Familie in het Spaans
Familieleden in het Spaans: la madre (de moeder), el padre (de vader), el hermano (de broer), la hermana (de zus), el hijo (de zoon), la hija (de dochter). Hieronder staan alle 36 woorden over dit onderwerp uit de lessen 131, 132 en 133 van de Flashcardly-cursus, elk met een afbeelding en native audio.
Leer deze 36 woorden in de app
Met afbeeldingen, native audio, en elk woord komt terug vlak voordat je het zou vergeten. Gratis op iPhone en Android.
Familie in het Spaans: alle 36 woorden
Tik op een plaatje om het te horen.
Het Nederlands is verborgen. Zeg het woord en tik dan op het grijze vak om jezelf te controleren.
Les 131 · Familie & vrienden 12 woorden
- la madre de moeder
Queremos mucho a nuestra madre.
Wij houden heel veel van onze moeder.
- el padre de vader
Él quiere mucho a su padre.
Hij houdt heel veel van zijn vader.
- los padres de ouders
Esa familia tiene padres cariñosos.
Dat gezin heeft liefdevolle ouders.
- el hermano de broer
¿Tu hermano también se va?
Gaat jouw broer ook weg?
- la hermana de zus
Tengo una hermana genial.
Ik heb een geweldige zus.
- el hijo de zoon
Ella ama a su único hijo.
Ze houdt van haar enige zoon.
- la hija de dochter
Él quiere a su única hija.
Hij houdt van zijn enige dochter.
- el esposo de echtgenoot
Ese es su cariñoso esposo.
Dat is haar liefdevolle echtgenoot.
- la esposa de vrouw
¿Cómo conociste a tu esposa?
Hoe heb je je vrouw ontmoet?
- el compañero de partner
Tenemos un buen compañero.
Wij hebben een goede partner.
- el vecino de buurman
Mi vecino tiene un perro amigable.
Mijn buurman heeft een vriendelijke hond.
- el amigo de vriend
Ella tiene un buen amigo ahora.
Ze heeft nu een goede vriend.
Les 132 · Uitgebreide familie & relaties 12 woorden
- la abuela de grootmoeder
Este es el jardín de su abuela.
Dat is de tuin van haar grootmoeder.
- el abuelo de grootvader
Él quiere mucho a su abuelo.
Hij houdt heel veel van zijn grootvader.
- los abuelos de grootouders
Visitamos a nuestros abuelos a menudo.
Wij bezoeken onze grootouders vaak.
- el tío de oom
¿Tu tío también es de Canadá?
Komt jouw oom ook uit Canada?
- la tía de tante
Mi tía hace buenas galletas.
Mijn tante bakt lekkere koekjes.
- el primo de neef
Tiene un primo en la escuela.
Ze heeft één neef op school.
- la sobrina de nicht
Esa chica es mi sobrina.
Dat meisje is mijn nicht.
- pariente het familielid
Mi pariente vive lejos.
Mijn familielid woont ver weg.
- el novio de vriend
Mi novio quiere sentarse enfrente de mí.
Mijn vriend wil tegenover me zitten.
- la novia de vriendin
Esta es la flor favorita de mi novia.
Dit is de lievelingsbloem van mijn vriendin.
- la nuera de schoonfamilie
Le gusta su nueva nuera.
Ze mag haar nieuwe schoonfamilie graag.
- el sobrino de neef
Él quiere mucho a su pequeño sobrino.
Hij houdt van zijn kleine neefje.
Les 133 · Familie — rollen & levensgebeurtenissen 12 woorden
- la familia de familie
Amo a mi familia.
Ik hou van mijn familie.
- el niño het kind
El niño bebe agua.
Het kind drinkt water.
- el padrastro de stiefvader
Vivo con mi padrastro.
Ik woon samen met mijn stiefvader.
- la nieta de kleindochter
Ella abrazó a su nieta.
Ze omhelsde haar kleindochter.
- el nieto de kleinzoon
El hombre ama a su nieto.
De man houdt van zijn kleinzoon.
- casado getrouwd
Mi hermana está casada.
Mijn zus is getrouwd.
- el apellido de achternaam
Se me olvidó su apellido.
Ik ben zijn achternaam vergeten.
- el gemelo de tweeling
Ella quiere mucho a su gemelo.
Ze houdt van haar tweeling.
- soltero vrijgezel
Mi hermano está soltero.
Mijn broer is vrijgezel.
- el hermano de broer of zus
Tengo un hermano.
Ik heb één broer of zus.
- el hijo único het enig kind
El niño es hijo único.
De jongen is een enig kind.
- la generación de generatie
Enseñamos a la próxima generación.
Wij onderwijzen de volgende generatie.
Gratis voor persoonlijk gebruik en in de klas. Leer je met papieren kaarten? Zo sorteer je ze in bakjes.
Meer Spaanse flashcards
Spaanse woorden per onderwerp
- Getallen1–100
- Rangtelwoorden12
- Dagen van de week12
- Maanden12
- Kleuren19
- Familie36
- Lichaamsdelen24
- Eten44
- Dieren36
- Kleding41
- Het weer24
- Begroetingen12
- Fruit16
- Groenten12
- Keuken & koken36
- Restaurant & eten bestellen48
- Geld25
- Huis & kamers48
- Beroepen36
- Gevoelens & emoties36
- School & schoolspullen48
- Vervoermiddelen48
- Reizen60
- De weg vragen48
- Voorzetsels18
- Plekken in de stad48
- Bij de dokter36
- Sport & spel60
- Hobby’s36
- Muziekinstrumenten12
- Natuur & planten36
- Planeten & heelal24
- Tijdsaanduidingen36
- Feestdagen & feesten12
- Vormen12
- Alsjeblieft & dank je wel24
- Small talk36
Woordenlijsten
Familie in andere talen