Geld in het Engels
Geld en winkelen in het Engels: money (het geld), price (de prijs), cash (het contant geld), coin (de munt), banknote (het bankbiljet), credit card (de creditcard), shop (de winkel), discount (de korting). Hieronder staan alle 24 woorden over dit onderwerp uit de lessen 51 en 53 van de Flashcardly-cursus, elk met een afbeelding en native audio.
Leer deze 25 woorden in de app
Met afbeeldingen, native audio, en elk woord komt terug vlak voordat je het zou vergeten. Gratis op iPhone en Android.
Geld in het Engels: alle 25 woorden
Tik op een plaatje om het te horen.
Het Nederlands is verborgen. Zeg het woord en tik dan op het grijze vak om jezelf te controleren.
Geld
- money het geld
She needs money for food.
Zij heeft geld nodig voor eten.
Les 51 · Geld & betalen 12 woorden
- price de prijs
Do you see the price?
Zie je de prijs?
- cheap goedkoop
He bought cheap shoes.
Hij kocht goedkope schoenen.
- expensive duur
That car looks expensive.
Die auto ziet er duur uit.
- cash het contant geld
I think she needs some cash.
Ik denk dat ze wat contant geld nodig heeft.
- credit card de creditcard
I can pay with my credit card.
Ik kan met mijn creditcard betalen.
- receipt de kassabon
Can I get the receipt please?
Mag ik de kassabon, alsjeblieft?
- bill de rekening
Who is going to pay the bill?
Wie gaat de rekening betalen?
- change het wisselgeld
I paid and got some change.
Ik heb betaald en kreeg wat wisselgeld terug.
- coin de munt
I have a few coins.
Ik heb een paar munten.
- banknote het bankbiljet
What kind of banknote is that?
Wat voor een bankbiljet is dat?
- How much is this? Hoeveel kost dit
How much is this?
Hoeveel kost dit?
- Can I pay by card? Kan ik met de kaart betalen?
Can I pay by card?
Kan ik met de kaart betalen?
Les 53 · Winkels & boodschappen 12 woorden
- shop de winkel
This is my favourite shop.
Dit is mijn favoriete winkel.
- cashier de kassier
She is the new cashier.
Zij is de nieuwe kassier.
- queue de rij
This queue is very long.
Deze rij is erg lang.
- open open
The shop is open today.
De winkel is vandaag open.
- closed gesloten
Sadly, the pharmacy is closed.
Helaas is de apotheek gesloten.
- price tag de prijskaart
They saw the price tag.
Ze zagen de prijskaart.
- discount de korting
I love their discounts.
Ik ben dol op hun kortingen.
- return policy het retourbeleid
This return policy seems fair.
Dit retourbeleid lijkt eerlijk.
- warranty de garantie
A warranty protects your purchase.
Een garantie beschermt je aankoop.
- fitting room het pashokje
They used the fitting room.
Ze gebruikten het pashokje.
- shopping cart het winkelwagentje
We need a shopping cart.
We hebben een winkelwagentje nodig.
- customer de klant
The customer is always right.
De klant heeft altijd gelijk.
Gratis voor persoonlijk gebruik en in de klas. Leer je met papieren kaarten? Zo sorteer je ze in bakjes.
Meer Engelse flashcards
Engelse woorden per onderwerp
- Getallen1–100
- Rangtelwoorden12
- Dagen van de week12
- Maanden12
- Kleuren19
- Familie36
- Lichaamsdelen24
- Eten44
- Dieren36
- Kleding41
- Sieraden en accessoires12
- Het weer24
- Begroetingen12
- Fruit16
- Groenten12
- Keuken & koken36
- Restaurant & eten bestellen48
- Geld25
- Huis & kamers48
- Beroepen36
- Gevoelens & emoties36
- School & schoolspullen48
- Vervoermiddelen48
- Reizen60
- De weg vragen48
- Voorzetsels18
- Plekken in de stad48
- Bij de dokter36
- Sport & spel60
- Hobby’s36
- Muziekinstrumenten12
- Natuur & planten36
- Planeten & heelal24
- Tijdsaanduidingen36
- Feestdagen & feesten12
- Vormen12
- Alsjeblieft & dank je wel24
- Small talk36
Woordenlijsten
Alfabet
Geld in andere talen