Lichaamsdelen in het Duits
De lichaamsdelen in het Duits: der Kopf (het hoofd), das Gesicht (het gezicht), das Auge (het oog), der Arm (de arm), die Nase (de neus), die Hand (de hand). Hieronder staan alle 24 woorden over dit onderwerp uit de lessen 75 en 76 van de Flashcardly-cursus, elk met een afbeelding en native audio.
Leer deze 24 woorden in de app
Met afbeeldingen, native audio, en elk woord komt terug vlak voordat je het zou vergeten. Gratis op iPhone en Android.
Lichaamsdelen in het Duits: alle 24 woorden
Tik op een plaatje om het te horen.
Het Nederlands is verborgen. Zeg het woord en tik dan op het grijze vak om jezelf te controleren.
Les 75 · Lichaamsdelen 12 woorden
- der Kopf het hoofd
Bitte schütz deinen Kopf.
Bescherm alsjeblieft je hoofd.
- das Gesicht het gezicht
Du wäschst dein Gesicht jeden Morgen.
Je wast elke ochtend je gezicht.
- der Fuß de voet
Kannst du deinen Fuß anfassen?
Kun je je voet aanraken?
- das Auge het oog
Du hast schöne Augen.
Je hebt prachtige ogen.
- der Arm de arm
Er hat sich gestern den Arm gebrochen.
Hij heeft gisteren zijn arm gebroken.
- die Nase de neus
Wer hat die größere Nase?
Wie heeft de grotere neus?
- der Mund de mond
Sie steckte das Bonbon in ihren Mund.
Ze stopte het snoepje in haar mond.
- die Zähne de tanden
Sie putzen sich täglich die Zähne.
Ze poetsen dagelijks hun tanden.
- die Hand de hand
Händewaschen ist sehr wichtig.
Het wassen van je handen is erg belangrijk.
- das Ohr het oor
Hat dieses Tier Ohren?
Heeft dit dier oren?
- das Bein het been
Tut dir das Bein weh?
Doet je been pijn?
- das Haar het haar
Wie oft bürstest du dir deine Haare?
Hoe vaak borstel jij je haar?
Les 76 · Bovenlichaam & gezicht 12 woorden
- der Körper het lichaam
Der Mann hat einen starken Körper.
De man heeft een sterk lichaam.
- lächeln glimlachen
Das Kind lächelt mich an.
Het kind glimlacht naar mij.
- der Rücken de rug
Er hat meinen Rücken berührt.
Hij raakte mijn rug aan.
- der Hals de nek
Sie berührte ihren Hals.
Ze raakte haar nek aan.
- die Schulter de schouder
Der Arzt berührte meine Schulter.
De dokter raakte mijn schouder aan.
- der Magen de maag
Mein Magen tut weh.
Mijn maag doet pijn.
- die Brust de borst
Er fühlte einen Schmerz in seiner Brust.
Hij voelde pijn in zijn borst.
- die Lippe de lip
Der Junge berührte seine Lippe.
De jongen raakte zijn lip aan.
- die Zunge de tong
Die heiße Suppe hat mir die Zunge verbrannt.
De hete soep verbrandde mijn tong.
- der Hals de keel
Mein Hals ist sehr trocken.
Mijn keel is erg droog.
- der Schnurrbart de snor
Mein Vater hat einen Schnurrbart.
Mijn vader heeft een snor.
- der Bart de baard
Der Mann hat einen langen Bart.
De man heeft een lange baard.
Gratis voor persoonlijk gebruik en in de klas. Leer je met papieren kaarten? Zo sorteer je ze in bakjes.
Meer Duitse flashcards
Duitse woorden per onderwerp
- Getallen1–100
- Rangtelwoorden12
- Dagen van de week12
- Maanden12
- Kleuren19
- Familie36
- Lichaamsdelen24
- Eten44
- Dieren36
- Kleding41
- Sieraden en accessoires12
- Het weer24
- Begroetingen12
- Fruit16
- Groenten12
- Keuken & koken36
- Restaurant & eten bestellen48
- Geld25
- Huis & kamers48
- Beroepen36
- Gevoelens & emoties36
- School & schoolspullen48
- Vervoermiddelen48
- Reizen60
- De weg vragen48
- Voorzetsels18
- Plekken in de stad48
- Bij de dokter36
- Sport & spel60
- Hobby’s36
- Muziekinstrumenten12
- Natuur & planten36
- Planeten & heelal24
- Tijdsaanduidingen36
- Feestdagen & feesten12
- Vormen12
- Alsjeblieft & dank je wel24
- Small talk36
Woordenlijsten
Lichaamsdelen in andere talen