Lichaamsdelen in het Portugees

De lichaamsdelen in het Portugees: a cabeça (het hoofd), o rosto (het gezicht), o olho (het oog), o braço (de arm), o nariz (de neus), a mão (de hand). Hieronder staan alle 24 woorden over dit onderwerp uit de lessen 75 en 76 van de Flashcardly-cursus, elk met een afbeelding en native audio.

Leer deze 24 woorden in de app

Met afbeeldingen, native audio, en elk woord komt terug vlak voordat je het zou vergeten. Gratis op iPhone en Android.

Gratis downloaden
Download in de App Store Ontdek het op Google Play Scan met de camera van je telefoon

Lichaamsdelen in het Portugees: alle 24 woorden

Fout melden

Vertel ons wat er niet klopt. We bekijken elke melding.

Wat klopt er niet?

Tik op een plaatje om het te horen.

Les 75 · Lichaamsdelen 12 woorden

  • a cabeça het hoofd

    Por favor, proteja sua cabeça.

    Bescherm alsjeblieft je hoofd.

  • o rosto het gezicht

    Você lava seu rosto toda manhã.

    Je wast elke ochtend je gezicht.

  • o pé de voet

    Você pode tocar seu pé?

    Kun je je voet aanraken?

  • o olho het oog

    Você tem olhos bonitos.

    Je hebt prachtige ogen.

  • o braço de arm

    Ele quebrou o braço ontem.

    Hij heeft gisteren zijn arm gebroken.

  • o nariz de neus

    Quem tem o nariz maior?

    Wie heeft de grotere neus?

  • a boca de mond

    Ela colocou o doce na boca dela.

    Ze stopte het snoepje in haar mond.

  • o dente de tanden

    Eles escovam os dentes todos os dias.

    Ze poetsen dagelijks hun tanden.

  • a mão de hand

    Lavar as mãos é muito importante.

    Het wassen van je handen is erg belangrijk.

  • a orelha het oor

    Este animal tem orelhas?

    Heeft dit dier oren?

  • a perna het been

    Sua perna dói?

    Doet je been pijn?

  • o cabelo het haar

    Com que frequência você escova o seu cabelo?

    Hoe vaak borstel jij je haar?

Les 76 · Bovenlichaam & gezicht 12 woorden

  • o corpo het lichaam

    O homem tem um corpo forte.

    De man heeft een sterk lichaam.

  • sorrir glimlachen

    A criança sorri para mim.

    Het kind glimlacht naar mij.

  • as costas de rug

    Ele tocou nas minhas costas.

    Hij raakte mijn rug aan.

  • o pescoço de nek

    Ela tocou no pescoço.

    Ze raakte haar nek aan.

  • o ombro de schouder

    O médico tocou no meu ombro.

    De dokter raakte mijn schouder aan.

  • o estômago de maag

    Meu estômago está doendo.

    Mijn maag doet pijn.

  • o peito de borst

    Ele sentiu dor no peito.

    Hij voelde pijn in zijn borst.

  • o lábio de lip

    O menino tocou o seu lábio.

    De jongen raakte zijn lip aan.

  • a língua de tong

    A sopa quente queimou a minha língua.

    De hete soep verbrandde mijn tong.

  • a garganta de keel

    Minha garganta está muito seca.

    Mijn keel is erg droog.

  • o bigode de snor

    Meu pai tem um bigode.

    Mijn vader heeft een snor.

  • a barba de baard

    O homem tem uma barba comprida.

    De man heeft een lange baard.

Gratis voor persoonlijk gebruik en in de klas. Leer je met papieren kaarten? Zo sorteer je ze in bakjes.

Snelle quiz

Vijf vragen over de woorden op deze pagina.

Lichaamsdelen in het Portugees: leer deze woorden in lessen van vijf minuten.

Afbeeldingen, native audio en herhalingen op precies het goede moment. Gratis op iPhone en Android.

Scan de code met de camera van je telefoon om de app te downloaden.