Spaanse werkwoorden

De eerste Spaanse werkwoorden in de cursus: hacer (maken), recibir (krijgen), tener (hebben), comer (eten), beber (drinken), dormir (slapen), ver (zien), mirar (kijken naar). Hieronder staan alle 223 werkwoorden, elk met een afbeelding, native audio en een voorbeeldzin.

Leer deze 223 woorden in de app

Met afbeeldingen, native audio, en elk woord komt terug vlak voordat je het zou vergeten. Gratis op iPhone en Android.

Gratis downloaden
Download in de App Store Ontdek het op Google Play Scan met de camera van je telefoon

Werkwoorden in het Spaans: alle 223, les voor les

Fout melden

Vertel ons wat er niet klopt. We bekijken elke melding.

Wat klopt er niet?

Tik op een plaatje om het te horen.

Les 5 · Alledaagse werkwoorden — basishandelingen 12 woorden

  • hacer maken

    Hago buen café.

    Ik maak goede koffie.

  • recibir krijgen

    Él recibió un regalo.

    Hij kreeg een cadeau.

  • tener hebben

    Emma tiene un carro.

    Emma heeft een auto.

  • comer eten

    Están comiendo manzanas.

    Zij eten appels.

  • beber drinken

    ¿Bebes café?

    Drink jij koffie?

  • dormir slapen

    Quiero dormir ahora.

    Ik wil nu slapen.

  • ver zien

    ¿Puedes ver la casa?

    Kun je het huis zien?

  • mirar kijken naar

    A Adam le gusta mirar fotos.

    Adam vindt het leuk om naar foto's te kijken.

  • leer lezen

    El estudiante lee libros.

    De student leest boeken.

  • abrir openen

    Ella abre la ventana.

    Zij opent het raam.

  • cerrar sluiten

    Cierro la puerta.

    Ik sluit de deur.

  • venir komen

    Vienes aquí todos los días.

    Je komt hier elke dag.

Les 11 · Alledaagse werkwoorden — communiceren & denken 12 woorden

  • saber weten

    Sabes la respuesta ahora.

    Je weet het antwoord nu.

  • preguntar vragen

    Puedes preguntar a tu hermano.

    Je kunt het aan je broer vragen.

  • oír horen

    ¿Puedes oír ese sonido?

    Kun je dat geluid horen?

  • aprender leren

    Aprendes algo nuevo cada día.

    Je leert elke dag iets nieuws.

  • hablar con praten met

    ¿Te gusta hablar con tus amigos?

    Vind je het leuk om met je vrienden te praten?

  • decir zeggen

    Quiero decir algo.

    Ik wil iets zeggen.

  • elegir kiezen

    Tú eliges tu color favorito.

    Je kiest je favoriete kleur.

  • escribir schrijven

    Los estudiantes escriben una historia.

    De studenten schrijven een verhaal.

  • llamar bellen

    Voy a llamarte.

    Ik ga je bellen.

  • escuchar luisteren naar

    Escucho la radio.

    Ik luister naar de radio.

  • estudiar studeren

    Estudio mucho para cada examen.

    Ik moet hard studeren voor elke toets.

  • contar vertellen

    Él me cuenta su nombre.

    Hij vertelt me zijn naam.

Les 12 · Werkwoorden — sociaal & informeel communiceren 12 woorden

  • encontrarse ontmoeten

    Me encontraré contigo mañana.

    Ik ontmoet je morgen.

  • unirse zich aansluiten bij

    Ella se unirá a nuestro grupo.

    Zij zal zich bij onze groep aansluiten.

  • disfrutar genieten van

    Nosotros disfrutamos de la música.

    Wij genieten van de muziek.

  • describir beschrijven

    El niño describió al animal.

    De jongen beschreef het dier.

  • explicar uitleggen

    Ella explicará el problema.

    Zij zal het probleem uitleggen.

  • enseñar lesgeven

    Yo les enseño a los nuevos estudiantes.

    Ik lesgeef de nieuwe studenten.

  • presentar voorstellen

    Te presentaré a mi amigo.

    Ik zal mijn vriend voorstellen.

  • aceptar accepteren

    Ella acepta el regalo.

    Zij accepteert het cadeau.

  • rechazar weigeren

    El niño rechaza la comida.

    Het kind weigert het eten.

  • prometer beloven

    Te prometo ayudarte.

    Ik beloof dat ik je zal helpen.

  • discutir bespreken

    Ellos discuten el nuevo plan.

    Zij bespreken het nieuwe plan.

  • contactar contact opnemen met

    Contactaré con el médico.

    Ik zal contact opnemen met de dokter.

Les 13 · Werkwoorden — geluid & lichaamstaal 12 woorden

  • reír lachen

    Los niños se ríen a carcajadas.

    De kinderen lachen hard.

  • gritar schreeuwen

    El niño grita pidiendo ayuda.

    De jongen schreeuwt om hulp.

  • susurrar fluisteren

    Él me susurra al oído.

    Hij fluistert in mijn oor.

  • saludar zwaaien

    Ella saluda con la mano al despedirse.

    Ze zwaait gedag.

  • asentir knikken

    La mujer asiente con la cabeza.

    De vrouw knikt met haar hoofd.

  • abrazar knuffelen

    La madre abraza a su hijo.

    De moeder knuffelt haar kind.

  • besar kussen

    La madre besa a su hijo.

    De moeder kust haar kind.

  • señalar wijzen

    El niño señala al perro.

    Het kind wijst naar de hond.

  • parpadear knipperen

    Él parpadea rápidamente.

    Hij knippert snel met zijn ogen.

  • fruncir el ceño fronsen

    El padre le frunce el ceño a su hijo.

    De vader fronst naar zijn zoon.

  • bostezar gapen

    El hombre cansado bosteza.

    De vermoeide man gaapt.

  • olfatear snuiven

    El perro olfatea la comida.

    De hond snuift aan het eten.

Les 18 · Veiligheid & hulp 2 woorden

  • proteger beschermen

    La policía nos protege.

    De politie moet ons beschermen.

  • advertir waarschuwen

    ¡Necesito advertirles!

    Ik moet ze waarschuwen!

Les 19 · Alledaagse werkwoorden — werk, beweging & plannen 11 woorden

  • comprar kopen

    Puedes comprar fruta aquí.

    Je kunt hier fruit kopen.

  • pagar betalen

    Debes pagar esto.

    Je moet hiervoor betalen.

  • vender verkopen

    Aquí venden fruta fresca.

    Ze verkopen hier vers fruit.

  • poner leggen

    Él pone el libro sobre la mesa.

    Hij legt het boek op tafel.

  • sentarse zitten

    Emma se sienta en esa silla.

    Emma zit in die stoel.

  • pararse staan

    Me paro junto a la puerta.

    Ik sta bij de deur.

  • nadar zwemmen

    Pueden nadar rápido.

    Zij kunnen snel zwemmen.

  • conducir rijden

    Necesitas conducir con cuidado.

    Je moet voorzichtig rijden.

  • planear plannen

    Ellos planean visitar pronto.

    Zij plannen om binnenkort op bezoek te komen.

  • terminar afmaken

    Él puede terminar la tarea más tarde.

    Hij kan zijn huiswerk later afmaken.

  • dar geven

    Doy regalos a mis amigos.

    Ik geef cadeaus aan vrienden.

Les 28 · Alledaagse actiewerkwoorden 2 11 woorden

  • traer meebrengen

    Traen comida a la fiesta.

    Zij brengen eten mee naar het feest.

  • tomar pakken

    Siempre tomas mi bolígrafo.

    Je pakt altijd mijn pen.

  • llevar dragen

    Él puede llevar la caja.

    Hij kan de doos dragen.

  • recoger ophalen

    ¿Puedes recoger el paquete?

    Kun je het pakketje ophalen?

  • dejar caer laten vallen

    Si dejo caer el teléfono, se romperá.

    Als ik de telefoon laat vallen, gaat hij kapot.

  • pasar aanreiken

    ¿Me pasas la sal?

    Kun je me het zout aanreiken?

  • dejar neerzetten

    Dejamos nuestras mochilas.

    Wij zetten onze rugzakken neer.

  • recoger opruimen

    Recojo mis juguetes.

    Ik ruim mijn speelgoed op.

  • colgar ophangen

    Ellos cuelgan sus abrigos.

    Ze hangen hun jassen op.

  • encender aanzetten

    Enciendes la luz.

    Je zet het licht aan.

  • apagar uitzetten

    ¿Alguien puede apagar la radio?

    Kan iemand de radio uitzetten?

Les 29 · Werkwoorden — beweging & spel 12 woorden

  • saltar springen

    El gato salta sobre el muro.

    De kat springt over de muur.

  • lanzar gooien

    El niño lanza la piedra.

    De jongen gooit de steen.

  • atrapar vangen

    Él atrapa la pelota.

    Hij vangt de bal.

  • montar rijden

    El niño monta a caballo.

    De jongen rijdt op een paard.

  • volar vliegen

    Los pájaros vuelan en el cielo.

    De vogels vliegen in de lucht.

  • gatear kruipen

    El bebé gatea por el suelo.

    De baby kruipt op de vloer.

  • saltarse overslaan

    Ella se saltó la primera página.

    Zij sloeg de eerste pagina over.

  • patear schoppen

    El niño patea la pelota.

    Het kind schopt tegen de bal.

  • rebotar stuiteren

    La pelota rebota en el suelo.

    De bal stuitert op de grond.

  • trepar klimmen

    El gato trepa el árbol.

    De kat klimt in de boom.

  • tirarse duiken

    El niño se tira al agua.

    De jongen duikt in het water.

  • deslizarse glijden

    La caja se desliza por el suelo.

    De doos glijdt over de vloer.

Les 30 · Werkwoorden — praktisch & functioneel 12 woorden

  • pellizcar knijpen

    Él me pellizcó el brazo.

    Hij kneep in mijn arm.

  • apretar knijpen

    Ella me aprieta la mano.

    Zij knijpt in mijn hand.

  • picar prikken

    El niño me picó el brazo.

    Het kind prikte in mijn arm.

  • acariciar aaien

    El niño acaricia al perro.

    De jongen aait de hond.

  • frotar wrijven

    Me froto los ojos cansados.

    Ik wrijf in mijn vermoeide ogen.

  • retorcer draaien

    El hombre retuerce la cuerda.

    De man draait aan het touw.

  • sacudir schudden

    El bebé sacude el juguete.

    De baby schudt met het speelgoed.

  • doblar vouwen

    Yo doblo el papel.

    Ik vouw het papier.

  • presionar drukken op

    Ella presiona el botón rojo.

    Zij drukt op de rode knop.

  • atar bevestigen

    Él atará la cuerda.

    Hij zal het touw bevestigen.

  • tirar trekken

    El hombre tira de la cuerda pesada.

    De man trekt aan het zware touw.

  • hacer la maleta inpakken

    Yo hago la maleta.

    Ik pak mijn tas in.

Les 31 · Waar is & ergens komen 1 woorden

  • Estoy buscando ik zoek

    Están buscando un baño.

    Ze zijn op zoek naar een toilet.

Les 56 · Kleding & maten 2 woorden

  • caber passen

    Ella todavía cabe en sus jeans viejos.

    Ze past nog steeds in haar oude spijkerbroek.

  • probarse passen

    Nos probamos sombreros nuevos.

    Wij passen nieuwe hoeden.

Les 61 · Verloren & gevonden — basis 2 woorden

  • perder verliezen

    Perdí mis llaves en el parque.

    Ik ben mijn sleutels in het park verloren.

  • devolver terugbrengen

    Ella devolverá el libro mañana por la mañana.

    Zij zal het boek morgenochtend terugbrengen.

Les 65 · Openbare borden & mededelingen 2 woorden

  • empujar duwen

    Empujan la puerta roja.

    Zij duwen de rode deur.

  • jalar trekken

    Tienes que jalar la puerta.

    Je moet aan de deur trekken.

Les 70 · Huishoudelijke bezigheden 9 woorden

  • lavar wassen

    Voy a lavar los platos ahora.

    Ik ga nu de afwas doen.

  • cocinar koken

    Ellos cocinan la cena todas las noches.

    Zij koken elke avond het avondeten.

  • hervir koken

    Hierves agua para el té.

    Je kookt water voor thee.

  • freír bakken

    ¿Fríes tu comida a menudo?

    Bakt u uw eten vaak?

  • hornear bakken

    Ella hornea pan hoy.

    Zij bakt vandaag brood.

  • barrer vegen

    Yo barro el suelo más rápido.

    Ik veeg de vloer sneller.

  • aspirar stofzuigen

    Aspiramos el salón.

    Wij stofzuigen de woonkamer.

  • regar water geven

    Riegan el jardín semanalmente.

    Ze geven wekelijks water aan de tuin.

  • apagar uitdoen

    ¿Puedes apagar las luces?

    Kun je het licht uitdoen?

Les 71 · Koken & keukenwerkwoorden 11 woorden

  • verter schenken

    Ella vierte agua en la taza.

    Zij schenkt water in het kopje.

  • revolver roeren

    Revuelvo la sopa caliente.

    Ik roer in de hete soep.

  • picar hakken

    El hombre pica la leña.

    De man hakt het hout.

  • sumergir dopen

    Ella sumerge el trapo en el agua.

    Zij dopt de doek in het water.

  • pelar schillen

    Ella pela la naranja.

    Zij schilt de sinaasappel.

  • rallar raspen

    Ella ralla las verduras.

    Zij raspt de groenten.

  • mezclar mengen

    Mezclo la sal y el agua.

    Ik meng het zout en het water.

  • untar besmeren

    Ella unta mantequilla en el pan.

    Zij besmeert het brood met boter.

  • derretir smelten

    El sol derrite el hielo.

    De zon smelt het ijs.

  • medir meten

    Yo mido la cuerda larga.

    Ik meet het lange touw.

  • llenar vullen

    Lleno la taza con agua.

    Ik vul de beker met water.

Les 73 · Reparaties & onderhoud 3 woorden

  • arreglar repareren

    Nosotros arreglamos cosas rotas aquí.

    Wij repareren hier kapotte dingen.

  • reparar repareren

    ¿Sabes cómo repararlo?

    Weet je hoe je het moet repareren?

  • reemplazar vervangen

    Reemplazamos los neumáticos viejos.

    Wij vervangen oude banden.

Les 76 · Bovenlichaam & gezicht 1 woorden

  • sonreír glimlachen

    El niño me sonríe.

    Het kind glimlacht naar mij.

Les 78 · Lichaam & fitness 4 woorden

  • calentar opwarmen

    Esto ayuda a calentar los músculos.

    Dit helpt om de spieren op te warmen.

  • estirar rekken

    Estiro cada mañana.

    Ik rek me elke ochtend uit.

  • correr rennen

    Corren muy rápido.

    Zij rennen erg snel.

  • caminar lopen

    Le gusta caminar por la tarde.

    Ze houdt ervan om 's avonds te lopen.

Les 79 · Uitgaansleven 2 woorden

  • salir uitgaan

    Normalmente salimos los viernes.

    Wij gaan meestal op vrijdag uit.

  • bailar dansen

    Mis amigos siempre quieren bailar.

    Mijn vrienden willen altijd dansen.

Les 81 · Pijntjes, wondjes & eerste hulp 8 woorden

  • llorar huilen

    El niño triste está llorando.

    Het verdrietige kind huilt.

  • caer vallen

    La fruta cae del árbol.

    De vrucht valt van de boom.

  • cortar snijden

    Ella corta el pan.

    Zij snijdt het brood.

  • arder branden

    La leña seca arde rápidamente.

    Het droge hout brandt snel.

  • arañar krabben

    El gato me arañó el brazo.

    De kat krabde in mijn arm.

  • golpearse stoten

    Me golpeé la cabeza.

    Ik stootte mijn hoofd.

  • recuperarse herstellen

    Él se recuperó de la enfermedad.

    Hij herstelde van de ziekte.

  • curarse genezen

    La herida profunda se curará.

    De diepe wond zal genezen.

Les 82 · Stroom & elektriciteit 1 woorden

  • enchufar inpluggen

    Se le olvidó enchufar el cargador del portátil.

    Hij vergat de oplader van de laptop in te pluggen.

Les 85 · Cijfers — groter & verder 2 woorden

  • duplicar verdubbelen

    El comerciante duplicó el precio.

    De koopman verdubbelde de prijs.

  • triplicar verdrievoudigen

    El precio del pan se triplicará.

    De prijs van brood zal verdrievoudigen.

Les 95 · Maaltijden & eetmomenten 1 woorden

  • ayudar helpen

    Mi amigo me está ayudando.

    Mijn vriend helpt mij.

Les 96 · De vijf zintuigen 1 woorden

  • sentir voelen

    Siento el agua fría.

    Ik voel het koude water.

Les 106 · Leuk & niet leuk vinden 2 woorden

  • Me gusta ik vind het fijn als ...

    Me gusta cuando la gente es honesta.

    Ik vind het fijn als mensen eerlijk zijn.

  • Me encanta ik houd van

    Me encanta, porque es mío.

    Ik houd van het, omdat het van mij is.

Les 108 · Voorkeuren in context 2 1 woorden

  • No puedo decidirme ik kan niet kiezen

    Ellos tampoco pueden decidirse.

    Zij kunnen niet kiezen, ik ook niet.

Les 119 · Afspraken & planningen 1 woorden

  • reprogramar verplaatsen

    Reprogramarán la reunión.

    Zij zullen de vergadering verplaatsen.

Les 121 · Dagelijkse routine 7 woorden

  • despertarse wakker worden

    Le gusta despertarse temprano.

    Ze houdt ervan om vroeg wakker te worden.

  • levantarse opstaan

    Ellos se levantan al amanecer.

    Zij staan bij zonsopgang op.

  • ducharse douchen

    Te duchas cada mañana.

    Je doucht elke ochtend.

  • vestirse zich aankleden

    Necesito vestirme antes de la escuela.

    Ik moet me aankleden voor school.

  • desayunar ontbijten

    Desayunamos cada mañana.

    Wij ontbijten elke ochtend.

  • almorzar lunchen

    Ellos almuerzan al mediodía.

    Zij lunchen om twaalf uur.

  • volver a casa thuiskomen

    Vuelvo a casa después de la escuela.

    Ik thuiskom na school.

Les 123 · Dingen beschrijven — praktische bijvoeglijke naamwoorden 1 woorden

  • arreglado repareren

    Él arregló la bicicleta rota.

    Hij repareerde de kapotte fiets.

Les 126 · Leren & studiegewoonten 3 woorden

  • repetir herhalen

    Por favor, repite las instrucciones.

    Kun je de instructies alsjeblieft herhalen?

  • memorizar uit het hoofd leren

    Ellos memorizan sus líneas fácilmente.

    Ze leren hun tekst makkelijk uit het hoofd.

  • mejorar verbeteren

    Puedes mejorar tu nota.

    Je kunt je cijfer verbeteren.

Les 134 · Op bezoek & gastheer zijn 3 woorden

  • invitar uitnodigen

    Invitan a sus amigos a la fiesta.

    Zij nodigen vrienden uit voor het feest.

  • recibir ontvangen

    Recibo invitados cada verano.

    Ik ontvang elke zomer gasten.

  • traer meebrengen

    Traes un buen postre.

    Je brengt een lekker dessert mee.

Les 137 · Huisdieren & dieren 2 woorden

  • dar de comer voeren

    Ella le dará de comer al perro.

    Zij zal de hond voeren.

  • las golosinas hondensnoepjes

    Les encantan mucho las golosinas para perros.

    Ze zijn dol op hondensnoepjes.

Les 140 · Onderhoud & gereedschap in huis 3 woorden

  • reparar repareren

    Él repara la silla rota.

    Hij repareert de kapotte stoel.

  • filtrarse lekken

    El agua se filtra por la tubería.

    Er lekt water uit de pijp.

  • arreglar repareren

    Arreglaré la puerta rota.

    Ik zal de kapotte deur repareren.

Les 143 · Problemen oplossen & noodgevallen 3 woorden

  • ayudar helpen

    Yo ayudo a mi amigo.

    Ik help mijn vriend.

  • perder kwijtraken

    Perdí mi bolso.

    Ik ben mijn tas kwijtgeraakt.

  • robar gestolen

    El ladrón ha robado el dinero.

    De dief heeft het geld gestolen.

Les 144 · Stadsvervoer & woon-werkverkeer 1 woorden

  • pasar passeren

    El tren pasa por la estación.

    De trein passeert het station.

Les 145 · Zakendoen & handel 4 woorden

  • intercambiar handelen

    Ellos intercambian mercancías en el mercado.

    Zij handelen in goederen op de markt.

  • importar importeren

    Ellos importan comida de otros países.

    Ze importeren voedsel uit andere landen.

  • exportar exporteren

    Nuestro país exporta arroz.

    Ons land exporteert rijst.

  • invertir investeren

    Nosotros invertimos dinero en la empresa.

    Wij investeren geld in het bedrijf.

Les 147 · Digitaal leven & connectiviteit 4 woorden

  • borrar verwijderen

    Borraré el mensaje.

    Ik zal het bericht verwijderen.

  • buscar zoeken

    Los hombres buscan agua.

    De mannen zoeken naar water.

  • actualizar bijwerken

    Actualizaré la información.

    Ik zal de informatie bijwerken.

  • descargar downloaden

    Descargué el archivo nuevo.

    Ik downloadde het nieuwe bestand.

Les 148 · Hobby's & vrije tijd 5 woorden

  • leer lezen

    Ellos disfrutan leer libros diariamente.

    Ze vinden het leuk om dagelijks boeken te lezen.

  • cantar zingen

    Disfrutan cantar todos los días.

    Ze genieten elke dag van het zingen.

  • bailar dansen

    A ella le encanta bailar en las fiestas.

    Ze houdt van dansen op feestjes.

  • el senderismo wandelen

    Disfrutamos del senderismo en verano.

    Wij wandelen graag in de zomer.

  • nadar zwemmen

    Me encanta nadar en el lago.

    Ik houd van zwemmen in het meer.

Les 150 · Creatieve hobby's 2 woorden

  • tejer breien

    Ella disfruta tejer bufandas cálidas.

    Ze houdt van het breien van warme sjaals.

  • la costura naaien

    Sus habilidades de costura mejoran cada semana.

    Haar vaardigheden in het naaien verbeteren elke week.

Les 152 · Sport & spel 3 woorden

  • anotar scoren

    Anoto puntos en el partido.

    Ik score punten in het spel.

  • ganar winnen

    Puedes ganar siempre.

    Je kunt elke keer winnen.

  • perder verliezen

    A veces pierden el balón.

    Ze verliezen de bal soms.

Les 153 · Sportwerkwoorden — op het veld 8 woorden

  • disparar schieten

    El cazador dispara la flecha.

    De jager schiet de pijl af.

  • defender verdedigen

    Los soldados defienden la ciudad.

    De soldaten verdedigen de stad.

  • animar juichen

    La gente anima al ganador.

    De mensen juichen voor de winnaar.

  • golpear slaan

    El niño golpeó la pelota.

    De jongen sloeg de bal.

  • levantar tillen

    Él levanta la caja pesada.

    Hij tilt de zware doos op.

  • driblar dribbelen

    El niño dribla el balón.

    De jongen dribbelt met de bal.

  • abordar aanpakken

    Debemos abordar este problema difícil.

    We moeten dit moeilijke probleem aanpakken.

  • lanzar gooien

    El jugador lanza la pelota.

    De speler gooit de bal.

Les 156 · Sport — buiten & actie 7 woorden

  • surfear surfen

    El hombre está surfeando una ola.

    De man surft op een golf.

  • pescar vissen

    Estamos pescando en el río.

    Wij zijn in de rivier aan het vissen.

  • navegar zeilen

    El barco está navegando ahora.

    Het schip zeilt nu.

  • trepar klimmen

    El niño está trepando el árbol.

    De jongen klimt in de boom.

  • trotar joggen

    El hombre está trotando afuera.

    De man jogt buiten.

  • patinar en línea skeeleren

    Él está patinando en línea en el parque.

    Hij skeelert in het park.

  • remar peddelen

    Estamos remando en el bote pequeño.

    Wij zijn de kleine boot aan het peddelen.

Les 158 · Entertainment thuis 4 woorden

  • el streaming streamen

    Disfrutan del streaming de películas en línea.

    Ze vinden het leuk om online films te streamen.

  • pausar pauzeren

    ¿Puedes pausar la película, por favor?

    Kun je de film alsjeblieft pauzeren?

  • reproducir afspelen

    Puedo reproducir la película de la semana pasada.

    Ik kan de film van vorige week afspelen.

  • rebobinar terugspoelen

    Me perdí esa parte, ¡por favor, rebobina!

    Ik heb dat stukje gemist, kun je alsjeblieft terugspoelen?

Les 159 · Entertainment buitenshuis 1 woorden

  • el programa show

    Él piensa que a todo el mundo le encanta ese programa.

    Hij denkt dat iedereen van die show houdt.

Les 161 · Digitaal leven 1 5 woorden

  • subir uploaden

    Subimos fotos a la página web.

    Wij uploaden foto's naar de website.

  • descargar downloaden

    Ella descargará el archivo más tarde.

    Zij zal het bestand later downloaden.

  • compartir delen

    ¿Puedes compartir ese video conmigo?

    Kun je die video met mij delen?

  • me gusta like

    ¡Guau, tu foto tiene mil me gusta!

    Wauw, je foto heeft wel duizend likes!

  • seguir volgen

    En redes sociales, sigue a muchos artistas.

    Op sociale media volgt ze veel kunstenaars.

Les 173 · Heelal & kosmos 1 woorden

  • orbitar draaien om

    La luna orbita el planeta.

    De maan draait om de planeet.

Les 175 · Reisplannen 3 woorden

  • hacer transbordo overstappen

    Ella puede hacer transbordo a otro vuelo.

    Zij kan overstappen op een andere vlucht.

  • cancelar annuleren

    Tengo que cancelar la reserva inmediatamente.

    Ik moet de boeking direct annuleren.

  • cambiar wijzigen

    Puedes cambiar la reserva en el mostrador.

    Je kunt de boeking bij de balie wijzigen.

Les 178 · Praten over het verleden 2 — vertellen wat er gebeurde 1 woorden

  • Fui ik ging

    Fui a casa después de la escuela.

    Ik ging na schooltijd naar huis.

Les 181 · Advies geven — vriendelijke suggesties 1 woorden

  • Intenta proberen

    Intenta tomártelo en serio la próxima vez.

    Probeer het de volgende keer serieus te nemen.

Les 183 · Problemen aanpakken — snelle oplossingen 1 woorden

  • Perdí ... Ik heb ... gemist

    Perdí el autobús, así que corro.

    Ik heb de bus gemist, dus ik ren.

Gratis voor persoonlijk gebruik en in de klas.

Snelle quiz

Vijf vragen over de woorden op deze pagina.

Werkwoorden in het Spaans: leer ze in de app met afbeeldingen en audio.

De app leert ze je in lessen van vijf minuten en brengt elk woord terug voordat je het vergeet. Gratis op iPhone en Android.

Scan de code met de camera van je telefoon om de app te downloaden.