Voorzetsels in het Duits

Voorzetsels in het Duits: über (over), unter (onder), in (in), aus (uit), durch (door), hinter (achter), vor (voor), zwischen (tussen), neben (naast). Hieronder staan alle 18 woorden over dit onderwerp uit de lessen 27 en 37 van de Flashcardly-cursus, elk met een afbeelding en native audio.

Leer deze 18 woorden in de app

Met afbeeldingen, native audio, en elk woord komt terug vlak voordat je het zou vergeten. Gratis op iPhone en Android.

Gratis downloaden
Download in de App Store Ontdek het op Google Play Scan met de camera van je telefoon

Voorzetsels in het Duits: alle 18 woorden

Fout melden

Vertel ons wat er niet klopt. We bekijken elke melding.

Wat klopt er niet?

Tik op een plaatje om het te horen.

Les 27 · Beweging & positie 3 12 woorden

  • über over

    Die Katze springt über die Kiste.

    De kat springt over de doos.

  • unter onder

    Sie wohnen unter einem großen Baum.

    Ze wonen onder een grote boom.

  • durch door

    Er geht durch die Tür.

    Hij loopt door de deur.

  • entlang langs

    Wir gehen den Strand entlang.

    Wij lopen langs het strand.

  • um rond

    Leute gehen um den Park herum.

    Mensen lopen rond het park.

  • über aan de overkant van

    Ich gehe über die Straße.

    Ik ga aan de overkant van de straat.

  • in in

    Er geht langsam in das Zimmer.

    Hij loopt langzaam de kamer in.

  • aus uit

    Das Kind rennt aus der Schule.

    Het kind rent de school uit.

  • nach oben omhoog

    Sie schaut nach oben zu den Wolken.

    Ze kijkt omhoog naar de wolken.

  • herunter neer

    Der Hund legte den Ball herunter.

    De hond legde de bal neer.

  • oben naar boven

    Ich gehe nach oben ins Bett.

    Ik ga naar boven om te slapen.

  • unten beneden

    Ich höre unten Geräusche.

    Ik hoor geluiden beneden.

Les 37 · Routebeschrijving 2 6 woorden

  • hinter achter

    Es ist hinter diesem Gebäude.

    Het staat achter dat gebouw.

  • vor voor

    Sie ist vor mir.

    Zij staat voor mij.

  • zwischen tussen

    Der Park ist zwischen zwei Häusern.

    Het park ligt tussen twee huizen.

  • neben naast

    Das Geschäft ist neben meinem Haus.

    Die winkel ligt naast mijn huis.

  • gegenüber von tegenover

    Wir wohnen gegenüber vom Geschäft.

    Wij wonen tegenover de winkel.

  • in Richtung richting

    Die Kinder gehen in Richtung zum großen Baum.

    De kinderen lopen richting de grote boom.

Gratis voor persoonlijk gebruik en in de klas. Leer je met papieren kaarten? Zo sorteer je ze in bakjes.

Snelle quiz

Vijf vragen over de woorden op deze pagina.

Voorzetsels in het Duits: leer deze woorden in lessen van vijf minuten.

Afbeeldingen, native audio en herhalingen op precies het goede moment. Gratis op iPhone en Android.

Scan de code met de camera van je telefoon om de app te downloaden.