Sport & spel in het Duits

Sporten in het Duits: der Fußball (het voetbal), der Basketball (het basketbal), das Tennis (het tennis), der Ball (de bal), das Team (het team), das Skifahren (skiën). Hieronder staan alle 60 woorden over dit onderwerp uit de lessen 155, 152, 156, 153 en 154 van de Flashcardly-cursus, elk met een afbeelding en native audio.

Leer deze 60 woorden in de app

Met afbeeldingen, native audio, en elk woord komt terug vlak voordat je het zou vergeten. Gratis op iPhone en Android.

Gratis downloaden
Download in de App Store Ontdek het op Google Play Scan met de camera van je telefoon

Sport & spel in het Duits: alle 60 woorden

Fout melden

Vertel ons wat er niet klopt. We bekijken elke melding.

Wat klopt er niet?

Tik op een plaatje om het te horen.

Les 155 · Sport — balspelen 12 woorden

  • der Fußball het voetbal

    Die Kinder spielen draußen Fußball.

    De kinderen spelen buiten voetbal.

  • der Basketball het basketbal

    Die Kinder spielen zusammen Basketball.

    De kinderen spelen samen basketbal.

  • der Baseball het honkbal

    Mein Bruder spielt Baseball.

    Mijn broer speelt honkbal.

  • das Tennis het tennis

    Er spielt mit seinem Freund Tennis.

    Hij speelt tennis met zijn vriend.

  • das Tischtennis het tafeltennis

    Die Kinder spielen Tischtennis.

    De kinderen spelen tafeltennis.

  • das Badminton het badminton

    Sie spielen draußen Badminton.

    Ze spelen buiten badminton.

  • das Hockey het hockey

    Er spielt Hockey mit seinen Freunden.

    Hij speelt hockey met zijn vrienden.

  • der Volleyball het volleybal

    Die Kinder spielen draußen Volleyball.

    De kinderen spelen buiten volleybal.

  • das Golf het golf

    Mein Vater spielt Golf.

    Mijn vader speelt golf.

  • das Rugby het rugby

    Mein Bruder spielt mit seinen Freunden Rugby.

    Mijn broer speelt rugby met zijn vrienden.

  • das Cricket het cricket

    Cricket ist in England sehr beliebt.

    Cricket is erg populair in Engeland.

  • der Schläger het racket

    Er hat seinen Tennisschläger zerbrochen.

    Hij brak zijn tennisracket.

Les 152 · Sport & spel 12 woorden

  • der Ball de bal

    Er tritt den roten Ball.

    Hij schopt tegen de rode bal.

  • das Spiel het spel

    Auf dem Regal steht ein altes Spiel.

    Op de plank staat een oud spel.

  • die Partie de wedstrijd

    Sie schauen sich die Baseball-Partie an.

    Ze kijken naar de honkbalwedstrijd.

  • das Team het team

    Das ist das gewonnene Spiel meines Teams.

    Dit is de winnende wedstrijd van mijn team.

  • der Spieler de speler

    Er ist ein großartiger Spieler.

    Hij is een geweldige speler.

  • der Trainer de coach

    Der Trainer spricht mit der Fußballmannschaft.

    De coach praat met het voetbalteam.

  • der Schiedsrichter de scheidsrechter

    Sie sahen den Schiedsrichter des Spiels.

    Ze zagen de scheidsrechter van de wedstrijd.

  • das Tor het doelpunt

    Sie hat ein Siegtor geschossen.

    Zij scoorde het winnende doelpunt.

  • punkten scoren

    Ich punkte im Spiel.

    Ik score punten in het spel.

  • gewinnen winnen

    Du kannst jedes Mal gewinnen.

    Je kunt elke keer winnen.

  • verlieren verliezen

    Sie verlieren den Ball manchmal.

    Ze verliezen de bal soms.

  • unentschieden gelijkspel

    Das Spiel endete unentschieden.

    De wedstrijd eindigde in een gelijkspel.

Les 156 · Sport — buiten & actie 12 woorden

  • das Skifahren skiën

    Sie genießen das Skifahren auf dem Berg.

    Ze genieten van het skiën op de berg.

  • das Snowboarden snowboarden

    Mein Bruder geht im Winter gerne Snowboarden.

    Mijn broer houdt in de winter van snowboarden.

  • surfen surfen

    Der Mann surft auf einer Welle.

    De man surft op een golf.

  • angeln vissen

    Wir angeln im Fluss.

    Wij zijn in de rivier aan het vissen.

  • das Skateboardfahren skateboarden

    Der Junge mag Skateboardfahren.

    De jongen houdt van skateboarden.

  • das Eislaufen schaatsen

    Wir gehen gerne Eislaufen.

    Wij vinden schaatsen leuk.

  • segeln zeilen

    Das Schiff segelt jetzt.

    Het schip zeilt nu.

  • klettern klimmen

    Der Junge klettert auf den Baum.

    De jongen klimt in de boom.

  • joggen joggen

    Der Mann joggt draußen.

    De man jogt buiten.

  • das Turnen turnen

    Die Kinder üben Turnen.

    De kinderen doen aan turnen.

  • Inlineskaten skeeleren

    Er fährt Inlineskates im Park.

    Hij skeelert in het park.

  • paddeln peddelen

    Wir paddeln das kleine Boot.

    Wij zijn de kleine boot aan het peddelen.

Les 153 · Sportwerkwoorden — op het veld 12 woorden

  • schießen schieten

    Der Jäger schießt den Pfeil ab.

    De jager schiet de pijl af.

  • das Rennen de race

    Der Läufer hat das Rennen gewonnen.

    De hardloper won de race.

  • verteidigen verdedigen

    Die Soldaten verteidigen die Stadt.

    De soldaten verdedigen de stad.

  • jubeln juichen

    Die Leute jubeln dem Gewinner zu.

    De mensen juichen voor de winnaar.

  • schlagen slaan

    Der Junge schlug den Ball.

    De jongen sloeg de bal.

  • das Ziel het doel

    Unser Ziel ist es, Nahrung zu finden.

    Ons doel is om eten te vinden.

  • der Schwung de swing

    Sein Schwung mit dem Schläger war stark.

    Zijn swing met de honkbalknuppel was krachtig.

  • heben tillen

    Er hebt die schwere Kiste.

    Hij tilt de zware doos op.

  • dribbeln dribbelen

    Der Junge dribbelt den Ball.

    De jongen dribbelt met de bal.

  • angehen aanpakken

    Wir müssen dieses schwierige Problem angehen.

    We moeten dit moeilijke probleem aanpakken.

  • werfen gooien

    Der Spieler wirft den Ball.

    De speler gooit de bal.

  • der Schmetterball de smash

    Ihr Schmetterball gewann den Punkt.

    Haar smash won het punt.

Les 154 · Spelletjes & puzzels 12 woorden

  • das Schach het schaken

    Sie spielen jeden Abend Schach.

    Ze schaken elke avond.

  • das Rätsel de puzzel

    Das Kind löst das Rätsel.

    Het kind lost de puzzel op.

  • die Karten de kaarten

    Er spielt mit seinen Freunden Karten.

    Hij speelt kaarten met zijn vrienden.

  • das Domino de domino

    Wir spielen zusammen Domino.

    Wij spelen samen domino.

  • die Dame dammen

    Die Kinder spielen zusammen Dame.

    De kinderen dammen samen.

  • die Würfel de dobbelsteen

    Er würfelt mit den roten Würfeln.

    Hij rolt met de rode dobbelsteen.

  • die Dartpfeile de dartpijltjes

    Er wirft die kleinen Dartpfeile.

    Hij gooit met de kleine dartpijltjes.

  • das Bowling bowlen

    Wir mögen den Sport Bowling.

    Wij vinden de sport bowlen leuk.

  • das Billard het biljart

    Er spielt mit seinen Freunden Billard.

    Hij speelt biljart met zijn vrienden.

  • die Spielhalle de speelhal

    Wir spielen Videospiele in der Spielhalle.

    Wij spelen spelletjes in de speelhal.

  • die Konsole de spelcomputer

    Ich spiele auf meiner Konsole.

    Ik speel op mijn spelcomputer.

  • das Turnier het toernooi

    Unsere Mannschaft hat das Turnier gewonnen.

    Ons team heeft het toernooi gewonnen.

Gratis voor persoonlijk gebruik en in de klas. Leer je met papieren kaarten? Zo sorteer je ze in bakjes.

Snelle quiz

Vijf vragen over de woorden op deze pagina.

Sport & spel in het Duits: leer deze woorden in lessen van vijf minuten.

Afbeeldingen, native audio en herhalingen op precies het goede moment. Gratis op iPhone en Android.

Scan de code met de camera van je telefoon om de app te downloaden.