De 100 meest gebruikte Portugese woorden
Elk woord met een afbeelding, native audio en een voorbeeldzin met Nederlandse vertaling. Tik op een luidspreker om het woord of de zin te horen.
Leer alle 100 woorden in de app
Met afbeeldingen, native audio, en elk woord komt terug vlak voordat je het zou vergeten. Gratis op iPhone en Android.
Hoe deze lijst is gerangschikt
Dit is de Flashcardly-cursus Portugees op volgorde: gerangschikt op frequentie en nut in het dagelijks leven, met input van taaldocenten. Het is dus geen kale telling uit een tekstcorpus, en daarom staan woorden als “de” en “van” niet bovenaan de lijst, terwijl “man” op nummer 13 staat.
De lijst
Tik op een plaatje om het te horen.
-
Olá HalloOlá, tudo bem? Hallo, hoe gaat het?
-
bem-vindo WelkomBem-vindos à nossa casa. Welkom in ons huis.
-
Bom dia GoedemorgenBom dia! Goedemorgen!
-
sim jaSim, eu entendo. Ja, ik begrijp het.
-
Boa noite GoedenavondBoa noite! Goedenavond!
-
não neeEla disse não. Ze zei nee.
-
Tchau doeiTchau, Anna! Doei, Anna!
-
Boa tarde GoedemiddagBoa tarde! Goedemiddag!
-
Até breve Tot snelAté breve, Mia! Tot snel, Mia!
-
Até amanhã Tot morgenAté amanhã! Tot morgen!
-
Prazer em conhecer você AangenaamPrazer em conhecer você também! Aangenaam kennis te maken!
-
Como você está? Hoe gaat het met jeComo você está hoje? Hoe gaat het met je vandaag?
-
o homem de manO homem lê o livro. De man leest het boek.
-
a mulher de vrouwA mulher usa um chapéu. De vrouw draagt een hoed.
-
o menino de jongenO menino brinca com brinquedos. De jongen speelt met speelgoed.
-
a menina het meisjeA menina tem uma bola. Het meisje heeft een bal.
-
a pessoa de persoonEle é uma pessoa legal. Hij is een aardig persoon.
-
as pessoas de mensenAs pessoas estão muito felizes. De mensen zijn erg blij.
-
o adulto de volwasseneEu sou um adulto. Ik ben een volwassene.
-
o bebê de babyO bebê precisa de leite. De baby heeft melk nodig.
-
Senhor meneerO Senhor Smith gosta de ler livros. Meneer Smith leest graag boeken.
-
Senhora mevrouwA Senhora Smith é uma professora. Mevrouw Smith is een lerares.
-
o vizinho de buurmanMeu vizinho é muito simpático. Mijn buurman is erg vriendelijk.
-
o amigo de vriendMeu amigo gosta de ler livros. Mijn vriend leest graag boeken.
-
hoje vandaagHoje é um bom dia. Vandaag is een goede dag.
-
amanhã morgenAmanhã é um novo dia. Morgen is een nieuwe dag.
-
ontem gisterenEu a vi ontem. Ik heb haar gisteren gezien.
-
agora nuEle quer isso agora. Hij wil het nu.
-
a tarde de middagGosto da tarde. Ik vind de middag fijn.
-
a noite de avondA noite está calma. De avond is rustig.
-
o minuto de minuutPrecisamos de cinco minutos. We hebben vijf minuten nodig.
-
a manhã de ochtendEu tomo café da manhã de manhã. Ik eet 's ochtends mijn ontbijt.
-
mais tarde laterVou fazer isso mais tarde. Ik doe het later.
-
cedo vroegEla acorda cedo. Zij wordt vroeg wakker.
-
atrasado te laatEle costuma estar atrasado. Hij is vaak te laat.
-
a hora het uurA aula dura uma hora. De les duurt één uur.
-
Qual é o seu nome? Hoe heet je?Qual é o seu nome? Hoe heet je?
-
Meu nome é Mijn naam isMeu nome é Emily. Mijn naam is Emily.
-
De onde você é? Waar kom je vandaan?De onde você é? Waar kom je vandaan?
-
Eu sou de Ik kom uit ...Eu sou da Alemanha. Ik kom uit Duitsland.
-
Onde você mora? Waar woon jeOnde você mora? Waar woon je?
-
Eu moro no Ik woon inEu moro no Japão. Ik woon in Japan.
-
Quais idiomas você fala? Welke talen spreek je?Quais idiomas você fala? Welke talen spreek je?
-
eu falo ik spreekEu falo inglês bem. Ik spreek goed Engels.
-
falar um pouco de Ik spreek een beetje ...Eu falo um pouco de francês. Ik spreek een beetje Frans.
-
Onde você nasceu Waar ben je geborenOnde você nasceu? Waar ben je geboren?
-
Qual é o seu sobrenome? Wat is je achternaam?Qual é o seu sobrenome? Wat is je achternaam?
-
Esta é minha amiga Dit is mijn vriend(in)Esta é minha amiga Lisa. Dit is mijn vriendin Lisa.
-
fazer makenEu faço um bom café. Ik maak goede koffie.
-
ganhar krijgenEle ganhou um presente. Hij kreeg een cadeau.
-
ter hebbenEmma tem um carro. Emma heeft een auto.
-
comer etenEles estão comendo maçãs. Zij eten appels.
-
beber drinkenVocê bebe café? Drink jij koffie?
-
dormir slapenEu quero dormir agora. Ik wil nu slapen.
-
ver zienVocê consegue ver a casa? Kun je het huis zien?
-
olhar kijken naarAdam gosta de olhar fotos. Adam vindt het leuk om naar foto's te kijken.
-
ler lezenO estudante lê livros. De student leest boeken.
-
abrir openenEla abre a janela. Zij opent het raam.
-
fechar sluitenEu fecho a porta. Ik sluit de deur.
-
vir komenVocê vem aqui todo dia. Je komt hier elke dag.
-
Por favor alsjeblieftPor favor, abra a porta. Wil je alsjeblieft de deur openen?
-
Obrigado Dank je welObrigado pela sua ajuda. Dank je wel voor je hulp.
-
De nada Graag gedaan.De nada. Graag gedaan.
-
Com licença PardonCom licença, eu preciso de ajuda. Pardon, ik heb hulp nodig.
-
Desculpe sorryMe desculpe. Het spijt me.
-
Você poderia me ajudar? Kun je me helpen?Você poderia me ajudar? Kun je me helpen?
-
Você poderia repetir, por favor? Kun je dat alsjeblieft herhalen?Você poderia repetir, por favor? Kun je dat alsjeblieft herhalen?
-
Você poderia falar mais devagar? Zou je wat langzamer kunnen spreken?Você poderia falar mais devagar? Zou je wat langzamer kunnen spreken?
-
Poderia me dar... por favor? Mag ik ... alsjeblieft?Poderia me dar água, por favor? Mag ik water alsjeblieft?
-
Gostaria de ik zou graag ... willenGostaria de mais chá. Ik zou graag nog wat thee willen.
-
Posso...? Mag ik ...?Posso ter um pouco de água? Mag ik wat water?
-
Tudo bem se Is het goed als ...?Tudo bem se eu sentar? Is het goed als ik ga zitten?
-
zero nulZero é menor que um. Nul is minder dan één.
-
um éénEu tenho uma maçã. Ik heb één appel.
-
dois tweeTem dois gatos. Er zijn twee katten.
-
três drieNão, três é demais. Nee, drie is te veel.
-
quatro vierMe dê quatro, por favor. Geef me er vier, alsjeblieft.
-
cinco vijfEu tenho cinco cachorros. Ik heb vijf honden.
-
seis zesEle veio com seis amigos. Hij kwam met zes vrienden.
-
sete zevenEu estou correndo sete quilômetros. Ik ren zeven kilometer.
-
oito achtUma aranha tem oito pernas. Een spin heeft acht poten.
-
nove negenNove é o meu número da sorte. Negen is mijn geluksgetal.
-
dez tienNós temos dez dedos. Wij hebben tien vingers.
-
mais plusDois mais dois é quatro. Twee plus twee is vier.
-
Não entendo. Ik begrijp het nietNão entendo. Ik begrijp het niet.
-
Você poderia repetir, por favor? Kun je dat alsjeblieft herhalen?Você poderia repetir, por favor? Kun je dat alsjeblieft herhalen?
-
Mais devagar, por favor Iets langzamer, alsjeblieft.Mais devagar, por favor. Iets langzamer, alsjeblieft.
-
O que isso significa? Wat betekent dat?O que isso significa? Wat betekent dat?
-
Como se diz isso em ...? Hoe zeg je dat in ...?Como se diz isso em espanhol? Hoe zeg je dat in het Spaans?
-
Como se soletra isso? Hoe spel je dat?Como se soletra isso? Hoe spel je dat?
-
Você pode anotar? Kun je het opschrijven?Você pode anotar, por favor? Kun je het opschrijven, alsjeblieft?
-
Você pode me mostrar? Kun je me ... laten zienVocê pode me mostrar a foto? Kun je me de foto laten zien?
-
Você fala...? Spreek je ...?Você fala inglês? Spreek je Engels?
-
Só um momento, por favor. Een momentje, alsjeblieft.Só um momento, por favor. Een momentje, alsjeblieft.
-
Acho que sim Ik denk het wel.Acho que sim também. Ik denk het ook.
-
Não sei Ik weet het niet.Não sei. Ik weet het niet.
-
este ditEste é o meu carro vermelho. Dit is mijn rode auto.
-
esse dieEsse cachorro é muito amigável. Die hond is erg vriendelijk.
-
aqui hierEu gosto de estar aqui. Ik vind het fijn om hier te zijn.
-
lá daarNos encontramos lá depois do trabalho. We spreken daar na het werk af.
Gratis voor persoonlijk gebruik en in de klas.
Meer Portugees
Portugese woorden per onderwerp
- Getallen1–100
- Dagen van de week12
- Maanden12
- Kleuren19
- Familie36
- Lichaamsdelen24
- Eten44
- Dieren36
- Kleding41
- Het weer24
- Begroetingen12
- Fruit16
- Groenten12
- Keuken & koken36
- Restaurant & eten bestellen48
- Huis & kamers48
- School & schoolspullen48
- Reizen60
- Bij de dokter36
- Sport & spel60
- Hobby’s36
- Natuur & planten36
- Tijdsaanduidingen36
- Feestdagen & feesten12
- Alsjeblieft & dank je wel24
- Small talk36
Woordenlijsten