De 1000 meest gebruikte Spaanse woorden

Elk woord met een afbeelding, native audio en een voorbeeldzin met Nederlandse vertaling. Tik op een luidspreker om het woord of de zin te horen.

Leer alle 1000 woorden in de app

Met afbeeldingen, native audio, en elk woord komt terug vlak voordat je het zou vergeten. Gratis op iPhone en Android.

Gratis downloaden
Download in de App Store Ontdek het op Google Play Scan met de camera van je telefoon

Hoe deze lijst is gerangschikt

Dit is de Flashcardly-cursus Spaans op volgorde: gerangschikt op frequentie en nut in het dagelijks leven, met input van taaldocenten. Het is dus geen kale telling uit een tekstcorpus, en daarom staan woorden als “de” en “van” niet bovenaan de lijst, terwijl “man” op nummer 13 staat.

De lijst

Fout melden

Vertel ons wat er niet klopt. We bekijken elke melding.

Wat klopt er niet?

Tik op een plaatje om het te horen.

Woorden 1–100

  1. Hola — Hallo
    Hola Hallo

    Hola, ¿cómo estás? Hallo, hoe gaat het?

  2. Bienvenido — Welkom
    Bienvenido Welkom

    Bienvenidos a nuestra casa. Welkom in ons huis.

  3. Buenos días — Goedemorgen
    Buenos días Goedemorgen

    ¡Buenos días! Goedemorgen!

  4. sí — ja
    sí ja

    Sí, entiendo. Ja, ik begrijp het.

  5. Buenas noches — Goedenavond
    Buenas noches Goedenavond

    ¡Buenas noches! Goedenavond!

  6. no — nee
    no nee

    Ella dijo que no. Ze zei nee.

  7. Adiós — doei
    Adiós doei

    ¡Adiós, Anna! Doei, Anna!

  8. Buenas tardes — Goedemiddag
    Buenas tardes Goedemiddag

    ¡Buenas tardes! Goedemiddag!

  9. Hasta pronto — Tot snel
    Hasta pronto Tot snel

    ¡Hasta pronto, Mia! Tot snel, Mia!

  10. Hasta mañana — Tot morgen
    Hasta mañana Tot morgen

    ¡Hasta mañana! Tot morgen!

  11. Mucho gusto — Aangenaam
    Mucho gusto Aangenaam

    ¡Mucho gusto también! Aangenaam kennis te maken!

  12. ¿Cómo estás? — Hoe gaat het met je
    ¿Cómo estás? Hoe gaat het met je

    ¿Cómo estás hoy? Hoe gaat het met je vandaag?

  13. el hombre — de man
    el hombre de man

    El hombre lee el libro. De man leest het boek.

  14. la mujer — de vrouw
    la mujer de vrouw

    La mujer lleva un sombrero. De vrouw draagt een hoed.

  15. el niño — de jongen
    el niño de jongen

    El niño juega con juguetes. De jongen speelt met speelgoed.

  16. la niña — het meisje
    la niña het meisje

    La niña tiene una pelota. Het meisje heeft een bal.

  17. la persona — de persoon
    la persona de persoon

    Él es una persona agradable. Hij is een aardig persoon.

  18. la gente — de mensen
    la gente de mensen

    La gente está muy contenta. De mensen zijn erg blij.

  19. el adulto — de volwassene
    el adulto de volwassene

    Soy un adulto. Ik ben een volwassene.

  20. el bebé — de baby
    el bebé de baby

    El bebé necesita leche. De baby heeft melk nodig.

  21. señor — meneer
    señor meneer

    Al señor Smith le gusta leer libros. Meneer Smith leest graag boeken.

  22. señora — mevrouw
    señora mevrouw

    La señora Smith es profesora. Mevrouw Smith is een lerares.

  23. el vecino — de buurman
    el vecino de buurman

    Mi vecino es muy amable. Mijn buurman is erg vriendelijk.

  24. el amigo — de vriend
    el amigo de vriend

    A mi amigo le gusta leer libros. Mijn vriend leest graag boeken.

  25. hoy — vandaag
    hoy vandaag

    Hoy es un buen día. Vandaag is een goede dag.

  26. mañana — morgen
    mañana morgen

    Mañana es un nuevo día. Morgen is een nieuwe dag.

  27. ayer — gisteren
    ayer gisteren

    La vi ayer. Ik heb haar gisteren gezien.

  28. ahora — nu
    ahora nu

    Lo quiere ahora. Hij wil het nu.

  29. la tarde — de middag
    la tarde de middag

    Me gusta la tarde. Ik vind de middag fijn.

  30. la noche — de avond
    la noche de avond

    La noche es tranquila. De avond is rustig.

  31. el minuto — de minuut
    el minuto de minuut

    Necesitamos cinco minutos. We hebben vijf minuten nodig.

  32. la mañana — de ochtend
    la mañana de ochtend

    Desayuno por la mañana. Ik eet 's ochtends mijn ontbijt.

  33. más tarde — later
    más tarde later

    Lo haré más tarde. Ik doe het later.

  34. temprano — vroeg
    temprano vroeg

    Ella se despierta temprano. Zij wordt vroeg wakker.

  35. tarde — te laat
    tarde te laat

    Él suele llegar tarde. Hij is vaak te laat.

  36. la hora — het uur
    la hora het uur

    La clase dura una hora. De les duurt één uur.

  37. ¿Cómo te llamas? — Hoe heet je?
    ¿Cómo te llamas? Hoe heet je?

    ¿Cómo te llamas? Hoe heet je?

  38. Me llamo — Mijn naam is
    Me llamo Mijn naam is

    Me llamo Emily. Mijn naam is Emily.

  39. ¿De dónde eres? — Waar kom je vandaan?
    ¿De dónde eres? Waar kom je vandaan?

    ¿De dónde eres? Waar kom je vandaan?

  40. Soy de — Ik kom uit ...
    Soy de Ik kom uit ...

    Soy de Alemania. Ik kom uit Duitsland.

  41. ¿Dónde vives? — Waar woon je
    ¿Dónde vives? Waar woon je

    ¿Dónde vives? Waar woon je?

  42. Vivo en — Ik woon in
    Vivo en Ik woon in

    Vivo en Japón. Ik woon in Japan.

  43. ¿Qué idiomas hablas? — Welke talen spreek je?
    ¿Qué idiomas hablas? Welke talen spreek je?

    ¿Qué idiomas hablas? Welke talen spreek je?

  44. Hablo — ik spreek
    Hablo ik spreek

    Hablo inglés bien. Ik spreek goed Engels.

  45. Hablo un poco de — Ik spreek een beetje ...
    Hablo un poco de Ik spreek een beetje ...

    Hablo un poco de francés. Ik spreek een beetje Frans.

  46. ¿Dónde naciste? — Waar ben je geboren
    ¿Dónde naciste? Waar ben je geboren

    ¿Dónde naciste? Waar ben je geboren?

  47. ¿Cuál es tu apellido? — Wat is je achternaam?
    ¿Cuál es tu apellido? Wat is je achternaam?

    ¿Cuál es tu apellido? Wat is je achternaam?

  48. Esta es mi amiga — Dit is mijn vriend(in)
    Esta es mi amiga Dit is mijn vriend(in)

    Esta es mi amiga Lisa. Dit is mijn vriendin Lisa.

  49. hacer — maken
    hacer maken

    Hago buen café. Ik maak goede koffie.

  50. recibir — krijgen
    recibir krijgen

    Él recibió un regalo. Hij kreeg een cadeau.

  51. tener — hebben
    tener hebben

    Emma tiene un carro. Emma heeft een auto.

  52. comer — eten
    comer eten

    Están comiendo manzanas. Zij eten appels.

  53. beber — drinken
    beber drinken

    ¿Bebes café? Drink jij koffie?

  54. dormir — slapen
    dormir slapen

    Quiero dormir ahora. Ik wil nu slapen.

  55. ver — zien
    ver zien

    ¿Puedes ver la casa? Kun je het huis zien?

  56. mirar — kijken naar
    mirar kijken naar

    A Adam le gusta mirar fotos. Adam vindt het leuk om naar foto's te kijken.

  57. leer — lezen
    leer lezen

    El estudiante lee libros. De student leest boeken.

  58. abrir — openen
    abrir openen

    Ella abre la ventana. Zij opent het raam.

  59. cerrar — sluiten
    cerrar sluiten

    Cierro la puerta. Ik sluit de deur.

  60. venir — komen
    venir komen

    Vienes aquí todos los días. Je komt hier elke dag.

  61. Por favor — alsjeblieft
    Por favor alsjeblieft

    Por favor, abre la puerta. Wil je alsjeblieft de deur openen?

  62. Gracias — Dank je wel
    Gracias Dank je wel

    Gracias por tu ayuda. Dank je wel voor je hulp.

  63. De nada — Graag gedaan.
    De nada Graag gedaan.

    De nada. Graag gedaan.

  64. Disculpe — Pardon
    Disculpe Pardon

    Disculpe, necesito ayuda. Pardon, ik heb hulp nodig.

  65. Lo siento. — sorry
    Lo siento. sorry

    Lo siento. Het spijt me.

  66. ¿Podrías ayudarme? — Kun je me helpen?
    ¿Podrías ayudarme? Kun je me helpen?

    ¿Podrías ayudarme? Kun je me helpen?

  67. ¿Podrías repetir, por favor? — Kun je dat alsjeblieft herhalen?
    ¿Podrías repetir, por favor? Kun je dat alsjeblieft herhalen?

    ¿Podrías repetir eso, por favor? Kun je dat alsjeblieft herhalen?

  68. ¿Podría hablar más despacio? — Zou je wat langzamer kunnen spreken?
    ¿Podría hablar más despacio? Zou je wat langzamer kunnen spreken?

    ¿Podría hablar más despacio? Zou je wat langzamer kunnen spreken?

  69. ¿Me podría dar ..., por favor? — Mag ik ... alsjeblieft?
    ¿Me podría dar ..., por favor? Mag ik ... alsjeblieft?

    ¿Me podría dar agua, por favor? Mag ik water alsjeblieft?

  70. Me gustaría — ik zou graag ... willen
    Me gustaría ik zou graag ... willen

    Me gustaría un poco más de té. Ik zou graag nog wat thee willen.

  71. ¿Puedo...? — Mag ik ...?
    ¿Puedo...? Mag ik ...?

    ¿Puedo tener un poco de agua? Mag ik wat water?

  72. ¿Está bien si...? — Is het goed als ...?
    ¿Está bien si...? Is het goed als ...?

    ¿Está bien si me siento? Is het goed als ik ga zitten?

  73. cero — nul
    cero nul

    Cero es menor que uno. Nul is minder dan één.

  74. uno — één
    uno één

    Tengo una manzana. Ik heb één appel.

  75. dos — twee
    dos twee

    Hay dos gatos. Er zijn twee katten.

  76. tres — drie
    tres drie

    No, tres es demasiado. Nee, drie is te veel.

  77. cuatro — vier
    cuatro vier

    Dame cuatro, por favor. Geef me er vier, alsjeblieft.

  78. cinco — vijf
    cinco vijf

    Tengo cinco perros. Ik heb vijf honden.

  79. seis — zes
    seis zes

    Vino con seis amigos. Hij kwam met zes vrienden.

  80. siete — zeven
    siete zeven

    Estoy corriendo siete kilómetros. Ik ren zeven kilometer.

  81. ocho — acht
    ocho acht

    Una araña tiene ocho patas. Een spin heeft acht poten.

  82. nueve — negen
    nueve negen

    Nueve es mi número de la suerte. Negen is mijn geluksgetal.

  83. diez — tien
    diez tien

    Tenemos diez dedos. Wij hebben tien vingers.

  84. más — plus
    más plus

    Dos más dos es cuatro. Twee plus twee is vier.

  85. No entiendo. — Ik begrijp het niet
    No entiendo. Ik begrijp het niet

    No entiendo. Ik begrijp het niet.

  86. ¿Puedes repetir eso, por favor? — Kun je dat alsjeblieft herhalen?
    ¿Puedes repetir eso, por favor? Kun je dat alsjeblieft herhalen?

    ¿Puedes repetir eso, por favor? Kun je dat alsjeblieft herhalen?

  87. Más despacio, por favor. — Iets langzamer, alsjeblieft.
    Más despacio, por favor. Iets langzamer, alsjeblieft.

    Más despacio, por favor. Iets langzamer, alsjeblieft.

  88. ¿Qué significa eso? — Wat betekent dat?
    ¿Qué significa eso? Wat betekent dat?

    ¿Qué significa eso? Wat betekent dat?

  89. ¿Cómo se dice eso en...? — Hoe zeg je dat in ...?
    ¿Cómo se dice eso en...? Hoe zeg je dat in ...?

    ¿Cómo se dice eso en español? Hoe zeg je dat in het Spaans?

  90. ¿Cómo se deletrea eso? — Hoe spel je dat?
    ¿Cómo se deletrea eso? Hoe spel je dat?

    ¿Cómo se deletrea eso? Hoe spel je dat?

  91. ¿Puedes anotarlo? — Kun je het opschrijven?
    ¿Puedes anotarlo? Kun je het opschrijven?

    ¿Puedes anotarlo, por favor? Kun je het opschrijven, alsjeblieft?

  92. ¿Me puedes enseñar? — Kun je me ... laten zien
    ¿Me puedes enseñar? Kun je me ... laten zien

    ¿Me puedes enseñar la foto? Kun je me de foto laten zien?

  93. ¿Hablas...? — Spreek je ...?
    ¿Hablas...? Spreek je ...?

    ¿Hablas inglés? Spreek je Engels?

  94. Un momento, por favor — Een momentje, alsjeblieft.
    Un momento, por favor Een momentje, alsjeblieft.

    Un momento, por favor. Een momentje, alsjeblieft.

  95. Creo que sí — Ik denk het wel.
    Creo que sí Ik denk het wel.

    Yo también creo que sí. Ik denk het ook.

  96. No sé — Ik weet het niet.
    No sé Ik weet het niet.

    No sé. Ik weet het niet.

  97. este — dit
    este dit

    Este es mi carro rojo. Dit is mijn rode auto.

  98. ese — die
    ese die

    Ese perro es muy amigable. Die hond is erg vriendelijk.

  99. aquí — hier
    aquí hier

    Me gusta estar aquí. Ik vind het fijn om hier te zijn.

  100. allí — daar
    allí daar

    Nos encontramos allí después del trabajo. We spreken daar na het werk af.

Woorden 101–200

  1. otro — nog een
    otro nog een

    Quiere otro trozo de pastel. Hij wil nog een stukje taart.

  2. mismo — hetzelfde
    mismo hetzelfde

    Llevamos la misma camisa azul. Wij dragen hetzelfde blauwe shirt.

  3. estas — deze
    estas deze

    Estas manzanas están listas para comer. Deze appels zijn klaar om te eten.

  4. esas — die
    esas die

    Esas galletas se ven muy bien. Die koekjes zien er erg lekker uit.

  5. aquí mismo — precies hier
    aquí mismo precies hier

    Las llaves están aquí mismo. De sleutels liggen precies hier.

  6. por allí — daar
    por allí daar

    Mis zapatos están por allí. Mijn schoenen staan daar.

  7. encima de — boven op
    encima de boven op

    El gato está encima de la mesa. De kat zit boven op de tafel.

  8. debajo de — onder
    debajo de onder

    El perro está debajo de la mesa. De hond zit onder de tafel.

  9. ¿Qué tal? — Hoe gaat het?
    ¿Qué tal? Hoe gaat het?

    ¿Qué tal? Hoe gaat het?

  10. ¡Cuánto tiempo sin vernos! — Lang niet gezien.
    ¡Cuánto tiempo sin vernos! Lang niet gezien.

    ¡Cuánto tiempo sin vernos! Lang niet gezien.

  11. ¿Qué te gusta? — Waar geniet je van
    ¿Qué te gusta? Waar geniet je van

    ¿Qué te gusta? Waar geniet je van?

  12. ¿Qué andas haciendo? — Wat ben je aan het doen ...?
    ¿Qué andas haciendo? Wat ben je aan het doen ...?

    ¿Qué andas haciendo ahora? Wat ben je nu aan het doen?

  13. Que tengas un buen día — Prettige dag
    Que tengas un buen día Prettige dag

    ¡Que tengas un buen día, John! Prettige dag nog, John!

  14. Cuídate — Pas goed op jezelf
    Cuídate Pas goed op jezelf

    Cuídate. Nos vemos mañana. Pas goed op jezelf. Tot morgen.

  15. ¡Buena suerte! — Veel succes!
    ¡Buena suerte! Veel succes!

    ¡Buena suerte! ¡Creo en ti! Veel succes! Ik geloof in je!

  16. ¡Felicidades! — Gefeliciteerd!
    ¡Felicidades! Gefeliciteerd!

    ¡Felicidades! Terminaste el trabajo duro. Gefeliciteerd! Je hebt het zware werk afgerond.

  17. ¡Salud! — Proost!
    ¡Salud! Proost!

    ¡Salud! Proost!

  18. No hay problema — Geen probleem
    No hay problema Geen probleem

    No hay problema, puedo ayudarte. Geen probleem, ik kan je helpen.

  19. No te preocupes — Maak je geen zorgen
    No te preocupes Maak je geen zorgen

    No te preocupes, todo estará bien. Maak je geen zorgen, het komt wel goed.

  20. Suena bien — Dat klinkt goed
    Suena bien Dat klinkt goed

    Me suena bien, ¡gracias! Dat klinkt goed voor mij, bedankt!

  21. saber — weten
    saber weten

    Sabes la respuesta ahora. Je weet het antwoord nu.

  22. preguntar — vragen
    preguntar vragen

    Puedes preguntar a tu hermano. Je kunt het aan je broer vragen.

  23. oír — horen
    oír horen

    ¿Puedes oír ese sonido? Kun je dat geluid horen?

  24. aprender — leren
    aprender leren

    Aprendes algo nuevo cada día. Je leert elke dag iets nieuws.

  25. hablar con — praten met
    hablar con praten met

    ¿Te gusta hablar con tus amigos? Vind je het leuk om met je vrienden te praten?

  26. decir — zeggen
    decir zeggen

    Quiero decir algo. Ik wil iets zeggen.

  27. elegir — kiezen
    elegir kiezen

    Tú eliges tu color favorito. Je kiest je favoriete kleur.

  28. escribir — schrijven
    escribir schrijven

    Los estudiantes escriben una historia. De studenten schrijven een verhaal.

  29. llamar — bellen
    llamar bellen

    Voy a llamarte. Ik ga je bellen.

  30. escuchar — luisteren naar
    escuchar luisteren naar

    Escucho la radio. Ik luister naar de radio.

  31. estudiar — studeren
    estudiar studeren

    Estudio mucho para cada examen. Ik moet hard studeren voor elke toets.

  32. contar — vertellen
    contar vertellen

    Él me cuenta su nombre. Hij vertelt me zijn naam.

  33. encontrarse — ontmoeten
    encontrarse ontmoeten

    Me encontraré contigo mañana. Ik ontmoet je morgen.

  34. unirse — zich aansluiten bij
    unirse zich aansluiten bij

    Ella se unirá a nuestro grupo. Zij zal zich bij onze groep aansluiten.

  35. disfrutar — genieten van
    disfrutar genieten van

    Nosotros disfrutamos de la música. Wij genieten van de muziek.

  36. describir — beschrijven
    describir beschrijven

    El niño describió al animal. De jongen beschreef het dier.

  37. explicar — uitleggen
    explicar uitleggen

    Ella explicará el problema. Zij zal het probleem uitleggen.

  38. enseñar — lesgeven
    enseñar lesgeven

    Yo les enseño a los nuevos estudiantes. Ik lesgeef de nieuwe studenten.

  39. presentar — voorstellen
    presentar voorstellen

    Te presentaré a mi amigo. Ik zal mijn vriend voorstellen.

  40. aceptar — accepteren
    aceptar accepteren

    Ella acepta el regalo. Zij accepteert het cadeau.

  41. rechazar — weigeren
    rechazar weigeren

    El niño rechaza la comida. Het kind weigert het eten.

  42. prometer — beloven
    prometer beloven

    Te prometo ayudarte. Ik beloof dat ik je zal helpen.

  43. discutir — bespreken
    discutir bespreken

    Ellos discuten el nuevo plan. Zij bespreken het nieuwe plan.

  44. contactar — contact opnemen met
    contactar contact opnemen met

    Contactaré con el médico. Ik zal contact opnemen met de dokter.

  45. reír — lachen
    reír lachen

    Los niños se ríen a carcajadas. De kinderen lachen hard.

  46. gritar — schreeuwen
    gritar schreeuwen

    El niño grita pidiendo ayuda. De jongen schreeuwt om hulp.

  47. susurrar — fluisteren
    susurrar fluisteren

    Él me susurra al oído. Hij fluistert in mijn oor.

  48. saludar — zwaaien
    saludar zwaaien

    Ella saluda con la mano al despedirse. Ze zwaait gedag.

  49. asentir — knikken
    asentir knikken

    La mujer asiente con la cabeza. De vrouw knikt met haar hoofd.

  50. abrazar — knuffelen
    abrazar knuffelen

    La madre abraza a su hijo. De moeder knuffelt haar kind.

  51. besar — kussen
    besar kussen

    La madre besa a su hijo. De moeder kust haar kind.

  52. señalar — wijzen
    señalar wijzen

    El niño señala al perro. Het kind wijst naar de hond.

  53. parpadear — knipperen
    parpadear knipperen

    Él parpadea rápidamente. Hij knippert snel met zijn ogen.

  54. fruncir el ceño — fronsen
    fruncir el ceño fronsen

    El padre le frunce el ceño a su hijo. De vader fronst naar zijn zoon.

  55. bostezar — gapen
    bostezar gapen

    El hombre cansado bosteza. De vermoeide man gaapt.

  56. olfatear — snuiven
    olfatear snuiven

    El perro olfatea la comida. De hond snuift aan het eten.

  57. bueno — goed
    bueno goed

    Ella es una buena persona. Zij is een goede persoon.

  58. malo — slecht
    malo slecht

    Esa leche huele mal. Die melk ruikt slecht.

  59. grande — groot
    grande groot

    El perro grande puede saltar. De grote hond kan springen.

  60. pequeño — klein
    pequeño klein

    El bebé tiene manos pequeñas. De baby heeft kleine handjes.

  61. incorrecto — fout
    incorrecto fout

    Tu respuesta es incorrecta. Je antwoord is fout.

  62. fácil — makkelijk
    fácil makkelijk

    Este problema de matemáticas es fácil. Deze som is makkelijk.

  63. difícil — moeilijk
    difícil moeilijk

    Ese examen fue difícil. Die toets was moeilijk.

  64. rápido — snel
    rápido snel

    Los carros van muy rápido. Auto's rijden erg snel.

  65. lento — langzaam
    lento langzaam

    La tortuga es muy lenta. De schildpad is erg langzaam.

  66. nuevo — nieuw
    nuevo nieuw

    Este es un carro nuevo. Dit is een nieuwe auto.

  67. verdadero — waar
    verdadero waar

    ¿Es esta historia verdadera? Is dit verhaal waar?

  68. falso — onjuist
    falso onjuist

    La respuesta es falsa. Het antwoord is onjuist.

  69. Quiero — Ik wil
    Quiero Ik wil

    Quiero comer pizza. Ik wil pizza eten.

  70. Necesito — ik moet ...
    Necesito ik moet ...

    Necesito llamarla. Ik moet haar bellen.

  71. Voy a — ik ga ...
    Voy a ik ga ...

    Voy a comer pronto. Ik ga zo eten.

  72. Me gustaría — ik zou graag ...
    Me gustaría ik zou graag ...

    Me gustaría jugar al tenis. Ik zou graag tennissen.

  73. Tengo que — ik moet
    Tengo que ik moet

    Tengo que irme ahora. Ik moet nu gaan.

  74. ¿Puedo...? — Mag ik ...
    ¿Puedo...? Mag ik ...

    ¿Puedo tomar agua, por favor? Mag ik water, alsjeblieft?

  75. Ayúdame con — help me met ...
    Ayúdame con help me met ...

    Por favor, ayúdame con esta bolsa. Help me alsjeblieft met deze tas.

  76. Muéstrame cómo — laat me zien hoe je ...
    Muéstrame cómo laat me zien hoe je ...

    Muéstrame cómo hacer esto. Laat me zien hoe je dit doet.

  77. No puedo ... ahora mismo — Ik kan nu niet ...
    No puedo ... ahora mismo Ik kan nu niet ...

    No puedo ayudar ahora mismo. Ik kan nu niet helpen.

  78. Estoy intentando — Ik probeer te
    Estoy intentando Ik probeer te

    Estoy intentando dormir ahora. Ik probeer te slapen nu.

  79. ¿Es posible...? — Is het mogelijk om ...
    ¿Es posible...? Is het mogelijk om ...

    ¿Es posible nadar aquí? Is het mogelijk om hier te zwemmen?

  80. ¿Dónde puedo...? — Waar kan ik ...
    ¿Dónde puedo...? Waar kan ik ...

    ¿Dónde puedo almorzar? Waar kan ik lunchen?

  81. el lunes — maandag
    el lunes maandag

    El lunes es el primer día. Maandag is de eerste dag.

  82. el martes — dinsdag
    el martes dinsdag

    El martes siempre es divertido. Dinsdag is altijd leuk.

  83. el miércoles — woensdag
    el miércoles woensdag

    Ella va a casa el miércoles. Ze gaat woensdag naar huis.

  84. el jueves — donderdag
    el jueves donderdag

    Él viene el jueves. Hij komt op donderdag.

  85. el viernes — vrijdag
    el viernes vrijdag

    El viernes es el mejor día. Vrijdag is de beste dag.

  86. el sábado — zaterdag
    el sábado zaterdag

    Salgo el sábado. Ik vertrek op zaterdag.

  87. el domingo — zondag
    el domingo zondag

    Descansaré el domingo. Ik ga op zondag uitrusten.

  88. el día de semana — de doordeweekse dag
    el día de semana de doordeweekse dag

    Ella trabaja todas las mañanas de los días de semana. Ze werkt elke doordeweekse ochtend.

  89. el fin de semana — het weekend
    el fin de semana het weekend

    ¿A quién no le gusta el fin de semana? Wie houdt er niet van het weekend?

  90. a diario — dagelijks
    a diario dagelijks

    Leemos el periódico a diario. Wij lezen dagelijks de krant.

  91. semanalmente — wekelijks
    semanalmente wekelijks

    Suelo ver las noticias semanalmente. Ik kijk meestal wekelijks naar het nieuws.

  92. mensual — maandelijks
    mensual maandelijks

    Pagan el precio mensual. Zij betalen de maandelijkse prijs.

  93. el día — de dag
    el día de dag

    Esperamos durante un día. We hebben één dag gewacht.

  94. la noche — de nacht
    la noche de nacht

    Dormimos por la noche. Wij slapen 's nachts.

  95. la semana — de week
    la semana de week

    Nos quedamos por una semana. We zijn één week gebleven.

  96. el mes — de maand
    el mes de maand

    Él trabajó durante un mes. Hij heeft één maand gewerkt.

  97. el año — het jaar
    el año het jaar

    Esperamos durante un año. We hebben één jaar gewacht.

  98. el tiempo — de tijd
    el tiempo de tijd

    Necesitamos más tiempo. We hebben meer tijd nodig.

  99. el momento — het moment
    el momento het moment

    Él esperó un momento. Hij wachtte even een moment.

  100. el futuro — de toekomst
    el futuro de toekomst

    Pienso en el futuro. Ik denk na over de toekomst.

Woorden 201–300

  1. en punto — uur
    en punto uur

    Me despierto a las siete en punto. Ik word om zeven uur wakker.

  2. la medianoche — de middernacht
    la medianoche de middernacht

    Saldremos a medianoche. We vertrekken om middernacht.

  3. el mediodía — de middag
    el mediodía de middag

    El sol calienta mucho al mediodía. De zon is heet op de middag.

  4. esta noche — vanavond
    esta noche vanavond

    Los invitados llegarán esta noche. De gasten komen vanavond aan.

  5. la ayuda — de hulp
    la ayuda de hulp

    ¡Ayuda! Estoy en problemas. Hulp! Ik zit in de problemen.

  6. el peligro — het gevaar
    el peligro het gevaar

    ¡Estamos en peligro! We zijn in gevaar!

  7. la policía — de politie
    la policía de politie

    ¡Llama a la policía! Bel de politie!

  8. el doctor — de dokter
    el doctor de dokter

    ¡Necesito un doctor! Ik heb een dokter nodig!

  9. la ambulancia — de ambulance
    la ambulancia de ambulance

    ¡Llama a una ambulancia! Bel een ambulance!

  10. el bombero — de brandweerman
    el bombero de brandweerman

    Los bomberos son héroes. De brandweermannen zijn helden.

  11. el accidente — het ongeluk
    el accidente het ongeluk

    Tuve un accidente. Ik heb een ongeluk gehad.

  12. proteger — beschermen
    proteger beschermen

    La policía nos protege. De politie moet ons beschermen.

  13. advertir — waarschuwen
    advertir waarschuwen

    ¡Necesito advertirles! Ik moet ze waarschuwen!

  14. la alarma — de wekker
    la alarma de wekker

    ¡La alarma sonó! De wekker ging af!

  15. el incendio — de brand
    el incendio de brand

    ¡Hay un incendio! Er is brand!

  16. el humo — de rook
    el humo de rook

    ¡Está saliendo humo del edificio! Er komt rook uit het gebouw!

  17. trabajar como — werken als
    trabajar como werken als

    Ellas trabajan como enfermeras de hospital. Ze werken als verpleegkundigen in het ziekenhuis.

  18. comprar — kopen
    comprar kopen

    Puedes comprar fruta aquí. Je kunt hier fruit kopen.

  19. pagar — betalen
    pagar betalen

    Debes pagar esto. Je moet hiervoor betalen.

  20. vender — verkopen
    vender verkopen

    Aquí venden fruta fresca. Ze verkopen hier vers fruit.

  21. poner — leggen
    poner leggen

    Él pone el libro sobre la mesa. Hij legt het boek op tafel.

  22. sentarse — zitten
    sentarse zitten

    Emma se sienta en esa silla. Emma zit in die stoel.

  23. pararse — staan
    pararse staan

    Me paro junto a la puerta. Ik sta bij de deur.

  24. nadar — zwemmen
    nadar zwemmen

    Pueden nadar rápido. Zij kunnen snel zwemmen.

  25. conducir — rijden
    conducir rijden

    Necesitas conducir con cuidado. Je moet voorzichtig rijden.

  26. planear — plannen
    planear plannen

    Ellos planean visitar pronto. Zij plannen om binnenkort op bezoek te komen.

  27. terminar — afmaken
    terminar afmaken

    Él puede terminar la tarea más tarde. Hij kan zijn huiswerk later afmaken.

  28. dar — geven
    dar geven

    Doy regalos a mis amigos. Ik geef cadeaus aan vrienden.

  29. once — elf
    once elf

    Siempre recibo once piezas. Ik krijg altijd elf stukken.

  30. doce — twaalf
    doce twaalf

    Hay doce huevos en una caja. Er zitten twaalf eieren in een doos.

  31. trece — dertien
    trece dertien

    El número trece trae mala suerte. Het getal dertien brengt ongeluk.

  32. catorce — veertien
    catorce veertien

    El apartamento tiene catorce pisos. Het appartementencomplex heeft veertien verdiepingen.

  33. quince — vijftien
    quince vijftien

    Abro el libro en la página quince. Ik sla het boek open op pagina vijftien.

  34. dieciséis — zestien
    dieciséis zestien

    ¡Eso es dieciséis veces más! Dat is zestien keer meer!

  35. diecisiete — zeventien
    diecisiete zeventien

    Tenemos diecisiete lápices. Wij hebben zeventien potloden.

  36. dieciocho — achttien
    dieciocho achttien

    Mide dieciocho metros de alto. Het is achttien meter hoog.

  37. diecinueve — negentien
    diecinueve negentien

    El diecinueve es mi número favorito. Negentien is mijn lievelingsgetal.

  38. veinte — twintig
    veinte twintig

    Ella necesita veinte manzanas pequeñas. Zij heeft twintig kleine appels nodig.

  39. treinta — dertig
    treinta dertig

    Él tiene treinta años. Hij is dertig jaar oud.

  40. cien — honderd
    cien honderd

    Él contó hasta cien. Hij telde tot honderd.

  41. cuarenta — veertig
    cuarenta veertig

    Ella tiene cuarenta lápices en total. Ze heeft in totaal veertig potloden.

  42. cincuenta — vijftig
    cincuenta vijftig

    Él tiene cincuenta dólares. Hij heeft vijftig dollar.

  43. sesenta — zestig
    sesenta zestig

    John tiene sesenta años. John is zestig jaar oud.

  44. setenta — zeventig
    setenta zeventig

    Mi abuelo tiene setenta años. Mijn opa is zeventig.

  45. ochenta — tachtig
    ochenta tachtig

    Tengo ochenta gramos de azúcar. Ik heb tachtig gram suiker.

  46. noventa — negentig
    noventa negentig

    Tiene noventa libros para leer. Hij heeft negentig boeken om te lezen.

  47. mil — duizend
    mil duizend

    Mil es un número grande. Duizend is een groot getal.

  48. millón — miljoen
    millón miljoen

    Ese carro cuesta un millón de dólares. Die auto kost een miljoen dollar.

  49. la mitad — helft
    la mitad helft

    Se comió la mitad de la pizza. Hij at de helft van de pizza op.

  50. el cuarto — het kwart
    el cuarto het kwart

    Solo queda un cuarto de ellos. Er is nog maar een kwart van over.

  51. la docena — het dozijn
    la docena het dozijn

    Compro una docena de huevos en la tienda. Ik koop een dozijn eieren in de winkel.

  52. el par — het paar
    el par het paar

    Ese par de zapatos está limpio. Dat paar schoenen is schoon.

  53. primero — eerste
    primero eerste

    Ganó el primer lugar fácilmente. Hij won gemakkelijk de eerste plaats.

  54. segundo — tweede
    segundo tweede

    Esta es mi segunda vez aquí. Dit is de tweede keer dat ik hier ben.

  55. tercero — derde
    tercero derde

    Terminaron en tercer lugar. Ze eindigden op de derde plaats.

  56. cuarto — vierde
    cuarto vierde

    Estoy cuarto en la fila. Ik sta als vierde in de rij.

  57. quinto — vijfde
    quinto vijfde

    Está en la quinta fila. Zij zit in de vijfde rij.

  58. sexto — zesde
    sexto zesde

    Él es la sexta persona. Hij is de zesde persoon.

  59. séptimo — zevende
    séptimo zevende

    Ellos viven en el séptimo piso. Ze wonen op de zevende verdieping.

  60. octavo — achtste
    octavo achtste

    Esta es la octava manzana. Dit is de achtste appel.

  61. noveno — negende
    noveno negende

    El noveno día es festivo. De negende dag is een feestdag.

  62. décimo — tiende
    décimo tiende

    Ella ocupa el décimo lugar. Zij staat op de tiende plaats.

  63. undécimo — elfde
    undécimo elfde

    Celebran su undécimo aniversario. Ze vieren hun elfde jubileum.

  64. duodécimo — twaalfde
    duodécimo twaalfde

    Ese es el duodécimo mes. Dat is de twaalfde maand.

  65. siempre — altijd
    siempre altijd

    Siempre tomo café por la mañana. Ik drink 's ochtends altijd koffie.

  66. normalmente — meestal
    normalmente meestal

    Él normalmente almuerza al mediodía. Hij eet meestal rond het middaguur zijn lunch.

  67. a menudo — vaak
    a menudo vaak

    La gente a menudo come pizza aquí. Mensen eten hier vaak pizza.

  68. a veces — soms
    a veces soms

    Ella a veces va a la biblioteca. Zij gaat soms naar de bibliotheek.

  69. rara vez — zelden
    rara vez zelden

    Rara vez como comida rápida. Ik eet zelden fastfood.

  70. nunca — nooit
    nunca nooit

    Ellos nunca van a esa tienda. Zij gaan nooit naar die winkel.

  71. todos los días — elke dag
    todos los días elke dag

    Comemos chocolate todos los días. Wij eten elke dag chocolade.

  72. cada semana — elke week
    cada semana elke week

    Ella nada cada semana. Zij zwemt elke week.

  73. los fines de semana — in het weekend
    los fines de semana in het weekend

    Me relajo los fines de semana en casa. Ik ontspan in het weekend thuis.

  74. por la mañana — in de ochtend
    por la mañana in de ochtend

    La gente desayuna por la mañana. Mensen eten 's ochtends ontbijt.

  75. por la noche — ’s nachts
    por la noche ’s nachts

    Ellos duermen por la noche en sus camas. Ze slapen ’s nachts in hun bedden.

  76. después del trabajo — na het werk
    después del trabajo na het werk

    Se relaja después del trabajo todos los días. Hij ontspant elke dag na het werk.

  77. una vez a la — één keer per ...
    una vez a la één keer per ...

    Voy una vez a la semana. Ik ga één keer per week.

  78. dos veces a la — twee keer per
    dos veces a la twee keer per

    Mi papá visita dos veces a la semana. Mijn vader komt twee keer per week op bezoek.

  79. cada dos — om de ...
    cada dos om de ...

    Ellos visitan cada dos semanas. Ze komen om de week langs.

  80. al menos — ten minste
    al menos ten minste

    Come al menos una manzana cada día. Hij eet ten minste één appel per dag.

  81. como máximo — hooguit
    como máximo hooguit

    Compraré dos como máximo. Ik koop er hooguit twee.

  82. más que — meer dan
    más que meer dan

    Esto es más que suficiente comida. Dit is meer dan genoeg eten.

  83. menos que — minder dan
    menos que minder dan

    Sacaste menos que la vez pasada. Je hebt minder dan de vorige keer.

  84. un poco — een beetje
    un poco een beetje

    Él necesita un poco de ayuda. Hij heeft een beetje hulp nodig.

  85. un poco — een beetje
    un poco een beetje

    Comió un poco de pastel. Ze at een beetje van de taart.

  86. mucho — veel
    mucho veel

    Estudio mucho. Ik studeer veel.

  87. demasiado — te veel
    demasiado te veel

    Comieron demasiado pastel. Ze aten te veel taart.

  88. no es suficiente — niet genoeg
    no es suficiente niet genoeg

    Esta cantidad no es suficiente. Dit bedrag is niet genoeg.

  89. hace — geleden
    hace geleden

    Llegué hace dos días. Ik ben twee dagen geleden aangekomen.

  90. pronto — binnenkort
    pronto binnenkort

    Mi amigo llegará pronto. Mijn vriend komt binnenkort aan.

  91. todavía — nog
    todavía nog

    Todavía tengo hambre. Ik heb nog honger.

  92. alguna vez — ooit
    alguna vez ooit

    ¿Has visto alguna vez el océano? Heb je ooit de oceaan gezien?

  93. todavía — nog niet
    todavía nog niet

    Mi amigo no ha llegado todavía. Mijn vriend is nog niet gearriveerd.

  94. inmediatamente — meteen
    inmediatamente meteen

    Necesito ayuda inmediatamente. Ik heb meteen hulp nodig.

  95. tal vez — misschien
    tal vez misschien

    Tal vez ella venga más tarde. Misschien komt ze later.

  96. algún día — eens
    algún día eens

    Nos reuniremos algún día. We zullen elkaar eens ontmoeten.

  97. en cualquier momento — altijd
    en cualquier momento altijd

    Puedes visitarnos en cualquier momento. Je kunt ons altijd bezoeken.

  98. antes de — vóór
    antes de vóór

    Nos fuimos antes de la tormenta. Wij vertrokken vóór de storm.

  99. después de — na
    después de na

    Nos iremos después de la comida. We vertrekken na de maaltijd.

  100. hoy en día — tegenwoordig
    hoy en día tegenwoordig

    La gente viaja más hoy en día. Mensen reizen tegenwoordig meer.

Woorden 301–400

  1. enero — januari
    enero januari

    Enero es el primer mes. Januari is de eerste maand.

  2. febrero — februari
    febrero februari

    Febrero suele ser un mes corto. Februari is meestal een korte maand.

  3. marzo — maart
    marzo maart

    Suelo visitarlos en marzo. Ik bezoek hen meestal in maart.

  4. abril — april
    abril april

    El partido de baloncesto es en abril. De basketbalwedstrijd is in april.

  5. mayo — mei
    mayo mei

    Mi examen final es en mayo. Mijn eindexamen is in mei.

  6. junio — juni
    junio juni

    Sabré la respuesta para junio. Ik weet het antwoord in juni.

  7. julio — juli
    julio juli

    Julio es normalmente un mes muy cálido. Juli is meestal een erg warme maand.

  8. agosto — augustus
    agosto augustus

    ¿Podemos vernos de nuevo en agosto? Kunnen we in augustus weer afspreken?

  9. septiembre — september
    septiembre september

    Mis vacaciones son en septiembre. Mijn vakantie is in september.

  10. octubre — oktober
    octubre oktober

    ¿Es tu cumpleaños en octubre? Is je verjaardag in oktober?

  11. noviembre — november
    noviembre november

    ¿Por qué llueve en noviembre? Waarom regent het in november?

  12. diciembre — december
    diciembre december

    Diciembre es el último mes. december is de laatste maand.

  13. sobre — over
    sobre over

    El gato salta sobre la caja. De kat springt over de doos.

  14. bajo — onder
    bajo onder

    Viven bajo un árbol grande. Ze wonen onder een grote boom.

  15. a través de — door
    a través de door

    Él camina a través de la puerta. Hij loopt door de deur.

  16. por — langs
    por langs

    Caminamos por la playa. Wij lopen langs het strand.

  17. por — rond
    por rond

    La gente camina por el parque. Mensen lopen rond het park.

  18. al otro lado de — aan de overkant van
    al otro lado de aan de overkant van

    Voy al otro lado de la calle. Ik ga aan de overkant van de straat.

  19. en — in
    en in

    Él entra lentamente en la habitación. Hij loopt langzaam de kamer in.

  20. fuera de — uit
    fuera de uit

    El niño corre fuera de la escuela. Het kind rent de school uit.

  21. arriba — omhoog
    arriba omhoog

    Ella mira arriba a las nubes. Ze kijkt omhoog naar de wolken.

  22. abajo — neer
    abajo neer

    El perro puso la pelota abajo. De hond legde de bal neer.

  23. la planta alta — naar boven
    la planta alta naar boven

    Voy a la planta alta a dormir. Ik ga naar boven om te slapen.

  24. la planta baja — beneden
    la planta baja beneden

    Escucho ruidos en la planta baja. Ik hoor geluiden beneden.

  25. traer — meebrengen
    traer meebrengen

    Traen comida a la fiesta. Zij brengen eten mee naar het feest.

  26. tomar — pakken
    tomar pakken

    Siempre tomas mi bolígrafo. Je pakt altijd mijn pen.

  27. llevar — dragen
    llevar dragen

    Él puede llevar la caja. Hij kan de doos dragen.

  28. recoger — ophalen
    recoger ophalen

    ¿Puedes recoger el paquete? Kun je het pakketje ophalen?

  29. dejar caer — laten vallen
    dejar caer laten vallen

    Si dejo caer el teléfono, se romperá. Als ik de telefoon laat vallen, gaat hij kapot.

  30. pasar — aanreiken
    pasar aanreiken

    ¿Me pasas la sal? Kun je me het zout aanreiken?

  31. dejar — neerzetten
    dejar neerzetten

    Dejamos nuestras mochilas. Wij zetten onze rugzakken neer.

  32. recoger — opruimen
    recoger opruimen

    Recojo mis juguetes. Ik ruim mijn speelgoed op.

  33. sacar — buitenzetten
    sacar buitenzetten

    Ella sacará la basura. Zij buitenzet het vuilnis.

  34. colgar — ophangen
    colgar ophangen

    Ellos cuelgan sus abrigos. Ze hangen hun jassen op.

  35. encender — aanzetten
    encender aanzetten

    Enciendes la luz. Je zet het licht aan.

  36. apagar — uitzetten
    apagar uitzetten

    ¿Alguien puede apagar la radio? Kan iemand de radio uitzetten?

  37. saltar — springen
    saltar springen

    El gato salta sobre el muro. De kat springt over de muur.

  38. lanzar — gooien
    lanzar gooien

    El niño lanza la piedra. De jongen gooit de steen.

  39. atrapar — vangen
    atrapar vangen

    Él atrapa la pelota. Hij vangt de bal.

  40. montar — rijden
    montar rijden

    El niño monta a caballo. De jongen rijdt op een paard.

  41. volar — vliegen
    volar vliegen

    Los pájaros vuelan en el cielo. De vogels vliegen in de lucht.

  42. gatear — kruipen
    gatear kruipen

    El bebé gatea por el suelo. De baby kruipt op de vloer.

  43. saltarse — overslaan
    saltarse overslaan

    Ella se saltó la primera página. Zij sloeg de eerste pagina over.

  44. patear — schoppen
    patear schoppen

    El niño patea la pelota. Het kind schopt tegen de bal.

  45. rebotar — stuiteren
    rebotar stuiteren

    La pelota rebota en el suelo. De bal stuitert op de grond.

  46. trepar — klimmen
    trepar klimmen

    El gato trepa el árbol. De kat klimt in de boom.

  47. tirarse — duiken
    tirarse duiken

    El niño se tira al agua. De jongen duikt in het water.

  48. deslizarse — glijden
    deslizarse glijden

    La caja se desliza por el suelo. De doos glijdt over de vloer.

  49. pellizcar — knijpen
    pellizcar knijpen

    Él me pellizcó el brazo. Hij kneep in mijn arm.

  50. apretar — knijpen
    apretar knijpen

    Ella me aprieta la mano. Zij knijpt in mijn hand.

  51. picar — prikken
    picar prikken

    El niño me picó el brazo. Het kind prikte in mijn arm.

  52. acariciar — aaien
    acariciar aaien

    El niño acaricia al perro. De jongen aait de hond.

  53. frotar — wrijven
    frotar wrijven

    Me froto los ojos cansados. Ik wrijf in mijn vermoeide ogen.

  54. retorcer — draaien
    retorcer draaien

    El hombre retuerce la cuerda. De man draait aan het touw.

  55. sacudir — schudden
    sacudir schudden

    El bebé sacude el juguete. De baby schudt met het speelgoed.

  56. doblar — vouwen
    doblar vouwen

    Yo doblo el papel. Ik vouw het papier.

  57. presionar — drukken op
    presionar drukken op

    Ella presiona el botón rojo. Zij drukt op de rode knop.

  58. atar — bevestigen
    atar bevestigen

    Él atará la cuerda. Hij zal het touw bevestigen.

  59. tirar — trekken
    tirar trekken

    El hombre tira de la cuerda pesada. De man trekt aan het zware touw.

  60. hacer la maleta — inpakken
    hacer la maleta inpakken

    Yo hago la maleta. Ik pak mijn tas in.

  61. ¿Dónde está...? — Waar is de ...
    ¿Dónde está...? Waar is de ...

    ¿Dónde está el hotel? Waar is het hotel?

  62. ¿Hay ... cerca? — Is er een ... in de buurt
    ¿Hay ... cerca? Is er een ... in de buurt

    ¿Hay un banco cerca? Is er een bank in de buurt?

  63. ¿Cómo llego a...? — Hoe kom ik bij ...?
    ¿Cómo llego a...? Hoe kom ik bij ...?

    ¿Cómo llego a la escuela? Hoe kom ik bij school?

  64. ¿Qué autobús va a...? — Welke bus gaat naar ...?
    ¿Qué autobús va a...? Welke bus gaat naar ...?

    ¿Qué autobús va a la ciudad? Welke bus gaat naar het centrum?

  65. ¿Qué línea va a...? — Welke lijn gaat naar ...
    ¿Qué línea va a...? Welke lijn gaat naar ...

    ¿Qué línea va al museo? Welke lijn gaat naar het museum?

  66. ¿Cuánto tiempo se tarda? — Hoe lang duurt het ...
    ¿Cuánto tiempo se tarda? Hoe lang duurt het ...

    Me pregunto cuánto tiempo se tarda. Ik vraag me af hoe lang het duurt.

  67. ¿A qué distancia está? — Hoe ver is het
    ¿A qué distancia está? Hoe ver is het

    ¿A qué distancia está? Hoe ver is het?

  68. ¿Puedes mostrarme en el mapa? — Kun je me ... op de kaart laten zien?
    ¿Puedes mostrarme en el mapa? Kun je me ... op de kaart laten zien?

    ¿Puedes mostrarme en el mapa? Kun je me op de kaart laten zien?

  69. Estoy buscando — ik zoek
    Estoy buscando ik zoek

    Están buscando un baño. Ze zijn op zoek naar een toilet.

  70. La más cercana — de dichtstbijzijnde
    La más cercana de dichtstbijzijnde

    La más cercana está ahí abajo. De dichtstbijzijnde winkel is daar beneden.

  71. ¿Esto va a...? — Gaat dit naar ...?
    ¿Esto va a...? Gaat dit naar ...?

    ¿Esto va al restaurante? Gaat dit naar het restaurant?

  72. ¿Qué parada para...? — Bij welke halte moet ik zijn voor ...?
    ¿Qué parada para...? Bij welke halte moet ik zijn voor ...?

    ¿Qué parada para el centro? Bij welke halte moet ik zijn voor het centrum?

  73. la estación — het station
    la estación het station

    Esperan en la estación de tren. Ze wachten op het station.

  74. parada de autobús — de bushalte
    parada de autobús de bushalte

    La parada de autobús está cerca. De bushalte is vlakbij.

  75. la estación de metro — de metrohalte
    la estación de metro de metrohalte

    Esta estación de metro está muy concurrida. Deze metrohalte is erg druk.

  76. el hotel — het hotel
    el hotel het hotel

    Puedes reservar un hotel en línea. Je kunt online een hotel boeken.

  77. la farmacia — de apotheek
    la farmacia de apotheek

    Mark trabaja en la farmacia. Mark werkt bij de apotheek.

  78. el banco — de bank
    el banco de bank

    Él va al banco. Hij gaat naar de bank.

  79. el baño — het toilet
    el baño het toilet

    Este es un baño limpio. Dit is een schoon toilet.

  80. el supermercado — de supermarkt
    el supermercado de supermarkt

    Compramos comida en el supermercado. Wij kopen eten in de supermarkt.

  81. el restaurante — het restaurant
    el restaurante het restaurant

    Les gusta mucho ese restaurante. Ze vinden dat restaurant erg leuk.

  82. el café — het café
    el café het café

    Jane trabaja en el café. Jane werkt in het café.

  83. el parque — het park
    el parque het park

    A ella le gusta el parque verde. Ze houdt van het groene park.

  84. el hospital — het ziekenhuis
    el hospital het ziekenhuis

    Un hospital ayuda a las personas enfermas. Een ziekenhuis helpt zieke mensen.

  85. el aeropuerto — de luchthaven
    el aeropuerto de luchthaven

    Llegamos al aeropuerto. We kwamen aan op de luchthaven.

  86. el estadio — het stadion
    el estadio het stadion

    Fuimos al estadio. Wij gingen naar het stadion.

  87. la fábrica — de fabriek
    la fábrica de fabriek

    Esta fábrica fabrica ropa. Deze fabriek maakt kleding.

  88. la universidad — de universiteit
    la universidad de universiteit

    Ella estudia en la universidad. Zij studeert aan de universiteit.

  89. la universidad — de hogeschool
    la universidad de hogeschool

    Ella estudia en la universidad. Zij studeert aan de hogeschool.

  90. el club — de club
    el club de club

    Nos unimos al club deportivo. We zijn lid geworden van de sportclub.

  91. la prisión — de gevangenis
    la prisión de gevangenis

    El criminal escapó de la prisión. De crimineel is uit de gevangenis ontsnapt.

  92. la torre — de toren
    la torre de toren

    Veo la torre alta. Ik zie de hoge toren.

  93. el centro comercial — het winkelcentrum
    el centro comercial het winkelcentrum

    Compré zapatos en el centro comercial. Ik heb schoenen gekocht in het winkelcentrum.

  94. la alcaldía — het gemeentehuis
    la alcaldía het gemeentehuis

    Nos reunimos en la alcaldía. We hebben afgesproken bij het gemeentehuis.

  95. la comisaría — het politiebureau
    la comisaría het politiebureau

    Veo la comisaría. Ik zie het politiebureau.

  96. la estación de bomberos — de brandweerkazerne
    la estación de bomberos de brandweerkazerne

    Vivo cerca de la estación de bomberos. Ik woon vlak bij de brandweerkazerne.

  97. Gira a la izquierda — Sla linksaf
    Gira a la izquierda Sla linksaf

    Gira a la izquierda aquí. Sla linksaf hier.

  98. Dobla a la derecha — sla rechtsaf
    Dobla a la derecha sla rechtsaf

    Dobla a la derecha en el cruce. Sla rechtsaf bij het kruispunt.

  99. Sigue derecho — Ga rechtdoor
    Sigue derecho Ga rechtdoor

    Sigue derecho hasta la escuela. Ga rechtdoor naar school.

  100. Está cerca — Het is dichtbij
    Está cerca Het is dichtbij

    Está cerca. Het is dichtbij.

Woorden 401–500

  1. Está lejos — Het is ver
    Está lejos Het is ver

    Está lejos. Het is ver.

  2. al otro lado de la calle — aan de overkant van de straat
    al otro lado de la calle aan de overkant van de straat

    Él vive al otro lado de la calle. Hij woont aan de overkant van de straat.

  3. en la esquina — op de hoek
    en la esquina op de hoek

    Ella está esperando en la esquina. Ze staat op de hoek te wachten.

  4. en el semáforo — bij het stoplicht
    en el semáforo bij het stoplicht

    Paramos en el semáforo. We stopten bij het stoplicht.

  5. En la intersección — op het kruispunt
    En la intersección op het kruispunt

    El bar está en la intersección. De bar is op het kruispunt.

  6. el paso peatonal — het zebrapad
    el paso peatonal het zebrapad

    Ese paso peatonal es muy seguro. Dat zebrapad is erg veilig.

  7. a una cuadra — één blok verderop
    a una cuadra één blok verderop

    El museo está a una cuadra. Het museum is één blok verderop.

  8. Sigue las señales — de borden volgen
    Sigue las señales de borden volgen

    Sigue las señales a la seguridad. Je moet de borden volgen naar de veiligheid.

  9. la maleta — de koffer
    la maleta de koffer

    ¿Ya empacaste tu maleta? Heb je je koffer al ingepakt?

  10. el imán — de magneet
    el imán de magneet

    El imán pequeño es un regalo. De kleine magneet is een cadeau.

  11. el cepillo de pelo — de haarborstel
    el cepillo de pelo de haarborstel

    Ella no encuentra su cepillo de pelo. Ze kan haar haarborstel niet vinden.

  12. la almohada — het kussen
    la almohada het kussen

    Esta almohada es suave y cálida. Dit kussen is zacht en warm.

  13. la manta — de deken
    la manta de deken

    Toma una manta si tienes frío. Pak een deken als je het koud hebt.

  14. el colchón — de matras
    el colchón de matras

    Nuestro colchón nuevo es muy cómodo. Onze nieuwe matras ligt echt heerlijk.

  15. la cortina — het gordijn
    la cortina het gordijn

    Por favor, abre la cortina, está oscuro. Doe alsjeblieft het gordijn open, het is donker.

  16. las persianas — de jaloezieën
    las persianas de jaloezieën

    Normalmente cierro las persianas por la noche. Ik doe 's avonds meestal de jaloezieën dicht.

  17. la alfombra — het tapijt
    la alfombra het tapijt

    Hay polvo debajo de la alfombra. Er ligt stof onder het tapijt.

  18. el florero — de vaas
    el florero de vaas

    Este florero parece caro. Deze vaas ziet er duur uit.

  19. la escoba — de bezem
    la escoba de bezem

    ¿Este apartamento tiene una escoba? Heeft dit appartement een bezem?

  20. el papel higiénico — het wc-papier
    el papel higiénico het wc-papier

    ¡Oh no, se acabó el papel higiénico! Oh nee, het wc-papier is op!

  21. la lana — de wol
    la lana de wol

    La oveja tiene una lana gruesa. Het schaap heeft dikke wol.

  22. el metal — het metaal
    el metal het metaal

    Necesitamos madera y metal. We hebben hout en metaal nodig.

  23. plástico — plastic
    plástico plastic

    Ella lava el cuenco de plástico. Ze wast de plastic kom.

  24. el cuero — het leer
    el cuero het leer

    Me compré un bolso de cuero nuevo. Ik heb een nieuwe leren tas gekocht.

  25. el algodón — de katoen
    el algodón de katoen

    El agricultor cultiva algodón. De boer verbouwt katoen.

  26. la seda — de zijde
    la seda de zijde

    Esta seda es muy suave. Deze zijde is erg zacht.

  27. el caucho — het rubber
    el caucho het rubber

    La pelota está hecha de caucho. De bal is gemaakt van rubber.

  28. la mezclilla — de denim
    la mezclilla de denim

    Él compró una tela de mezclilla gruesa. Hij kocht dikke denimstof.

  29. cerámico — keramisch
    cerámico keramisch

    Ella lavó el cuenco de cerámica. Ze waste de keramische kom af.

  30. el mármol — het marmer
    el mármol het marmer

    Cortaron el mármol blanco. Ze sneden het witte marmer.

  31. el ladrillo — de baksteen
    el ladrillo de baksteen

    Él sostiene un ladrillo rojo. Hij houdt een rode baksteen vast.

  32. el acero — het staal
    el acero het staal

    Fabrican las herramientas de acero. Ze maken de gereedschappen van staal.

  33. detrás de — achter
    detrás de achter

    Está detrás de ese edificio. Het staat achter dat gebouw.

  34. delante de — voor
    delante de voor

    Ella está delante de mí. Zij staat voor mij.

  35. entre — tussen
    entre tussen

    El parque está entre dos casas. Het park ligt tussen twee huizen.

  36. al lado de — naast
    al lado de naast

    Esa tienda está al lado de mi casa. Die winkel ligt naast mijn huis.

  37. opuesto — de tegenovergestelde
    opuesto de tegenovergestelde

    Vamos en la dirección opuesta. Wij gaan de tegenovergestelde richting op.

  38. enfrente de — tegenover
    enfrente de tegenover

    Vivimos enfrente de la tienda. Wij wonen tegenover de winkel.

  39. a la vuelta de la esquina — om de hoek
    a la vuelta de la esquina om de hoek

    Ahora vive a la vuelta de la esquina. Ze woont nu om de hoek.

  40. hacia — richting
    hacia richting

    Los niños caminan hacia el árbol grande. De kinderen lopen richting de grote boom.

  41. pasar — voorbij
    pasar voorbij

    Tienes que pasar el puente. Je moet voorbij de brug gaan.

  42. al final de la calle — aan het einde van de straat
    al final de la calle aan het einde van de straat

    Vivo al final de la calle. Ik woon aan het einde van de straat.

  43. a la izquierda — aan de linkerkant
    a la izquierda aan de linkerkant

    Ella estaciona a la izquierda. Zij parkeert aan de linkerkant.

  44. a la derecha — aan de rechterkant
    a la derecha aan de rechterkant

    Están a la derecha. Ze staan aan de rechterkant.

  45. sobre — boven
    sobre boven

    El sol está sobre la montaña. De zon staat boven de berg.

  46. bajo — onder
    bajo onder

    El pueblo está bajo la montaña. Het dorp ligt onder de berg.

  47. encima — bovenop
    encima bovenop

    La caja está encima. De doos staat bovenop.

  48. cerca de — vlakbij
    cerca de vlakbij

    Vivo cerca del río. Ik woon vlakbij de rivier.

  49. en el medio — in het midden
    en el medio in het midden

    Él está de pie en el medio. Hij staat in het midden.

  50. dentro de — binnen
    dentro de binnen

    El perro está dentro de la casa. De hond is binnen in het huis.

  51. el lugar — de plek
    el lugar de plek

    Encontramos un lugar seguro. We hebben een veilige plek gevonden.

  52. la tienda — de winkel
    la tienda de winkel

    Compramos comida en la tienda. Wij kopen eten in de winkel.

  53. la casa — het huis
    la casa het huis

    La familia vive en esa casa. Het gezin woont in dat huis.

  54. la estación de autobuses — het busstation
    la estación de autobuses het busstation

    Espero en la estación de autobuses. Ik wacht bij het busstation.

  55. el centro — het stadscentrum
    el centro het stadscentrum

    Vivo cerca del centro. Ik woon vlak bij het stadscentrum.

  56. el centro comercial — het winkelcentrum
    el centro comercial het winkelcentrum

    El centro comercial es muy grande. Het winkelcentrum is erg groot.

  57. la fuente — de fontein
    la fuente de fontein

    Esa fuente tiene agua muy clara. Die fontein heeft heel helder water.

  58. la rotonda — de rotonde
    la rotonda de rotonde

    Esta rotonda ayuda al tráfico. Deze rotonde helpt het verkeer.

  59. la encrucijada — de kruising
    la encrucijada de kruising

    Paramos en la encrucijada. We stopten bij de kruising.

  60. el puente — de brug
    el puente de brug

    La gente cruza el puente. Mensen lopen over de brug.

  61. el túnel — de tunnel
    el túnel de tunnel

    El carro pasa por un túnel. De auto rijdt door een tunnel.

  62. la señal de alto — het stopbord
    la señal de alto het stopbord

    Necesitas respetar la señal de alto. Je moet je aan het stopbord houden.

  63. el paso elevado — het viaduct
    el paso elevado het viaduct

    Construyeron un paso elevado cerca de casa. Ze hebben bij ons in de buurt een viaduct gebouwd.

  64. el paso subterráneo — de tunnel
    el paso subterráneo de tunnel

    Caminaremos por el paso subterráneo. We lopen door de tunnel.

  65. el punto de referencia — de bezienswaardigheid
    el punto de referencia de bezienswaardigheid

    El punto de referencia está cerca del río. De bezienswaardigheid ligt vlak bij de rivier.

  66. la señal de tránsito — het verkeersbord
    la señal de tránsito het verkeersbord

    Esta señal de tránsito significa alto. Dit verkeersbord betekent stoppen.

  67. la estatua — het standbeeld
    la estatua het standbeeld

    Él vio la estatua hermosa. Hij zag het prachtige standbeeld.

  68. el monumento — het monument
    el monumento het monument

    Visitaron el monumento alto. Ze bezochten het hoge monument.

  69. el norte — het noorden
    el norte het noorden

    El norte de esta ciudad es interesante. Het noorden van deze stad is interessant.

  70. el sur — het zuiden
    el sur het zuiden

    El viento viene del sur. De wind komt uit het zuiden.

  71. el este — oosten
    el este oosten

    El viento viene del este. De wind komt uit het oosten.

  72. el oeste — het westen
    el oeste het westen

    El sol se pone en el oeste. De zon gaat onder in het westen.

  73. el noreste — het noordoosten
    el noreste het noordoosten

    Ben vive en la zona noreste. Ben woont in het noordoosten.

  74. el noroeste — het noordwesten
    el noroeste het noordwesten

    Ese estado está en el noroeste. Die staat ligt in het noordwesten.

  75. el sureste — zuidoosten
    el sureste zuidoosten

    Vive en la región sureste. Hij woont in het zuidoosten van het land.

  76. el suroeste — het zuidwesten
    el suroeste het zuidwesten

    Manejaron al suroeste. Ze reden naar het zuidwesten.

  77. vuelta en U — de U-bocht
    vuelta en U de U-bocht

    Esto es una vuelta en U. Dit is een U-bocht.

  78. callejón sin salida — de doodlopende weg
    callejón sin salida de doodlopende weg

    Esa calle es un callejón sin salida. Die straat is een doodlopende weg.

  79. la escalera mecánica — de roltrap
    la escalera mecánica de roltrap

    La escalera mecánica te lleva al último piso. De roltrap brengt je naar de bovenste verdieping.

  80. la rampa — de hellingbaan
    la rampa de hellingbaan

    Las sillas de ruedas necesitan rampas. Rolstoelen hebben hellingbanen nodig.

  81. el tiempo — het weer
    el tiempo het weer

    Hoy hace buen tiempo. Het is vandaag mooi weer.

  82. soleado — zonnig
    soleado zonnig

    A él le gusta un día soleado. Hij houdt van een zonnige dag.

  83. nublado — bewolkt
    nublado bewolkt

    Ellos esperan una tarde nublada. Ze verwachten een bewolkte middag.

  84. lluvioso — regenachtig
    lluvioso regenachtig

    Un día lluvioso puede ser acogedor. Een regenachtige dag kan gezellig zijn.

  85. hace viento — winderig
    hace viento winderig

    Hace viento afuera. Het is buiten winderig.

  86. caliente — heet
    caliente heet

    Este té está muy caliente. Deze thee is erg heet.

  87. frío — koud
    frío koud

    El viento frío sopla en invierno. De koude wind waait in de winter.

  88. cálido — warm
    cálido warm

    El día estaba cálido en la playa hoy. Het was vandaag warm op het strand.

  89. la primavera — de lente
    la primavera de lente

    Las flores aman la primavera. De bloemen houden van de lente.

  90. el verano — de zomer
    el verano de zomer

    El verano es una estación muy calurosa. De zomer is een erg heet seizoen.

  91. el otoño — de herfst
    el otoño de herfst

    El otoño es mi estación favorita. De herfst is mijn favoriete seizoen.

  92. el invierno — de winter
    el invierno de winter

    El invierno puede ser muy frío aquí. Winter kan hier erg koud zijn.

  93. el sol — de zon
    el sol de zon

    El sol brilla en el cielo. De zon schijnt aan de hemel.

  94. la luna — de maan
    la luna de maan

    Veo la luna brillante. Ik zie de heldere maan.

  95. la estrella — de ster
    la estrella de ster

    Veo una estrella brillante. Ik zie een heldere ster.

  96. el cielo — de lucht
    el cielo de lucht

    Los pájaros vuelan en el cielo. Vogels vliegen in de lucht.

  97. la nube — de wolk
    la nube de wolk

    Una nube oscura oculta el sol. Een donkere wolk verbergt de zon.

  98. la lluvia — de regen
    la lluvia de regen

    La lluvia cae del cielo. De regen valt uit de lucht.

  99. el viento — de wind
    el viento de wind

    Sentimos el viento frío. Wij voelen de koude wind.

  100. la tormenta — de storm
    la tormenta de storm

    La fuerte tormenta rompió los árboles. De sterke storm brak de bomen.

Woorden 501–600

  1. el arcoíris — de regenboog
    el arcoíris de regenboog

    Veo un arcoíris en el cielo. Ik zie een regenboog in de lucht.

  2. la sombra — de schaduw
    la sombra de schaduw

    Veo una sombra oscura. Ik zie een donkere schaduw.

  3. el atardecer — de zonsondergang
    el atardecer de zonsondergang

    Vimos el hermoso atardecer. We hebben naar de prachtige zonsondergang gekeken.

  4. el trueno — de donder
    el trueno de donder

    Oímos el fuerte trueno. We hoorden de harde donder.

  5. el paraguas — de paraplu
    el paraguas de paraplu

    Ella tiene un paraguas rojo. Ze heeft een rode paraplu.

  6. el impermeable — de regenjas
    el impermeable de regenjas

    Este impermeable me mantiene abrigado. Deze regenjas houdt me warm.

  7. el pronóstico — de weersverwachting
    el pronóstico de weersverwachting

    Veo el pronóstico del tiempo todos los días. Ik kijk elke dag naar de weersverwachting.

  8. la sombra — de schaduw
    la sombra de schaduw

    Necesitamos sombra en un día caluroso. We hebben schaduw nodig op een hete dag.

  9. la tormenta — het onweer
    la tormenta het onweer

    Una tormenta trae lluvia intensa. Een onweer brengt zware regen met zich mee.

  10. el relámpago — de bliksem
    el relámpago de bliksem

    Vio un relámpago brillante anoche. Hij zag gisteravond felle bliksem.

  11. la niebla — de mist
    la niebla de mist

    Condujeron a través de niebla espesa. Ze reden door dikke mist.

  12. la nieve — de sneeuw
    la nieve de sneeuw

    Esta es nieve fresca y blanca. Dit is verse, witte sneeuw.

  13. el hielo — het ijs
    el hielo het ijs

    Ponemos hielo en nuestras bebidas. We doen ijs in onze drankjes.

  14. el granizo — de hagel
    el granizo de hagel

    Hay mucho granizo afuera. Er ligt een heleboel hagel buiten.

  15. resbaladizo — glad
    resbaladizo glad

    Ella se cayó sobre el hielo resbaladizo. Ze viel op het gladde ijs.

  16. la temperatura — de temperatuur
    la temperatura de temperatuur

    Revisan la temperatura a diario. Ze controleren dagelijks de temperatuur.

  17. el bosque — het bos
    el bosque het bos

    Un bosque está lleno de árboles. Een bos staat vol met bomen.

  18. el río — de rivier
    el río de rivier

    El río tiene agua fresca y clara. De rivier heeft koel, helder water.

  19. el lago — het meer
    el lago het meer

    Ella nada en el lago profundo. Ze zwemt in het diepe meer.

  20. la montaña — de berg
    la montaña de berg

    Ellos escalaron la montaña alta. Ze beklommen de hoge berg.

  21. la naturaleza — de natuur
    la naturaleza de natuur

    A Peter le encanta la naturaleza. Peter houdt van de natuur.

  22. la costa — de kust
    la costa de kust

    Esta es una costa hermosa. Dit is een prachtige kust.

  23. la isla — het eiland
    la isla het eiland

    Él vive en una isla pequeña. Hij woont op een klein eiland.

  24. el desierto — de woestijn
    el desierto de woestijn

    Un desierto es un lugar muy seco. Een woestijn is een erg droge plek.

  25. el valle — de vallei
    el valle de vallei

    El valle es verde y ancho. De vallei is groen en breed.

  26. la cascada — de waterval
    la cascada de waterval

    Vieron una cascada hermosa. Ze zagen een prachtige waterval.

  27. el acantilado — de klif
    el acantilado de klif

    Ese acantilado es muy alto. Die klif is erg hoog.

  28. la pradera — de weide
    la pradera de weide

    Le gusta pasear en las praderas. Ze houdt ervan om in weiden te wandelen.

  29. el árbol — de boom
    el árbol de boom

    El perro duerme bajo el árbol. De hond slaapt onder de boom.

  30. la flor — de bloem
    la flor de bloem

    La flor roja es hermosa. De rode bloem is mooi.

  31. la hoja — het blad
    la hoja het blad

    Una hoja cayó del árbol. Er viel een blad van de boom.

  32. la hierba — het gras
    la hierba het gras

    La vaca come la hierba. De koe eet het gras.

  33. la planta — de plant
    la planta de plant

    La planta tiene hojas verdes. De plant heeft groene bladeren.

  34. la roca — de rots
    la roca de rots

    El hombre levantó la roca pesada. De man tilde de zware rots op.

  35. la piedra — de steen
    la piedra de steen

    Encontré una piedra pesada. Ik heb een zware steen gevonden.

  36. la rama — de tak
    la rama de tak

    El pájaro está sentado en la rama. De vogel zit op de tak.

  37. la raíz — de wortel
    la raíz de wortel

    Esta planta tiene una raíz larga. Deze plant heeft een lange wortel.

  38. la semilla — het zaad
    la semilla het zaad

    El agricultor planta la semilla. De boer plant het zaad.

  39. el arbusto — de struik
    el arbusto de struik

    El pájaro se esconde en el arbusto. De vogel verstopt zich in de struik.

  40. la madera — het hout
    la madera het hout

    Necesito madera para el fuego. Ik heb hout nodig voor het vuur.

  41. el mundo — de wereld
    el mundo de wereld

    El mundo es muy grande. De wereld is erg groot.

  42. la ciudad — de stad
    la ciudad de stad

    Mucha gente vive en la ciudad. Veel mensen wonen in de stad.

  43. el país — het land
    el país het land

    Él vive en otro país. Hij woont in een ander land.

  44. el pueblo — de stad
    el pueblo de stad

    Vivimos en un pueblo pequeño. Wij wonen in een klein stadje.

  45. la carretera — de weg
    la carretera de weg

    Esta carretera es muy larga. Deze weg is erg lang.

  46. la colina — de heuvel
    la colina de heuvel

    La casa está en la colina. Het huis staat op de heuvel.

  47. la tierra — het land
    la tierra het land

    Los marineros divisaron la tierra. De zeelieden zagen het land.

  48. el aire — de lucht
    el aire de lucht

    Respiro el aire limpio. Ik adem de schone lucht in.

  49. el océano — de oceaan
    el océano de oceaan

    Los peces viven en el océano. Vissen leven in de oceaan.

  50. el suelo — de grond
    el suelo de grond

    El hombre se sienta en el suelo. De man zit op de grond.

  51. la región — de regio
    la región de regio

    Vivimos en una región fría. Wij wonen in een koude regio.

  52. la zona — de omgeving
    la zona de omgeving

    Mucha gente vive en esta zona. Veel mensen wonen in deze omgeving.

  53. la playa — het strand
    la playa het strand

    Me gusta la playa. Ik vind het strand leuk.

  54. el mar — de zee
    el mar de zee

    El mar es azul. De zee is blauw.

  55. las olas — de golven
    las olas de golven

    Ellos miran las olas del mar. Ze kijken naar de golven van de oceaan.

  56. la arena — het zand
    la arena het zand

    A ella le gusta la arena cálida y suave. Zij houdt van warm, zacht zand.

  57. el protector solar — de zonnebrandcrème
    el protector solar de zonnebrandcrème

    Uso protector solar en los días soleados. Ik gebruik zonnebrandcrème op zonnige dagen.

  58. sombrilla de playa — de strandparasol
    sombrilla de playa de strandparasol

    Esa sombrilla de playa es colorida. Die strandparasol is kleurrijk.

  59. las chanclas — de slippers
    las chanclas de slippers

    Estas chanclas son cómodas. Deze slippers zitten comfortabel.

  60. el traje de baño — het badpak
    el traje de baño het badpak

    Ella tiene un nuevo traje de baño. Zij heeft een nieuw badpak.

  61. el short de baño — de zwembroek
    el short de baño de zwembroek

    No olvides tu short de baño. Vergeet je zwembroek niet.

  62. el salvavidas — de badmeester
    el salvavidas de badmeester

    El salvavidas protege a los nadadores. De badmeester houdt zwemmers veilig.

  63. la marea alta — de vloed
    la marea alta de vloed

    La marea alta moja mucho. Bij vloed is het erg nat.

  64. la quemadura de sol — de zonnebrand
    la quemadura de sol de zonnebrand

    Esa quemadura de sol se ve bastante dolorosa. Die zonnebrand ziet er behoorlijk pijnlijk uit.

  65. el boleto — het kaartje
    el boleto het kaartje

    Ella tiene un boleto de tren. Ze heeft een treinkaartje.

  66. el equipaje — de bagage
    el equipaje de bagage

    ¿Dónde ponemos nuestro equipaje? Waar laten we onze bagage?

  67. la máquina de boletos — de kaartautomaat
    la máquina de boletos de kaartautomaat

    Lo compraré en la máquina de boletos. Ik koop het bij de kaartautomaat.

  68. el andén — het perron
    el andén het perron

    Ese es el andén del tren. Dat is het perron voor de trein.

  69. el horario — het rooster
    el horario het rooster

    Ella lee el horario. Zij leest het rooster.

  70. el autobús — de bus
    el autobús de bus

    ¿Estamos esperando un autobús? Wachten we op een bus?

  71. el tren — de trein
    el tren de trein

    El tren es muy moderno. De trein is erg modern.

  72. el tranvía — de tram
    el tranvía de tram

    La forma más rápida es en tranvía. De snelste manier is met de tram.

  73. el taxi — de taxi
    el taxi de taxi

    ¿Cuánto cuesta el taxi? Hoeveel kost de taxi?

  74. a tiempo — op tijd
    a tiempo op tijd

    Es importante llegar a tiempo. Het is belangrijk om op tijd te komen.

  75. retrasado — vertraging hebben
    retrasado vertraging hebben

    Ese vuelo estaba retrasado. Die vlucht had vertraging.

  76. el metro — de metro
    el metro de metro

    Un metro corre bajo tierra. Een metro rijdt ondergronds.

  77. el carro — de auto
    el carro de auto

    Él se compró un carro nuevo. Hij heeft een nieuwe auto gekocht.

  78. el camión — de vrachtwagen
    el camión de vrachtwagen

    El hombre conduce un camión grande. De man bestuurt een grote vrachtwagen.

  79. la bicicleta — de fiets
    la bicicleta de fiets

    Voy a la escuela en mi bicicleta. Ik rijd met mijn fiets naar school.

  80. el tractor — de tractor
    el tractor de tractor

    El granjero conduce un tractor grande. De boer rijdt op een grote tractor.

  81. la motocicleta — de motor
    la motocicleta de motor

    Él conduce una motocicleta rápida. Hij rijdt op een snelle motor.

  82. el monopatín — de step
    el monopatín de step

    El niño monta en monopatín. Het kind rijdt op een step.

  83. la camioneta — de bestelbus
    la camioneta de bestelbus

    Él conduce una camioneta grande. Hij rijdt in een grote bestelbus.

  84. el conductor — de bestuurder
    el conductor de bestuurder

    El conductor detuvo el carro. De bestuurder stopte de auto.

  85. el tráfico — het verkeer
    el tráfico het verkeer

    El tráfico está muy lento hoy. Het verkeer gaat vandaag erg langzaam.

  86. la rueda — het wiel
    la rueda het wiel

    Él arregló la rueda rota. Hij heeft het kapotte wiel gerepareerd.

  87. el estacionamiento — de parkeerplaats
    el estacionamiento de parkeerplaats

    Encontramos un lugar de estacionamiento. We hebben een parkeerplaats gevonden.

  88. el remolque — de trailer
    el remolque de trailer

    El camión arrastra el remolque. De vrachtwagen trekt de trailer.

  89. el avión — het vliegtuig
    el avión het vliegtuig

    El avión aterriza en el aeropuerto. Het vliegtuig landt op het vliegveld.

  90. el bote — de boot
    el bote de boot

    Veo un bote pequeño. Ik zie een kleine boot.

  91. el barco — het schip
    el barco het schip

    El gran barco cruza el océano. Het grote schip steekt de oceaan over.

  92. el helicóptero — de helikopter
    el helicóptero de helikopter

    El helicóptero vuela por el cielo. De helikopter vliegt in de lucht.

  93. el cohete — de raket
    el cohete de raket

    El cohete vuela hacia el cielo. De raket vliegt de lucht in.

  94. la nave espacial — het ruimteschip
    la nave espacial het ruimteschip

    La nave espacial aterrizó en la luna. Het ruimteschip landde op de maan.

  95. el camión de bomberos — de brandweerauto
    el camión de bomberos de brandweerauto

    El camión de bomberos transporta agua. De brandweerauto vervoert water.

  96. el jet — de straaljager
    el jet de straaljager

    El jet vuela muy rápido. De straaljager vliegt erg snel.

  97. el kayak — de kajak
    el kayak de kajak

    Ella está sentada en el kayak. Ze zit in de kajak.

  98. la balsa — het vlot
    la balsa het vlot

    Construimos una balsa de madera. We hebben een houten vlot gebouwd.

  99. la canoa — de kano
    la canoa de kano

    Él rema en la pequeña canoa. Hij peddelt in de kleine kano.

  100. el velero — de zeilboot
    el velero de zeilboot

    El viento mueve el velero. De wind verplaatst de zeilboot.

Woorden 601–700

  1. el precio — de prijs
    el precio de prijs

    ¿Ves el precio? Zie je de prijs?

  2. barato — goedkoop
    barato goedkoop

    Compró zapatos baratos. Hij kocht goedkope schoenen.

  3. caro — duur
    caro duur

    Ese carro parece caro. Die auto ziet er duur uit.

  4. el efectivo — het contant geld
    el efectivo het contant geld

    Creo que ella necesita efectivo. Ik denk dat ze wat contant geld nodig heeft.

  5. la tarjeta de crédito — de creditcard
    la tarjeta de crédito de creditcard

    Puedo pagar con mi tarjeta de crédito. Ik kan met mijn creditcard betalen.

  6. el recibo — de kassabon
    el recibo de kassabon

    ¿Me puede dar el recibo, por favor? Mag ik de kassabon, alsjeblieft?

  7. la cuenta — de rekening
    la cuenta de rekening

    ¿Quién va a pagar la cuenta? Wie gaat de rekening betalen?

  8. el cambio — het wisselgeld
    el cambio het wisselgeld

    Pagué y recibí cambio. Ik heb betaald en kreeg wat wisselgeld terug.

  9. la moneda — de munt
    la moneda de munt

    Tengo algunas monedas. Ik heb een paar munten.

  10. el billete — het bankbiljet
    el billete het bankbiljet

    ¿Qué tipo de billete es ese? Wat voor een bankbiljet is dat?

  11. ¿Cuánto cuesta esto? — Hoeveel kost dit
    ¿Cuánto cuesta esto? Hoeveel kost dit

    ¿Cuánto cuesta esto? Hoeveel kost dit?

  12. ¿Puedo pagar con tarjeta? — Kan ik met de kaart betalen?
    ¿Puedo pagar con tarjeta? Kan ik met de kaart betalen?

    ¿Puedo pagar con tarjeta? Kan ik met de kaart betalen?

  13. la moneda — de munteenheid
    la moneda de munteenheid

    Esa moneda es muy fuerte. Die munteenheid is erg sterk.

  14. tipo de cambio — de wisselkoers
    tipo de cambio de wisselkoers

    Este tipo de cambio es horrible. Deze wisselkoers is verschrikkelijk.

  15. la casa de cambio — het wisselkantoor
    la casa de cambio het wisselkantoor

    Necesitamos una casa de cambio. We hebben een wisselkantoor nodig.

  16. la comisión — de commissie
    la comisión de commissie

    ¿Tienes que pagar una comisión? Moet je commissie betalen?

  17. la moneda extranjera — de buitenlandse valuta
    la moneda extranjera de buitenlandse valuta

    Eso es moneda extranjera. Dat is buitenlandse valuta.

  18. el pago con tarjeta — de kaartbetaling
    el pago con tarjeta de kaartbetaling

    El pago con tarjeta se procesó. De kaartbetaling is gelukt.

  19. sin contacto — contactloos
    sin contacto contactloos

    Esto es un pago sin contacto. Dit is een contactloze betaling.

  20. el código PIN — de pincode
    el código PIN de pincode

    Se me olvidó mi código PIN. Ik ben mijn pincode vergeten.

  21. la comisión por retiro — de opnamekosten
    la comisión por retiro de opnamekosten

    Pagaron la comisión por retiro. Ze hebben de opnamekosten betaald.

  22. el límite diario — de daglimiet
    el límite diario de daglimiet

    Ella alcanzó el límite diario. Ze heeft de daglimiet bereikt.

  23. el reembolso — de terugbetaling
    el reembolso de terugbetaling

    Recibirás un reembolso. Je ontvangt een terugbetaling.

  24. el cargo por servicio — de servicekosten
    el cargo por servicio de servicekosten

    Se incluye un cargo por servicio. De servicekosten zijn inbegrepen.

  25. la tienda — de winkel
    la tienda de winkel

    Esta es mi tienda favorita. Dit is mijn favoriete winkel.

  26. la cajera — de kassier
    la cajera de kassier

    Ella es la nueva cajera. Zij is de nieuwe kassier.

  27. la cola — de rij
    la cola de rij

    Esta cola es muy larga. Deze rij is erg lang.

  28. abierto — open
    abierto open

    La tienda está abierta hoy. De winkel is vandaag open.

  29. cerrado — gesloten
    cerrado gesloten

    Lamentablemente, la farmacia está cerrada. Helaas is de apotheek gesloten.

  30. la etiqueta de precio — de prijskaart
    la etiqueta de precio de prijskaart

    Ellos vieron la etiqueta de precio. Ze zagen de prijskaart.

  31. el descuento — de korting
    el descuento de korting

    ¡Me encantan sus descuentos! Ik ben dol op hun kortingen.

  32. la política de devolución — het retourbeleid
    la política de devolución het retourbeleid

    Esta política de devolución parece justa. Dit retourbeleid lijkt eerlijk.

  33. la garantía — de garantie
    la garantía de garantie

    Una garantía protege tu compra. Een garantie beschermt je aankoop.

  34. el probador — het pashokje
    el probador het pashokje

    Usaron el probador. Ze gebruikten het pashokje.

  35. carrito de compras — het winkelwagentje
    carrito de compras het winkelwagentje

    Necesitamos un carrito de compras. We hebben een winkelwagentje nodig.

  36. cliente — de klant
    cliente de klant

    El cliente siempre tiene la razón. De klant heeft altijd gelijk.

  37. la mesa — de tafel
    la mesa de tafel

    ¿Puedes poner esta ensalada en la mesa? Kun je deze salade op de tafel zetten?

  38. el menú — het menu
    el menú het menu

    Tienen un menú grande. Ze hebben een uitgebreid menu.

  39. la reserva — de reservering
    la reserva de reservering

    Tenemos una reserva. Wij hebben een reservering.

  40. el mesero — de server
    el mesero de server

    Los meseros están trabajando duro. De servers werken hard.

  41. el pedido — de bestelling
    el pedido de bestelling

    Hacemos nuestro pedido ahora. Wij plaatsen nu onze bestelling.

  42. el agua — het water
    el agua het water

    Ella bebe agua fría. Zij drinkt koud water.

  43. el café — de koffie
    el café de koffie

    Beben café fuerte. Zij drinken sterke koffie.

  44. el té — de thee
    el té de thee

    El té caliente en invierno es lo mejor. Hete thee in de winter is het lekkerst.

  45. la cerveza — het bier
    la cerveza het bier

    Me gustaría otra cerveza, por favor. Ik wil graag nog een bier, alstublieft.

  46. el vino — de wijn
    el vino de wijn

    ¿Podemos tomar este vino, por favor? Kunnen we deze wijn krijgen, alsjeblieft?

  47. La cuenta, por favor — De rekening, alstublieft.
    La cuenta, por favor De rekening, alstublieft.

    La cuenta, por favor. De rekening, alstublieft.

  48. delicioso — heerlijk
    delicioso heerlijk

    ¡Esa tarta está deliciosa! Die taart is heerlijk!

  49. el aperitivo — het voorgerecht
    el aperitivo het voorgerecht

    Pediremos un aperitivo primero. We bestellen eerst een voorgerecht.

  50. plato principal — het hoofdgerecht
    plato principal het hoofdgerecht

    Me encanta el plato principal. Ik ben dol op het hoofdgerecht.

  51. el postre — het dessert
    el postre het dessert

    Le gusta el postre. Ze vindt het dessert lekker.

  52. el especial del día — het dagmenu
    el especial del día het dagmenu

    Ese es el especial del día. Dat is het dagmenu.

  53. menú del día — het dagmenu
    menú del día het dagmenu

    Tienen el menú del día. Ze hebben het dagmenu.

  54. mesa para dos — tafel voor twee
    mesa para dos tafel voor twee

    Necesitamos una mesa para dos. We hebben een tafel voor twee nodig.

  55. reserva a nombre de — de reservering op naam van ...
    reserva a nombre de de reservering op naam van ...

    Ella tiene una reserva a nombre de Smith. Ze heeft een reservering op naam van Smith.

  56. agua de la llave — het kraanwater
    agua de la llave het kraanwater

    Normalmente bebo agua de la llave. Ik drink meestal kraanwater.

  57. dividir la cuenta — de rekening delen
    dividir la cuenta de rekening delen

    Podemos dividir la cuenta. We kunnen de rekening delen.

  58. pagar juntos — samen betalen
    pagar juntos samen betalen

    Pagaremos juntos. Wij zullen samen betalen.

  59. la propina — de fooi
    la propina de fooi

    Siempre doy propinas grandes. Ik geef altijd grote fooien.

  60. pagar en la caja — betalen bij de kassa
    pagar en la caja betalen bij de kassa

    ¿Podemos pagar en la caja? Kunnen we betalen bij de kassa?

  61. la talla — de maat
    la talla de maat

    Esta talla es demasiado pequeña. Deze maat is te klein.

  62. caber — passen
    caber passen

    Ella todavía cabe en sus jeans viejos. Ze past nog steeds in haar oude spijkerbroek.

  63. demasiado grande — te groot
    demasiado grande te groot

    Creo que esta camisa es demasiado grande. Ik vind dit shirt te groot.

  64. demasiado pequeño — te klein
    demasiado pequeño te klein

    Por desgracia, este zapato es demasiado pequeño. Helaas is deze schoen te klein.

  65. probarse — passen
    probarse passen

    Nos probamos sombreros nuevos. Wij passen nieuwe hoeden.

  66. negro — zwart
    negro zwart

    Ben lleva una camisa negra. Ben draagt een zwart shirt.

  67. blanco — wit
    blanco wit

    Ella lleva pantalones blancos. Zij draagt een witte broek.

  68. rojo — rood
    rojo rood

    ¿No son las rosas rojas las mejores? Zijn rode rozen niet de beste?

  69. azul — blauw
    azul blauw

    ¿Es el azul tu color favorito? Is blauw je lievelingskleur?

  70. verde — groen
    verde groen

    ¿Podrías llevar el vestido verde? Zou je de groene jurk nemen?

  71. amarillo — geel
    amarillo geel

    Le gustan las camisas amarillas. Ze houdt van gele shirts.

  72. el color — de kleur
    el color de kleur

    ¿Qué color te gusta? Welke kleur vind je mooi?

  73. rosa — roze
    rosa roze

    Veo una flor rosa. Ik zie een roze bloem.

  74. morado — paars
    morado paars

    Veo una flor morada. Ik zie een paarse bloem.

  75. marrón — bruin
    marrón bruin

    Veo un perro marrón. Ik zie een bruine hond.

  76. gris — grijs
    gris grijs

    El gato es gris. De kat is grijs.

  77. dorado — gouden
    dorado gouden

    El anillo es dorado. De ring is gouden.

  78. plateado — zilver
    plateado zilver

    El carro es plateado. De auto is zilver.

  79. beige — beige
    beige beige

    Ella lleva una camisa beige. Zij draagt een beige shirt.

  80. azul marino — marineblauw
    azul marino marineblauw

    Su chaqueta es azul marino. Zijn jas is marineblauw.

  81. brillante — fel
    brillante fel

    El sol está muy brillante. De zon is erg fel.

  82. pálido — bleek
    pálido bleek

    El niño enfermo está pálido. Het zieke kind is bleek.

  83. oscuro — donker
    oscuro donker

    La habitación está muy oscura. De kamer is erg donker.

  84. de rayas — gestreept
    de rayas gestreept

    Él lleva una camisa de rayas. Hij draagt een gestreept overhemd.

  85. la habitación — de kamer
    la habitación de kamer

    ¿Estás contento con tu habitación? Ben je blij met je kamer?

  86. la puerta — de deur
    la puerta de deur

    Esta puerta necesita ser reemplazada. Deze deur moet worden vervangen.

  87. la llave — de sleutel
    la llave de sleutel

    Creo que perdí mi llave. Ik denk dat ik mijn sleutel kwijt ben.

  88. la ventana — het raam
    la ventana het raam

    La ventana está muy limpia. Het raam is erg schoon.

  89. la luz — het licht
    la luz het licht

    Esta habitación recibe mucha luz. Deze kamer krijgt veel licht.

  90. el interruptor — de schakelaar
    el interruptor de schakelaar

    El interruptor de la luz está en la pared. De schakelaar voor het licht zit op de muur.

  91. la cama — het bed
    la cama het bed

    Todavía necesito comprar una cama. Ik moet nog steeds een bed kopen.

  92. la cocina — de keuken
    la cocina de keuken

    Esta cocina está muy limpia. Deze keuken is erg schoon.

  93. el baño — de badkamer
    el baño de badkamer

    Ella usa el baño a menudo. Ze gebruikt vaak de badkamer.

  94. la ducha — de douche
    la ducha de douche

    Ellos toman una ducha a diario. Zij nemen dagelijks een douche.

  95. el Wi-Fi — de wifi
    el Wi-Fi de wifi

    ¿Este bar tiene Wi-Fi? Heeft deze bar wifi?

  96. la dirección — het adres
    la dirección het adres

    ¿Cuál es tu dirección? Wat is je adres?

  97. el dolor de cabeza — de hoofdpijn
    el dolor de cabeza de hoofdpijn

    Un dolor de cabeza nunca es divertido. Hoofdpijn is nooit leuk.

  98. la fiebre — de koorts
    la fiebre de koorts

    Tiene una fiebre alta. Hij heeft hoge koorts.

  99. la tos — de hoest
    la tos de hoest

    Mi tos no se me quita. Mijn hoest gaat niet weg.

  100. el dolor de garganta — de keelpijn
    el dolor de garganta de keelpijn

    Marry tiene dolor de garganta. Marry heeft keelpijn.

Woorden 701–800

  1. goteo nasal — de loopneus
    goteo nasal de loopneus

    Eso es goteo nasal. Dat is een loopneus.

  2. mareado — duizelig
    mareado duizelig

    Me siento mareado después de girar. Ik voel me duizelig na het ronddraaien.

  3. enfermo — ziek
    enfermo ziek

    Ella se siente muy enferma hoy. Ze voelt zich vandaag erg ziek.

  4. la medicina — de medicatie
    la medicina de medicatie

    No olvides tomar tu medicina. Vergeet niet om je medicatie in te nemen.

  5. la receta — het recept
    la receta het recept

    ¿Es esta su receta, señor? Is dit uw recept, meneer?

  6. el médico — de dokter
    el médico de dokter

    Un médico ayuda a mucha gente. Een dokter helpt veel mensen.

  7. la farmacia — de apotheek
    la farmacia de apotheek

    A veces visitamos la farmacia. Wij bezoeken soms de apotheek.

  8. la clínica — de kliniek
    la clínica de kliniek

    El abuelo está ahora mismo en la clínica. Opa is momenteel in de kliniek.

  9. información turística — de toeristische informatie
    información turística de toeristische informatie

    El cartel ofrece información turística. Het bord geeft toeristische informatie.

  10. la biblioteca — de bibliotheek
    la biblioteca de bibliotheek

    La biblioteca está llena de gente. De bibliotheek staat vol met mensen.

  11. el banco — de bank
    el banco de bank

    Papá todavía necesita ir al banco. Papa moet nog naar de bank.

  12. el peluquero — de kapper
    el peluquero de kapper

    A ella le gusta el peluquero. Ze vindt de kapper leuk.

  13. el barbero — de kapper
    el barbero de kapper

    Ese barbero corta el pelo todos los días. Die kapper knipt elke dag haar.

  14. la tintorería — de stomerij
    la tintorería de stomerij

    Este traje necesita una tintorería. Dit pak moet naar de stomerij.

  15. el taller — de reparatiewerkplaats
    el taller de reparatiewerkplaats

    ¿Está abierto el taller hoy? Is de reparatiewerkplaats vandaag open?

  16. la tienda de celulares — de telefoonwinkel
    la tienda de celulares de telefoonwinkel

    Ella trabaja en la tienda de celulares. Zij werkt in de telefoonwinkel.

  17. servicio de mensajería — de koeriersdienst
    servicio de mensajería de koeriersdienst

    Enviamos el paquete por servicio de mensajería. We hebben het pakket met de koeriersdienst verstuurd.

  18. alquiler de autos — de autohuur
    alquiler de autos de autohuur

    Reservamos un alquiler de autos para el fin de semana. We hebben voor het weekend een autohuur geboekt.

  19. el alquiler de bicicletas — de fietsverhuur
    el alquiler de bicicletas de fietsverhuur

    Este alquiler de bicicletas parece nuevo. Deze fietsverhuur ziet er nieuw uit.

  20. el veterinario — de dierenarts
    el veterinario de dierenarts

    El veterinario revisa a nuestro perro cada mes. De dierenarts controleert onze hond elke maand.

  21. perder — verliezen
    perder verliezen

    Perdí mis llaves en el parque. Ik ben mijn sleutels in het park verloren.

  22. la cartera — de portemonnee
    la cartera de portemonnee

    Perdió su cartera en el autobús. Hij is zijn portemonnee verloren in de bus.

  23. el teléfono — de telefoon
    el teléfono de telefoon

    Por favor, apaga tu teléfono durante la clase. Zet tijdens de les alsjeblieft je telefoon uit.

  24. la tarjeta de identificación — de identiteitskaart
    la tarjeta de identificación de identiteitskaart

    ¿Encontraste tu tarjeta de identificación? Heb je je identiteitskaart gevonden?

  25. el bolso — de tas
    el bolso de tas

    Su bolso siempre está lleno. Haar tas zit altijd vol.

  26. el informe — het verslag
    el informe het verslag

    Ella escribió un informe sobre la reunión. Ze schreef een verslag over de vergadering.

  27. la descripción — de beschrijving
    la descripción de beschrijving

    Esta es una descripción increíble. Dit is een geweldige beschrijving.

  28. número de contacto — het telefoonnummer
    número de contacto het telefoonnummer

    Necesito tu número de contacto. Ik heb je telefoonnummer nodig.

  29. objetos perdidos — de gevonden voorwerpen
    objetos perdidos de gevonden voorwerpen

    Lo encontró en objetos perdidos. Ze vond het bij de gevonden voorwerpen.

  30. las llaves — de sleutels
    las llaves de sleutels

    Ayer perdí mis llaves. Ik ben gisteren mijn sleutels verloren.

  31. devolver — terugbrengen
    devolver terugbrengen

    Ella devolverá el libro mañana por la mañana. Zij zal het boek morgenochtend terugbrengen.

  32. el dueño — de eigenaar
    el dueño de eigenaar

    ¿Conoces al dueño? Ken jij de eigenaar?

  33. el enfermero — de verpleegkundige
    el enfermero de verpleegkundige

    El enfermero ayudó al paciente. De verpleegkundige hielp de patiënt.

  34. dentista — de tandarts
    dentista de tandarts

    El dentista me arregló el diente. De tandarts heeft mijn tand gerepareerd.

  35. el mesero — de ober
    el mesero de ober

    El mesero trajo nuestra comida. De ober bracht ons eten.

  36. la mesera — de serveerster
    la mesera de serveerster

    La mesera nos trajo la comida. De serveerster bracht ons eten.

  37. el chef — de chef-kok
    el chef de chef-kok

    El chef prepara la comida. De chef-kok bereidt de maaltijd.

  38. el mecánico — de monteur
    el mecánico de monteur

    El mecánico arregló mi carro. De monteur heeft mijn auto gerepareerd.

  39. el cartero — de postbode
    el cartero de postbode

    El cartero trajo una carta. De postbode bracht een brief.

  40. el limpiador — de schoonmaker
    el limpiador de schoonmaker

    El limpiador lavó el suelo. De schoonmaker heeft de vloer gedweild.

  41. el jardinero — de tuinman
    el jardinero de tuinman

    El jardinero riega las plantas. De tuinman geeft de planten water.

  42. el pintor — de schilder
    el pintor de schilder

    El pintor pinta un cuadro hermoso. De schilder schildert een prachtig schilderij.

  43. el sastre — de kleermaker
    el sastre de kleermaker

    El sastre hace ropa preciosa. De kleermaker maakt prachtige kleding.

  44. el bibliotecario — de bibliothecaris
    el bibliotecario de bibliothecaris

    El bibliotecario organiza los libros. De bibliothecaris organiseert de boeken.

  45. el actor — de acteur
    el actor de acteur

    Vi al actor famoso. Ik zag de beroemde acteur.

  46. la actriz — de actrice
    la actriz de actrice

    Vi a la famosa actriz. Ik zag de beroemde actrice.

  47. artista — de kunstenaar
    artista de kunstenaar

    El artista pinta un cuadro. De kunstenaar schildert een schilderij.

  48. el fotógrafo — de fotograaf
    el fotógrafo de fotograaf

    El fotógrafo me tomó una foto. De fotograaf maakte een foto van mij.

  49. el escritor — de schrijver
    el escritor de schrijver

    El escritor terminó el libro. De schrijver heeft het boek afgemaakt.

  50. gerente — de manager
    gerente de manager

    Conocimos al nuevo gerente. We hebben de nieuwe manager ontmoet.

  51. el abogado — de advocaat
    el abogado de advocaat

    Necesito un buen abogado. Ik heb een goede advocaat nodig.

  52. el secretario — de secretaresse
    el secretario de secretaresse

    El secretario trabaja en la oficina. De secretaresse werkt op kantoor.

  53. periodista — de journalist
    periodista de journalist

    El periodista escribe las noticias. De journalist schrijft het nieuws.

  54. asistente — de assistent
    asistente de assistent

    Mi asistente le ayudará. Mijn assistent zal je helpen.

  55. el reportero — de verslaggever
    el reportero de verslaggever

    El reportero escribe las noticias. De verslaggever schrijft het nieuws.

  56. el diseñador — de ontwerper
    el diseñador de ontwerper

    El diseñador hace ropa hermosa. De ontwerper maakt prachtige kleding.

  57. el ingeniero — de ingenieur
    el ingeniero de ingenieur

    El ingeniero arregló la máquina. De ingenieur repareerde de machine.

  58. el piloto — de piloot
    el piloto de piloot

    El piloto vuela el avión. De piloot bestuurt het vliegtuig.

  59. el agricultor — de boer
    el agricultor de boer

    El agricultor trabaja en el campo. De boer werkt op het land.

  60. el pescador — de visser
    el pescador de visser

    El pescador atrapó un pez grande. De visser ving een grote vis.

  61. el científico — de wetenschapper
    el científico de wetenschapper

    El científico descubrió una nueva medicina. De wetenschapper ontdekte een nieuw medicijn.

  62. el programador — de programmeur
    el programador de programmeur

    El programador escribe el software. De programmeur schrijft de software.

  63. el policía — de politieagent
    el policía de politieagent

    El policía atrapó al ladrón. De politieagent heeft de dief gepakt.

  64. el soldado — de soldaat
    el soldado de soldaat

    El soldado protege la ciudad. De soldaat beschermt de stad.

  65. el profesor — de professor
    el profesor de professor

    El profesor les enseña a los estudiantes. De professor geeft les aan de studenten.

  66. el constructor — de bouwvakker
    el constructor de bouwvakker

    El constructor construye la casa nueva. De bouwvakker bouwt het nieuwe huis.

  67. el panadero — de bakker
    el panadero de bakker

    El panadero hace pan fresco. De bakker maakt vers brood.

  68. atleta — de atleet
    atleta de atleet

    El atleta corre muy rápido. De atleet rent heel erg snel.

  69. la salida — de uitgang
    la salida de uitgang

    ¿Disculpe, dónde está la salida? Pardon, waar is de uitgang?

  70. la entrada — de ingang
    la entrada de ingang

    Esta debería ser la entrada. Dit zou de ingang moeten zijn.

  71. empujar — duwen
    empujar duwen

    Empujan la puerta roja. Zij duwen de rode deur.

  72. jalar — trekken
    jalar trekken

    Tienes que jalar la puerta. Je moet aan de deur trekken.

  73. Prohibido fumar — verboden te roken
    Prohibido fumar verboden te roken

    Este cartel dice: Prohibido fumar. Dit bord zegt dat het hier verboden te roken is.

  74. Prohibido estacionar — verboden te parkeren
    Prohibido estacionar verboden te parkeren

    Prohibido estacionar aquí, lo siento. Het is hier verboden te parkeren, sorry.

  75. fuera de servicio — buiten gebruik
    fuera de servicio buiten gebruik

    Ese ascensor está fuera de servicio. Die lift is buiten gebruik.

  76. Solo para personal — alleen voor personeel
    Solo para personal alleen voor personeel

    Ese espacio es solo para personal. Die ruimte is alleen voor personeel.

  77. la salida de emergencia — de nooduitgang
    la salida de emergencia de nooduitgang

    Cada edificio tiene una salida de emergencia. Elk gebouw heeft een nooduitgang.

  78. la información — de informatie
    la información de informatie

    Necesitamos más información. We hebben meer informatie nodig.

  79. la taquilla — het loket
    la taquilla het loket

    Esa es la taquilla. Dat is het loket.

  80. Prohibido pisar el césped — niet op het gras lopen
    Prohibido pisar el césped niet op het gras lopen

    Por favor, recuerde: Prohibido pisar el césped. Loop alstublieft niet op het gras.

  81. el cajero automático — de geldautomaat
    el cajero automático de geldautomaat

    ¿Dónde está el cajero automático? Waar is de geldautomaat?

  82. la cuenta bancaria — de bankrekening
    la cuenta bancaria de bankrekening

    Ella tiene una cuenta bancaria. Ze heeft een bankrekening.

  83. tarjeta de banco — de bankpas
    tarjeta de banco de bankpas

    Siempre usamos una tarjeta de banco. Wij gebruiken altijd een bankpas.

  84. sacar dinero — geld opnemen
    sacar dinero geld opnemen

    Saco dinero cada semana. Ik neem elke week geld op.

  85. depositar efectivo — contant geld storten
    depositar efectivo contant geld storten

    Depositas efectivo en los cajeros automáticos. Je kunt bij geldautomaten contant geld storten.

  86. transferir dinero — geld overmaken
    transferir dinero geld overmaken

    Ellos transfieren dinero todos los días. Ze maken elke dag geld over.

  87. el saldo — het saldo
    el saldo het saldo

    Ella revisa el saldo de su cuenta. Ze controleert haar banksaldo.

  88. el estado de cuenta — het bankafschrift
    el estado de cuenta het bankafschrift

    ¿Dónde está tu estado de cuenta? Waar is je bankafschrift?

  89. la comisión — de vergoeding
    la comisión de vergoeding

    ¿Esta transacción tiene alguna comisión? Zit er een vergoeding aan deze transactie verbonden?

  90. el recargo — de toeslag
    el recargo de toeslag

    Ya pagué el recargo. Ik heb de toeslag al betaald.

  91. la cuenta de ahorros — de spaarrekening
    la cuenta de ahorros de spaarrekening

    Abrimos una cuenta de ahorros. We hebben een spaarrekening geopend.

  92. la caja fuerte — de kluis
    la caja fuerte de kluis

    El dinero está en la caja fuerte. Het geld ligt in de kluis.

  93. el sofá — de bank
    el sofá de bank

    Este sofá es muy cómodo. Deze bank is erg comfortabel.

  94. la mesa — de tafel
    la mesa de tafel

    ¿Es esta una mesa nueva? Is dit een nieuwe tafel?

  95. la silla — de stoel
    la silla de stoel

    Fred siempre se sienta en la silla. Fred zit altijd in de stoel.

  96. el armario — de kledingkast
    el armario de kledingkast

    El armario está lleno de ropa. De kledingkast zit vol met kleren.

  97. el estante — de plank
    el estante de plank

    Necesito limpiar mi estante. Ik moet mijn plank schoonmaken.

  98. el refrigerador — de koelkast
    el refrigerador de koelkast

    El refrigerador mantiene la comida fría. De koelkast houdt eten koud.

  99. el congelador — de vriezer
    el congelador de vriezer

    El congelador está lleno. De vriezer zit vol.

  100. la estufa — het fornuis
    la estufa het fornuis

    Él usa la estufa a menudo. Hij gebruikt het fornuis vaak.

Woorden 801–900

  1. el horno — de oven
    el horno de oven

    Este horno se calienta mucho. Deze oven wordt erg heet.

  2. el fregadero — de gootsteen
    el fregadero de gootsteen

    El fregadero está lleno de platos. De gootsteen staat vol met borden.

  3. la lámpara — de lamp
    la lámpara de lamp

    Mi mamá usa una lámpara para leer. Mijn moeder gebruikt een lamp om te lezen.

  4. el basurero — de prullenbak
    el basurero de prullenbak

    Daniel vació el basurero. Daniel heeft de prullenbak geleegd.

  5. el reloj — de klok
    el reloj de klok

    El reloj marca la hora. De klok geeft de tijd aan.

  6. la computadora — de computer
    la computadora de computer

    Uso una computadora para el trabajo. Ik gebruik een computer voor mijn werk.

  7. el marco — de lijst
    el marco de lijst

    Él pintó el marco de madera. Hij schilderde de houten lijst.

  8. la radio — de radio
    la radio de radio

    Escucho la radio. Ik luister naar de radio.

  9. la cámara — de camera
    la cámara de camera

    Me compré una cámara nueva. Ik heb een nieuwe camera gekocht.

  10. la chimenea — de open haard
    la chimenea de open haard

    El fuego arde en la chimenea. Het vuur brandt in de open haard.

  11. el sillón — de leunstoel
    el sillón de leunstoel

    Él descansa en el sillón. Hij rust in de leunstoel.

  12. la alacena — de kast
    la alacena de kast

    Los platos están en la alacena. De borden staan in de kast.

  13. la estantería — de boekenkast
    la estantería de boekenkast

    Él compró una estantería nueva. Hij heeft een nieuwe boekenkast gekocht.

  14. el cajón — de lade
    el cajón de lade

    Las llaves están en el cajón. De sleutels liggen in de lade.

  15. el pasillo — de hal
    el pasillo de hal

    Esperamos en el pasillo. We wachtten in de hal.

  16. la alfombra — het kleed
    la alfombra het kleed

    El gato duerme sobre la alfombra. De kat slaapt op het kleed.

  17. la sala de estar — de woonkamer
    la sala de estar de woonkamer

    Esta es nuestra vieja sala de estar. Dit is onze oude woonkamer.

  18. el dormitorio — de slaapkamer
    el dormitorio de slaapkamer

    Pintaron el dormitorio de azul. Ze hebben de slaapkamer blauw geverfd.

  19. el comedor — de eetkamer
    el comedor de eetkamer

    Comemos en el comedor. Wij eten in de eetkamer.

  20. el pasillo — de gang
    el pasillo de gang

    Ese pasillo es muy largo. Die gang is erg lang.

  21. el balcón — het balkon
    el balcón het balkon

    Un balcón ofrece vistas a la ciudad. Een balkon biedt uitzicht over de stad.

  22. el jardín — de tuin
    el jardín de tuin

    Su jardín es muy bonito. Zijn tuin is erg mooi.

  23. el patio — de tuin
    el patio de tuin

    Los niños están jugando en el patio. De kinderen spelen in de tuin.

  24. el garaje — de garage
    el garaje de garage

    La puerta del garaje se cierra automáticamente. De garagedeur sluit automatisch.

  25. el sótano — de kelder
    el sótano de kelder

    Este sótano está muy limpio. Deze kelder is erg schoon.

  26. el techo — het plafond
    el techo het plafond

    Pintamos el techo de blanco. We hebben het plafond wit geverfd.

  27. el tejado — het dak
    el tejado het dak

    Ese tejado parece viejo. Dat dak ziet er oud uit.

  28. la pared — de muur
    la pared de muur

    Él pintó la pared azul. Hij schilderde de muur blauw.

  29. limpio — schoon
    limpio schoon

    Ella quiere una casa limpia. Zij wil een schoon huis.

  30. lavar — wassen
    lavar wassen

    Voy a lavar los platos ahora. Ik ga nu de afwas doen.

  31. cocinar — koken
    cocinar koken

    Ellos cocinan la cena todas las noches. Zij koken elke avond het avondeten.

  32. hervir — koken
    hervir koken

    Hierves agua para el té. Je kookt water voor thee.

  33. freír — bakken
    freír bakken

    ¿Fríes tu comida a menudo? Bakt u uw eten vaak?

  34. hornear — bakken
    hornear bakken

    Ella hornea pan hoy. Zij bakt vandaag brood.

  35. barrer — vegen
    barrer vegen

    Yo barro el suelo más rápido. Ik veeg de vloer sneller.

  36. el trapeador — de dweil
    el trapeador de dweil

    El limpiador usa el trapeador. De schoonmaker gebruikt de dweil.

  37. aspirar — stofzuigen
    aspirar stofzuigen

    Aspiramos el salón. Wij stofzuigen de woonkamer.

  38. el polvo — het stof
    el polvo het stof

    Ella limpia el polvo. Ze veegt het stof weg.

  39. regar — water geven
    regar water geven

    Riegan el jardín semanalmente. Ze geven wekelijks water aan de tuin.

  40. apagar — uitdoen
    apagar uitdoen

    ¿Puedes apagar las luces? Kun je het licht uitdoen?

  41. verter — schenken
    verter schenken

    Ella vierte agua en la taza. Zij schenkt water in het kopje.

  42. revolver — roeren
    revolver roeren

    Revuelvo la sopa caliente. Ik roer in de hete soep.

  43. picar — hakken
    picar hakken

    El hombre pica la leña. De man hakt het hout.

  44. sumergir — dopen
    sumergir dopen

    Ella sumerge el trapo en el agua. Zij dopt de doek in het water.

  45. pelar — schillen
    pelar schillen

    Ella pela la naranja. Zij schilt de sinaasappel.

  46. rallar — raspen
    rallar raspen

    Ella ralla las verduras. Zij raspt de groenten.

  47. el calor — de hitte
    el calor de hitte

    Siento el calor del fuego. Ik voel de hitte van het vuur.

  48. mezclar — mengen
    mezclar mengen

    Mezclo la sal y el agua. Ik meng het zout en het water.

  49. untar — besmeren
    untar besmeren

    Ella unta mantequilla en el pan. Zij besmeert het brood met boter.

  50. derretir — smelten
    derretir smelten

    El sol derrite el hielo. De zon smelt het ijs.

  51. medir — meten
    medir meten

    Yo mido la cuerda larga. Ik meet het lange touw.

  52. llenar — vullen
    llenar vullen

    Lleno la taza con agua. Ik vul de beker met water.

  53. la lavadora — de wasmachine
    la lavadora de wasmachine

    Esta lavadora está limpia. Deze wasmachine is schoon.

  54. la secadora — de wasdroger
    la secadora de wasdroger

    La secadora está muy caliente. De wasdroger is erg heet.

  55. el detergente — het wasmiddel
    el detergente het wasmiddel

    Necesitamos más detergente ahora. We hebben nu meer wasmiddel nodig.

  56. el suavizante — de wasverzachter
    el suavizante de wasverzachter

    Ella siempre usa suavizante. Zij gebruikt altijd wasverzachter.

  57. la mancha — de vlek
    la mancha de vlek

    ¿Cuándo te salió esta mancha? Wanneer heb je deze vlek gekregen?

  58. el quitamanchas — de vlekkenverwijderaar
    el quitamanchas de vlekkenverwijderaar

    Este quitamanchas funciona bien. Deze vlekkenverwijderaar werkt goed.

  59. el cesto de ropa sucia — de wasmand
    el cesto de ropa sucia de wasmand

    Necesitamos un cesto de ropa sucia. We hebben een wasmand nodig.

  60. la percha — de kledinghanger
    la percha de kledinghanger

    No encuentro la percha para el abrigo. Ik kan de kledinghanger niet vinden.

  61. la pinza de la ropa — de wasknijper
    la pinza de la ropa de wasknijper

    ¿Usas pinzas de la ropa? Gebruik jij wasknijpers?

  62. el tendedero — de waslijn
    el tendedero de waslijn

    Este tendedero sostiene ropa mojada. Deze waslijn houdt natte was vast.

  63. la tabla de planchar — de strijkplank
    la tabla de planchar de strijkplank

    La tabla de planchar está en medio. De strijkplank staat in de weg.

  64. la plancha — het strijkijzer
    la plancha het strijkijzer

    Ella usa una plancha caliente en su ropa. Ze gebruikt een heet strijkijzer voor haar kleding.

  65. roto — kapot
    roto kapot

    Lamentablemente, ese juguete está roto. Helaas is dat speelgoed kapot.

  66. arreglar — repareren
    arreglar repareren

    Nosotros arreglamos cosas rotas aquí. Wij repareren hier kapotte dingen.

  67. la llave — de kraan
    la llave de kraan

    Nuestra llave sigue goteando. Onze kraan lekt nog steeds.

  68. la fuga — het lek
    la fuga het lek

    Por fin están arreglando la fuga. Ze zijn eindelijk het lek aan het repareren.

  69. la tubería — de pijp
    la tubería de pijp

    Puedo ver la tubería. Ik kan de pijp zien.

  70. reparar — repareren
    reparar repareren

    ¿Sabes cómo repararlo? Weet je hoe je het moet repareren?

  71. el plomero — de loodgieter
    el plomero de loodgieter

    Llamó al plomero hoy. Ze heeft vandaag de loodgieter gebeld.

  72. electricista — de elektricien
    electricista de elektricien

    Contrataron a un electricista. Ze hebben een elektricien ingehuurd.

  73. el fusible — de zekering
    el fusible de zekering

    Este fusible protege el circuito. Deze zekering beschermt het circuit.

  74. el foco — de gloeilamp
    el foco de gloeilamp

    ¿Tenemos otro foco? Hebben we nog een gloeilamp?

  75. reemplazar — vervangen
    reemplazar vervangen

    Reemplazamos los neumáticos viejos. Wij vervangen oude banden.

  76. el mantenimiento — het onderhoud
    el mantenimiento het onderhoud

    Hacen mantenimiento regular. Ze plegen regelmatig onderhoud.

  77. el corte de pelo — de knipbeurt
    el corte de pelo de knipbeurt

    Necesito un corte de pelo pronto. Ik heb binnenkort een knipbeurt nodig.

  78. el perfume — het parfum
    el perfume het parfum

    Le gusta ese perfume. Zij houdt van dat parfum.

  79. el champú — de shampoo
    el champú de shampoo

    ¿Tienes otro champú? Heb je nog een andere shampoo?

  80. el jabón — de zeep
    el jabón de zeep

    Deberías lavarte con jabón. Je moet je wassen met zeep.

  81. el cepillo de dientes — de tandenborstel
    el cepillo de dientes de tandenborstel

    ¿Cuántos años tiene tu cepillo de dientes? Hoe oud is je tandenborstel?

  82. la pasta de dientes — de tandpasta
    la pasta de dientes de tandpasta

    Esta es la mejor pasta de dientes. Dit is de beste tandpasta.

  83. la toalla — de handdoek
    la toalla de handdoek

    Las toallas limpias están en el estante. Schone handdoeken liggen op de plank.

  84. la máquina de afeitar — het scheermes
    la máquina de afeitar het scheermes

    Uso una máquina de afeitar nueva cada vez. Ik gebruik elke keer een nieuw scheermes.

  85. el peine — de kam
    el peine de kam

    Ella usa un peine a diario. Ze gebruikt dagelijks een kam.

  86. el espejo — de spiegel
    el espejo de spiegel

    ¿Limpiaste el espejo ayer? Heb je gisteren de spiegel schoongemaakt?

  87. el desodorante — de deodorant
    el desodorante de deodorant

    Necesito desodorante todos los días. Ik heb elke dag deodorant nodig.

  88. gel de ducha — de douchegel
    gel de ducha de douchegel

    Este gel de ducha huele bien. Deze douchegel ruikt lekker.

  89. la cabeza — het hoofd
    la cabeza het hoofd

    Por favor, protege tu cabeza. Bescherm alsjeblieft je hoofd.

  90. la cara — het gezicht
    la cara het gezicht

    Te lavas la cara todas las mañanas. Je wast elke ochtend je gezicht.

  91. el pie — de voet
    el pie de voet

    ¿Puedes tocarte el pie? Kun je je voet aanraken?

  92. el ojo — het oog
    el ojo het oog

    Tienes ojos hermosos. Je hebt prachtige ogen.

  93. el brazo — de arm
    el brazo de arm

    Él se rompió el brazo ayer. Hij heeft gisteren zijn arm gebroken.

  94. la nariz — de neus
    la nariz de neus

    ¿Quién tiene la nariz más grande? Wie heeft de grotere neus?

  95. la boca — de mond
    la boca de mond

    Ella puso el caramelo en su boca. Ze stopte het snoepje in haar mond.

  96. los dientes — de tanden
    los dientes de tanden

    Se cepillan los dientes a diario. Ze poetsen dagelijks hun tanden.

  97. la mano — de hand
    la mano de hand

    Lavarse las manos es muy importante. Het wassen van je handen is erg belangrijk.

  98. la oreja — het oor
    la oreja het oor

    ¿Este animal tiene orejas? Heeft dit dier oren?

  99. la pierna — het been
    la pierna het been

    ¿Te duele la pierna? Doet je been pijn?

  100. el pelo — het haar
    el pelo het haar

    ¿Con qué frecuencia te cepillas el pelo? Hoe vaak borstel jij je haar?

Woorden 901–1000

  1. el cuerpo — het lichaam
    el cuerpo het lichaam

    El hombre tiene un cuerpo fuerte. De man heeft een sterk lichaam.

  2. sonreír — glimlachen
    sonreír glimlachen

    El niño me sonríe. Het kind glimlacht naar mij.

  3. la espalda — de rug
    la espalda de rug

    Él me tocó la espalda. Hij raakte mijn rug aan.

  4. el cuello — de nek
    el cuello de nek

    Ella se tocó el cuello. Ze raakte haar nek aan.

  5. el hombro — de schouder
    el hombro de schouder

    El médico me tocó el hombro. De dokter raakte mijn schouder aan.

  6. el estómago — de maag
    el estómago de maag

    Me duele el estómago. Mijn maag doet pijn.

  7. el pecho — de borst
    el pecho de borst

    Él sintió un dolor en el pecho. Hij voelde pijn in zijn borst.

  8. el labio — de lip
    el labio de lip

    El niño se tocó el labio. De jongen raakte zijn lip aan.

  9. la lengua — de tong
    la lengua de tong

    La sopa caliente me quemó la lengua. De hete soep verbrandde mijn tong.

  10. la garganta — de keel
    la garganta de keel

    Tengo la garganta muy seca. Mijn keel is erg droog.

  11. el bigote — de snor
    el bigote de snor

    Mi padre tiene bigote. Mijn vader heeft een snor.

  12. la barba — de baard
    la barba de baard

    El hombre tiene una barba larga. De man heeft een lange baard.

  13. el dedo — de vinger
    el dedo de vinger

    El bebé me agarró el dedo. De baby pakte mijn vinger vast.

  14. el pulgar — de duim
    el pulgar de duim

    Señaló con el pulgar. Hij wees met zijn duim.

  15. el dedo del pie — de teen
    el dedo del pie de teen

    Me lastimé el dedo del pie. Ik heb mijn teen bezeerd.

  16. la rodilla — de knie
    la rodilla de knie

    Él dobló su rodilla derecha. Hij boog zijn rechterknie.

  17. el codo — de elleboog
    el codo de elleboog

    El médico me examinó el codo. De dokter onderzocht mijn elleboog.

  18. la muñeca — de pols
    la muñeca de pols

    Me lastimé la muñeca. Ik heb mijn pols bezeerd.

  19. el tobillo — de enkel
    el tobillo de enkel

    Ella se lastimó el tobillo. Ze heeft haar enkel bezeerd.

  20. la palma — de handpalm
    la palma de handpalm

    Ella abrió la palma de la mano. Ze opende haar handpalm.

  21. el talón — de hiel
    el talón de hiel

    El perro me mordió el talón. De hond beet in mijn hiel.

  22. la cadera — de heup
    la cadera de heup

    Me duele la cadera izquierda. Mijn linkerheup doet pijn.

  23. la cintura — de taille
    la cintura de taille

    Se ató una cuerda alrededor de la cintura. Hij bond een touw om zijn taille.

  24. el músculo — de spier
    el músculo de spier

    Me duele el músculo de la pierna. Mijn beenspier doet pijn.

  25. el ejercicio — de oefening
    el ejercicio de oefening

    Este es un ejercicio físico increíble. Dit is een geweldige fitnessoefening.

  26. el gimnasio — de sportschool
    el gimnasio de sportschool

    ¿Vas al gimnasio? Ga je naar de sportschool?

  27. el entrenamiento — de training
    el entrenamiento de training

    El entrenamiento regular te mantiene saludable. Regelmatige training houdt je gezond.

  28. calentar — opwarmen
    calentar opwarmen

    Esto ayuda a calentar los músculos. Dit helpt om de spieren op te warmen.

  29. estirar — rekken
    estirar rekken

    Estiro cada mañana. Ik rek me elke ochtend uit.

  30. correr — rennen
    correr rennen

    Corren muy rápido. Zij rennen erg snel.

  31. caminar — lopen
    caminar lopen

    Le gusta caminar por la tarde. Ze houdt ervan om 's avonds te lopen.

  32. levantar pesas — gewichten heffen
    levantar pesas gewichten heffen

    Levantar pesas desarrolla tus músculos. Door gewichten heffen groeien je spieren.

  33. el yoga — de yoga
    el yoga de yoga

    El yoga es muy relajante. Yoga voelt erg rustgevend.

  34. la respiración — ademen
    la respiración ademen

    Practicamos la respiración profunda. Wij oefenen met diep ademen.

  35. mantenerse en forma — fit blijven
    mantenerse en forma fit blijven

    Me mantengo en forma corriendo. Ik blijf fit door hard te lopen.

  36. día de descanso — de rustdag
    día de descanso de rustdag

    Necesita un día de descanso. Ze heeft een rustdag nodig.

  37. salir — uitgaan
    salir uitgaan

    Normalmente salimos los viernes. Wij gaan meestal op vrijdag uit.

  38. la discoteca — de nachtclub
    la discoteca de nachtclub

    La discoteca está llena después de medianoche. De nachtclub is na middernacht vol.

  39. el bar — de bar
    el bar de bar

    Nos vemos en el bar más tarde. Laten we straks afspreken bij de bar.

  40. el cigarrillo — de sigaret
    el cigarrillo de sigaret

    Él está afuera, fumando un cigarrillo. Hij staat buiten een sigaret te roken.

  41. el cenicero — de asbak
    el cenicero de asbak

    Por favor, usa el cenicero. Gebruik alsjeblieft de asbak.

  42. el encendedor — de aansteker
    el encendedor de aansteker

    ¿Tienes un encendedor? Heb je een aansteker?

  43. el alcohol — de alcohol
    el alcohol de alcohol

    Ella no bebe alcohol muy a menudo. Ze drinkt niet vaak alcohol.

  44. el abridor de botellas — de flesopener
    el abridor de botellas de flesopener

    Necesitamos un abridor de botellas para esto. We hebben een flesopener nodig voor deze fles.

  45. bailar — dansen
    bailar dansen

    Mis amigos siempre quieren bailar. Mijn vrienden willen altijd dansen.

  46. borracho — dronken
    borracho dronken

    Él está borracho, así que vuelve a casa caminando. Hij is dronken, dus hij loopt naar huis.

  47. el bolso — de handtas
    el bolso de handtas

    Su teléfono está dentro del bolso rojo. Haar telefoon zit in de rode handtas.

  48. cantante — de zanger
    cantante de zanger

    La cantante estuvo increíble esta noche. De zanger was geweldig vanavond.

  49. el estornudo — de nies
    el estornudo de nies

    Ese estornudo fue muy ruidoso. Die nies was erg hard.

  50. los músculos doloridos — de spierpijn
    los músculos doloridos de spierpijn

    Mi entrenamiento me dejó los músculos doloridos. Mijn training veroorzaakte spierpijn.

  51. el calambre — de kramp
    el calambre de kramp

    Los calambres en las piernas son lo peor. Kramp in je been is het ergste.

  52. la tortícolis — de stijve nek
    la tortícolis de stijve nek

    ¿Cómo me quito esta tortícolis? Hoe kom ik van deze stijve nek af?

  53. el moretón — de blauwe plek
    el moretón de blauwe plek

    Tengo un moretón grande. Ik heb een grote blauwe plek.

  54. el dolor de estómago — de buikpijn
    el dolor de estómago de buikpijn

    Tuve dolor de estómago ayer. Ik kreeg gisteren buikpijn.

  55. el dolor de muelas — de kiespijn
    el dolor de muelas de kiespijn

    Eso es un dolor de muelas muy fuerte. Dat is een erge kiespijn.

  56. dolor de espalda — de rugpijn
    dolor de espalda de rugpijn

    La abuela tiene dolor de espalda hoy. Oma heeft vandaag rugpijn.

  57. el dolor de oído — de oorpijn
    el dolor de oído de oorpijn

    Tiene un dolor de oído ahora. Hij heeft nu oorpijn.

  58. el agotamiento — de uitputting
    el agotamiento de uitputting

    Tu trabajo puede causar agotamiento. Je baan kan leiden tot uitputting.

  59. la alergia — de allergie
    la alergia de allergie

    Mi alergia es la peor en primavera. Mijn allergie is het ergst in de lente.

  60. Me duele aquí. — Het doet hier pijn
    Me duele aquí. Het doet hier pijn

    Me duele aquí. Het doet hier pijn.

  61. llorar — huilen
    llorar huilen

    El niño triste está llorando. Het verdrietige kind huilt.

  62. caer — vallen
    caer vallen

    La fruta cae del árbol. De vrucht valt van de boom.

  63. enfermo — ziek
    enfermo ziek

    El niño está muy enfermo. Het kind is erg ziek.

  64. bien — goed
    bien goed

    Hoy me siento bien. Ik voel me vandaag goed.

  65. cortar — snijden
    cortar snijden

    Ella corta el pan. Zij snijdt het brood.

  66. la venda — het verband
    la venda het verband

    Él le puso una venda en la herida. Hij deed een verband op de wond.

  67. arder — branden
    arder branden

    La leña seca arde rápidamente. Het droge hout brandt snel.

  68. arañar — krabben
    arañar krabben

    El gato me arañó el brazo. De kat krabde in mijn arm.

  69. golpearse — stoten
    golpearse stoten

    Me golpeé la cabeza. Ik stootte mijn hoofd.

  70. la cicatriz — het litteken
    la cicatriz het litteken

    Él se tocó la vieja cicatriz. Hij raakte het oude litteken aan.

  71. recuperarse — herstellen
    recuperarse herstellen

    Él se recuperó de la enfermedad. Hij herstelde van de ziekte.

  72. curarse — genezen
    curarse genezen

    La herida profunda se curará. De diepe wond zal genezen.

  73. el apagón — de stroomstoring
    el apagón de stroomstoring

    Por suerte, el apagón fue breve. Gelukkig was de stroomstoring kort.

  74. enchufar — inpluggen
    enchufar inpluggen

    Se le olvidó enchufar el cargador del portátil. Hij vergat de oplader van de laptop in te pluggen.

  75. el enchufe — het stopcontact
    el enchufe het stopcontact

    Ella enchufó su teléfono al enchufe de la pared. Ze stak haar telefoon in het stopcontact aan de muur.

  76. la extensión — het verlengsnoer
    la extensión het verlengsnoer

    Esta extensión es larga. Dit verlengsnoer is lang.

  77. la multitoma — de stekkerdoos
    la multitoma de stekkerdoos

    Ella conectó su computadora a la multitoma. Ze sloot haar computer aan op de stekkerdoos.

  78. el adaptador — de wereldstekker
    el adaptador de wereldstekker

    Necesitas un adaptador. Je hebt een wereldstekker nodig.

  79. la caja de fusibles — de meterkast
    la caja de fusibles de meterkast

    La caja de fusibles está rota. De meterkast is kapot.

  80. el disyuntor — de stroomonderbreker
    el disyuntor de stroomonderbreker

    El disyuntor saltó durante la tormenta. De stroomonderbreker sloeg tijdens de storm uit.

  81. el voltaje — de spanning
    el voltaje de spanning

    Este voltaje parece muy bajo. Deze spanning lijkt erg laag.

  82. la batería — de batterij
    la batería de batterij

    Una batería alimenta la linterna. Een batterij voedt de zaklamp.

  83. batería descargada — de lege batterij
    batería descargada de lege batterij

    Necesitamos cargar la batería descargada. We moeten de lege batterij opladen.

  84. reemplazar la batería — de batterij vervangen
    reemplazar la batería de batterij vervangen

    Tú reemplazas la batería a menudo. Je vervangt de batterij vaak.

  85. la electricidad — de elektriciteit
    la electricidad de elektriciteit

    Necesitamos electricidad para la luz. We hebben elektriciteit nodig voor licht.

  86. el gas — het gas
    el gas het gas

    El olor a gas llenó la cocina. De geur van gas vulde de keuken.

  87. fecha de vencimiento — de uiterste inleverdatum
    fecha de vencimiento de uiterste inleverdatum

    Por favor, revisa la fecha de vencimiento en la factura. Controleer alsjeblieft de uiterste inleverdatum op de rekening.

  88. la calefacción — de verwarming
    la calefacción de verwarming

    ¿Puedes encender la calefacción? Kun je de verwarming aanzetten?

  89. el internet — het internet
    el internet het internet

    Usan el internet a diario. Ze gebruiken dagelijks het internet.

  90. la factura — de rekening
    la factura de rekening

    ¿Cuál es la fecha de vencimiento de la factura del agua? Wat is de uiterste betaaldatum voor de waterrekening?

  91. el técnico — de technicus
    el técnico de technicus

    Un técnico vino a revisar la línea. Er kwam een technicus om de lijn te controleren.

  92. el proveedor — de leverancier
    el proveedor de leverancier

    El proveedor envió un nuevo contrato. De leverancier stuurde een nieuw contract.

  93. el contrato — het contract
    el contrato het contract

    El contrato ha vencido. Het contract is verlopen.

  94. el proveedor — de provider
    el proveedor de provider

    Cambié mi proveedor de internet. Ik ben overgestapt naar een andere internetprovider.

  95. el número de cuenta — het rekeningnummer
    el número de cuenta het rekeningnummer

    ¿Cuál es mi número de cuenta? Wat is mijn rekeningnummer?

  96. atención al cliente — de klantenservice
    atención al cliente de klantenservice

    Ofrecemos una excelente atención al cliente. Wij bieden een uitstekende klantenservice.

  97. el formulario — het formulier
    el formulario het formulier

    Necesita un formulario impreso. Hij heeft een geprint formulier nodig.

  98. la firma — de handtekening
    la firma de handtekening

    ¿Será suficiente mi firma? Is mijn handtekening voldoende?

  99. el pasaporte — het paspoort
    el pasaporte het paspoort

    ¿Perdiste tu pasaporte? Ben je je paspoort verloren?

  100. la visa — het visum
    la visa het visum

    Ese país requiere una visa. Dat land vereist een visum.

Gratis voor persoonlijk gebruik en in de klas.

Snelle quiz

Vijf vragen over de eerste 100 woorden.

Leer deze 1000 Spaanse woorden op volgorde.

De app leert ze je 12 tegelijk, met afbeeldingen en audio, en brengt elk woord terug voordat je het vergeet. Gratis op iPhone en Android.

Scan de code met de camera van je telefoon om de app te downloaden.