De 100 meest gebruikte Portugese woorden

Elk woord met een afbeelding, native audio en een voorbeeldzin met Nederlandse vertaling. Tik op een luidspreker om het woord of de zin te horen.

Leer alle 100 woorden in de app

Met afbeeldingen, native audio, en elk woord komt terug vlak voordat je het zou vergeten. Gratis op iPhone en Android.

Gratis downloaden
Download in de App Store Ontdek het op Google Play Scan met de camera van je telefoon

Hoe deze lijst is gerangschikt

Dit is de Flashcardly-cursus Portugees op volgorde: gerangschikt op frequentie en nut in het dagelijks leven, met input van taaldocenten. Het is dus geen kale telling uit een tekstcorpus, en daarom staan woorden als “de” en “van” niet bovenaan de lijst, terwijl “man” op nummer 13 staat.

De lijst

Fout melden

Vertel ons wat er niet klopt. We bekijken elke melding.

Wat klopt er niet?

Tik op een plaatje om het te horen.

  1. Olá — Hallo
    Olá Hallo

    Olá, tudo bem? Hallo, hoe gaat het?

  2. bem-vindo — Welkom
    bem-vindo Welkom

    Bem-vindos à nossa casa. Welkom in ons huis.

  3. Bom dia — Goedemorgen
    Bom dia Goedemorgen

    Bom dia! Goedemorgen!

  4. sim — ja
    sim ja

    Sim, eu entendo. Ja, ik begrijp het.

  5. Boa noite — Goedenavond
    Boa noite Goedenavond

    Boa noite! Goedenavond!

  6. não — nee
    não nee

    Ela disse não. Ze zei nee.

  7. Tchau — doei
    Tchau doei

    Tchau, Anna! Doei, Anna!

  8. Boa tarde — Goedemiddag
    Boa tarde Goedemiddag

    Boa tarde! Goedemiddag!

  9. Até breve — Tot snel
    Até breve Tot snel

    Até breve, Mia! Tot snel, Mia!

  10. Até amanhã — Tot morgen
    Até amanhã Tot morgen

    Até amanhã! Tot morgen!

  11. Prazer em conhecer você — Aangenaam
    Prazer em conhecer você Aangenaam

    Prazer em conhecer você também! Aangenaam kennis te maken!

  12. Como você está? — Hoe gaat het met je
    Como você está? Hoe gaat het met je

    Como você está hoje? Hoe gaat het met je vandaag?

  13. o homem — de man
    o homem de man

    O homem lê o livro. De man leest het boek.

  14. a mulher — de vrouw
    a mulher de vrouw

    A mulher usa um chapéu. De vrouw draagt een hoed.

  15. o menino — de jongen
    o menino de jongen

    O menino brinca com brinquedos. De jongen speelt met speelgoed.

  16. a menina — het meisje
    a menina het meisje

    A menina tem uma bola. Het meisje heeft een bal.

  17. a pessoa — de persoon
    a pessoa de persoon

    Ele é uma pessoa legal. Hij is een aardig persoon.

  18. as pessoas — de mensen
    as pessoas de mensen

    As pessoas estão muito felizes. De mensen zijn erg blij.

  19. o adulto — de volwassene
    o adulto de volwassene

    Eu sou um adulto. Ik ben een volwassene.

  20. o bebê — de baby
    o bebê de baby

    O bebê precisa de leite. De baby heeft melk nodig.

  21. Senhor — meneer
    Senhor meneer

    O Senhor Smith gosta de ler livros. Meneer Smith leest graag boeken.

  22. Senhora — mevrouw
    Senhora mevrouw

    A Senhora Smith é uma professora. Mevrouw Smith is een lerares.

  23. o vizinho — de buurman
    o vizinho de buurman

    Meu vizinho é muito simpático. Mijn buurman is erg vriendelijk.

  24. o amigo — de vriend
    o amigo de vriend

    Meu amigo gosta de ler livros. Mijn vriend leest graag boeken.

  25. hoje — vandaag
    hoje vandaag

    Hoje é um bom dia. Vandaag is een goede dag.

  26. amanhã — morgen
    amanhã morgen

    Amanhã é um novo dia. Morgen is een nieuwe dag.

  27. ontem — gisteren
    ontem gisteren

    Eu a vi ontem. Ik heb haar gisteren gezien.

  28. agora — nu
    agora nu

    Ele quer isso agora. Hij wil het nu.

  29. a tarde — de middag
    a tarde de middag

    Gosto da tarde. Ik vind de middag fijn.

  30. a noite — de avond
    a noite de avond

    A noite está calma. De avond is rustig.

  31. o minuto — de minuut
    o minuto de minuut

    Precisamos de cinco minutos. We hebben vijf minuten nodig.

  32. a manhã — de ochtend
    a manhã de ochtend

    Eu tomo café da manhã de manhã. Ik eet 's ochtends mijn ontbijt.

  33. mais tarde — later
    mais tarde later

    Vou fazer isso mais tarde. Ik doe het later.

  34. cedo — vroeg
    cedo vroeg

    Ela acorda cedo. Zij wordt vroeg wakker.

  35. atrasado — te laat
    atrasado te laat

    Ele costuma estar atrasado. Hij is vaak te laat.

  36. a hora — het uur
    a hora het uur

    A aula dura uma hora. De les duurt één uur.

  37. Qual é o seu nome? — Hoe heet je?
    Qual é o seu nome? Hoe heet je?

    Qual é o seu nome? Hoe heet je?

  38. Meu nome é — Mijn naam is
    Meu nome é Mijn naam is

    Meu nome é Emily. Mijn naam is Emily.

  39. De onde você é? — Waar kom je vandaan?
    De onde você é? Waar kom je vandaan?

    De onde você é? Waar kom je vandaan?

  40. Eu sou de — Ik kom uit ...
    Eu sou de Ik kom uit ...

    Eu sou da Alemanha. Ik kom uit Duitsland.

  41. Onde você mora? — Waar woon je
    Onde você mora? Waar woon je

    Onde você mora? Waar woon je?

  42. Eu moro no — Ik woon in
    Eu moro no Ik woon in

    Eu moro no Japão. Ik woon in Japan.

  43. Quais idiomas você fala? — Welke talen spreek je?
    Quais idiomas você fala? Welke talen spreek je?

    Quais idiomas você fala? Welke talen spreek je?

  44. eu falo — ik spreek
    eu falo ik spreek

    Eu falo inglês bem. Ik spreek goed Engels.

  45. falar um pouco de — Ik spreek een beetje ...
    falar um pouco de Ik spreek een beetje ...

    Eu falo um pouco de francês. Ik spreek een beetje Frans.

  46. Onde você nasceu — Waar ben je geboren
    Onde você nasceu Waar ben je geboren

    Onde você nasceu? Waar ben je geboren?

  47. Qual é o seu sobrenome? — Wat is je achternaam?
    Qual é o seu sobrenome? Wat is je achternaam?

    Qual é o seu sobrenome? Wat is je achternaam?

  48. Esta é minha amiga — Dit is mijn vriend(in)
    Esta é minha amiga Dit is mijn vriend(in)

    Esta é minha amiga Lisa. Dit is mijn vriendin Lisa.

  49. fazer — maken
    fazer maken

    Eu faço um bom café. Ik maak goede koffie.

  50. ganhar — krijgen
    ganhar krijgen

    Ele ganhou um presente. Hij kreeg een cadeau.

  51. ter — hebben
    ter hebben

    Emma tem um carro. Emma heeft een auto.

  52. comer — eten
    comer eten

    Eles estão comendo maçãs. Zij eten appels.

  53. beber — drinken
    beber drinken

    Você bebe café? Drink jij koffie?

  54. dormir — slapen
    dormir slapen

    Eu quero dormir agora. Ik wil nu slapen.

  55. ver — zien
    ver zien

    Você consegue ver a casa? Kun je het huis zien?

  56. olhar — kijken naar
    olhar kijken naar

    Adam gosta de olhar fotos. Adam vindt het leuk om naar foto's te kijken.

  57. ler — lezen
    ler lezen

    O estudante lê livros. De student leest boeken.

  58. abrir — openen
    abrir openen

    Ela abre a janela. Zij opent het raam.

  59. fechar — sluiten
    fechar sluiten

    Eu fecho a porta. Ik sluit de deur.

  60. vir — komen
    vir komen

    Você vem aqui todo dia. Je komt hier elke dag.

  61. Por favor — alsjeblieft
    Por favor alsjeblieft

    Por favor, abra a porta. Wil je alsjeblieft de deur openen?

  62. Obrigado — Dank je wel
    Obrigado Dank je wel

    Obrigado pela sua ajuda. Dank je wel voor je hulp.

  63. De nada — Graag gedaan.
    De nada Graag gedaan.

    De nada. Graag gedaan.

  64. Com licença — Pardon
    Com licença Pardon

    Com licença, eu preciso de ajuda. Pardon, ik heb hulp nodig.

  65. Desculpe — sorry
    Desculpe sorry

    Me desculpe. Het spijt me.

  66. Você poderia me ajudar? — Kun je me helpen?
    Você poderia me ajudar? Kun je me helpen?

    Você poderia me ajudar? Kun je me helpen?

  67. Você poderia repetir, por favor? — Kun je dat alsjeblieft herhalen?
    Você poderia repetir, por favor? Kun je dat alsjeblieft herhalen?

    Você poderia repetir, por favor? Kun je dat alsjeblieft herhalen?

  68. Você poderia falar mais devagar? — Zou je wat langzamer kunnen spreken?
    Você poderia falar mais devagar? Zou je wat langzamer kunnen spreken?

    Você poderia falar mais devagar? Zou je wat langzamer kunnen spreken?

  69. Poderia me dar... por favor? — Mag ik ... alsjeblieft?
    Poderia me dar... por favor? Mag ik ... alsjeblieft?

    Poderia me dar água, por favor? Mag ik water alsjeblieft?

  70. Gostaria de — ik zou graag ... willen
    Gostaria de ik zou graag ... willen

    Gostaria de mais chá. Ik zou graag nog wat thee willen.

  71. Posso...? — Mag ik ...?
    Posso...? Mag ik ...?

    Posso ter um pouco de água? Mag ik wat water?

  72. Tudo bem se — Is het goed als ...?
    Tudo bem se Is het goed als ...?

    Tudo bem se eu sentar? Is het goed als ik ga zitten?

  73. zero — nul
    zero nul

    Zero é menor que um. Nul is minder dan één.

  74. um — één
    um één

    Eu tenho uma maçã. Ik heb één appel.

  75. dois — twee
    dois twee

    Tem dois gatos. Er zijn twee katten.

  76. três — drie
    três drie

    Não, três é demais. Nee, drie is te veel.

  77. quatro — vier
    quatro vier

    Me dê quatro, por favor. Geef me er vier, alsjeblieft.

  78. cinco — vijf
    cinco vijf

    Eu tenho cinco cachorros. Ik heb vijf honden.

  79. seis — zes
    seis zes

    Ele veio com seis amigos. Hij kwam met zes vrienden.

  80. sete — zeven
    sete zeven

    Eu estou correndo sete quilômetros. Ik ren zeven kilometer.

  81. oito — acht
    oito acht

    Uma aranha tem oito pernas. Een spin heeft acht poten.

  82. nove — negen
    nove negen

    Nove é o meu número da sorte. Negen is mijn geluksgetal.

  83. dez — tien
    dez tien

    Nós temos dez dedos. Wij hebben tien vingers.

  84. mais — plus
    mais plus

    Dois mais dois é quatro. Twee plus twee is vier.

  85. Não entendo. — Ik begrijp het niet
    Não entendo. Ik begrijp het niet

    Não entendo. Ik begrijp het niet.

  86. Você poderia repetir, por favor? — Kun je dat alsjeblieft herhalen?
    Você poderia repetir, por favor? Kun je dat alsjeblieft herhalen?

    Você poderia repetir, por favor? Kun je dat alsjeblieft herhalen?

  87. Mais devagar, por favor — Iets langzamer, alsjeblieft.
    Mais devagar, por favor Iets langzamer, alsjeblieft.

    Mais devagar, por favor. Iets langzamer, alsjeblieft.

  88. O que isso significa? — Wat betekent dat?
    O que isso significa? Wat betekent dat?

    O que isso significa? Wat betekent dat?

  89. Como se diz isso em ...? — Hoe zeg je dat in ...?
    Como se diz isso em ...? Hoe zeg je dat in ...?

    Como se diz isso em espanhol? Hoe zeg je dat in het Spaans?

  90. Como se soletra isso? — Hoe spel je dat?
    Como se soletra isso? Hoe spel je dat?

    Como se soletra isso? Hoe spel je dat?

  91. Você pode anotar? — Kun je het opschrijven?
    Você pode anotar? Kun je het opschrijven?

    Você pode anotar, por favor? Kun je het opschrijven, alsjeblieft?

  92. Você pode me mostrar? — Kun je me ... laten zien
    Você pode me mostrar? Kun je me ... laten zien

    Você pode me mostrar a foto? Kun je me de foto laten zien?

  93. Você fala...? — Spreek je ...?
    Você fala...? Spreek je ...?

    Você fala inglês? Spreek je Engels?

  94. Só um momento, por favor. — Een momentje, alsjeblieft.
    Só um momento, por favor. Een momentje, alsjeblieft.

    Só um momento, por favor. Een momentje, alsjeblieft.

  95. Acho que sim — Ik denk het wel.
    Acho que sim Ik denk het wel.

    Acho que sim também. Ik denk het ook.

  96. Não sei — Ik weet het niet.
    Não sei Ik weet het niet.

    Não sei. Ik weet het niet.

  97. este — dit
    este dit

    Este é o meu carro vermelho. Dit is mijn rode auto.

  98. esse — die
    esse die

    Esse cachorro é muito amigável. Die hond is erg vriendelijk.

  99. aqui — hier
    aqui hier

    Eu gosto de estar aqui. Ik vind het fijn om hier te zijn.

  100. lá — daar
    lá daar

    Nos encontramos lá depois do trabalho. We spreken daar na het werk af.

Gratis voor persoonlijk gebruik en in de klas.

Snelle quiz

Vijf vragen over de eerste 100 woorden.

Leer deze 100 Portugese woorden op volgorde.

De app leert ze je 12 tegelijk, met afbeeldingen en audio, en brengt elk woord terug voordat je het vergeet. Gratis op iPhone en Android.

Scan de code met de camera van je telefoon om de app te downloaden.