen eten mee naar het feest.

  • take pakken

    You always take my pen.

    Je pakt altijd mijn pen.

  • carry dragen

    He can carry the box.

    Hij kan de doos dragen.

  • pick up ophalen

    Can you pick up the package?

    Kun je het pakketje ophalen?

  • drop laten vallen

    If I drop the phone, it will break.

    Als ik de telefoon laat vallen, gaat hij kapot.

  • pass aanreiken

    Can you pass me the salt?

    Kun je me het zout aanreiken?

  • put down neerzetten

    We put down our backpacks.

    Wij zetten onze rugzakken neer.

  • put away opruimen

    I put away my toys.

    Ik ruim mijn speelgoed op.

  • hang up ophangen

    They hang up their coats.

    Ze hangen hun jassen op.

  • turn on aanzetten

    You turn on the light.

    Je zet het licht aan.

  • turn off uitzetten

    Can someone turn off the radio?

    Kan iemand de radio uitzetten?

Les 29 · Werkwoorden — beweging & spel 12 woorden

  • jump springen

    The cat jumps over the wall.

    De kat springt over de muur.

  • throw gooien

    The boy throws the stone.

    De jongen gooit de steen.

  • catch vangen

    He catches the ball.

    Hij vangt de bal.

  • ride rijden

    The boy rides a horse.

    De jongen rijdt op een paard.

  • fly vliegen

    The birds fly in the sky.

    De vogels vliegen in de lucht.

  • crawl kruipen

    The baby crawls on the floor.

    De baby kruipt op de vloer.

  • skip overslaan

    She skipped the first page.

    Zij sloeg de eerste pagina over.

  • kick schoppen

    The child kicks the ball.

    Het kind schopt tegen de bal.

  • bounce stuiteren

    The ball bounces on the ground.

    De bal stuitert op de grond.

  • climb klimmen

    The cat climbs the tree.

    De kat klimt in de boom.

  • dive duiken

    The boy dives into the water.

    De jongen duikt in het water.

  • slide glijden

    The box slides on the floor.

    De doos glijdt over de vloer.

Les 30 · Werkwoorden — praktisch & functioneel 12 woorden

  • pinch knijpen

    He pinched my arm.

    Hij kneep in mijn arm.

  • squeeze knijpen

    She squeezes my hand.

    Zij knijpt in mijn hand.

  • poke prikken

    The child poked my arm.

    Het kind prikte in mijn arm.

  • stroke aaien

    The boy strokes the dog.

    De jongen aait de hond.

  • rub wrijven

    I rub my tired eyes.

    Ik wrijf in mijn vermoeide ogen.

  • twist draaien

    The man twists the rope.

    De man draait aan het touw.

  • shake schudden

    The baby shakes the toy.

    De baby schudt met het speelgoed.

  • fold vouwen

    I fold the paper.

    Ik vouw het papier.

  • press drukken op

    She presses the red button.

    Zij drukt op de rode knop.

  • attach bevestigen

    He will attach the rope.

    Hij zal het touw bevestigen.

  • pull trekken

    The man pulls the heavy rope.

    De man trekt aan het zware touw.

  • pack inpakken

    I pack my bag.

    Ik pak mijn tas in.

Les 31 · Waar is & ergens komen 1 woorden

  • I'm looking for ik zoek

    They are looking for a restroom.

    Ze zijn op zoek naar een toilet.

Les 56 · Kleding & maten 2 woorden

  • fits passen

    She still fits her old jeans.

    Ze past nog steeds in haar oude spijkerbroek.

  • try on passen

    We try on new hats.

    Wij passen nieuwe hoeden.

Les 61 · Verloren & gevonden — basis 2 woorden

  • lost verliezen

    I lost my keys at the park.

    Ik ben mijn sleutels in het park verloren.

  • return terugbrengen

    She will return the book tomorrow morning.

    Zij zal het boek morgenochtend terugbrengen.

Les 65 · Openbare borden & mededelingen 2 woorden

  • Push duwen

    They push the red door.

    Zij duwen de rode deur.

  • Pull trekken

    You need to pull the door.

    Je moet aan de deur trekken.

Les 70 · Huishoudelijke bezigheden 9 woorden

  • wash wassen

    I will wash dishes now.

    Ik ga nu de afwas doen.

  • cook koken

    They cook dinner every night.

    Zij koken elke avond het avondeten.

  • boil koken

    You boil water for tea.

    Je kookt water voor thee.

  • fry bakken

    Do you fry your food often?

    Bakt u uw eten vaak?

  • bake bakken

    She bakes bread today.

    Zij bakt vandaag brood.

  • sweep vegen

    I sweep the floor faster.

    Ik veeg de vloer sneller.

  • vacuum stofzuigen

    We vacuum the living room.

    Wij stofzuigen de woonkamer.

  • to water water geven

    They water the garden weekly.

    Ze geven wekelijks water aan de tuin.

  • switch off uitdoen

    Can you turn off the lights?

    Kun je het licht uitdoen?

Les 71 · Koken & keukenwerkwoorden 11 woorden

  • pour schenken

    She pours water into the cup.

    Zij schenkt water in het kopje.

  • stir roeren

    I stir the hot soup.

    Ik roer in de hete soep.

  • chop hakken

    The man chops the wood.

    De man hakt het hout.

  • dip dopen

    She dips the cloth in water.

    Zij dopt de doek in het water.

  • peel schillen

    She peels the orange.

    Zij schilt de sinaasappel.

  • grate raspen

    She grates the vegetables.

    Zij raspt de groenten.

  • mix mengen

    I mix the salt and water.

    Ik meng het zout en het water.

  • spread besmeren

    She spreads butter on the bread.

    Zij besmeert het brood met boter.

  • melt smelten

    The sun melts the ice.

    De zon smelt het ijs.

  • measure meten

    I measure the long rope.

    Ik meet het lange touw.

  • fill vullen

    I fill the cup with water.

    Ik vul de beker met water.

Les 73 · Reparaties & onderhoud 3 woorden

  • fix repareren

    We fix broken things here.

    Wij repareren hier kapotte dingen.

  • repair repareren

    Do you know how to repair it?

    Weet je hoe je het moet repareren?

  • replace vervangen

    We replace old tires.

    Wij vervangen oude banden.

Les 76 · Bovenlichaam & gezicht 1 woorden

  • smile glimlachen

    The child smiles at me.

    Het kind glimlacht naar mij.

Les 78 · Lichaam & fitness 4 woorden

  • warm up opwarmen

    This helps warm up muscles.

    Dit helpt om de spieren op te warmen.

  • stretch rekken

    I stretch every morning.

    Ik rek me elke ochtend uit.

  • run rennen

    They run very fast.

    Zij rennen erg snel.

  • walk lopen

    She likes to walk in the evening.

    Ze houdt ervan om 's avonds te lopen.

Les 79 · Uitgaansleven 2 woorden

  • to go out uitgaan

    We usually go out on Fridays.

    Wij gaan meestal op vrijdag uit.

  • dance dansen

    My friends always want to dance.

    Mijn vrienden willen altijd dansen.

Les 81 · Pijntjes, wondjes & eerste hulp 8 woorden

  • cry huilen

    The sad child is crying.

    Het verdrietige kind huilt.

  • fall vallen

    The fruit falls from the tree.

    De vrucht valt van de boom.

  • cut snijden

    She cuts the bread.

    Zij snijdt het brood.

  • burn branden

    The dry wood burns quickly.

    Het droge hout brandt snel.

  • scratch krabben

    The cat scratched my arm.

    De kat krabde in mijn arm.

  • bump stoten

    I bumped my head.

    Ik stootte mijn hoofd.

  • recover herstellen

    He recovered from the illness.

    Hij herstelde van de ziekte.

  • heal genezen

    The deep wound will heal.

    De diepe wond zal genezen.

Les 82 · Stroom & elektriciteit 1 woorden

  • plug inpluggen

    He forgot to plug in the laptop charger.

    Hij vergat de oplader van de laptop in te pluggen.

Les 85 · Cijfers — groter & verder 2 woorden

  • double verdubbelen

    The merchant doubled the price.

    De koopman verdubbelde de prijs.

  • triple verdrievoudigen

    The price of bread will triple.

    De prijs van brood zal verdrievoudigen.

Les 95 · Maaltijden & eetmomenten 1 woorden

  • help helpen

    My friend is helping me.

    Mijn vriend helpt mij.

Les 96 · De vijf zintuigen 1 woorden

  • feel voelen

    I feel the cold water.

    Ik voel het koude water.

Les 106 · Leuk & niet leuk vinden 2 woorden

  • I like ik vind het fijn als ...

    I like when people are honest.

    Ik vind het fijn als mensen eerlijk zijn.

  • I love ik houd van

    I love it, because it is mine.

    Ik houd van het, omdat het van mij is.

Les 108 · Voorkeuren in context 2 1 woorden

  • I can't decide ik kan niet kiezen

    They can't decide either.

    Zij kunnen niet kiezen, ik ook niet.

Les 119 · Afspraken & planningen 1 woorden

  • reschedule verplaatsen

    They will reschedule the meeting.

    Zij zullen de vergadering verplaatsen.

Les 121 · Dagelijkse routine 7 woorden

  • wake up wakker worden

    She likes to wake up early.

    Ze houdt ervan om vroeg wakker te worden.

  • get up opstaan

    They get up at sunrise.

    Zij staan bij zonsopgang op.

  • have a shower douchen

    You have a shower every morning.

    Je doucht elke ochtend.

  • get dressed zich aankleden

    I need to get dressed before school.

    Ik moet me aankleden voor school.

  • have breakfast ontbijten

    We have breakfast every morning.

    Wij ontbijten elke ochtend.

  • have lunch lunchen

    They have lunch at noon.

    Zij lunchen om twaalf uur.

  • come home thuiskomen

    I come home after school.

    Ik thuiskom na school.

Les 123 · Dingen beschrijven — praktische bijvoeglijke naamwoorden 1 woorden

  • fixed repareren

    He fixed the broken bike.

    Hij repareerde de kapotte fiets.

Les 126 · Leren & studiegewoonten 3 woorden

  • repeat herhalen

    Please repeat the instructions.

    Kun je de instructies alsjeblieft herhalen?

  • memorize uit het hoofd leren

    They memorize their lines easily.

    Ze leren hun tekst makkelijk uit het hoofd.

  • improve verbeteren

    You can improve your grade.

    Je kunt je cijfer verbeteren.

Les 134 · Op bezoek & gastheer zijn 3 woorden

  • invite uitnodigen

    They invite friends to the party.

    Zij nodigen vrienden uit voor het feest.

  • host ontvangen

    I host guests every summer.

    Ik ontvang elke zomer gasten.

  • bring a meebrengen

    You bring a good dessert.

    Je brengt een lekker dessert mee.

Les 137 · Huisdieren & dieren 2 woorden

  • feed voeren

    She will feed the dog.

    Zij zal de hond voeren.

  • treats hondensnoepjes

    They love dog treats very much.

    Ze zijn dol op hondensnoepjes.

Les 140 · Onderhoud & gereedschap in huis 3 woorden

  • repair repareren

    He repairs the broken chair.

    Hij repareert de kapotte stoel.

  • leak lekken

    Water leaks from the pipe.

    Er lekt water uit de pijp.

  • fix repareren

    I will fix the broken door.

    Ik zal de kapotte deur repareren.

Les 143 · Problemen oplossen & noodgevallen 3 woorden

  • help helpen

    I help my friend.

    Ik help mijn vriend.

  • lost kwijtraken

    I lost my bag.

    Ik ben mijn tas kwijtgeraakt.

  • stolen gestolen

    The thief has stolen the money.

    De dief heeft het geld gestolen.

Les 144 · Stadsvervoer & woon-werkverkeer 1 woorden

  • pass passeren

    The train passes the station.

    De trein passeert het station.

Les 145 · Zakendoen & handel 4 woorden

  • trade handelen

    They trade goods at the market.

    Zij handelen in goederen op de markt.

  • import importeren

    They import food from other countries.

    Ze importeren voedsel uit andere landen.

  • export exporteren

    Our country exports rice.

    Ons land exporteert rijst.

  • invest investeren

    We invest money in the company.

    Wij investeren geld in het bedrijf.

Les 147 · Digitaal leven & connectiviteit 4 woorden

  • delete verwijderen

    I will delete the message.

    Ik zal het bericht verwijderen.

  • search zoeken

    The men search for water.

    De mannen zoeken naar water.

  • update bijwerken

    I will update the information.

    Ik zal de informatie bijwerken.

  • download downloaden

    I downloaded the new file.

    Ik downloadde het nieuwe bestand.

Les 148 · Hobby's & vrije tijd 5 woorden

  • reading lezen

    They enjoy reading books daily.

    Ze vinden het leuk om dagelijks boeken te lezen.

  • singing zingen

    They enjoy singing every day.

    Ze genieten elke dag van het zingen.

  • dancing dansen

    She loves dancing at parties.

    Ze houdt van dansen op feestjes.

  • hiking wandelen

    We enjoy hiking in summer.

    Wij wandelen graag in de zomer.

  • swimming zwemmen

    I love swimming at the lake.

    Ik houd van zwemmen in het meer.

Les 150 · Creatieve hobby's 2 woorden

  • knitting breien

    She enjoys knitting warm scarves.

    Ze houdt van het breien van warme sjaals.

  • sewing naaien

    Her sewing skills improve every week.

    Haar vaardigheden in het naaien verbeteren elke week.

Les 152 · Sport & spel 3 woorden

  • score scoren

    I score points in the game.

    Ik score punten in het spel.

  • win winnen

    You can win every time.

    Je kunt elke keer winnen.

  • lose verliezen

    They lose the ball sometimes.

    Ze verliezen de bal soms.

Les 153 · Sportwerkwoorden — op het veld 8 woorden

  • shoot schieten

    The hunter shoots the arrow.

    De jager schiet de pijl af.

  • defend verdedigen

    The soldiers defend the city.

    De soldaten verdedigen de stad.

  • cheer juichen

    The people cheer for the winner.

    De mensen juichen voor de winnaar.

  • hit slaan

    The boy hit the ball.

    De jongen sloeg de bal.

  • lift tillen

    He lifts the heavy box.

    Hij tilt de zware doos op.

  • dribble dribbelen

    The boy dribbles the ball.

    De jongen dribbelt met de bal.

  • tackle aanpakken

    We must tackle this difficult problem.

    We moeten dit moeilijke probleem aanpakken.

  • pitch gooien

    The player pitches the ball.

    De speler gooit de bal.

Les 156 · Sport — buiten & actie 7 woorden

  • surfing surfen

    The man is surfing a wave.

    De man surft op een golf.

  • fishing vissen

    We are fishing in the river.

    Wij zijn in de rivier aan het vissen.

  • sailing zeilen

    The ship is sailing now.

    Het schip zeilt nu.

  • climbing klimmen

    The boy is climbing the tree.

    De jongen klimt in de boom.

  • jogging joggen

    The man is jogging outside.

    De man jogt buiten.

  • rollerblading skeeleren

    He is rollerblading in the park.

    Hij skeelert in het park.

  • paddling peddelen

    We are paddling the small boat.

    Wij zijn de kleine boot aan het peddelen.

Les 158 · Entertainment thuis 4 woorden

  • streaming streamen

    They enjoy streaming movies online.

    Ze vinden het leuk om online films te streamen.

  • pause pauzeren

    Can you pause the movie please?

    Kun je de film alsjeblieft pauzeren?

  • play afspelen

    I can play the movie from last week.

    Ik kan de film van vorige week afspelen.

  • rewind terugspoelen

    I missed that part, please rewind!

    Ik heb dat stukje gemist, kun je alsjeblieft terugspoelen?

Les 159 · Entertainment buitenshuis 1 woorden

  • show show

    He thinks that everyone loves that show.

    Hij denkt dat iedereen van die show houdt.

Les 161 · Digitaal leven 1 5 woorden

  • to upload uploaden

    We upload photos to the website.

    Wij uploaden foto's naar de website.

  • download downloaden

    She will download the file later.

    Zij zal het bestand later downloaden.

  • to share delen

    Can you share that video with me?

    Kun je die video met mij delen?

  • like like

    Wow, your photo has one thousand likes!

    Wauw, je foto heeft wel duizend likes!

  • to follow volgen

    On social media, she follows many artists.

    Op sociale media volgt ze veel kunstenaars.

Les 173 · Heelal & kosmos 1 woorden

  • orbit draaien om

    The moon orbits the planet.

    De maan draait om de planeet.

Les 175 · Reisplannen 3 woorden

  • transfer overstappen

    She can transfer to another flight.

    Zij kan overstappen op een andere vlucht.

  • cancel annuleren

    I must cancel the booking at once.

    Ik moet de boeking direct annuleren.

  • change wijzigen

    You can change the booking at the desk.

    Je kunt de boeking bij de balie wijzigen.

Les 178 · Praten over het verleden 2 — vertellen wat er gebeurde 1 woorden

  • I went ik ging

    I went home after school.

    Ik ging na schooltijd naar huis.

Les 181 · Advies geven — vriendelijke suggesties 1 woorden

  • Try proberen

    Try to take it seriously next time.

    Probeer het de volgende keer serieus te nemen.

Les 183 · Problemen aanpakken — snelle oplossingen 1 woorden

  • I missed ... Ik heb ... gemist

    I missed the bus, so I run.

    Ik heb de bus gemist, dus ik ren.

Gratis voor persoonlijk gebruik en in de klas.

Snelle quiz

Vijf vragen over de woorden op deze pagina.

Werkwoorden in het Engels: leer ze in de app met afbeeldingen en audio.

De app leert ze je in lessen van vijf minuten en brengt elk woord terug voordat je het vergeet. Gratis op iPhone en Android.

Scan de code met de camera van je telefoon om de app te downloaden.