Voorzetsels in het Italiaans

Voorzetsels in het Italiaans: sopra (over), sotto (onder), in (in), fuori da (uit), attraverso (door), dietro (achter), davanti a (voor), tra (tussen), accanto a (naast). Hieronder staan alle 18 woorden over dit onderwerp uit de lessen 27 en 37 van de Flashcardly-cursus, elk met een afbeelding en native audio.

Leer deze 18 woorden in de app

Met afbeeldingen, native audio, en elk woord komt terug vlak voordat je het zou vergeten. Gratis op iPhone en Android.

Gratis downloaden
Download in de App Store Ontdek het op Google Play Scan met de camera van je telefoon

Voorzetsels in het Italiaans: alle 18 woorden

Fout melden

Vertel ons wat er niet klopt. We bekijken elke melding.

Wat klopt er niet?

Tik op een plaatje om het te horen.

Les 27 · Beweging & positie 3 12 woorden

  • sopra over

    Il gatto salta sopra la scatola.

    De kat springt over de doos.

  • sotto onder

    Vivono sotto un grande albero.

    Ze wonen onder een grote boom.

  • attraverso door

    Cammina attraverso la porta.

    Hij loopt door de deur.

  • lungo langs

    Camminiamo lungo la spiaggia.

    Wij lopen langs het strand.

  • attorno a rond

    Le persone camminano attorno al parco.

    Mensen lopen rond het park.

  • dall'altra parte aan de overkant van

    Vado dall'altra parte della strada.

    Ik ga aan de overkant van de straat.

  • in in

    Cammina lentamente nella stanza.

    Hij loopt langzaam de kamer in.

  • fuori da uit

    Il bambino corre fuori dalla scuola.

    Het kind rent de school uit.

  • su omhoog

    Lei guarda su verso le nuvole.

    Ze kijkt omhoog naar de wolken.

  • giù neer

    Il cane ha messo giù la palla.

    De hond legde de bal neer.

  • di sopra naar boven

    Vado di sopra a letto.

    Ik ga naar boven om te slapen.

  • di sotto beneden

    Sento dei rumori di sotto.

    Ik hoor geluiden beneden.

Les 37 · Routebeschrijving 2 6 woorden

  • dietro achter

    È dietro quel palazzo.

    Het staat achter dat gebouw.

  • davanti a voor

    Lei è davanti a me.

    Zij staat voor mij.

  • tra tussen

    Il parco è tra due case.

    Het park ligt tussen twee huizen.

  • accanto a naast

    Quel negozio è accanto a casa mia.

    Die winkel ligt naast mijn huis.

  • di fronte a tegenover

    Viviamo di fronte al negozio.

    Wij wonen tegenover de winkel.

  • verso richting

    I bambini camminano verso il grande albero.

    De kinderen lopen richting de grote boom.

Gratis voor persoonlijk gebruik en in de klas. Leer je met papieren kaarten? Zo sorteer je ze in bakjes.

Snelle quiz

Vijf vragen over de woorden op deze pagina.

Voorzetsels in het Italiaans: leer deze woorden in lessen van vijf minuten.

Afbeeldingen, native audio en herhalingen op precies het goede moment. Gratis op iPhone en Android.

Scan de code met de camera van je telefoon om de app te downloaden.