De 100 meest gebruikte Italiaanse woorden

Elk woord met een afbeelding, native audio en een voorbeeldzin met Nederlandse vertaling. Tik op een luidspreker om het woord of de zin te horen.

Leer alle 100 woorden in de app

Met afbeeldingen, native audio, en elk woord komt terug vlak voordat je het zou vergeten. Gratis op iPhone en Android.

Gratis downloaden
Download in de App Store Ontdek het op Google Play Scan met de camera van je telefoon

Hoe deze lijst is gerangschikt

Dit is de Flashcardly-cursus Italiaans op volgorde: gerangschikt op frequentie en nut in het dagelijks leven, met input van taaldocenten. Het is dus geen kale telling uit een tekstcorpus, en daarom staan woorden als “de” en “van” niet bovenaan de lijst, terwijl “man” op nummer 13 staat.

De lijst

Fout melden

Vertel ons wat er niet klopt. We bekijken elke melding.

Wat klopt er niet?

Tik op een plaatje om het te horen.

  1. Ciao — Hallo
    Ciao Hallo

    Ciao, come stai? Hallo, hoe gaat het?

  2. benvenuto — Welkom
    benvenuto Welkom

    Benvenuti a casa nostra. Welkom in ons huis.

  3. Buongiorno — Goedemorgen
    Buongiorno Goedemorgen

    Buongiorno! Goedemorgen!

  4. sì — ja
    sì ja

    Sì, capisco. Ja, ik begrijp het.

  5. Buonasera — Goedenavond
    Buonasera Goedenavond

    Buonasera! Goedenavond!

  6. no — nee
    no nee

    Ha detto di no. Ze zei nee.

  7. Arrivederci — doei
    Arrivederci doei

    Arrivederci, Anna! Doei, Anna!

  8. Buon pomeriggio — Goedemiddag
    Buon pomeriggio Goedemiddag

    Buon pomeriggio! Goedemiddag!

  9. A presto — Tot snel
    A presto Tot snel

    A presto, Mia! Tot snel, Mia!

  10. Ci vediamo domani — Tot morgen
    Ci vediamo domani Tot morgen

    Ci vediamo domani! Tot morgen!

  11. Piacere — Aangenaam
    Piacere Aangenaam

    Piacere, anche a te! Aangenaam kennis te maken!

  12. Come stai? — Hoe gaat het met je
    Come stai? Hoe gaat het met je

    Come stai oggi? Hoe gaat het met je vandaag?

  13. un uomo — de man
    un uomo de man

    L'uomo legge il libro. De man leest het boek.

  14. una donna — de vrouw
    una donna de vrouw

    La donna indossa un cappello. De vrouw draagt een hoed.

  15. un ragazzo — de jongen
    un ragazzo de jongen

    Il ragazzo gioca con i giocattoli. De jongen speelt met speelgoed.

  16. una ragazza — het meisje
    una ragazza het meisje

    La ragazza ha una palla. Het meisje heeft een bal.

  17. una persona — de persoon
    una persona de persoon

    È una persona brava. Hij is een aardig persoon.

  18. la gente — de mensen
    la gente de mensen

    La gente è molto felice. De mensen zijn erg blij.

  19. un adulto — de volwassene
    un adulto de volwassene

    Sono un adulto. Ik ben een volwassene.

  20. un bambino — de baby
    un bambino de baby

    Il bambino ha bisogno di latte. De baby heeft melk nodig.

  21. signore — meneer
    signore meneer

    Al signor Smith piace leggere libri. Meneer Smith leest graag boeken.

  22. Signora — mevrouw
    Signora mevrouw

    La signora Smith è un'insegnante. Mevrouw Smith is een lerares.

  23. un vicino — de buurman
    un vicino de buurman

    Il mio vicino è molto amichevole. Mijn buurman is erg vriendelijk.

  24. un amico — de vriend
    un amico de vriend

    Al mio amico piace leggere libri. Mijn vriend leest graag boeken.

  25. oggi — vandaag
    oggi vandaag

    Oggi è una bella giornata. Vandaag is een goede dag.

  26. domani — morgen
    domani morgen

    Domani è un nuovo giorno. Morgen is een nieuwe dag.

  27. ieri — gisteren
    ieri gisteren

    L'ho vista ieri. Ik heb haar gisteren gezien.

  28. adesso — nu
    adesso nu

    Lo vuole adesso. Hij wil het nu.

  29. un pomeriggio — de middag
    un pomeriggio de middag

    Mi piace il pomeriggio. Ik vind de middag fijn.

  30. una sera — de avond
    una sera de avond

    La sera è tranquilla. De avond is rustig.

  31. un minuto — de minuut
    un minuto de minuut

    Ci servono cinque minuti. We hebben vijf minuten nodig.

  32. una mattina — de ochtend
    una mattina de ochtend

    Faccio colazione la mattina. Ik eet 's ochtends mijn ontbijt.

  33. più tardi — later
    più tardi later

    Lo farò più tardi. Ik doe het later.

  34. presto — vroeg
    presto vroeg

    Si sveglia presto. Zij wordt vroeg wakker.

  35. in ritardo — te laat
    in ritardo te laat

    È spesso in ritardo. Hij is vaak te laat.

  36. un'ora — het uur
    un'ora het uur

    La lezione dura un'ora. De les duurt één uur.

  37. Come ti chiami? — Hoe heet je?
    Come ti chiami? Hoe heet je?

    Come ti chiami? Hoe heet je?

  38. Mi chiamo — Mijn naam is
    Mi chiamo Mijn naam is

    Mi chiamo Emily. Mijn naam is Emily.

  39. Di dove sei? — Waar kom je vandaan?
    Di dove sei? Waar kom je vandaan?

    Di dove sei? Waar kom je vandaan?

  40. Sono di — Ik kom uit ...
    Sono di Ik kom uit ...

    Sono della Germania. Ik kom uit Duitsland.

  41. Dove abiti? — Waar woon je
    Dove abiti? Waar woon je

    Dove abiti? Waar woon je?

  42. Vivo in — Ik woon in
    Vivo in Ik woon in

    Vivo in Giappone. Ik woon in Japan.

  43. Che lingue parli? — Welke talen spreek je?
    Che lingue parli? Welke talen spreek je?

    Che lingue parli? Welke talen spreek je?

  44. parlo — ik spreek
    parlo ik spreek

    Parlo inglese bene. Ik spreek goed Engels.

  45. parlo un po' — Ik spreek een beetje ...
    parlo un po' Ik spreek een beetje ...

    Parlo un po' di francese. Ik spreek een beetje Frans.

  46. Dove sei nato — Waar ben je geboren
    Dove sei nato Waar ben je geboren

    Dove sei nato? Waar ben je geboren?

  47. Qual è il tuo cognome? — Wat is je achternaam?
    Qual è il tuo cognome? Wat is je achternaam?

    Qual è il tuo cognome? Wat is je achternaam?

  48. Questa è la mia amica — Dit is mijn vriend(in)
    Questa è la mia amica Dit is mijn vriend(in)

    Questa è la mia amica Lisa. Dit is mijn vriendin Lisa.

  49. fare — maken
    fare maken

    Faccio un buon caffè. Ik maak goede koffie.

  50. ricevere — krijgen
    ricevere krijgen

    Lui ha ricevuto un regalo. Hij kreeg een cadeau.

  51. avere — hebben
    avere hebben

    Emma ha una macchina. Emma heeft een auto.

  52. mangiare — eten
    mangiare eten

    Stanno mangiando le mele. Zij eten appels.

  53. bere — drinken
    bere drinken

    Bevi caffè? Drink jij koffie?

  54. dormire — slapen
    dormire slapen

    Voglio dormire adesso. Ik wil nu slapen.

  55. vedere — zien
    vedere zien

    Vedi la casa? Kun je het huis zien?

  56. guardare — kijken naar
    guardare kijken naar

    A Adamo piace guardare le foto. Adam vindt het leuk om naar foto's te kijken.

  57. leggere — lezen
    leggere lezen

    Lo studente legge libri. De student leest boeken.

  58. aprire — openen
    aprire openen

    Lei apre la finestra. Zij opent het raam.

  59. chiudere — sluiten
    chiudere sluiten

    Chiudo la porta. Ik sluit de deur.

  60. venire — komen
    venire komen

    Vieni qui ogni giorno. Je komt hier elke dag.

  61. Per favore — alsjeblieft
    Per favore alsjeblieft

    Per favore, apri la porta. Wil je alsjeblieft de deur openen?

  62. Grazie — Dank je wel
    Grazie Dank je wel

    Grazie per il tuo aiuto. Dank je wel voor je hulp.

  63. Prego — Graag gedaan.
    Prego Graag gedaan.

    Prego. Graag gedaan.

  64. Scusi — Pardon
    Scusi Pardon

    Scusi, ho bisogno di aiuto. Pardon, ik heb hulp nodig.

  65. Mi dispiace — sorry
    Mi dispiace sorry

    Mi dispiace. Het spijt me.

  66. Potresti aiutarmi? — Kun je me helpen?
    Potresti aiutarmi? Kun je me helpen?

    Potresti aiutarmi? Kun je me helpen?

  67. Potresti ripetere, per favore? — Kun je dat alsjeblieft herhalen?
    Potresti ripetere, per favore? Kun je dat alsjeblieft herhalen?

    Potresti ripetere quello, per favore? Kun je dat alsjeblieft herhalen?

  68. Potresti parlare più lentamente? — Zou je wat langzamer kunnen spreken?
    Potresti parlare più lentamente? Zou je wat langzamer kunnen spreken?

    Potresti parlare più lentamente? Zou je wat langzamer kunnen spreken?

  69. Potrei avere... per favore? — Mag ik ... alsjeblieft?
    Potrei avere... per favore? Mag ik ... alsjeblieft?

    Potrei avere dell'acqua, per favore? Mag ik water alsjeblieft?

  70. vorrei — ik zou graag ... willen
    vorrei ik zou graag ... willen

    Vorrei ancora un po' di tè. Ik zou graag nog wat thee willen.

  71. Posso...? — Mag ik ...?
    Posso...? Mag ik ...?

    Posso avere dell'acqua? Mag ik wat water?

  72. Va bene se...? — Is het goed als ...?
    Va bene se...? Is het goed als ...?

    Va bene se mi siedo? Is het goed als ik ga zitten?

  73. zero — nul
    zero nul

    Zero è meno di uno. Nul is minder dan één.

  74. uno — één
    uno één

    Ho una mela. Ik heb één appel.

  75. due — twee
    due twee

    Ci sono due gatti. Er zijn twee katten.

  76. tre — drie
    tre drie

    No, tre è troppo. Nee, drie is te veel.

  77. quattro — vier
    quattro vier

    Dammi quattro, per favore. Geef me er vier, alsjeblieft.

  78. cinque — vijf
    cinque vijf

    Ho cinque cani. Ik heb vijf honden.

  79. sei — zes
    sei zes

    È venuto con sei amici. Hij kwam met zes vrienden.

  80. sette — zeven
    sette zeven

    Corro sette chilometri. Ik ren zeven kilometer.

  81. otto — acht
    otto acht

    Un ragno ha otto zampe. Een spin heeft acht poten.

  82. nove — negen
    nove negen

    Nove è il mio numero fortunato. Negen is mijn geluksgetal.

  83. dieci — tien
    dieci tien

    Abbiamo dieci dita. Wij hebben tien vingers.

  84. più — plus
    più plus

    Due più due fa quattro. Twee plus twee is vier.

  85. Non capisco — Ik begrijp het niet
    Non capisco Ik begrijp het niet

    Non capisco. Ik begrijp het niet.

  86. Potresti ripetere, per favore? — Kun je dat alsjeblieft herhalen?
    Potresti ripetere, per favore? Kun je dat alsjeblieft herhalen?

    Potresti ripetere, per favore? Kun je dat alsjeblieft herhalen?

  87. Più lentamente per favore — Iets langzamer, alsjeblieft.
    Più lentamente per favore Iets langzamer, alsjeblieft.

    Più lentamente per favore. Iets langzamer, alsjeblieft.

  88. Cosa significa? — Wat betekent dat?
    Cosa significa? Wat betekent dat?

    Cosa significa? Wat betekent dat?

  89. Come si dice... in — Hoe zeg je dat in ...?
    Come si dice... in Hoe zeg je dat in ...?

    Come si dice questo in spagnolo? Hoe zeg je dat in het Spaans?

  90. Come si scrive? — Hoe spel je dat?
    Come si scrive? Hoe spel je dat?

    Come si scrive? Hoe spel je dat?

  91. Puoi scriverlo? — Kun je het opschrijven?
    Puoi scriverlo? Kun je het opschrijven?

    Puoi scriverlo, per favore? Kun je het opschrijven, alsjeblieft?

  92. Puoi mostrarmi? — Kun je me ... laten zien
    Puoi mostrarmi? Kun je me ... laten zien

    Puoi mostrarmi la foto? Kun je me de foto laten zien?

  93. parli...? — Spreek je ...?
    parli...? Spreek je ...?

    Parli inglese? Spreek je Engels?

  94. Un attimo, per favore. — Een momentje, alsjeblieft.
    Un attimo, per favore. Een momentje, alsjeblieft.

    Un attimo, per favore. Een momentje, alsjeblieft.

  95. Credo di sì — Ik denk het wel.
    Credo di sì Ik denk het wel.

    Credo di sì anch'io. Ik denk het ook.

  96. Non lo so — Ik weet het niet.
    Non lo so Ik weet het niet.

    Non lo so. Ik weet het niet.

  97. questo — dit
    questo dit

    Questa è la mia macchina rossa. Dit is mijn rode auto.

  98. quello — die
    quello die

    Quel cane è molto amichevole. Die hond is erg vriendelijk.

  99. qui — hier
    qui hier

    Mi piace stare qui. Ik vind het fijn om hier te zijn.

  100. lì — daar
    lì daar

    Ci incontriamo lì dopo il lavoro. We spreken daar na het werk af.

Gratis voor persoonlijk gebruik en in de klas.

Snelle quiz

Vijf vragen over de eerste 100 woorden.

Leer deze 100 Italiaanse woorden op volgorde.

De app leert ze je 12 tegelijk, met afbeeldingen en audio, en brengt elk woord terug voordat je het vergeet. Gratis op iPhone en Android.

Scan de code met de camera van je telefoon om de app te downloaden.