De 100 meest gebruikte Spaanse woorden
Elk woord met een afbeelding, native audio en een voorbeeldzin met Nederlandse vertaling. Tik op een luidspreker om het woord of de zin te horen.
Leer alle 100 woorden in de app
Met afbeeldingen, native audio, en elk woord komt terug vlak voordat je het zou vergeten. Gratis op iPhone en Android.
Hoe deze lijst is gerangschikt
Dit is de Flashcardly-cursus Spaans op volgorde: gerangschikt op frequentie en nut in het dagelijks leven, met input van taaldocenten. Het is dus geen kale telling uit een tekstcorpus, en daarom staan woorden als “de” en “van” niet bovenaan de lijst, terwijl “man” op nummer 13 staat.
De lijst
Tik op een plaatje om het te horen.
-
Hola HalloHola, ¿cómo estás? Hallo, hoe gaat het?
-
Bienvenido WelkomBienvenidos a nuestra casa. Welkom in ons huis.
-
Buenos días Goedemorgen¡Buenos días! Goedemorgen!
-
sí jaSí, entiendo. Ja, ik begrijp het.
-
Buenas noches Goedenavond¡Buenas noches! Goedenavond!
-
no neeElla dijo que no. Ze zei nee.
-
Adiós doei¡Adiós, Anna! Doei, Anna!
-
Buenas tardes Goedemiddag¡Buenas tardes! Goedemiddag!
-
Hasta pronto Tot snel¡Hasta pronto, Mia! Tot snel, Mia!
-
Hasta mañana Tot morgen¡Hasta mañana! Tot morgen!
-
Mucho gusto Aangenaam¡Mucho gusto también! Aangenaam kennis te maken!
-
¿Cómo estás? Hoe gaat het met je¿Cómo estás hoy? Hoe gaat het met je vandaag?
-
el hombre de manEl hombre lee el libro. De man leest het boek.
-
la mujer de vrouwLa mujer lleva un sombrero. De vrouw draagt een hoed.
-
el niño de jongenEl niño juega con juguetes. De jongen speelt met speelgoed.
-
la niña het meisjeLa niña tiene una pelota. Het meisje heeft een bal.
-
la persona de persoonÉl es una persona agradable. Hij is een aardig persoon.
-
la gente de mensenLa gente está muy contenta. De mensen zijn erg blij.
-
el adulto de volwasseneSoy un adulto. Ik ben een volwassene.
-
el bebé de babyEl bebé necesita leche. De baby heeft melk nodig.
-
señor meneerAl señor Smith le gusta leer libros. Meneer Smith leest graag boeken.
-
señora mevrouwLa señora Smith es profesora. Mevrouw Smith is een lerares.
-
el vecino de buurmanMi vecino es muy amable. Mijn buurman is erg vriendelijk.
-
el amigo de vriendA mi amigo le gusta leer libros. Mijn vriend leest graag boeken.
-
hoy vandaagHoy es un buen día. Vandaag is een goede dag.
-
mañana morgenMañana es un nuevo día. Morgen is een nieuwe dag.
-
ayer gisterenLa vi ayer. Ik heb haar gisteren gezien.
-
ahora nuLo quiere ahora. Hij wil het nu.
-
la tarde de middagMe gusta la tarde. Ik vind de middag fijn.
-
la noche de avondLa noche es tranquila. De avond is rustig.
-
el minuto de minuutNecesitamos cinco minutos. We hebben vijf minuten nodig.
-
la mañana de ochtendDesayuno por la mañana. Ik eet 's ochtends mijn ontbijt.
-
más tarde laterLo haré más tarde. Ik doe het later.
-
temprano vroegElla se despierta temprano. Zij wordt vroeg wakker.
-
tarde te laatÉl suele llegar tarde. Hij is vaak te laat.
-
la hora het uurLa clase dura una hora. De les duurt één uur.
-
¿Cómo te llamas? Hoe heet je?¿Cómo te llamas? Hoe heet je?
-
Me llamo Mijn naam isMe llamo Emily. Mijn naam is Emily.
-
¿De dónde eres? Waar kom je vandaan?¿De dónde eres? Waar kom je vandaan?
-
Soy de Ik kom uit ...Soy de Alemania. Ik kom uit Duitsland.
-
¿Dónde vives? Waar woon je¿Dónde vives? Waar woon je?
-
Vivo en Ik woon inVivo en Japón. Ik woon in Japan.
-
¿Qué idiomas hablas? Welke talen spreek je?¿Qué idiomas hablas? Welke talen spreek je?
-
Hablo ik spreekHablo inglés bien. Ik spreek goed Engels.
-
Hablo un poco de Ik spreek een beetje ...Hablo un poco de francés. Ik spreek een beetje Frans.
-
¿Dónde naciste? Waar ben je geboren¿Dónde naciste? Waar ben je geboren?
-
¿Cuál es tu apellido? Wat is je achternaam?¿Cuál es tu apellido? Wat is je achternaam?
-
Esta es mi amiga Dit is mijn vriend(in)Esta es mi amiga Lisa. Dit is mijn vriendin Lisa.
-
hacer makenHago buen café. Ik maak goede koffie.
-
recibir krijgenÉl recibió un regalo. Hij kreeg een cadeau.
-
tener hebbenEmma tiene un carro. Emma heeft een auto.
-
comer etenEstán comiendo manzanas. Zij eten appels.
-
beber drinken¿Bebes café? Drink jij koffie?
-
dormir slapenQuiero dormir ahora. Ik wil nu slapen.
-
ver zien¿Puedes ver la casa? Kun je het huis zien?
-
mirar kijken naarA Adam le gusta mirar fotos. Adam vindt het leuk om naar foto's te kijken.
-
leer lezenEl estudiante lee libros. De student leest boeken.
-
abrir openenElla abre la ventana. Zij opent het raam.
-
cerrar sluitenCierro la puerta. Ik sluit de deur.
-
venir komenVienes aquí todos los días. Je komt hier elke dag.
-
Por favor alsjeblieftPor favor, abre la puerta. Wil je alsjeblieft de deur openen?
-
Gracias Dank je welGracias por tu ayuda. Dank je wel voor je hulp.
-
De nada Graag gedaan.De nada. Graag gedaan.
-
Disculpe PardonDisculpe, necesito ayuda. Pardon, ik heb hulp nodig.
-
Lo siento. sorryLo siento. Het spijt me.
-
¿Podrías ayudarme? Kun je me helpen?¿Podrías ayudarme? Kun je me helpen?
-
¿Podrías repetir, por favor? Kun je dat alsjeblieft herhalen?¿Podrías repetir eso, por favor? Kun je dat alsjeblieft herhalen?
-
¿Podría hablar más despacio? Zou je wat langzamer kunnen spreken?¿Podría hablar más despacio? Zou je wat langzamer kunnen spreken?
-
¿Me podría dar ..., por favor? Mag ik ... alsjeblieft?¿Me podría dar agua, por favor? Mag ik water alsjeblieft?
-
Me gustaría ik zou graag ... willenMe gustaría un poco más de té. Ik zou graag nog wat thee willen.
-
¿Puedo...? Mag ik ...?¿Puedo tener un poco de agua? Mag ik wat water?
-
¿Está bien si...? Is het goed als ...?¿Está bien si me siento? Is het goed als ik ga zitten?
-
cero nulCero es menor que uno. Nul is minder dan één.
-
uno éénTengo una manzana. Ik heb één appel.
-
dos tweeHay dos gatos. Er zijn twee katten.
-
tres drieNo, tres es demasiado. Nee, drie is te veel.
-
cuatro vierDame cuatro, por favor. Geef me er vier, alsjeblieft.
-
cinco vijfTengo cinco perros. Ik heb vijf honden.
-
seis zesVino con seis amigos. Hij kwam met zes vrienden.
-
siete zevenEstoy corriendo siete kilómetros. Ik ren zeven kilometer.
-
ocho achtUna araña tiene ocho patas. Een spin heeft acht poten.
-
nueve negenNueve es mi número de la suerte. Negen is mijn geluksgetal.
-
diez tienTenemos diez dedos. Wij hebben tien vingers.
-
más plusDos más dos es cuatro. Twee plus twee is vier.
-
No entiendo. Ik begrijp het nietNo entiendo. Ik begrijp het niet.
-
¿Puedes repetir eso, por favor? Kun je dat alsjeblieft herhalen?¿Puedes repetir eso, por favor? Kun je dat alsjeblieft herhalen?
-
Más despacio, por favor. Iets langzamer, alsjeblieft.Más despacio, por favor. Iets langzamer, alsjeblieft.
-
¿Qué significa eso? Wat betekent dat?¿Qué significa eso? Wat betekent dat?
-
¿Cómo se dice eso en...? Hoe zeg je dat in ...?¿Cómo se dice eso en español? Hoe zeg je dat in het Spaans?
-
¿Cómo se deletrea eso? Hoe spel je dat?¿Cómo se deletrea eso? Hoe spel je dat?
-
¿Puedes anotarlo? Kun je het opschrijven?¿Puedes anotarlo, por favor? Kun je het opschrijven, alsjeblieft?
-
¿Me puedes enseñar? Kun je me ... laten zien¿Me puedes enseñar la foto? Kun je me de foto laten zien?
-
¿Hablas...? Spreek je ...?¿Hablas inglés? Spreek je Engels?
-
Un momento, por favor Een momentje, alsjeblieft.Un momento, por favor. Een momentje, alsjeblieft.
-
Creo que sí Ik denk het wel.Yo también creo que sí. Ik denk het ook.
-
No sé Ik weet het niet.No sé. Ik weet het niet.
-
este ditEste es mi carro rojo. Dit is mijn rode auto.
-
ese dieEse perro es muy amigable. Die hond is erg vriendelijk.
-
aquí hierMe gusta estar aquí. Ik vind het fijn om hier te zijn.
-
allí daarNos encontramos allí después del trabajo. We spreken daar na het werk af.
Gratis voor persoonlijk gebruik en in de klas.
Meer Spaans
Spaanse woorden per onderwerp
- Getallen1–100
- Rangtelwoorden12
- Dagen van de week12
- Maanden12
- Kleuren19
- Familie36
- Lichaamsdelen24
- Eten44
- Dieren36
- Kleding41
- Het weer24
- Begroetingen12
- Fruit16
- Groenten12
- Keuken & koken36
- Restaurant & eten bestellen48
- Geld25
- Huis & kamers48
- Beroepen36
- Gevoelens & emoties36
- School & schoolspullen48
- Vervoermiddelen48
- Reizen60
- De weg vragen48
- Voorzetsels18
- Plekken in de stad48
- Bij de dokter36
- Sport & spel60
- Hobby’s36
- Muziekinstrumenten12
- Natuur & planten36
- Planeten & heelal24
- Tijdsaanduidingen36
- Feestdagen & feesten12
- Vormen12
- Alsjeblieft & dank je wel24
- Small talk36
Woordenlijsten