Small talk in het Duits
Small talk in het Duits: Wie geht es dir? (Hoe gaat het?), Wie läuft dein Tag? (Hoe is je dag?), Schönen Tag noch (Prettige dag), Mach's gut (Pas goed op jezelf), Viel Glück! (Veel succes!), Herzlichen Glückwunsch! (Gefeliciteerd!). Hieronder staan alle 36 woorden over dit onderwerp uit de lessen 10, 114 en 115 van de Flashcardly-cursus, elk met een afbeelding en native audio.
Leer deze 36 woorden in de app
Met afbeeldingen, native audio, en elk woord komt terug vlak voordat je het zou vergeten. Gratis op iPhone en Android.
Small talk in het Duits: alle 36 woorden
Tik op een plaatje om het te horen.
Het Nederlands is verborgen. Zeg het woord en tik dan op het grijze vak om jezelf te controleren.
Les 10 · Korte gesprekjes 12 woorden
- Wie geht es dir? Hoe gaat het?
Wie geht es dir?
Hoe gaat het?
- Lange nicht gesehen! Lang niet gezien.
Lange nicht gesehen!
Lang niet gezien.
- Was macht dir Spaß? Waar geniet je van
Was macht dir Spaß?
Waar geniet je van?
- Was machst du gerade? Wat ben je aan het doen ...?
Was machst du gerade jetzt?
Wat ben je nu aan het doen?
- Schönen Tag noch. Prettige dag
Schönen Tag noch, John!
Prettige dag nog, John!
- Mach's gut Pas goed op jezelf
Mach's gut. Bis morgen.
Pas goed op jezelf. Tot morgen.
- Viel Glück! Veel succes!
Viel Glück! Ich glaube an dich!
Veel succes! Ik geloof in je!
- Herzlichen Glückwunsch! Gefeliciteerd!
Herzlichen Glückwunsch! Du hast die harte Arbeit geschafft.
Gefeliciteerd! Je hebt het zware werk afgerond.
- Prost! Proost!
Prost!
Proost!
- Kein Problem Geen probleem
Kein Problem, ich kann dir helfen.
Geen probleem, ik kan je helpen.
- Keine Sorge Maak je geen zorgen
Keine Sorge, es wird alles gut.
Maak je geen zorgen, het komt wel goed.
- Klingt gut. Dat klinkt goed
Klingt gut für mich, danke!
Dat klinkt goed voor mij, bedankt!
Les 114 · Small talk — openingszinnen 12 woorden
- Wie läuft dein Tag? Hoe is je dag?
Wie läuft dein Tag?
Hoe is je dag?
- Wie war dein Wochenende? Hoe was je weekend?
Wie war dein Wochenende?
Hoe was je weekend?
- Was hast du heute vor? Wat zijn je plannen voor vandaag?
Was hast du heute vor?
Wat zijn je plannen voor vandaag?
- Wie ist das Wetter? Hoe is het weer?
Wie ist das Wetter?
Hoe is het weer?
- Hast du ... gesehen? Heb je ... gekeken
Hast du das Spiel gesehen?
Heb je de wedstrijd gekeken?
- Wie war's? Hoe was het?
Wie war's? Hat es dir gefallen?
Hoe was het? Heb je ervan genoten?
- Erzähl mir von vertel me eens over ...
Erzähl mir von deinem Tag.
Vertel me eens over je dag.
- Das ist cool. Dat is leuk
Das ist cool, da stimme ich zu.
Dat is leuk, daar ben ik het mee eens.
- Wirklich? Echt?
Wirklich? Ist das wahr?
Echt? Is dat waar?
- Das gibt's doch nicht! Echt niet!
Das gibt's doch nicht! Das habe ich noch nie gesehen!
Echt niet! Dat heb ik nog nooit gezien!
- Ach so. Ik begrijp het.
Ach so. Jetzt verstehe ich.
Ik begrijp het. Ik snap het nu.
- Interessant interessant
Interessant. Das habe ich noch nie so gesehen.
Interessant. Zo heb ik het nog nooit bekeken.
Les 115 · Small talk — verdieping 12 woorden
- übrigens trouwens
Übrigens, schön dich kennenzulernen.
Trouwens, leuk je te ontmoeten.
- sowieso toch
Wir sollten sowieso gehen.
We moeten toch gaan.
- eigentlich eigenlijk
Eigentlich war der Film sehr schön.
Eigenlijk was de film erg leuk.
- ehrlich gesagt eerlijk gezegd
Ehrlich gesagt, bin ich müde.
Eerlijk gezegd ben ik moe.
- Keine Sorge geen probleem
Keine Sorge, das wird schon.
Geen probleem, het komt wel goed.
- Weißt du, weet je
Weißt du, ich glaube, wir haben uns schon mal getroffen.
Weet je, volgens mij hebben we elkaar al eens ontmoet.
- Ich meine ik bedoel
Ich meine, das Wetter sieht ja schön aus.
Ik bedoel, het weer ziet er wel mooi uit.
- Nun nou
Nun, es kommt darauf an, wie du es siehst.
Nou, het hangt ervan af hoe je het bekijkt.
- Da fällt mir ein dat herinnert me eraan
Da fällt mir ein, ich habe einen Termin.
Dat herinnert me eraan, ik heb een afspraak.
- Kurz gesagt kortom
Kurz gesagt, ich habe gewonnen.
Kortom, ik heb gewonnen.
- Wie ich gerade sagte zoals ik al zei
Wie ich gerade sagte, passt schon.
Zoals ik al zei, het is prima.
- Soweit ich weiß voor zover ik weet
Soweit ich weiß, ist der Bahnhof da.
Voor zover ik weet, is het station daar.
Gratis voor persoonlijk gebruik en in de klas. Leer je met papieren kaarten? Zo sorteer je ze in bakjes.
Meer Duitse flashcards
Duitse woorden per onderwerp
- Getallen1–100
- Rangtelwoorden12
- Dagen van de week12
- Maanden12
- Kleuren19
- Familie36
- Lichaamsdelen24
- Eten44
- Dieren36
- Kleding41
- Sieraden en accessoires12
- Het weer24
- Begroetingen12
- Fruit16
- Groenten12
- Keuken & koken36
- Restaurant & eten bestellen48
- Geld25
- Huis & kamers48
- Beroepen36
- Gevoelens & emoties36
- School & schoolspullen48
- Vervoermiddelen48
- Reizen60
- De weg vragen48
- Voorzetsels18
- Plekken in de stad48
- Bij de dokter36
- Sport & spel60
- Hobby’s36
- Muziekinstrumenten12
- Natuur & planten36
- Planeten & heelal24
- Tijdsaanduidingen36
- Feestdagen & feesten12
- Vormen12
- Alsjeblieft & dank je wel24
- Small talk36
Woordenlijsten
Small talk in andere talen