Beroepen in het Spaans

Beroepen in het Spaans: el enfermero (de verpleegkundige), dentista (de tandarts), el chef (de chef-kok), el ingeniero (de ingenieur), el agricultor (de boer), el policía (de politieagent). Hieronder staan alle 36 woorden over dit onderwerp uit de lessen 62, 63 en 64 van de Flashcardly-cursus, elk met een afbeelding en native audio.

Leer deze 36 woorden in de app

Met afbeeldingen, native audio, en elk woord komt terug vlak voordat je het zou vergeten. Gratis op iPhone en Android.

Gratis downloaden
Download in de App Store Ontdek het op Google Play Scan met de camera van je telefoon

Beroepen in het Spaans: alle 36 woorden

Fout melden

Vertel ons wat er niet klopt. We bekijken elke melding.

Wat klopt er niet?

Tik op een plaatje om het te horen.

Les 62 · Beroepen — dienstverlening & vakmanschap 12 woorden

  • el enfermero de verpleegkundige

    El enfermero ayudó al paciente.

    De verpleegkundige hielp de patiënt.

  • dentista de tandarts

    El dentista me arregló el diente.

    De tandarts heeft mijn tand gerepareerd.

  • el mesero de ober

    El mesero trajo nuestra comida.

    De ober bracht ons eten.

  • la mesera de serveerster

    La mesera nos trajo la comida.

    De serveerster bracht ons eten.

  • el chef de chef-kok

    El chef prepara la comida.

    De chef-kok bereidt de maaltijd.

  • el mecánico de monteur

    El mecánico arregló mi carro.

    De monteur heeft mijn auto gerepareerd.

  • el cartero de postbode

    El cartero trajo una carta.

    De postbode bracht een brief.

  • el limpiador de schoonmaker

    El limpiador lavó el suelo.

    De schoonmaker heeft de vloer gedweild.

  • el jardinero de tuinman

    El jardinero riega las plantas.

    De tuinman geeft de planten water.

  • el pintor de schilder

    El pintor pinta un cuadro hermoso.

    De schilder schildert een prachtig schilderij.

  • el sastre de kleermaker

    El sastre hace ropa preciosa.

    De kleermaker maakt prachtige kleding.

  • el bibliotecario de bibliothecaris

    El bibliotecario organiza los libros.

    De bibliothecaris organiseert de boeken.

Les 63 · Beroepen — creatief & kantoor 12 woorden

  • el actor de acteur

    Vi al actor famoso.

    Ik zag de beroemde acteur.

  • la actriz de actrice

    Vi a la famosa actriz.

    Ik zag de beroemde actrice.

  • artista de kunstenaar

    El artista pinta un cuadro.

    De kunstenaar schildert een schilderij.

  • el fotógrafo de fotograaf

    El fotógrafo me tomó una foto.

    De fotograaf maakte een foto van mij.

  • el escritor de schrijver

    El escritor terminó el libro.

    De schrijver heeft het boek afgemaakt.

  • gerente de manager

    Conocimos al nuevo gerente.

    We hebben de nieuwe manager ontmoet.

  • el abogado de advocaat

    Necesito un buen abogado.

    Ik heb een goede advocaat nodig.

  • el secretario de secretaresse

    El secretario trabaja en la oficina.

    De secretaresse werkt op kantoor.

  • periodista de journalist

    El periodista escribe las noticias.

    De journalist schrijft het nieuws.

  • asistente de assistent

    Mi asistente le ayudará.

    Mijn assistent zal je helpen.

  • el reportero de verslaggever

    El reportero escribe las noticias.

    De verslaggever schrijft het nieuws.

  • el diseñador de ontwerper

    El diseñador hace ropa hermosa.

    De ontwerper maakt prachtige kleding.

Les 64 · Beroepen — technisch & publiek 12 woorden

  • el ingeniero de ingenieur

    El ingeniero arregló la máquina.

    De ingenieur repareerde de machine.

  • el piloto de piloot

    El piloto vuela el avión.

    De piloot bestuurt het vliegtuig.

  • el agricultor de boer

    El agricultor trabaja en el campo.

    De boer werkt op het land.

  • el pescador de visser

    El pescador atrapó un pez grande.

    De visser ving een grote vis.

  • el científico de wetenschapper

    El científico descubrió una nueva medicina.

    De wetenschapper ontdekte een nieuw medicijn.

  • el programador de programmeur

    El programador escribe el software.

    De programmeur schrijft de software.

  • el policía de politieagent

    El policía atrapó al ladrón.

    De politieagent heeft de dief gepakt.

  • el soldado de soldaat

    El soldado protege la ciudad.

    De soldaat beschermt de stad.

  • el profesor de professor

    El profesor les enseña a los estudiantes.

    De professor geeft les aan de studenten.

  • el constructor de bouwvakker

    El constructor construye la casa nueva.

    De bouwvakker bouwt het nieuwe huis.

  • el panadero de bakker

    El panadero hace pan fresco.

    De bakker maakt vers brood.

  • atleta de atleet

    El atleta corre muy rápido.

    De atleet rent heel erg snel.

Gratis voor persoonlijk gebruik en in de klas. Leer je met papieren kaarten? Zo sorteer je ze in bakjes.

Snelle quiz

Vijf vragen over de woorden op deze pagina.

Beroepen in het Spaans: leer deze woorden in lessen van vijf minuten.

Afbeeldingen, native audio en herhalingen op precies het goede moment. Gratis op iPhone en Android.

Scan de code met de camera van je telefoon om de app te downloaden.