De 1000 meest gebruikte Spaanse woorden
Elk woord met een afbeelding, native audio en een voorbeeldzin met Nederlandse vertaling. Tik op een luidspreker om het woord of de zin te horen.
Leer alle 1000 woorden in de app
Met afbeeldingen, native audio, en elk woord komt terug vlak voordat je het zou vergeten. Gratis op iPhone en Android.
Hoe deze lijst is gerangschikt
Dit is de Flashcardly-cursus Spaans op volgorde: gerangschikt op frequentie en nut in het dagelijks leven, met input van taaldocenten. Het is dus geen kale telling uit een tekstcorpus, en daarom staan woorden als “de” en “van” niet bovenaan de lijst, terwijl “man” op nummer 13 staat.
De lijst
Tik op een plaatje om het te horen.
Woorden 1–100
-
Hola HalloHola, ¿cómo estás? Hallo, hoe gaat het?
-
Bienvenido WelkomBienvenidos a nuestra casa. Welkom in ons huis.
-
Buenos días Goedemorgen¡Buenos días! Goedemorgen!
-
sí jaSí, entiendo. Ja, ik begrijp het.
-
Buenas noches Goedenavond¡Buenas noches! Goedenavond!
-
no neeElla dijo que no. Ze zei nee.
-
Adiós doei¡Adiós, Anna! Doei, Anna!
-
Buenas tardes Goedemiddag¡Buenas tardes! Goedemiddag!
-
Hasta pronto Tot snel¡Hasta pronto, Mia! Tot snel, Mia!
-
Hasta mañana Tot morgen¡Hasta mañana! Tot morgen!
-
Mucho gusto Aangenaam¡Mucho gusto también! Aangenaam kennis te maken!
-
¿Cómo estás? Hoe gaat het met je¿Cómo estás hoy? Hoe gaat het met je vandaag?
-
el hombre de manEl hombre lee el libro. De man leest het boek.
-
la mujer de vrouwLa mujer lleva un sombrero. De vrouw draagt een hoed.
-
el niño de jongenEl niño juega con juguetes. De jongen speelt met speelgoed.
-
la niña het meisjeLa niña tiene una pelota. Het meisje heeft een bal.
-
la persona de persoonÉl es una persona agradable. Hij is een aardig persoon.
-
la gente de mensenLa gente está muy contenta. De mensen zijn erg blij.
-
el adulto de volwasseneSoy un adulto. Ik ben een volwassene.
-
el bebé de babyEl bebé necesita leche. De baby heeft melk nodig.
-
señor meneerAl señor Smith le gusta leer libros. Meneer Smith leest graag boeken.
-
señora mevrouwLa señora Smith es profesora. Mevrouw Smith is een lerares.
-
el vecino de buurmanMi vecino es muy amable. Mijn buurman is erg vriendelijk.
-
el amigo de vriendA mi amigo le gusta leer libros. Mijn vriend leest graag boeken.
-
hoy vandaagHoy es un buen día. Vandaag is een goede dag.
-
mañana morgenMañana es un nuevo día. Morgen is een nieuwe dag.
-
ayer gisterenLa vi ayer. Ik heb haar gisteren gezien.
-
ahora nuLo quiere ahora. Hij wil het nu.
-
la tarde de middagMe gusta la tarde. Ik vind de middag fijn.
-
la noche de avondLa noche es tranquila. De avond is rustig.
-
el minuto de minuutNecesitamos cinco minutos. We hebben vijf minuten nodig.
-
la mañana de ochtendDesayuno por la mañana. Ik eet 's ochtends mijn ontbijt.
-
más tarde laterLo haré más tarde. Ik doe het later.
-
temprano vroegElla se despierta temprano. Zij wordt vroeg wakker.
-
tarde te laatÉl suele llegar tarde. Hij is vaak te laat.
-
la hora het uurLa clase dura una hora. De les duurt één uur.
-
¿Cómo te llamas? Hoe heet je?¿Cómo te llamas? Hoe heet je?
-
Me llamo Mijn naam isMe llamo Emily. Mijn naam is Emily.
-
¿De dónde eres? Waar kom je vandaan?¿De dónde eres? Waar kom je vandaan?
-
Soy de Ik kom uit ...Soy de Alemania. Ik kom uit Duitsland.
-
¿Dónde vives? Waar woon je¿Dónde vives? Waar woon je?
-
Vivo en Ik woon inVivo en Japón. Ik woon in Japan.
-
¿Qué idiomas hablas? Welke talen spreek je?¿Qué idiomas hablas? Welke talen spreek je?
-
Hablo ik spreekHablo inglés bien. Ik spreek goed Engels.
-
Hablo un poco de Ik spreek een beetje ...Hablo un poco de francés. Ik spreek een beetje Frans.
-
¿Dónde naciste? Waar ben je geboren¿Dónde naciste? Waar ben je geboren?
-
¿Cuál es tu apellido? Wat is je achternaam?¿Cuál es tu apellido? Wat is je achternaam?
-
Esta es mi amiga Dit is mijn vriend(in)Esta es mi amiga Lisa. Dit is mijn vriendin Lisa.
-
hacer makenHago buen café. Ik maak goede koffie.
-
recibir krijgenÉl recibió un regalo. Hij kreeg een cadeau.
-
tener hebbenEmma tiene un carro. Emma heeft een auto.
-
comer etenEstán comiendo manzanas. Zij eten appels.
-
beber drinken¿Bebes café? Drink jij koffie?
-
dormir slapenQuiero dormir ahora. Ik wil nu slapen.
-
ver zien¿Puedes ver la casa? Kun je het huis zien?
-
mirar kijken naarA Adam le gusta mirar fotos. Adam vindt het leuk om naar foto's te kijken.
-
leer lezenEl estudiante lee libros. De student leest boeken.
-
abrir openenElla abre la ventana. Zij opent het raam.
-
cerrar sluitenCierro la puerta. Ik sluit de deur.
-
venir komenVienes aquí todos los días. Je komt hier elke dag.
-
Por favor alsjeblieftPor favor, abre la puerta. Wil je alsjeblieft de deur openen?
-
Gracias Dank je welGracias por tu ayuda. Dank je wel voor je hulp.
-
De nada Graag gedaan.De nada. Graag gedaan.
-
Disculpe PardonDisculpe, necesito ayuda. Pardon, ik heb hulp nodig.
-
Lo siento. sorryLo siento. Het spijt me.
-
¿Podrías ayudarme? Kun je me helpen?¿Podrías ayudarme? Kun je me helpen?
-
¿Podrías repetir, por favor? Kun je dat alsjeblieft herhalen?¿Podrías repetir eso, por favor? Kun je dat alsjeblieft herhalen?
-
¿Podría hablar más despacio? Zou je wat langzamer kunnen spreken?¿Podría hablar más despacio? Zou je wat langzamer kunnen spreken?
-
¿Me podría dar ..., por favor? Mag ik ... alsjeblieft?¿Me podría dar agua, por favor? Mag ik water alsjeblieft?
-
Me gustaría ik zou graag ... willenMe gustaría un poco más de té. Ik zou graag nog wat thee willen.
-
¿Puedo...? Mag ik ...?¿Puedo tener un poco de agua? Mag ik wat water?
-
¿Está bien si...? Is het goed als ...?¿Está bien si me siento? Is het goed als ik ga zitten?
-
cero nulCero es menor que uno. Nul is minder dan één.
-
uno éénTengo una manzana. Ik heb één appel.
-
dos tweeHay dos gatos. Er zijn twee katten.
-
tres drieNo, tres es demasiado. Nee, drie is te veel.
-
cuatro vierDame cuatro, por favor. Geef me er vier, alsjeblieft.
-
cinco vijfTengo cinco perros. Ik heb vijf honden.
-
seis zesVino con seis amigos. Hij kwam met zes vrienden.
-
siete zevenEstoy corriendo siete kilómetros. Ik ren zeven kilometer.
-
ocho achtUna araña tiene ocho patas. Een spin heeft acht poten.
-
nueve negenNueve es mi número de la suerte. Negen is mijn geluksgetal.
-
diez tienTenemos diez dedos. Wij hebben tien vingers.
-
más plusDos más dos es cuatro. Twee plus twee is vier.
-
No entiendo. Ik begrijp het nietNo entiendo. Ik begrijp het niet.
-
¿Puedes repetir eso, por favor? Kun je dat alsjeblieft herhalen?¿Puedes repetir eso, por favor? Kun je dat alsjeblieft herhalen?
-
Más despacio, por favor. Iets langzamer, alsjeblieft.Más despacio, por favor. Iets langzamer, alsjeblieft.
-
¿Qué significa eso? Wat betekent dat?¿Qué significa eso? Wat betekent dat?
-
¿Cómo se dice eso en...? Hoe zeg je dat in ...?¿Cómo se dice eso en español? Hoe zeg je dat in het Spaans?
-
¿Cómo se deletrea eso? Hoe spel je dat?¿Cómo se deletrea eso? Hoe spel je dat?
-
¿Puedes anotarlo? Kun je het opschrijven?¿Puedes anotarlo, por favor? Kun je het opschrijven, alsjeblieft?
-
¿Me puedes enseñar? Kun je me ... laten zien¿Me puedes enseñar la foto? Kun je me de foto laten zien?
-
¿Hablas...? Spreek je ...?¿Hablas inglés? Spreek je Engels?
-
Un momento, por favor Een momentje, alsjeblieft.Un momento, por favor. Een momentje, alsjeblieft.
-
Creo que sí Ik denk het wel.Yo también creo que sí. Ik denk het ook.
-
No sé Ik weet het niet.No sé. Ik weet het niet.
-
este ditEste es mi carro rojo. Dit is mijn rode auto.
-
ese dieEse perro es muy amigable. Die hond is erg vriendelijk.
-
aquí hierMe gusta estar aquí. Ik vind het fijn om hier te zijn.
-
allí daarNos encontramos allí después del trabajo. We spreken daar na het werk af.
Woorden 101–200
-
otro nog eenQuiere otro trozo de pastel. Hij wil nog een stukje taart.
-
mismo hetzelfdeLlevamos la misma camisa azul. Wij dragen hetzelfde blauwe shirt.
-
estas dezeEstas manzanas están listas para comer. Deze appels zijn klaar om te eten.
-
esas dieEsas galletas se ven muy bien. Die koekjes zien er erg lekker uit.
-
aquí mismo precies hierLas llaves están aquí mismo. De sleutels liggen precies hier.
-
por allí daarMis zapatos están por allí. Mijn schoenen staan daar.
-
encima de boven opEl gato está encima de la mesa. De kat zit boven op de tafel.
-
debajo de onderEl perro está debajo de la mesa. De hond zit onder de tafel.
-
¿Qué tal? Hoe gaat het?¿Qué tal? Hoe gaat het?
-
¡Cuánto tiempo sin vernos! Lang niet gezien.¡Cuánto tiempo sin vernos! Lang niet gezien.
-
¿Qué te gusta? Waar geniet je van¿Qué te gusta? Waar geniet je van?
-
¿Qué andas haciendo? Wat ben je aan het doen ...?¿Qué andas haciendo ahora? Wat ben je nu aan het doen?
-
Que tengas un buen día Prettige dag¡Que tengas un buen día, John! Prettige dag nog, John!
-
Cuídate Pas goed op jezelfCuídate. Nos vemos mañana. Pas goed op jezelf. Tot morgen.
-
¡Buena suerte! Veel succes!¡Buena suerte! ¡Creo en ti! Veel succes! Ik geloof in je!
-
¡Felicidades! Gefeliciteerd!¡Felicidades! Terminaste el trabajo duro. Gefeliciteerd! Je hebt het zware werk afgerond.
-
¡Salud! Proost!¡Salud! Proost!
-
No hay problema Geen probleemNo hay problema, puedo ayudarte. Geen probleem, ik kan je helpen.
-
No te preocupes Maak je geen zorgenNo te preocupes, todo estará bien. Maak je geen zorgen, het komt wel goed.
-
Suena bien Dat klinkt goedMe suena bien, ¡gracias! Dat klinkt goed voor mij, bedankt!
-
saber wetenSabes la respuesta ahora. Je weet het antwoord nu.
-
preguntar vragenPuedes preguntar a tu hermano. Je kunt het aan je broer vragen.
-
oír horen¿Puedes oír ese sonido? Kun je dat geluid horen?
-
aprender lerenAprendes algo nuevo cada día. Je leert elke dag iets nieuws.
-
hablar con praten met¿Te gusta hablar con tus amigos? Vind je het leuk om met je vrienden te praten?
-
decir zeggenQuiero decir algo. Ik wil iets zeggen.
-
elegir kiezenTú eliges tu color favorito. Je kiest je favoriete kleur.
-
escribir schrijvenLos estudiantes escriben una historia. De studenten schrijven een verhaal.
-
llamar bellenVoy a llamarte. Ik ga je bellen.
-
escuchar luisteren naarEscucho la radio. Ik luister naar de radio.
-
estudiar studerenEstudio mucho para cada examen. Ik moet hard studeren voor elke toets.
-
contar vertellenÉl me cuenta su nombre. Hij vertelt me zijn naam.
-
encontrarse ontmoetenMe encontraré contigo mañana. Ik ontmoet je morgen.
-
unirse zich aansluiten bijElla se unirá a nuestro grupo. Zij zal zich bij onze groep aansluiten.
-
disfrutar genieten vanNosotros disfrutamos de la música. Wij genieten van de muziek.
-
describir beschrijvenEl niño describió al animal. De jongen beschreef het dier.
-
explicar uitleggenElla explicará el problema. Zij zal het probleem uitleggen.
-
enseñar lesgevenYo les enseño a los nuevos estudiantes. Ik lesgeef de nieuwe studenten.
-
presentar voorstellenTe presentaré a mi amigo. Ik zal mijn vriend voorstellen.
-
aceptar accepterenElla acepta el regalo. Zij accepteert het cadeau.
-
rechazar weigerenEl niño rechaza la comida. Het kind weigert het eten.
-
prometer belovenTe prometo ayudarte. Ik beloof dat ik je zal helpen.
-
discutir besprekenEllos discuten el nuevo plan. Zij bespreken het nieuwe plan.
-
contactar contact opnemen metContactaré con el médico. Ik zal contact opnemen met de dokter.
-
reír lachenLos niños se ríen a carcajadas. De kinderen lachen hard.
-
gritar schreeuwenEl niño grita pidiendo ayuda. De jongen schreeuwt om hulp.
-
susurrar fluisterenÉl me susurra al oído. Hij fluistert in mijn oor.
-
saludar zwaaienElla saluda con la mano al despedirse. Ze zwaait gedag.
-
asentir knikkenLa mujer asiente con la cabeza. De vrouw knikt met haar hoofd.
-
abrazar knuffelenLa madre abraza a su hijo. De moeder knuffelt haar kind.
-
besar kussenLa madre besa a su hijo. De moeder kust haar kind.
-
señalar wijzenEl niño señala al perro. Het kind wijst naar de hond.
-
parpadear knipperenÉl parpadea rápidamente. Hij knippert snel met zijn ogen.
-
fruncir el ceño fronsenEl padre le frunce el ceño a su hijo. De vader fronst naar zijn zoon.
-
bostezar gapenEl hombre cansado bosteza. De vermoeide man gaapt.
-
olfatear snuivenEl perro olfatea la comida. De hond snuift aan het eten.
-
bueno goedElla es una buena persona. Zij is een goede persoon.
-
malo slechtEsa leche huele mal. Die melk ruikt slecht.
-
grande grootEl perro grande puede saltar. De grote hond kan springen.
-
pequeño kleinEl bebé tiene manos pequeñas. De baby heeft kleine handjes.
-
incorrecto foutTu respuesta es incorrecta. Je antwoord is fout.
-
fácil makkelijkEste problema de matemáticas es fácil. Deze som is makkelijk.
-
difícil moeilijkEse examen fue difícil. Die toets was moeilijk.
-
rápido snelLos carros van muy rápido. Auto's rijden erg snel.
-
lento langzaamLa tortuga es muy lenta. De schildpad is erg langzaam.
-
nuevo nieuwEste es un carro nuevo. Dit is een nieuwe auto.
-
verdadero waar¿Es esta historia verdadera? Is dit verhaal waar?
-
falso onjuistLa respuesta es falsa. Het antwoord is onjuist.
-
Quiero Ik wilQuiero comer pizza. Ik wil pizza eten.
-
Necesito ik moet ...Necesito llamarla. Ik moet haar bellen.
-
Voy a ik ga ...Voy a comer pronto. Ik ga zo eten.
-
Me gustaría ik zou graag ...Me gustaría jugar al tenis. Ik zou graag tennissen.
-
Tengo que ik moetTengo que irme ahora. Ik moet nu gaan.
-
¿Puedo...? Mag ik ...¿Puedo tomar agua, por favor? Mag ik water, alsjeblieft?
-
Ayúdame con help me met ...Por favor, ayúdame con esta bolsa. Help me alsjeblieft met deze tas.
-
Muéstrame cómo laat me zien hoe je ...Muéstrame cómo hacer esto. Laat me zien hoe je dit doet.
-
No puedo ... ahora mismo Ik kan nu niet ...No puedo ayudar ahora mismo. Ik kan nu niet helpen.
-
Estoy intentando Ik probeer teEstoy intentando dormir ahora. Ik probeer te slapen nu.
-
¿Es posible...? Is het mogelijk om ...¿Es posible nadar aquí? Is het mogelijk om hier te zwemmen?
-
¿Dónde puedo...? Waar kan ik ...¿Dónde puedo almorzar? Waar kan ik lunchen?
-
el lunes maandagEl lunes es el primer día. Maandag is de eerste dag.
-
el martes dinsdagEl martes siempre es divertido. Dinsdag is altijd leuk.
-
el miércoles woensdagElla va a casa el miércoles. Ze gaat woensdag naar huis.
-
el jueves donderdagÉl viene el jueves. Hij komt op donderdag.
-
el viernes vrijdagEl viernes es el mejor día. Vrijdag is de beste dag.
-
el sábado zaterdagSalgo el sábado. Ik vertrek op zaterdag.
-
el domingo zondagDescansaré el domingo. Ik ga op zondag uitrusten.
-
el día de semana de doordeweekse dagElla trabaja todas las mañanas de los días de semana. Ze werkt elke doordeweekse ochtend.
-
el fin de semana het weekend¿A quién no le gusta el fin de semana? Wie houdt er niet van het weekend?
-
a diario dagelijksLeemos el periódico a diario. Wij lezen dagelijks de krant.
-
semanalmente wekelijksSuelo ver las noticias semanalmente. Ik kijk meestal wekelijks naar het nieuws.
-
mensual maandelijksPagan el precio mensual. Zij betalen de maandelijkse prijs.
-
el día de dagEsperamos durante un día. We hebben één dag gewacht.
-
la noche de nachtDormimos por la noche. Wij slapen 's nachts.
-
la semana de weekNos quedamos por una semana. We zijn één week gebleven.
-
el mes de maandÉl trabajó durante un mes. Hij heeft één maand gewerkt.
-
el año het jaarEsperamos durante un año. We hebben één jaar gewacht.
-
el tiempo de tijdNecesitamos más tiempo. We hebben meer tijd nodig.
-
el momento het momentÉl esperó un momento. Hij wachtte even een moment.
-
el futuro de toekomstPienso en el futuro. Ik denk na over de toekomst.
Woorden 201–300
-
en punto uurMe despierto a las siete en punto. Ik word om zeven uur wakker.
-
la medianoche de middernachtSaldremos a medianoche. We vertrekken om middernacht.
-
el mediodía de middagEl sol calienta mucho al mediodía. De zon is heet op de middag.
-
esta noche vanavondLos invitados llegarán esta noche. De gasten komen vanavond aan.
-
la ayuda de hulp¡Ayuda! Estoy en problemas. Hulp! Ik zit in de problemen.
-
el peligro het gevaar¡Estamos en peligro! We zijn in gevaar!
-
la policía de politie¡Llama a la policía! Bel de politie!
-
el doctor de dokter¡Necesito un doctor! Ik heb een dokter nodig!
-
la ambulancia de ambulance¡Llama a una ambulancia! Bel een ambulance!
-
el bombero de brandweermanLos bomberos son héroes. De brandweermannen zijn helden.
-
el accidente het ongelukTuve un accidente. Ik heb een ongeluk gehad.
-
proteger beschermenLa policía nos protege. De politie moet ons beschermen.
-
advertir waarschuwen¡Necesito advertirles! Ik moet ze waarschuwen!
-
la alarma de wekker¡La alarma sonó! De wekker ging af!
-
el incendio de brand¡Hay un incendio! Er is brand!
-
el humo de rook¡Está saliendo humo del edificio! Er komt rook uit het gebouw!
-
trabajar como werken alsEllas trabajan como enfermeras de hospital. Ze werken als verpleegkundigen in het ziekenhuis.
-
comprar kopenPuedes comprar fruta aquí. Je kunt hier fruit kopen.
-
pagar betalenDebes pagar esto. Je moet hiervoor betalen.
-
vender verkopenAquí venden fruta fresca. Ze verkopen hier vers fruit.
-
poner leggenÉl pone el libro sobre la mesa. Hij legt het boek op tafel.
-
sentarse zittenEmma se sienta en esa silla. Emma zit in die stoel.
-
pararse staanMe paro junto a la puerta. Ik sta bij de deur.
-
nadar zwemmenPueden nadar rápido. Zij kunnen snel zwemmen.
-
conducir rijdenNecesitas conducir con cuidado. Je moet voorzichtig rijden.
-
planear plannenEllos planean visitar pronto. Zij plannen om binnenkort op bezoek te komen.
-
terminar afmakenÉl puede terminar la tarea más tarde. Hij kan zijn huiswerk later afmaken.
-
dar gevenDoy regalos a mis amigos. Ik geef cadeaus aan vrienden.
-
once elfSiempre recibo once piezas. Ik krijg altijd elf stukken.
-
doce twaalfHay doce huevos en una caja. Er zitten twaalf eieren in een doos.
-
trece dertienEl número trece trae mala suerte. Het getal dertien brengt ongeluk.
-
catorce veertienEl apartamento tiene catorce pisos. Het appartementencomplex heeft veertien verdiepingen.
-
quince vijftienAbro el libro en la página quince. Ik sla het boek open op pagina vijftien.
-
dieciséis zestien¡Eso es dieciséis veces más! Dat is zestien keer meer!
-
diecisiete zeventienTenemos diecisiete lápices. Wij hebben zeventien potloden.
-
dieciocho achttienMide dieciocho metros de alto. Het is achttien meter hoog.
-
diecinueve negentienEl diecinueve es mi número favorito. Negentien is mijn lievelingsgetal.
-
veinte twintigElla necesita veinte manzanas pequeñas. Zij heeft twintig kleine appels nodig.
-
treinta dertigÉl tiene treinta años. Hij is dertig jaar oud.
-
cien honderdÉl contó hasta cien. Hij telde tot honderd.
-
cuarenta veertigElla tiene cuarenta lápices en total. Ze heeft in totaal veertig potloden.
-
cincuenta vijftigÉl tiene cincuenta dólares. Hij heeft vijftig dollar.
-
sesenta zestigJohn tiene sesenta años. John is zestig jaar oud.
-
setenta zeventigMi abuelo tiene setenta años. Mijn opa is zeventig.
-
ochenta tachtigTengo ochenta gramos de azúcar. Ik heb tachtig gram suiker.
-
noventa negentigTiene noventa libros para leer. Hij heeft negentig boeken om te lezen.
-
mil duizendMil es un número grande. Duizend is een groot getal.
-
millón miljoenEse carro cuesta un millón de dólares. Die auto kost een miljoen dollar.
-
la mitad helftSe comió la mitad de la pizza. Hij at de helft van de pizza op.
-
el cuarto het kwartSolo queda un cuarto de ellos. Er is nog maar een kwart van over.
-
la docena het dozijnCompro una docena de huevos en la tienda. Ik koop een dozijn eieren in de winkel.
-
el par het paarEse par de zapatos está limpio. Dat paar schoenen is schoon.
-
primero eersteGanó el primer lugar fácilmente. Hij won gemakkelijk de eerste plaats.
-
segundo tweedeEsta es mi segunda vez aquí. Dit is de tweede keer dat ik hier ben.
-
tercero derdeTerminaron en tercer lugar. Ze eindigden op de derde plaats.
-
cuarto vierdeEstoy cuarto en la fila. Ik sta als vierde in de rij.
-
quinto vijfdeEstá en la quinta fila. Zij zit in de vijfde rij.
-
sexto zesdeÉl es la sexta persona. Hij is de zesde persoon.
-
séptimo zevendeEllos viven en el séptimo piso. Ze wonen op de zevende verdieping.
-
octavo achtsteEsta es la octava manzana. Dit is de achtste appel.
-
noveno negendeEl noveno día es festivo. De negende dag is een feestdag.
-
décimo tiendeElla ocupa el décimo lugar. Zij staat op de tiende plaats.
-
undécimo elfdeCelebran su undécimo aniversario. Ze vieren hun elfde jubileum.
-
duodécimo twaalfdeEse es el duodécimo mes. Dat is de twaalfde maand.
-
siempre altijdSiempre tomo café por la mañana. Ik drink 's ochtends altijd koffie.
-
normalmente meestalÉl normalmente almuerza al mediodía. Hij eet meestal rond het middaguur zijn lunch.
-
a menudo vaakLa gente a menudo come pizza aquí. Mensen eten hier vaak pizza.
-
a veces somsElla a veces va a la biblioteca. Zij gaat soms naar de bibliotheek.
-
rara vez zeldenRara vez como comida rápida. Ik eet zelden fastfood.
-
nunca nooitEllos nunca van a esa tienda. Zij gaan nooit naar die winkel.
-
todos los días elke dagComemos chocolate todos los días. Wij eten elke dag chocolade.
-
cada semana elke weekElla nada cada semana. Zij zwemt elke week.
-
los fines de semana in het weekendMe relajo los fines de semana en casa. Ik ontspan in het weekend thuis.
-
por la mañana in de ochtendLa gente desayuna por la mañana. Mensen eten 's ochtends ontbijt.
-
por la noche ’s nachtsEllos duermen por la noche en sus camas. Ze slapen ’s nachts in hun bedden.
-
después del trabajo na het werkSe relaja después del trabajo todos los días. Hij ontspant elke dag na het werk.
-
una vez a la één keer per ...Voy una vez a la semana. Ik ga één keer per week.
-
dos veces a la twee keer perMi papá visita dos veces a la semana. Mijn vader komt twee keer per week op bezoek.
-
cada dos om de ...Ellos visitan cada dos semanas. Ze komen om de week langs.
-
al menos ten minsteCome al menos una manzana cada día. Hij eet ten minste één appel per dag.
-
como máximo hooguitCompraré dos como máximo. Ik koop er hooguit twee.
-
más que meer danEsto es más que suficiente comida. Dit is meer dan genoeg eten.
-
menos que minder danSacaste menos que la vez pasada. Je hebt minder dan de vorige keer.
-
un poco een beetjeÉl necesita un poco de ayuda. Hij heeft een beetje hulp nodig.
-
un poco een beetjeComió un poco de pastel. Ze at een beetje van de taart.
-
mucho veelEstudio mucho. Ik studeer veel.
-
demasiado te veelComieron demasiado pastel. Ze aten te veel taart.
-
no es suficiente niet genoegEsta cantidad no es suficiente. Dit bedrag is niet genoeg.
-
hace geledenLlegué hace dos días. Ik ben twee dagen geleden aangekomen.
-
pronto binnenkortMi amigo llegará pronto. Mijn vriend komt binnenkort aan.
-
todavía nogTodavía tengo hambre. Ik heb nog honger.
-
alguna vez ooit¿Has visto alguna vez el océano? Heb je ooit de oceaan gezien?
-
todavía nog nietMi amigo no ha llegado todavía. Mijn vriend is nog niet gearriveerd.
-
inmediatamente meteenNecesito ayuda inmediatamente. Ik heb meteen hulp nodig.
-
tal vez misschienTal vez ella venga más tarde. Misschien komt ze later.
-
algún día eensNos reuniremos algún día. We zullen elkaar eens ontmoeten.
-
en cualquier momento altijdPuedes visitarnos en cualquier momento. Je kunt ons altijd bezoeken.
-
antes de vóórNos fuimos antes de la tormenta. Wij vertrokken vóór de storm.
-
después de naNos iremos después de la comida. We vertrekken na de maaltijd.
-
hoy en día tegenwoordigLa gente viaja más hoy en día. Mensen reizen tegenwoordig meer.
Woorden 301–400
-
enero januariEnero es el primer mes. Januari is de eerste maand.
-
febrero februariFebrero suele ser un mes corto. Februari is meestal een korte maand.
-
marzo maartSuelo visitarlos en marzo. Ik bezoek hen meestal in maart.
-
abril aprilEl partido de baloncesto es en abril. De basketbalwedstrijd is in april.
-
mayo meiMi examen final es en mayo. Mijn eindexamen is in mei.
-
junio juniSabré la respuesta para junio. Ik weet het antwoord in juni.
-
julio juliJulio es normalmente un mes muy cálido. Juli is meestal een erg warme maand.
-
agosto augustus¿Podemos vernos de nuevo en agosto? Kunnen we in augustus weer afspreken?
-
septiembre septemberMis vacaciones son en septiembre. Mijn vakantie is in september.
-
octubre oktober¿Es tu cumpleaños en octubre? Is je verjaardag in oktober?
-
noviembre november¿Por qué llueve en noviembre? Waarom regent het in november?
-
diciembre decemberDiciembre es el último mes. december is de laatste maand.
-
sobre overEl gato salta sobre la caja. De kat springt over de doos.
-
bajo onderViven bajo un árbol grande. Ze wonen onder een grote boom.
-
a través de doorÉl camina a través de la puerta. Hij loopt door de deur.
-
por langsCaminamos por la playa. Wij lopen langs het strand.
-
por rondLa gente camina por el parque. Mensen lopen rond het park.
-
al otro lado de aan de overkant vanVoy al otro lado de la calle. Ik ga aan de overkant van de straat.
-
en inÉl entra lentamente en la habitación. Hij loopt langzaam de kamer in.
-
fuera de uitEl niño corre fuera de la escuela. Het kind rent de school uit.
-
arriba omhoogElla mira arriba a las nubes. Ze kijkt omhoog naar de wolken.
-
abajo neerEl perro puso la pelota abajo. De hond legde de bal neer.
-
la planta alta naar bovenVoy a la planta alta a dormir. Ik ga naar boven om te slapen.
-
la planta baja benedenEscucho ruidos en la planta baja. Ik hoor geluiden beneden.
-
traer meebrengenTraen comida a la fiesta. Zij brengen eten mee naar het feest.
-
tomar pakkenSiempre tomas mi bolígrafo. Je pakt altijd mijn pen.
-
llevar dragenÉl puede llevar la caja. Hij kan de doos dragen.
-
recoger ophalen¿Puedes recoger el paquete? Kun je het pakketje ophalen?
-
dejar caer laten vallenSi dejo caer el teléfono, se romperá. Als ik de telefoon laat vallen, gaat hij kapot.
-
pasar aanreiken¿Me pasas la sal? Kun je me het zout aanreiken?
-
dejar neerzettenDejamos nuestras mochilas. Wij zetten onze rugzakken neer.
-
recoger opruimenRecojo mis juguetes. Ik ruim mijn speelgoed op.
-
sacar buitenzettenElla sacará la basura. Zij buitenzet het vuilnis.
-
colgar ophangenEllos cuelgan sus abrigos. Ze hangen hun jassen op.
-
encender aanzettenEnciendes la luz. Je zet het licht aan.
-
apagar uitzetten¿Alguien puede apagar la radio? Kan iemand de radio uitzetten?
-
saltar springenEl gato salta sobre el muro. De kat springt over de muur.
-
lanzar gooienEl niño lanza la piedra. De jongen gooit de steen.
-
atrapar vangenÉl atrapa la pelota. Hij vangt de bal.
-
montar rijdenEl niño monta a caballo. De jongen rijdt op een paard.
-
volar vliegenLos pájaros vuelan en el cielo. De vogels vliegen in de lucht.
-
gatear kruipenEl bebé gatea por el suelo. De baby kruipt op de vloer.
-
saltarse overslaanElla se saltó la primera página. Zij sloeg de eerste pagina over.
-
patear schoppenEl niño patea la pelota. Het kind schopt tegen de bal.
-
rebotar stuiterenLa pelota rebota en el suelo. De bal stuitert op de grond.
-
trepar klimmenEl gato trepa el árbol. De kat klimt in de boom.
-
tirarse duikenEl niño se tira al agua. De jongen duikt in het water.
-
deslizarse glijdenLa caja se desliza por el suelo. De doos glijdt over de vloer.
-
pellizcar knijpenÉl me pellizcó el brazo. Hij kneep in mijn arm.
-
apretar knijpenElla me aprieta la mano. Zij knijpt in mijn hand.
-
picar prikkenEl niño me picó el brazo. Het kind prikte in mijn arm.
-
acariciar aaienEl niño acaricia al perro. De jongen aait de hond.
-
frotar wrijvenMe froto los ojos cansados. Ik wrijf in mijn vermoeide ogen.
-
retorcer draaienEl hombre retuerce la cuerda. De man draait aan het touw.
-
sacudir schuddenEl bebé sacude el juguete. De baby schudt met het speelgoed.
-
doblar vouwenYo doblo el papel. Ik vouw het papier.
-
presionar drukken opElla presiona el botón rojo. Zij drukt op de rode knop.
-
atar bevestigenÉl atará la cuerda. Hij zal het touw bevestigen.
-
tirar trekkenEl hombre tira de la cuerda pesada. De man trekt aan het zware touw.
-
hacer la maleta inpakkenYo hago la maleta. Ik pak mijn tas in.
-
¿Dónde está...? Waar is de ...¿Dónde está el hotel? Waar is het hotel?
-
¿Hay ... cerca? Is er een ... in de buurt¿Hay un banco cerca? Is er een bank in de buurt?
-
¿Cómo llego a...? Hoe kom ik bij ...?¿Cómo llego a la escuela? Hoe kom ik bij school?
-
¿Qué autobús va a...? Welke bus gaat naar ...?¿Qué autobús va a la ciudad? Welke bus gaat naar het centrum?
-
¿Qué línea va a...? Welke lijn gaat naar ...¿Qué línea va al museo? Welke lijn gaat naar het museum?
-
¿Cuánto tiempo se tarda? Hoe lang duurt het ...Me pregunto cuánto tiempo se tarda. Ik vraag me af hoe lang het duurt.
-
¿A qué distancia está? Hoe ver is het¿A qué distancia está? Hoe ver is het?
-
¿Puedes mostrarme en el mapa? Kun je me ... op de kaart laten zien?¿Puedes mostrarme en el mapa? Kun je me op de kaart laten zien?
-
Estoy buscando ik zoekEstán buscando un baño. Ze zijn op zoek naar een toilet.
-
La más cercana de dichtstbijzijndeLa más cercana está ahí abajo. De dichtstbijzijnde winkel is daar beneden.
-
¿Esto va a...? Gaat dit naar ...?¿Esto va al restaurante? Gaat dit naar het restaurant?
-
¿Qué parada para...? Bij welke halte moet ik zijn voor ...?¿Qué parada para el centro? Bij welke halte moet ik zijn voor het centrum?
-
la estación het stationEsperan en la estación de tren. Ze wachten op het station.
-
parada de autobús de bushalteLa parada de autobús está cerca. De bushalte is vlakbij.
-
la estación de metro de metrohalteEsta estación de metro está muy concurrida. Deze metrohalte is erg druk.
-
el hotel het hotelPuedes reservar un hotel en línea. Je kunt online een hotel boeken.
-
la farmacia de apotheekMark trabaja en la farmacia. Mark werkt bij de apotheek.
-
el banco de bankÉl va al banco. Hij gaat naar de bank.
-
el baño het toiletEste es un baño limpio. Dit is een schoon toilet.
-
el supermercado de supermarktCompramos comida en el supermercado. Wij kopen eten in de supermarkt.
-
el restaurante het restaurantLes gusta mucho ese restaurante. Ze vinden dat restaurant erg leuk.
-
el café het caféJane trabaja en el café. Jane werkt in het café.
-
el parque het parkA ella le gusta el parque verde. Ze houdt van het groene park.
-
el hospital het ziekenhuisUn hospital ayuda a las personas enfermas. Een ziekenhuis helpt zieke mensen.
-
el aeropuerto de luchthavenLlegamos al aeropuerto. We kwamen aan op de luchthaven.
-
el estadio het stadionFuimos al estadio. Wij gingen naar het stadion.
-
la fábrica de fabriekEsta fábrica fabrica ropa. Deze fabriek maakt kleding.
-
la universidad de universiteitElla estudia en la universidad. Zij studeert aan de universiteit.
-
la universidad de hogeschoolElla estudia en la universidad. Zij studeert aan de hogeschool.
-
el club de clubNos unimos al club deportivo. We zijn lid geworden van de sportclub.
-
la prisión de gevangenisEl criminal escapó de la prisión. De crimineel is uit de gevangenis ontsnapt.
-
la torre de torenVeo la torre alta. Ik zie de hoge toren.
-
el centro comercial het winkelcentrumCompré zapatos en el centro comercial. Ik heb schoenen gekocht in het winkelcentrum.
-
la alcaldía het gemeentehuisNos reunimos en la alcaldía. We hebben afgesproken bij het gemeentehuis.
-
la comisaría het politiebureauVeo la comisaría. Ik zie het politiebureau.
-
la estación de bomberos de brandweerkazerneVivo cerca de la estación de bomberos. Ik woon vlak bij de brandweerkazerne.
-
Gira a la izquierda Sla linksafGira a la izquierda aquí. Sla linksaf hier.
-
Dobla a la derecha sla rechtsafDobla a la derecha en el cruce. Sla rechtsaf bij het kruispunt.
-
Sigue derecho Ga rechtdoorSigue derecho hasta la escuela. Ga rechtdoor naar school.
-
Está cerca Het is dichtbijEstá cerca. Het is dichtbij.
Woorden 401–500
-
Está lejos Het is verEstá lejos. Het is ver.
-
al otro lado de la calle aan de overkant van de straatÉl vive al otro lado de la calle. Hij woont aan de overkant van de straat.
-
en la esquina op de hoekElla está esperando en la esquina. Ze staat op de hoek te wachten.
-
en el semáforo bij het stoplichtParamos en el semáforo. We stopten bij het stoplicht.
-
En la intersección op het kruispuntEl bar está en la intersección. De bar is op het kruispunt.
-
el paso peatonal het zebrapadEse paso peatonal es muy seguro. Dat zebrapad is erg veilig.
-
a una cuadra één blok verderopEl museo está a una cuadra. Het museum is één blok verderop.
-
Sigue las señales de borden volgenSigue las señales a la seguridad. Je moet de borden volgen naar de veiligheid.
-
la maleta de koffer¿Ya empacaste tu maleta? Heb je je koffer al ingepakt?
-
el imán de magneetEl imán pequeño es un regalo. De kleine magneet is een cadeau.
-
el cepillo de pelo de haarborstelElla no encuentra su cepillo de pelo. Ze kan haar haarborstel niet vinden.
-
la almohada het kussenEsta almohada es suave y cálida. Dit kussen is zacht en warm.
-
la manta de dekenToma una manta si tienes frío. Pak een deken als je het koud hebt.
-
el colchón de matrasNuestro colchón nuevo es muy cómodo. Onze nieuwe matras ligt echt heerlijk.
-
la cortina het gordijnPor favor, abre la cortina, está oscuro. Doe alsjeblieft het gordijn open, het is donker.
-
las persianas de jaloezieënNormalmente cierro las persianas por la noche. Ik doe 's avonds meestal de jaloezieën dicht.
-
la alfombra het tapijtHay polvo debajo de la alfombra. Er ligt stof onder het tapijt.
-
el florero de vaasEste florero parece caro. Deze vaas ziet er duur uit.
-
la escoba de bezem¿Este apartamento tiene una escoba? Heeft dit appartement een bezem?
-
el papel higiénico het wc-papier¡Oh no, se acabó el papel higiénico! Oh nee, het wc-papier is op!
-
la lana de wolLa oveja tiene una lana gruesa. Het schaap heeft dikke wol.
-
el metal het metaalNecesitamos madera y metal. We hebben hout en metaal nodig.
-
plástico plasticElla lava el cuenco de plástico. Ze wast de plastic kom.
-
el cuero het leerMe compré un bolso de cuero nuevo. Ik heb een nieuwe leren tas gekocht.
-
el algodón de katoenEl agricultor cultiva algodón. De boer verbouwt katoen.
-
la seda de zijdeEsta seda es muy suave. Deze zijde is erg zacht.
-
el caucho het rubberLa pelota está hecha de caucho. De bal is gemaakt van rubber.
-
la mezclilla de denimÉl compró una tela de mezclilla gruesa. Hij kocht dikke denimstof.
-
cerámico keramischElla lavó el cuenco de cerámica. Ze waste de keramische kom af.
-
el mármol het marmerCortaron el mármol blanco. Ze sneden het witte marmer.
-
el ladrillo de baksteenÉl sostiene un ladrillo rojo. Hij houdt een rode baksteen vast.
-
el acero het staalFabrican las herramientas de acero. Ze maken de gereedschappen van staal.
-
detrás de achterEstá detrás de ese edificio. Het staat achter dat gebouw.
-
delante de voorElla está delante de mí. Zij staat voor mij.
-
entre tussenEl parque está entre dos casas. Het park ligt tussen twee huizen.
-
al lado de naastEsa tienda está al lado de mi casa. Die winkel ligt naast mijn huis.
-
opuesto de tegenovergesteldeVamos en la dirección opuesta. Wij gaan de tegenovergestelde richting op.
-
enfrente de tegenoverVivimos enfrente de la tienda. Wij wonen tegenover de winkel.
-
a la vuelta de la esquina om de hoekAhora vive a la vuelta de la esquina. Ze woont nu om de hoek.
-
hacia richtingLos niños caminan hacia el árbol grande. De kinderen lopen richting de grote boom.
-
pasar voorbijTienes que pasar el puente. Je moet voorbij de brug gaan.
-
al final de la calle aan het einde van de straatVivo al final de la calle. Ik woon aan het einde van de straat.
-
a la izquierda aan de linkerkantElla estaciona a la izquierda. Zij parkeert aan de linkerkant.
-
a la derecha aan de rechterkantEstán a la derecha. Ze staan aan de rechterkant.
-
sobre bovenEl sol está sobre la montaña. De zon staat boven de berg.
-
bajo onderEl pueblo está bajo la montaña. Het dorp ligt onder de berg.
-
encima bovenopLa caja está encima. De doos staat bovenop.
-
cerca de vlakbijVivo cerca del río. Ik woon vlakbij de rivier.
-
en el medio in het middenÉl está de pie en el medio. Hij staat in het midden.
-
dentro de binnenEl perro está dentro de la casa. De hond is binnen in het huis.
-
el lugar de plekEncontramos un lugar seguro. We hebben een veilige plek gevonden.
-
la tienda de winkelCompramos comida en la tienda. Wij kopen eten in de winkel.
-
la casa het huisLa familia vive en esa casa. Het gezin woont in dat huis.
-
la estación de autobuses het busstationEspero en la estación de autobuses. Ik wacht bij het busstation.
-
el centro het stadscentrumVivo cerca del centro. Ik woon vlak bij het stadscentrum.
-
el centro comercial het winkelcentrumEl centro comercial es muy grande. Het winkelcentrum is erg groot.
-
la fuente de fonteinEsa fuente tiene agua muy clara. Die fontein heeft heel helder water.
-
la rotonda de rotondeEsta rotonda ayuda al tráfico. Deze rotonde helpt het verkeer.
-
la encrucijada de kruisingParamos en la encrucijada. We stopten bij de kruising.
-
el puente de brugLa gente cruza el puente. Mensen lopen over de brug.
-
el túnel de tunnelEl carro pasa por un túnel. De auto rijdt door een tunnel.
-
la señal de alto het stopbordNecesitas respetar la señal de alto. Je moet je aan het stopbord houden.
-
el paso elevado het viaductConstruyeron un paso elevado cerca de casa. Ze hebben bij ons in de buurt een viaduct gebouwd.
-
el paso subterráneo de tunnelCaminaremos por el paso subterráneo. We lopen door de tunnel.
-
el punto de referencia de bezienswaardigheidEl punto de referencia está cerca del río. De bezienswaardigheid ligt vlak bij de rivier.
-
la señal de tránsito het verkeersbordEsta señal de tránsito significa alto. Dit verkeersbord betekent stoppen.
-
la estatua het standbeeldÉl vio la estatua hermosa. Hij zag het prachtige standbeeld.
-
el monumento het monumentVisitaron el monumento alto. Ze bezochten het hoge monument.
-
el norte het noordenEl norte de esta ciudad es interesante. Het noorden van deze stad is interessant.
-
el sur het zuidenEl viento viene del sur. De wind komt uit het zuiden.
-
el este oostenEl viento viene del este. De wind komt uit het oosten.
-
el oeste het westenEl sol se pone en el oeste. De zon gaat onder in het westen.
-
el noreste het noordoostenBen vive en la zona noreste. Ben woont in het noordoosten.
-
el noroeste het noordwestenEse estado está en el noroeste. Die staat ligt in het noordwesten.
-
el sureste zuidoostenVive en la región sureste. Hij woont in het zuidoosten van het land.
-
el suroeste het zuidwestenManejaron al suroeste. Ze reden naar het zuidwesten.
-
vuelta en U de U-bochtEsto es una vuelta en U. Dit is een U-bocht.
-
callejón sin salida de doodlopende wegEsa calle es un callejón sin salida. Die straat is een doodlopende weg.
-
la escalera mecánica de roltrapLa escalera mecánica te lleva al último piso. De roltrap brengt je naar de bovenste verdieping.
-
la rampa de hellingbaanLas sillas de ruedas necesitan rampas. Rolstoelen hebben hellingbanen nodig.
-
el tiempo het weerHoy hace buen tiempo. Het is vandaag mooi weer.
-
soleado zonnigA él le gusta un día soleado. Hij houdt van een zonnige dag.
-
nublado bewolktEllos esperan una tarde nublada. Ze verwachten een bewolkte middag.
-
lluvioso regenachtigUn día lluvioso puede ser acogedor. Een regenachtige dag kan gezellig zijn.
-
hace viento winderigHace viento afuera. Het is buiten winderig.
-
caliente heetEste té está muy caliente. Deze thee is erg heet.
-
frío koudEl viento frío sopla en invierno. De koude wind waait in de winter.
-
cálido warmEl día estaba cálido en la playa hoy. Het was vandaag warm op het strand.
-
la primavera de lenteLas flores aman la primavera. De bloemen houden van de lente.
-
el verano de zomerEl verano es una estación muy calurosa. De zomer is een erg heet seizoen.
-
el otoño de herfstEl otoño es mi estación favorita. De herfst is mijn favoriete seizoen.
-
el invierno de winterEl invierno puede ser muy frío aquí. Winter kan hier erg koud zijn.
-
el sol de zonEl sol brilla en el cielo. De zon schijnt aan de hemel.
-
la luna de maanVeo la luna brillante. Ik zie de heldere maan.
-
la estrella de sterVeo una estrella brillante. Ik zie een heldere ster.
-
el cielo de luchtLos pájaros vuelan en el cielo. Vogels vliegen in de lucht.
-
la nube de wolkUna nube oscura oculta el sol. Een donkere wolk verbergt de zon.
-
la lluvia de regenLa lluvia cae del cielo. De regen valt uit de lucht.
-
el viento de windSentimos el viento frío. Wij voelen de koude wind.
-
la tormenta de stormLa fuerte tormenta rompió los árboles. De sterke storm brak de bomen.
Woorden 501–600
-
el arcoíris de regenboogVeo un arcoíris en el cielo. Ik zie een regenboog in de lucht.
-
la sombra de schaduwVeo una sombra oscura. Ik zie een donkere schaduw.
-
el atardecer de zonsondergangVimos el hermoso atardecer. We hebben naar de prachtige zonsondergang gekeken.
-
el trueno de donderOímos el fuerte trueno. We hoorden de harde donder.
-
el paraguas de parapluElla tiene un paraguas rojo. Ze heeft een rode paraplu.
-
el impermeable de regenjasEste impermeable me mantiene abrigado. Deze regenjas houdt me warm.
-
el pronóstico de weersverwachtingVeo el pronóstico del tiempo todos los días. Ik kijk elke dag naar de weersverwachting.
-
la sombra de schaduwNecesitamos sombra en un día caluroso. We hebben schaduw nodig op een hete dag.
-
la tormenta het onweerUna tormenta trae lluvia intensa. Een onweer brengt zware regen met zich mee.
-
el relámpago de bliksemVio un relámpago brillante anoche. Hij zag gisteravond felle bliksem.
-
la niebla de mistCondujeron a través de niebla espesa. Ze reden door dikke mist.
-
la nieve de sneeuwEsta es nieve fresca y blanca. Dit is verse, witte sneeuw.
-
el hielo het ijsPonemos hielo en nuestras bebidas. We doen ijs in onze drankjes.
-
el granizo de hagelHay mucho granizo afuera. Er ligt een heleboel hagel buiten.
-
resbaladizo gladElla se cayó sobre el hielo resbaladizo. Ze viel op het gladde ijs.
-
la temperatura de temperatuurRevisan la temperatura a diario. Ze controleren dagelijks de temperatuur.
-
el bosque het bosUn bosque está lleno de árboles. Een bos staat vol met bomen.
-
el río de rivierEl río tiene agua fresca y clara. De rivier heeft koel, helder water.
-
el lago het meerElla nada en el lago profundo. Ze zwemt in het diepe meer.
-
la montaña de bergEllos escalaron la montaña alta. Ze beklommen de hoge berg.
-
la naturaleza de natuurA Peter le encanta la naturaleza. Peter houdt van de natuur.
-
la costa de kustEsta es una costa hermosa. Dit is een prachtige kust.
-
la isla het eilandÉl vive en una isla pequeña. Hij woont op een klein eiland.
-
el desierto de woestijnUn desierto es un lugar muy seco. Een woestijn is een erg droge plek.
-
el valle de valleiEl valle es verde y ancho. De vallei is groen en breed.
-
la cascada de watervalVieron una cascada hermosa. Ze zagen een prachtige waterval.
-
el acantilado de klifEse acantilado es muy alto. Die klif is erg hoog.
-
la pradera de weideLe gusta pasear en las praderas. Ze houdt ervan om in weiden te wandelen.
-
el árbol de boomEl perro duerme bajo el árbol. De hond slaapt onder de boom.
-
la flor de bloemLa flor roja es hermosa. De rode bloem is mooi.
-
la hoja het bladUna hoja cayó del árbol. Er viel een blad van de boom.
-
la hierba het grasLa vaca come la hierba. De koe eet het gras.
-
la planta de plantLa planta tiene hojas verdes. De plant heeft groene bladeren.
-
la roca de rotsEl hombre levantó la roca pesada. De man tilde de zware rots op.
-
la piedra de steenEncontré una piedra pesada. Ik heb een zware steen gevonden.
-
la rama de takEl pájaro está sentado en la rama. De vogel zit op de tak.
-
la raíz de wortelEsta planta tiene una raíz larga. Deze plant heeft een lange wortel.
-
la semilla het zaadEl agricultor planta la semilla. De boer plant het zaad.
-
el arbusto de struikEl pájaro se esconde en el arbusto. De vogel verstopt zich in de struik.
-
la madera het houtNecesito madera para el fuego. Ik heb hout nodig voor het vuur.
-
el mundo de wereldEl mundo es muy grande. De wereld is erg groot.
-
la ciudad de stadMucha gente vive en la ciudad. Veel mensen wonen in de stad.
-
el país het landÉl vive en otro país. Hij woont in een ander land.
-
el pueblo de stadVivimos en un pueblo pequeño. Wij wonen in een klein stadje.
-
la carretera de wegEsta carretera es muy larga. Deze weg is erg lang.
-
la colina de heuvelLa casa está en la colina. Het huis staat op de heuvel.
-
la tierra het landLos marineros divisaron la tierra. De zeelieden zagen het land.
-
el aire de luchtRespiro el aire limpio. Ik adem de schone lucht in.
-
el océano de oceaanLos peces viven en el océano. Vissen leven in de oceaan.
-
el suelo de grondEl hombre se sienta en el suelo. De man zit op de grond.
-
la región de regioVivimos en una región fría. Wij wonen in een koude regio.
-
la zona de omgevingMucha gente vive en esta zona. Veel mensen wonen in deze omgeving.
-
la playa het strandMe gusta la playa. Ik vind het strand leuk.
-
el mar de zeeEl mar es azul. De zee is blauw.
-
las olas de golvenEllos miran las olas del mar. Ze kijken naar de golven van de oceaan.
-
la arena het zandA ella le gusta la arena cálida y suave. Zij houdt van warm, zacht zand.
-
el protector solar de zonnebrandcrèmeUso protector solar en los días soleados. Ik gebruik zonnebrandcrème op zonnige dagen.
-
sombrilla de playa de strandparasolEsa sombrilla de playa es colorida. Die strandparasol is kleurrijk.
-
las chanclas de slippersEstas chanclas son cómodas. Deze slippers zitten comfortabel.
-
el traje de baño het badpakElla tiene un nuevo traje de baño. Zij heeft een nieuw badpak.
-
el short de baño de zwembroekNo olvides tu short de baño. Vergeet je zwembroek niet.
-
el salvavidas de badmeesterEl salvavidas protege a los nadadores. De badmeester houdt zwemmers veilig.
-
la marea alta de vloedLa marea alta moja mucho. Bij vloed is het erg nat.
-
la quemadura de sol de zonnebrandEsa quemadura de sol se ve bastante dolorosa. Die zonnebrand ziet er behoorlijk pijnlijk uit.
-
el boleto het kaartjeElla tiene un boleto de tren. Ze heeft een treinkaartje.
-
el equipaje de bagage¿Dónde ponemos nuestro equipaje? Waar laten we onze bagage?
-
la máquina de boletos de kaartautomaatLo compraré en la máquina de boletos. Ik koop het bij de kaartautomaat.
-
el andén het perronEse es el andén del tren. Dat is het perron voor de trein.
-
el horario het roosterElla lee el horario. Zij leest het rooster.
-
el autobús de bus¿Estamos esperando un autobús? Wachten we op een bus?
-
el tren de treinEl tren es muy moderno. De trein is erg modern.
-
el tranvía de tramLa forma más rápida es en tranvía. De snelste manier is met de tram.
-
el taxi de taxi¿Cuánto cuesta el taxi? Hoeveel kost de taxi?
-
a tiempo op tijdEs importante llegar a tiempo. Het is belangrijk om op tijd te komen.
-
retrasado vertraging hebbenEse vuelo estaba retrasado. Die vlucht had vertraging.
-
el metro de metroUn metro corre bajo tierra. Een metro rijdt ondergronds.
-
el carro de autoÉl se compró un carro nuevo. Hij heeft een nieuwe auto gekocht.
-
el camión de vrachtwagenEl hombre conduce un camión grande. De man bestuurt een grote vrachtwagen.
-
la bicicleta de fietsVoy a la escuela en mi bicicleta. Ik rijd met mijn fiets naar school.
-
el tractor de tractorEl granjero conduce un tractor grande. De boer rijdt op een grote tractor.
-
la motocicleta de motorÉl conduce una motocicleta rápida. Hij rijdt op een snelle motor.
-
el monopatín de stepEl niño monta en monopatín. Het kind rijdt op een step.
-
la camioneta de bestelbusÉl conduce una camioneta grande. Hij rijdt in een grote bestelbus.
-
el conductor de bestuurderEl conductor detuvo el carro. De bestuurder stopte de auto.
-
el tráfico het verkeerEl tráfico está muy lento hoy. Het verkeer gaat vandaag erg langzaam.
-
la rueda het wielÉl arregló la rueda rota. Hij heeft het kapotte wiel gerepareerd.
-
el estacionamiento de parkeerplaatsEncontramos un lugar de estacionamiento. We hebben een parkeerplaats gevonden.
-
el remolque de trailerEl camión arrastra el remolque. De vrachtwagen trekt de trailer.
-
el avión het vliegtuigEl avión aterriza en el aeropuerto. Het vliegtuig landt op het vliegveld.
-
el bote de bootVeo un bote pequeño. Ik zie een kleine boot.
-
el barco het schipEl gran barco cruza el océano. Het grote schip steekt de oceaan over.
-
el helicóptero de helikopterEl helicóptero vuela por el cielo. De helikopter vliegt in de lucht.
-
el cohete de raketEl cohete vuela hacia el cielo. De raket vliegt de lucht in.
-
la nave espacial het ruimteschipLa nave espacial aterrizó en la luna. Het ruimteschip landde op de maan.
-
el camión de bomberos de brandweerautoEl camión de bomberos transporta agua. De brandweerauto vervoert water.
-
el jet de straaljagerEl jet vuela muy rápido. De straaljager vliegt erg snel.
-
el kayak de kajakElla está sentada en el kayak. Ze zit in de kajak.
-
la balsa het vlotConstruimos una balsa de madera. We hebben een houten vlot gebouwd.
-
la canoa de kanoÉl rema en la pequeña canoa. Hij peddelt in de kleine kano.
-
el velero de zeilbootEl viento mueve el velero. De wind verplaatst de zeilboot.
Woorden 601–700
-
el precio de prijs¿Ves el precio? Zie je de prijs?
-
barato goedkoopCompró zapatos baratos. Hij kocht goedkope schoenen.
-
caro duurEse carro parece caro. Die auto ziet er duur uit.
-
el efectivo het contant geldCreo que ella necesita efectivo. Ik denk dat ze wat contant geld nodig heeft.
-
la tarjeta de crédito de creditcardPuedo pagar con mi tarjeta de crédito. Ik kan met mijn creditcard betalen.
-
el recibo de kassabon¿Me puede dar el recibo, por favor? Mag ik de kassabon, alsjeblieft?
-
la cuenta de rekening¿Quién va a pagar la cuenta? Wie gaat de rekening betalen?
-
el cambio het wisselgeldPagué y recibí cambio. Ik heb betaald en kreeg wat wisselgeld terug.
-
la moneda de muntTengo algunas monedas. Ik heb een paar munten.
-
el billete het bankbiljet¿Qué tipo de billete es ese? Wat voor een bankbiljet is dat?
-
¿Cuánto cuesta esto? Hoeveel kost dit¿Cuánto cuesta esto? Hoeveel kost dit?
-
¿Puedo pagar con tarjeta? Kan ik met de kaart betalen?¿Puedo pagar con tarjeta? Kan ik met de kaart betalen?
-
la moneda de munteenheidEsa moneda es muy fuerte. Die munteenheid is erg sterk.
-
tipo de cambio de wisselkoersEste tipo de cambio es horrible. Deze wisselkoers is verschrikkelijk.
-
la casa de cambio het wisselkantoorNecesitamos una casa de cambio. We hebben een wisselkantoor nodig.
-
la comisión de commissie¿Tienes que pagar una comisión? Moet je commissie betalen?
-
la moneda extranjera de buitenlandse valutaEso es moneda extranjera. Dat is buitenlandse valuta.
-
el pago con tarjeta de kaartbetalingEl pago con tarjeta se procesó. De kaartbetaling is gelukt.
-
sin contacto contactloosEsto es un pago sin contacto. Dit is een contactloze betaling.
-
el código PIN de pincodeSe me olvidó mi código PIN. Ik ben mijn pincode vergeten.
-
la comisión por retiro de opnamekostenPagaron la comisión por retiro. Ze hebben de opnamekosten betaald.
-
el límite diario de daglimietElla alcanzó el límite diario. Ze heeft de daglimiet bereikt.
-
el reembolso de terugbetalingRecibirás un reembolso. Je ontvangt een terugbetaling.
-
el cargo por servicio de servicekostenSe incluye un cargo por servicio. De servicekosten zijn inbegrepen.
-
la tienda de winkelEsta es mi tienda favorita. Dit is mijn favoriete winkel.
-
la cajera de kassierElla es la nueva cajera. Zij is de nieuwe kassier.
-
la cola de rijEsta cola es muy larga. Deze rij is erg lang.
-
abierto openLa tienda está abierta hoy. De winkel is vandaag open.
-
cerrado geslotenLamentablemente, la farmacia está cerrada. Helaas is de apotheek gesloten.
-
la etiqueta de precio de prijskaartEllos vieron la etiqueta de precio. Ze zagen de prijskaart.
-
el descuento de korting¡Me encantan sus descuentos! Ik ben dol op hun kortingen.
-
la política de devolución het retourbeleidEsta política de devolución parece justa. Dit retourbeleid lijkt eerlijk.
-
la garantía de garantieUna garantía protege tu compra. Een garantie beschermt je aankoop.
-
el probador het pashokjeUsaron el probador. Ze gebruikten het pashokje.
-
carrito de compras het winkelwagentjeNecesitamos un carrito de compras. We hebben een winkelwagentje nodig.
-
cliente de klantEl cliente siempre tiene la razón. De klant heeft altijd gelijk.
-
la mesa de tafel¿Puedes poner esta ensalada en la mesa? Kun je deze salade op de tafel zetten?
-
el menú het menuTienen un menú grande. Ze hebben een uitgebreid menu.
-
la reserva de reserveringTenemos una reserva. Wij hebben een reservering.
-
el mesero de serverLos meseros están trabajando duro. De servers werken hard.
-
el pedido de bestellingHacemos nuestro pedido ahora. Wij plaatsen nu onze bestelling.
-
el agua het waterElla bebe agua fría. Zij drinkt koud water.
-
el café de koffieBeben café fuerte. Zij drinken sterke koffie.
-
el té de theeEl té caliente en invierno es lo mejor. Hete thee in de winter is het lekkerst.
-
la cerveza het bierMe gustaría otra cerveza, por favor. Ik wil graag nog een bier, alstublieft.
-
el vino de wijn¿Podemos tomar este vino, por favor? Kunnen we deze wijn krijgen, alsjeblieft?
-
La cuenta, por favor De rekening, alstublieft.La cuenta, por favor. De rekening, alstublieft.
-
delicioso heerlijk¡Esa tarta está deliciosa! Die taart is heerlijk!
-
el aperitivo het voorgerechtPediremos un aperitivo primero. We bestellen eerst een voorgerecht.
-
plato principal het hoofdgerechtMe encanta el plato principal. Ik ben dol op het hoofdgerecht.
-
el postre het dessertLe gusta el postre. Ze vindt het dessert lekker.
-
el especial del día het dagmenuEse es el especial del día. Dat is het dagmenu.
-
menú del día het dagmenuTienen el menú del día. Ze hebben het dagmenu.
-
mesa para dos tafel voor tweeNecesitamos una mesa para dos. We hebben een tafel voor twee nodig.
-
reserva a nombre de de reservering op naam van ...Ella tiene una reserva a nombre de Smith. Ze heeft een reservering op naam van Smith.
-
agua de la llave het kraanwaterNormalmente bebo agua de la llave. Ik drink meestal kraanwater.
-
dividir la cuenta de rekening delenPodemos dividir la cuenta. We kunnen de rekening delen.
-
pagar juntos samen betalenPagaremos juntos. Wij zullen samen betalen.
-
la propina de fooiSiempre doy propinas grandes. Ik geef altijd grote fooien.
-
pagar en la caja betalen bij de kassa¿Podemos pagar en la caja? Kunnen we betalen bij de kassa?
-
la talla de maatEsta talla es demasiado pequeña. Deze maat is te klein.
-
caber passenElla todavía cabe en sus jeans viejos. Ze past nog steeds in haar oude spijkerbroek.
-
demasiado grande te grootCreo que esta camisa es demasiado grande. Ik vind dit shirt te groot.
-
demasiado pequeño te kleinPor desgracia, este zapato es demasiado pequeño. Helaas is deze schoen te klein.
-
probarse passenNos probamos sombreros nuevos. Wij passen nieuwe hoeden.
-
negro zwartBen lleva una camisa negra. Ben draagt een zwart shirt.
-
blanco witElla lleva pantalones blancos. Zij draagt een witte broek.
-
rojo rood¿No son las rosas rojas las mejores? Zijn rode rozen niet de beste?
-
azul blauw¿Es el azul tu color favorito? Is blauw je lievelingskleur?
-
verde groen¿Podrías llevar el vestido verde? Zou je de groene jurk nemen?
-
amarillo geelLe gustan las camisas amarillas. Ze houdt van gele shirts.
-
el color de kleur¿Qué color te gusta? Welke kleur vind je mooi?
-
rosa rozeVeo una flor rosa. Ik zie een roze bloem.
-
morado paarsVeo una flor morada. Ik zie een paarse bloem.
-
marrón bruinVeo un perro marrón. Ik zie een bruine hond.
-
gris grijsEl gato es gris. De kat is grijs.
-
dorado goudenEl anillo es dorado. De ring is gouden.
-
plateado zilverEl carro es plateado. De auto is zilver.
-
beige beigeElla lleva una camisa beige. Zij draagt een beige shirt.
-
azul marino marineblauwSu chaqueta es azul marino. Zijn jas is marineblauw.
-
brillante felEl sol está muy brillante. De zon is erg fel.
-
pálido bleekEl niño enfermo está pálido. Het zieke kind is bleek.
-
oscuro donkerLa habitación está muy oscura. De kamer is erg donker.
-
de rayas gestreeptÉl lleva una camisa de rayas. Hij draagt een gestreept overhemd.
-
la habitación de kamer¿Estás contento con tu habitación? Ben je blij met je kamer?
-
la puerta de deurEsta puerta necesita ser reemplazada. Deze deur moet worden vervangen.
-
la llave de sleutelCreo que perdí mi llave. Ik denk dat ik mijn sleutel kwijt ben.
-
la ventana het raamLa ventana está muy limpia. Het raam is erg schoon.
-
la luz het lichtEsta habitación recibe mucha luz. Deze kamer krijgt veel licht.
-
el interruptor de schakelaarEl interruptor de la luz está en la pared. De schakelaar voor het licht zit op de muur.
-
la cama het bedTodavía necesito comprar una cama. Ik moet nog steeds een bed kopen.
-
la cocina de keukenEsta cocina está muy limpia. Deze keuken is erg schoon.
-
el baño de badkamerElla usa el baño a menudo. Ze gebruikt vaak de badkamer.
-
la ducha de doucheEllos toman una ducha a diario. Zij nemen dagelijks een douche.
-
el Wi-Fi de wifi¿Este bar tiene Wi-Fi? Heeft deze bar wifi?
-
la dirección het adres¿Cuál es tu dirección? Wat is je adres?
-
el dolor de cabeza de hoofdpijnUn dolor de cabeza nunca es divertido. Hoofdpijn is nooit leuk.
-
la fiebre de koortsTiene una fiebre alta. Hij heeft hoge koorts.
-
la tos de hoestMi tos no se me quita. Mijn hoest gaat niet weg.
-
el dolor de garganta de keelpijnMarry tiene dolor de garganta. Marry heeft keelpijn.
Woorden 701–800
-
goteo nasal de loopneusEso es goteo nasal. Dat is een loopneus.
-
mareado duizeligMe siento mareado después de girar. Ik voel me duizelig na het ronddraaien.
-
enfermo ziekElla se siente muy enferma hoy. Ze voelt zich vandaag erg ziek.
-
la medicina de medicatieNo olvides tomar tu medicina. Vergeet niet om je medicatie in te nemen.
-
la receta het recept¿Es esta su receta, señor? Is dit uw recept, meneer?
-
el médico de dokterUn médico ayuda a mucha gente. Een dokter helpt veel mensen.
-
la farmacia de apotheekA veces visitamos la farmacia. Wij bezoeken soms de apotheek.
-
la clínica de kliniekEl abuelo está ahora mismo en la clínica. Opa is momenteel in de kliniek.
-
información turística de toeristische informatieEl cartel ofrece información turística. Het bord geeft toeristische informatie.
-
la biblioteca de bibliotheekLa biblioteca está llena de gente. De bibliotheek staat vol met mensen.
-
el banco de bankPapá todavía necesita ir al banco. Papa moet nog naar de bank.
-
el peluquero de kapperA ella le gusta el peluquero. Ze vindt de kapper leuk.
-
el barbero de kapperEse barbero corta el pelo todos los días. Die kapper knipt elke dag haar.
-
la tintorería de stomerijEste traje necesita una tintorería. Dit pak moet naar de stomerij.
-
el taller de reparatiewerkplaats¿Está abierto el taller hoy? Is de reparatiewerkplaats vandaag open?
-
la tienda de celulares de telefoonwinkelElla trabaja en la tienda de celulares. Zij werkt in de telefoonwinkel.
-
servicio de mensajería de koeriersdienstEnviamos el paquete por servicio de mensajería. We hebben het pakket met de koeriersdienst verstuurd.
-
alquiler de autos de autohuurReservamos un alquiler de autos para el fin de semana. We hebben voor het weekend een autohuur geboekt.
-
el alquiler de bicicletas de fietsverhuurEste alquiler de bicicletas parece nuevo. Deze fietsverhuur ziet er nieuw uit.
-
el veterinario de dierenartsEl veterinario revisa a nuestro perro cada mes. De dierenarts controleert onze hond elke maand.
-
perder verliezenPerdí mis llaves en el parque. Ik ben mijn sleutels in het park verloren.
-
la cartera de portemonneePerdió su cartera en el autobús. Hij is zijn portemonnee verloren in de bus.
-
el teléfono de telefoonPor favor, apaga tu teléfono durante la clase. Zet tijdens de les alsjeblieft je telefoon uit.
-
la tarjeta de identificación de identiteitskaart¿Encontraste tu tarjeta de identificación? Heb je je identiteitskaart gevonden?
-
el bolso de tasSu bolso siempre está lleno. Haar tas zit altijd vol.
-
el informe het verslagElla escribió un informe sobre la reunión. Ze schreef een verslag over de vergadering.
-
la descripción de beschrijvingEsta es una descripción increíble. Dit is een geweldige beschrijving.
-
número de contacto het telefoonnummerNecesito tu número de contacto. Ik heb je telefoonnummer nodig.
-
objetos perdidos de gevonden voorwerpenLo encontró en objetos perdidos. Ze vond het bij de gevonden voorwerpen.
-
las llaves de sleutelsAyer perdí mis llaves. Ik ben gisteren mijn sleutels verloren.
-
devolver terugbrengenElla devolverá el libro mañana por la mañana. Zij zal het boek morgenochtend terugbrengen.
-
el dueño de eigenaar¿Conoces al dueño? Ken jij de eigenaar?
-
el enfermero de verpleegkundigeEl enfermero ayudó al paciente. De verpleegkundige hielp de patiënt.
-
dentista de tandartsEl dentista me arregló el diente. De tandarts heeft mijn tand gerepareerd.
-
el mesero de oberEl mesero trajo nuestra comida. De ober bracht ons eten.
-
la mesera de serveersterLa mesera nos trajo la comida. De serveerster bracht ons eten.
-
el chef de chef-kokEl chef prepara la comida. De chef-kok bereidt de maaltijd.
-
el mecánico de monteurEl mecánico arregló mi carro. De monteur heeft mijn auto gerepareerd.
-
el cartero de postbodeEl cartero trajo una carta. De postbode bracht een brief.
-
el limpiador de schoonmakerEl limpiador lavó el suelo. De schoonmaker heeft de vloer gedweild.
-
el jardinero de tuinmanEl jardinero riega las plantas. De tuinman geeft de planten water.
-
el pintor de schilderEl pintor pinta un cuadro hermoso. De schilder schildert een prachtig schilderij.
-
el sastre de kleermakerEl sastre hace ropa preciosa. De kleermaker maakt prachtige kleding.
-
el bibliotecario de bibliothecarisEl bibliotecario organiza los libros. De bibliothecaris organiseert de boeken.
-
el actor de acteurVi al actor famoso. Ik zag de beroemde acteur.
-
la actriz de actriceVi a la famosa actriz. Ik zag de beroemde actrice.
-
artista de kunstenaarEl artista pinta un cuadro. De kunstenaar schildert een schilderij.
-
el fotógrafo de fotograafEl fotógrafo me tomó una foto. De fotograaf maakte een foto van mij.
-
el escritor de schrijverEl escritor terminó el libro. De schrijver heeft het boek afgemaakt.
-
gerente de managerConocimos al nuevo gerente. We hebben de nieuwe manager ontmoet.
-
el abogado de advocaatNecesito un buen abogado. Ik heb een goede advocaat nodig.
-
el secretario de secretaresseEl secretario trabaja en la oficina. De secretaresse werkt op kantoor.
-
periodista de journalistEl periodista escribe las noticias. De journalist schrijft het nieuws.
-
asistente de assistentMi asistente le ayudará. Mijn assistent zal je helpen.
-
el reportero de verslaggeverEl reportero escribe las noticias. De verslaggever schrijft het nieuws.
-
el diseñador de ontwerperEl diseñador hace ropa hermosa. De ontwerper maakt prachtige kleding.
-
el ingeniero de ingenieurEl ingeniero arregló la máquina. De ingenieur repareerde de machine.
-
el piloto de pilootEl piloto vuela el avión. De piloot bestuurt het vliegtuig.
-
el agricultor de boerEl agricultor trabaja en el campo. De boer werkt op het land.
-
el pescador de visserEl pescador atrapó un pez grande. De visser ving een grote vis.
-
el científico de wetenschapperEl científico descubrió una nueva medicina. De wetenschapper ontdekte een nieuw medicijn.
-
el programador de programmeurEl programador escribe el software. De programmeur schrijft de software.
-
el policía de politieagentEl policía atrapó al ladrón. De politieagent heeft de dief gepakt.
-
el soldado de soldaatEl soldado protege la ciudad. De soldaat beschermt de stad.
-
el profesor de professorEl profesor les enseña a los estudiantes. De professor geeft les aan de studenten.
-
el constructor de bouwvakkerEl constructor construye la casa nueva. De bouwvakker bouwt het nieuwe huis.
-
el panadero de bakkerEl panadero hace pan fresco. De bakker maakt vers brood.
-
atleta de atleetEl atleta corre muy rápido. De atleet rent heel erg snel.
-
la salida de uitgang¿Disculpe, dónde está la salida? Pardon, waar is de uitgang?
-
la entrada de ingangEsta debería ser la entrada. Dit zou de ingang moeten zijn.
-
empujar duwenEmpujan la puerta roja. Zij duwen de rode deur.
-
jalar trekkenTienes que jalar la puerta. Je moet aan de deur trekken.
-
Prohibido fumar verboden te rokenEste cartel dice: Prohibido fumar. Dit bord zegt dat het hier verboden te roken is.
-
Prohibido estacionar verboden te parkerenProhibido estacionar aquí, lo siento. Het is hier verboden te parkeren, sorry.
-
fuera de servicio buiten gebruikEse ascensor está fuera de servicio. Die lift is buiten gebruik.
-
Solo para personal alleen voor personeelEse espacio es solo para personal. Die ruimte is alleen voor personeel.
-
la salida de emergencia de nooduitgangCada edificio tiene una salida de emergencia. Elk gebouw heeft een nooduitgang.
-
la información de informatieNecesitamos más información. We hebben meer informatie nodig.
-
la taquilla het loketEsa es la taquilla. Dat is het loket.
-
Prohibido pisar el césped niet op het gras lopenPor favor, recuerde: Prohibido pisar el césped. Loop alstublieft niet op het gras.
-
el cajero automático de geldautomaat¿Dónde está el cajero automático? Waar is de geldautomaat?
-
la cuenta bancaria de bankrekeningElla tiene una cuenta bancaria. Ze heeft een bankrekening.
-
tarjeta de banco de bankpasSiempre usamos una tarjeta de banco. Wij gebruiken altijd een bankpas.
-
sacar dinero geld opnemenSaco dinero cada semana. Ik neem elke week geld op.
-
depositar efectivo contant geld stortenDepositas efectivo en los cajeros automáticos. Je kunt bij geldautomaten contant geld storten.
-
transferir dinero geld overmakenEllos transfieren dinero todos los días. Ze maken elke dag geld over.
-
el saldo het saldoElla revisa el saldo de su cuenta. Ze controleert haar banksaldo.
-
el estado de cuenta het bankafschrift¿Dónde está tu estado de cuenta? Waar is je bankafschrift?
-
la comisión de vergoeding¿Esta transacción tiene alguna comisión? Zit er een vergoeding aan deze transactie verbonden?
-
el recargo de toeslagYa pagué el recargo. Ik heb de toeslag al betaald.
-
la cuenta de ahorros de spaarrekeningAbrimos una cuenta de ahorros. We hebben een spaarrekening geopend.
-
la caja fuerte de kluisEl dinero está en la caja fuerte. Het geld ligt in de kluis.
-
el sofá de bankEste sofá es muy cómodo. Deze bank is erg comfortabel.
-
la mesa de tafel¿Es esta una mesa nueva? Is dit een nieuwe tafel?
-
la silla de stoelFred siempre se sienta en la silla. Fred zit altijd in de stoel.
-
el armario de kledingkastEl armario está lleno de ropa. De kledingkast zit vol met kleren.
-
el estante de plankNecesito limpiar mi estante. Ik moet mijn plank schoonmaken.
-
el refrigerador de koelkastEl refrigerador mantiene la comida fría. De koelkast houdt eten koud.
-
el congelador de vriezerEl congelador está lleno. De vriezer zit vol.
-
la estufa het fornuisÉl usa la estufa a menudo. Hij gebruikt het fornuis vaak.
Woorden 801–900
-
el horno de ovenEste horno se calienta mucho. Deze oven wordt erg heet.
-
el fregadero de gootsteenEl fregadero está lleno de platos. De gootsteen staat vol met borden.
-
la lámpara de lampMi mamá usa una lámpara para leer. Mijn moeder gebruikt een lamp om te lezen.
-
el basurero de prullenbakDaniel vació el basurero. Daniel heeft de prullenbak geleegd.
-
el reloj de klokEl reloj marca la hora. De klok geeft de tijd aan.
-
la computadora de computerUso una computadora para el trabajo. Ik gebruik een computer voor mijn werk.
-
el marco de lijstÉl pintó el marco de madera. Hij schilderde de houten lijst.
-
la radio de radioEscucho la radio. Ik luister naar de radio.
-
la cámara de cameraMe compré una cámara nueva. Ik heb een nieuwe camera gekocht.
-
la chimenea de open haardEl fuego arde en la chimenea. Het vuur brandt in de open haard.
-
el sillón de leunstoelÉl descansa en el sillón. Hij rust in de leunstoel.
-
la alacena de kastLos platos están en la alacena. De borden staan in de kast.
-
la estantería de boekenkastÉl compró una estantería nueva. Hij heeft een nieuwe boekenkast gekocht.
-
el cajón de ladeLas llaves están en el cajón. De sleutels liggen in de lade.
-
el pasillo de halEsperamos en el pasillo. We wachtten in de hal.
-
la alfombra het kleedEl gato duerme sobre la alfombra. De kat slaapt op het kleed.
-
la sala de estar de woonkamerEsta es nuestra vieja sala de estar. Dit is onze oude woonkamer.
-
el dormitorio de slaapkamerPintaron el dormitorio de azul. Ze hebben de slaapkamer blauw geverfd.
-
el comedor de eetkamerComemos en el comedor. Wij eten in de eetkamer.
-
el pasillo de gangEse pasillo es muy largo. Die gang is erg lang.
-
el balcón het balkonUn balcón ofrece vistas a la ciudad. Een balkon biedt uitzicht over de stad.
-
el jardín de tuinSu jardín es muy bonito. Zijn tuin is erg mooi.
-
el patio de tuinLos niños están jugando en el patio. De kinderen spelen in de tuin.
-
el garaje de garageLa puerta del garaje se cierra automáticamente. De garagedeur sluit automatisch.
-
el sótano de kelderEste sótano está muy limpio. Deze kelder is erg schoon.
-
el techo het plafondPintamos el techo de blanco. We hebben het plafond wit geverfd.
-
el tejado het dakEse tejado parece viejo. Dat dak ziet er oud uit.
-
la pared de muurÉl pintó la pared azul. Hij schilderde de muur blauw.
-
limpio schoonElla quiere una casa limpia. Zij wil een schoon huis.
-
lavar wassenVoy a lavar los platos ahora. Ik ga nu de afwas doen.
-
cocinar kokenEllos cocinan la cena todas las noches. Zij koken elke avond het avondeten.
-
hervir kokenHierves agua para el té. Je kookt water voor thee.
-
freír bakken¿Fríes tu comida a menudo? Bakt u uw eten vaak?
-
hornear bakkenElla hornea pan hoy. Zij bakt vandaag brood.
-
barrer vegenYo barro el suelo más rápido. Ik veeg de vloer sneller.
-
el trapeador de dweilEl limpiador usa el trapeador. De schoonmaker gebruikt de dweil.
-
aspirar stofzuigenAspiramos el salón. Wij stofzuigen de woonkamer.
-
el polvo het stofElla limpia el polvo. Ze veegt het stof weg.
-
regar water gevenRiegan el jardín semanalmente. Ze geven wekelijks water aan de tuin.
-
apagar uitdoen¿Puedes apagar las luces? Kun je het licht uitdoen?
-
verter schenkenElla vierte agua en la taza. Zij schenkt water in het kopje.
-
revolver roerenRevuelvo la sopa caliente. Ik roer in de hete soep.
-
picar hakkenEl hombre pica la leña. De man hakt het hout.
-
sumergir dopenElla sumerge el trapo en el agua. Zij dopt de doek in het water.
-
pelar schillenElla pela la naranja. Zij schilt de sinaasappel.
-
rallar raspenElla ralla las verduras. Zij raspt de groenten.
-
el calor de hitteSiento el calor del fuego. Ik voel de hitte van het vuur.
-
mezclar mengenMezclo la sal y el agua. Ik meng het zout en het water.
-
untar besmerenElla unta mantequilla en el pan. Zij besmeert het brood met boter.
-
derretir smeltenEl sol derrite el hielo. De zon smelt het ijs.
-
medir metenYo mido la cuerda larga. Ik meet het lange touw.
-
llenar vullenLleno la taza con agua. Ik vul de beker met water.
-
la lavadora de wasmachineEsta lavadora está limpia. Deze wasmachine is schoon.
-
la secadora de wasdrogerLa secadora está muy caliente. De wasdroger is erg heet.
-
el detergente het wasmiddelNecesitamos más detergente ahora. We hebben nu meer wasmiddel nodig.
-
el suavizante de wasverzachterElla siempre usa suavizante. Zij gebruikt altijd wasverzachter.
-
la mancha de vlek¿Cuándo te salió esta mancha? Wanneer heb je deze vlek gekregen?
-
el quitamanchas de vlekkenverwijderaarEste quitamanchas funciona bien. Deze vlekkenverwijderaar werkt goed.
-
el cesto de ropa sucia de wasmandNecesitamos un cesto de ropa sucia. We hebben een wasmand nodig.
-
la percha de kledinghangerNo encuentro la percha para el abrigo. Ik kan de kledinghanger niet vinden.
-
la pinza de la ropa de wasknijper¿Usas pinzas de la ropa? Gebruik jij wasknijpers?
-
el tendedero de waslijnEste tendedero sostiene ropa mojada. Deze waslijn houdt natte was vast.
-
la tabla de planchar de strijkplankLa tabla de planchar está en medio. De strijkplank staat in de weg.
-
la plancha het strijkijzerElla usa una plancha caliente en su ropa. Ze gebruikt een heet strijkijzer voor haar kleding.
-
roto kapotLamentablemente, ese juguete está roto. Helaas is dat speelgoed kapot.
-
arreglar reparerenNosotros arreglamos cosas rotas aquí. Wij repareren hier kapotte dingen.
-
la llave de kraanNuestra llave sigue goteando. Onze kraan lekt nog steeds.
-
la fuga het lekPor fin están arreglando la fuga. Ze zijn eindelijk het lek aan het repareren.
-
la tubería de pijpPuedo ver la tubería. Ik kan de pijp zien.
-
reparar repareren¿Sabes cómo repararlo? Weet je hoe je het moet repareren?
-
el plomero de loodgieterLlamó al plomero hoy. Ze heeft vandaag de loodgieter gebeld.
-
electricista de elektricienContrataron a un electricista. Ze hebben een elektricien ingehuurd.
-
el fusible de zekeringEste fusible protege el circuito. Deze zekering beschermt het circuit.
-
el foco de gloeilamp¿Tenemos otro foco? Hebben we nog een gloeilamp?
-
reemplazar vervangenReemplazamos los neumáticos viejos. Wij vervangen oude banden.
-
el mantenimiento het onderhoudHacen mantenimiento regular. Ze plegen regelmatig onderhoud.
-
el corte de pelo de knipbeurtNecesito un corte de pelo pronto. Ik heb binnenkort een knipbeurt nodig.
-
el perfume het parfumLe gusta ese perfume. Zij houdt van dat parfum.
-
el champú de shampoo¿Tienes otro champú? Heb je nog een andere shampoo?
-
el jabón de zeepDeberías lavarte con jabón. Je moet je wassen met zeep.
-
el cepillo de dientes de tandenborstel¿Cuántos años tiene tu cepillo de dientes? Hoe oud is je tandenborstel?
-
la pasta de dientes de tandpastaEsta es la mejor pasta de dientes. Dit is de beste tandpasta.
-
la toalla de handdoekLas toallas limpias están en el estante. Schone handdoeken liggen op de plank.
-
la máquina de afeitar het scheermesUso una máquina de afeitar nueva cada vez. Ik gebruik elke keer een nieuw scheermes.
-
el peine de kamElla usa un peine a diario. Ze gebruikt dagelijks een kam.
-
el espejo de spiegel¿Limpiaste el espejo ayer? Heb je gisteren de spiegel schoongemaakt?
-
el desodorante de deodorantNecesito desodorante todos los días. Ik heb elke dag deodorant nodig.
-
gel de ducha de douchegelEste gel de ducha huele bien. Deze douchegel ruikt lekker.
-
la cabeza het hoofdPor favor, protege tu cabeza. Bescherm alsjeblieft je hoofd.
-
la cara het gezichtTe lavas la cara todas las mañanas. Je wast elke ochtend je gezicht.
-
el pie de voet¿Puedes tocarte el pie? Kun je je voet aanraken?
-
el ojo het oogTienes ojos hermosos. Je hebt prachtige ogen.
-
el brazo de armÉl se rompió el brazo ayer. Hij heeft gisteren zijn arm gebroken.
-
la nariz de neus¿Quién tiene la nariz más grande? Wie heeft de grotere neus?
-
la boca de mondElla puso el caramelo en su boca. Ze stopte het snoepje in haar mond.
-
los dientes de tandenSe cepillan los dientes a diario. Ze poetsen dagelijks hun tanden.
-
la mano de handLavarse las manos es muy importante. Het wassen van je handen is erg belangrijk.
-
la oreja het oor¿Este animal tiene orejas? Heeft dit dier oren?
-
la pierna het been¿Te duele la pierna? Doet je been pijn?
-
el pelo het haar¿Con qué frecuencia te cepillas el pelo? Hoe vaak borstel jij je haar?
Woorden 901–1000
-
el cuerpo het lichaamEl hombre tiene un cuerpo fuerte. De man heeft een sterk lichaam.
-
sonreír glimlachenEl niño me sonríe. Het kind glimlacht naar mij.
-
la espalda de rugÉl me tocó la espalda. Hij raakte mijn rug aan.
-
el cuello de nekElla se tocó el cuello. Ze raakte haar nek aan.
-
el hombro de schouderEl médico me tocó el hombro. De dokter raakte mijn schouder aan.
-
el estómago de maagMe duele el estómago. Mijn maag doet pijn.
-
el pecho de borstÉl sintió un dolor en el pecho. Hij voelde pijn in zijn borst.
-
el labio de lipEl niño se tocó el labio. De jongen raakte zijn lip aan.
-
la lengua de tongLa sopa caliente me quemó la lengua. De hete soep verbrandde mijn tong.
-
la garganta de keelTengo la garganta muy seca. Mijn keel is erg droog.
-
el bigote de snorMi padre tiene bigote. Mijn vader heeft een snor.
-
la barba de baardEl hombre tiene una barba larga. De man heeft een lange baard.
-
el dedo de vingerEl bebé me agarró el dedo. De baby pakte mijn vinger vast.
-
el pulgar de duimSeñaló con el pulgar. Hij wees met zijn duim.
-
el dedo del pie de teenMe lastimé el dedo del pie. Ik heb mijn teen bezeerd.
-
la rodilla de knieÉl dobló su rodilla derecha. Hij boog zijn rechterknie.
-
el codo de elleboogEl médico me examinó el codo. De dokter onderzocht mijn elleboog.
-
la muñeca de polsMe lastimé la muñeca. Ik heb mijn pols bezeerd.
-
el tobillo de enkelElla se lastimó el tobillo. Ze heeft haar enkel bezeerd.
-
la palma de handpalmElla abrió la palma de la mano. Ze opende haar handpalm.
-
el talón de hielEl perro me mordió el talón. De hond beet in mijn hiel.
-
la cadera de heupMe duele la cadera izquierda. Mijn linkerheup doet pijn.
-
la cintura de tailleSe ató una cuerda alrededor de la cintura. Hij bond een touw om zijn taille.
-
el músculo de spierMe duele el músculo de la pierna. Mijn beenspier doet pijn.
-
el ejercicio de oefeningEste es un ejercicio físico increíble. Dit is een geweldige fitnessoefening.
-
el gimnasio de sportschool¿Vas al gimnasio? Ga je naar de sportschool?
-
el entrenamiento de trainingEl entrenamiento regular te mantiene saludable. Regelmatige training houdt je gezond.
-
calentar opwarmenEsto ayuda a calentar los músculos. Dit helpt om de spieren op te warmen.
-
estirar rekkenEstiro cada mañana. Ik rek me elke ochtend uit.
-
correr rennenCorren muy rápido. Zij rennen erg snel.
-
caminar lopenLe gusta caminar por la tarde. Ze houdt ervan om 's avonds te lopen.
-
levantar pesas gewichten heffenLevantar pesas desarrolla tus músculos. Door gewichten heffen groeien je spieren.
-
el yoga de yogaEl yoga es muy relajante. Yoga voelt erg rustgevend.
-
la respiración ademenPracticamos la respiración profunda. Wij oefenen met diep ademen.
-
mantenerse en forma fit blijvenMe mantengo en forma corriendo. Ik blijf fit door hard te lopen.
-
día de descanso de rustdagNecesita un día de descanso. Ze heeft een rustdag nodig.
-
salir uitgaanNormalmente salimos los viernes. Wij gaan meestal op vrijdag uit.
-
la discoteca de nachtclubLa discoteca está llena después de medianoche. De nachtclub is na middernacht vol.
-
el bar de barNos vemos en el bar más tarde. Laten we straks afspreken bij de bar.
-
el cigarrillo de sigaretÉl está afuera, fumando un cigarrillo. Hij staat buiten een sigaret te roken.
-
el cenicero de asbakPor favor, usa el cenicero. Gebruik alsjeblieft de asbak.
-
el encendedor de aansteker¿Tienes un encendedor? Heb je een aansteker?
-
el alcohol de alcoholElla no bebe alcohol muy a menudo. Ze drinkt niet vaak alcohol.
-
el abridor de botellas de flesopenerNecesitamos un abridor de botellas para esto. We hebben een flesopener nodig voor deze fles.
-
bailar dansenMis amigos siempre quieren bailar. Mijn vrienden willen altijd dansen.
-
borracho dronkenÉl está borracho, así que vuelve a casa caminando. Hij is dronken, dus hij loopt naar huis.
-
el bolso de handtasSu teléfono está dentro del bolso rojo. Haar telefoon zit in de rode handtas.
-
cantante de zangerLa cantante estuvo increíble esta noche. De zanger was geweldig vanavond.
-
el estornudo de niesEse estornudo fue muy ruidoso. Die nies was erg hard.
-
los músculos doloridos de spierpijnMi entrenamiento me dejó los músculos doloridos. Mijn training veroorzaakte spierpijn.
-
el calambre de krampLos calambres en las piernas son lo peor. Kramp in je been is het ergste.
-
la tortícolis de stijve nek¿Cómo me quito esta tortícolis? Hoe kom ik van deze stijve nek af?
-
el moretón de blauwe plekTengo un moretón grande. Ik heb een grote blauwe plek.
-
el dolor de estómago de buikpijnTuve dolor de estómago ayer. Ik kreeg gisteren buikpijn.
-
el dolor de muelas de kiespijnEso es un dolor de muelas muy fuerte. Dat is een erge kiespijn.
-
dolor de espalda de rugpijnLa abuela tiene dolor de espalda hoy. Oma heeft vandaag rugpijn.
-
el dolor de oído de oorpijnTiene un dolor de oído ahora. Hij heeft nu oorpijn.
-
el agotamiento de uitputtingTu trabajo puede causar agotamiento. Je baan kan leiden tot uitputting.
-
la alergia de allergieMi alergia es la peor en primavera. Mijn allergie is het ergst in de lente.
-
Me duele aquí. Het doet hier pijnMe duele aquí. Het doet hier pijn.
-
llorar huilenEl niño triste está llorando. Het verdrietige kind huilt.
-
caer vallenLa fruta cae del árbol. De vrucht valt van de boom.
-
enfermo ziekEl niño está muy enfermo. Het kind is erg ziek.
-
bien goedHoy me siento bien. Ik voel me vandaag goed.
-
cortar snijdenElla corta el pan. Zij snijdt het brood.
-
la venda het verbandÉl le puso una venda en la herida. Hij deed een verband op de wond.
-
arder brandenLa leña seca arde rápidamente. Het droge hout brandt snel.
-
arañar krabbenEl gato me arañó el brazo. De kat krabde in mijn arm.
-
golpearse stotenMe golpeé la cabeza. Ik stootte mijn hoofd.
-
la cicatriz het littekenÉl se tocó la vieja cicatriz. Hij raakte het oude litteken aan.
-
recuperarse herstellenÉl se recuperó de la enfermedad. Hij herstelde van de ziekte.
-
curarse genezenLa herida profunda se curará. De diepe wond zal genezen.
-
el apagón de stroomstoringPor suerte, el apagón fue breve. Gelukkig was de stroomstoring kort.
-
enchufar inpluggenSe le olvidó enchufar el cargador del portátil. Hij vergat de oplader van de laptop in te pluggen.
-
el enchufe het stopcontactElla enchufó su teléfono al enchufe de la pared. Ze stak haar telefoon in het stopcontact aan de muur.
-
la extensión het verlengsnoerEsta extensión es larga. Dit verlengsnoer is lang.
-
la multitoma de stekkerdoosElla conectó su computadora a la multitoma. Ze sloot haar computer aan op de stekkerdoos.
-
el adaptador de wereldstekkerNecesitas un adaptador. Je hebt een wereldstekker nodig.
-
la caja de fusibles de meterkastLa caja de fusibles está rota. De meterkast is kapot.
-
el disyuntor de stroomonderbrekerEl disyuntor saltó durante la tormenta. De stroomonderbreker sloeg tijdens de storm uit.
-
el voltaje de spanningEste voltaje parece muy bajo. Deze spanning lijkt erg laag.
-
la batería de batterijUna batería alimenta la linterna. Een batterij voedt de zaklamp.
-
batería descargada de lege batterijNecesitamos cargar la batería descargada. We moeten de lege batterij opladen.
-
reemplazar la batería de batterij vervangenTú reemplazas la batería a menudo. Je vervangt de batterij vaak.
-
la electricidad de elektriciteitNecesitamos electricidad para la luz. We hebben elektriciteit nodig voor licht.
-
el gas het gasEl olor a gas llenó la cocina. De geur van gas vulde de keuken.
-
fecha de vencimiento de uiterste inleverdatumPor favor, revisa la fecha de vencimiento en la factura. Controleer alsjeblieft de uiterste inleverdatum op de rekening.
-
la calefacción de verwarming¿Puedes encender la calefacción? Kun je de verwarming aanzetten?
-
el internet het internetUsan el internet a diario. Ze gebruiken dagelijks het internet.
-
la factura de rekening¿Cuál es la fecha de vencimiento de la factura del agua? Wat is de uiterste betaaldatum voor de waterrekening?
-
el técnico de technicusUn técnico vino a revisar la línea. Er kwam een technicus om de lijn te controleren.
-
el proveedor de leverancierEl proveedor envió un nuevo contrato. De leverancier stuurde een nieuw contract.
-
el contrato het contractEl contrato ha vencido. Het contract is verlopen.
-
el proveedor de providerCambié mi proveedor de internet. Ik ben overgestapt naar een andere internetprovider.
-
el número de cuenta het rekeningnummer¿Cuál es mi número de cuenta? Wat is mijn rekeningnummer?
-
atención al cliente de klantenserviceOfrecemos una excelente atención al cliente. Wij bieden een uitstekende klantenservice.
-
el formulario het formulierNecesita un formulario impreso. Hij heeft een geprint formulier nodig.
-
la firma de handtekening¿Será suficiente mi firma? Is mijn handtekening voldoende?
-
el pasaporte het paspoort¿Perdiste tu pasaporte? Ben je je paspoort verloren?
-
la visa het visumEse país requiere una visa. Dat land vereist een visum.
Gratis voor persoonlijk gebruik en in de klas.
Meer Spaans
Spaanse woorden per onderwerp
- Getallen1–100
- Rangtelwoorden12
- Dagen van de week12
- Maanden12
- Kleuren19
- Familie36
- Lichaamsdelen24
- Eten44
- Dieren36
- Kleding41
- Het weer24
- Begroetingen12
- Fruit16
- Groenten12
- Keuken & koken36
- Restaurant & eten bestellen48
- Geld25
- Huis & kamers48
- Beroepen36
- Gevoelens & emoties36
- School & schoolspullen48
- Vervoermiddelen48
- Reizen60
- De weg vragen48
- Voorzetsels18
- Plekken in de stad48
- Bij de dokter36
- Sport & spel60
- Hobby’s36
- Muziekinstrumenten12
- Natuur & planten36
- Planeten & heelal24
- Tijdsaanduidingen36
- Feestdagen & feesten12
- Vormen12
- Alsjeblieft & dank je wel24
- Small talk36
Woordenlijsten