Voorzetsels in het Spaans

Voorzetsels in het Spaans: sobre (over), bajo (onder), en (in), fuera de (uit), a través de (door), detrás de (achter), delante de (voor), entre (tussen), al lado de (naast). Hieronder staan alle 18 woorden over dit onderwerp uit de lessen 27 en 37 van de Flashcardly-cursus, elk met een afbeelding en native audio.

Leer deze 18 woorden in de app

Met afbeeldingen, native audio, en elk woord komt terug vlak voordat je het zou vergeten. Gratis op iPhone en Android.

Gratis downloaden
Download in de App Store Ontdek het op Google Play Scan met de camera van je telefoon

Voorzetsels in het Spaans: alle 18 woorden

Fout melden

Vertel ons wat er niet klopt. We bekijken elke melding.

Wat klopt er niet?

Tik op een plaatje om het te horen.

Les 27 · Beweging & positie 3 12 woorden

  • sobre over

    El gato salta sobre la caja.

    De kat springt over de doos.

  • bajo onder

    Viven bajo un árbol grande.

    Ze wonen onder een grote boom.

  • a través de door

    Él camina a través de la puerta.

    Hij loopt door de deur.

  • por langs

    Caminamos por la playa.

    Wij lopen langs het strand.

  • por rond

    La gente camina por el parque.

    Mensen lopen rond het park.

  • al otro lado de aan de overkant van

    Voy al otro lado de la calle.

    Ik ga aan de overkant van de straat.

  • en in

    Él entra lentamente en la habitación.

    Hij loopt langzaam de kamer in.

  • fuera de uit

    El niño corre fuera de la escuela.

    Het kind rent de school uit.

  • arriba omhoog

    Ella mira arriba a las nubes.

    Ze kijkt omhoog naar de wolken.

  • abajo neer

    El perro puso la pelota abajo.

    De hond legde de bal neer.

  • la planta alta naar boven

    Voy a la planta alta a dormir.

    Ik ga naar boven om te slapen.

  • la planta baja beneden

    Escucho ruidos en la planta baja.

    Ik hoor geluiden beneden.

Les 37 · Routebeschrijving 2 6 woorden

  • detrás de achter

    Está detrás de ese edificio.

    Het staat achter dat gebouw.

  • delante de voor

    Ella está delante de mí.

    Zij staat voor mij.

  • entre tussen

    El parque está entre dos casas.

    Het park ligt tussen twee huizen.

  • al lado de naast

    Esa tienda está al lado de mi casa.

    Die winkel ligt naast mijn huis.

  • enfrente de tegenover

    Vivimos enfrente de la tienda.

    Wij wonen tegenover de winkel.

  • hacia richting

    Los niños caminan hacia el árbol grande.

    De kinderen lopen richting de grote boom.

Gratis voor persoonlijk gebruik en in de klas. Leer je met papieren kaarten? Zo sorteer je ze in bakjes.

Snelle quiz

Vijf vragen over de woorden op deze pagina.

Voorzetsels in het Spaans: leer deze woorden in lessen van vijf minuten.

Afbeeldingen, native audio en herhalingen op precies het goede moment. Gratis op iPhone en Android.

Scan de code met de camera van je telefoon om de app te downloaden.