De 500 meest gebruikte Portugese woorden

Elk woord met een afbeelding, native audio en een voorbeeldzin met Nederlandse vertaling. Tik op een luidspreker om het woord of de zin te horen.

Leer alle 500 woorden in de app

Met afbeeldingen, native audio, en elk woord komt terug vlak voordat je het zou vergeten. Gratis op iPhone en Android.

Gratis downloaden
Download in de App Store Ontdek het op Google Play Scan met de camera van je telefoon

Hoe deze lijst is gerangschikt

Dit is de Flashcardly-cursus Portugees op volgorde: gerangschikt op frequentie en nut in het dagelijks leven, met input van taaldocenten. Het is dus geen kale telling uit een tekstcorpus, en daarom staan woorden als “de” en “van” niet bovenaan de lijst, terwijl “man” op nummer 13 staat.

De lijst

Fout melden

Vertel ons wat er niet klopt. We bekijken elke melding.

Wat klopt er niet?

Tik op een plaatje om het te horen.

Woorden 1–100

  1. Olá — Hallo
    Olá Hallo

    Olá, tudo bem? Hallo, hoe gaat het?

  2. bem-vindo — Welkom
    bem-vindo Welkom

    Bem-vindos à nossa casa. Welkom in ons huis.

  3. Bom dia — Goedemorgen
    Bom dia Goedemorgen

    Bom dia! Goedemorgen!

  4. sim — ja
    sim ja

    Sim, eu entendo. Ja, ik begrijp het.

  5. Boa noite — Goedenavond
    Boa noite Goedenavond

    Boa noite! Goedenavond!

  6. não — nee
    não nee

    Ela disse não. Ze zei nee.

  7. Tchau — doei
    Tchau doei

    Tchau, Anna! Doei, Anna!

  8. Boa tarde — Goedemiddag
    Boa tarde Goedemiddag

    Boa tarde! Goedemiddag!

  9. Até breve — Tot snel
    Até breve Tot snel

    Até breve, Mia! Tot snel, Mia!

  10. Até amanhã — Tot morgen
    Até amanhã Tot morgen

    Até amanhã! Tot morgen!

  11. Prazer em conhecer você — Aangenaam
    Prazer em conhecer você Aangenaam

    Prazer em conhecer você também! Aangenaam kennis te maken!

  12. Como você está? — Hoe gaat het met je
    Como você está? Hoe gaat het met je

    Como você está hoje? Hoe gaat het met je vandaag?

  13. o homem — de man
    o homem de man

    O homem lê o livro. De man leest het boek.

  14. a mulher — de vrouw
    a mulher de vrouw

    A mulher usa um chapéu. De vrouw draagt een hoed.

  15. o menino — de jongen
    o menino de jongen

    O menino brinca com brinquedos. De jongen speelt met speelgoed.

  16. a menina — het meisje
    a menina het meisje

    A menina tem uma bola. Het meisje heeft een bal.

  17. a pessoa — de persoon
    a pessoa de persoon

    Ele é uma pessoa legal. Hij is een aardig persoon.

  18. as pessoas — de mensen
    as pessoas de mensen

    As pessoas estão muito felizes. De mensen zijn erg blij.

  19. o adulto — de volwassene
    o adulto de volwassene

    Eu sou um adulto. Ik ben een volwassene.

  20. o bebê — de baby
    o bebê de baby

    O bebê precisa de leite. De baby heeft melk nodig.

  21. Senhor — meneer
    Senhor meneer

    O Senhor Smith gosta de ler livros. Meneer Smith leest graag boeken.

  22. Senhora — mevrouw
    Senhora mevrouw

    A Senhora Smith é uma professora. Mevrouw Smith is een lerares.

  23. o vizinho — de buurman
    o vizinho de buurman

    Meu vizinho é muito simpático. Mijn buurman is erg vriendelijk.

  24. o amigo — de vriend
    o amigo de vriend

    Meu amigo gosta de ler livros. Mijn vriend leest graag boeken.

  25. hoje — vandaag
    hoje vandaag

    Hoje é um bom dia. Vandaag is een goede dag.

  26. amanhã — morgen
    amanhã morgen

    Amanhã é um novo dia. Morgen is een nieuwe dag.

  27. ontem — gisteren
    ontem gisteren

    Eu a vi ontem. Ik heb haar gisteren gezien.

  28. agora — nu
    agora nu

    Ele quer isso agora. Hij wil het nu.

  29. a tarde — de middag
    a tarde de middag

    Gosto da tarde. Ik vind de middag fijn.

  30. a noite — de avond
    a noite de avond

    A noite está calma. De avond is rustig.

  31. o minuto — de minuut
    o minuto de minuut

    Precisamos de cinco minutos. We hebben vijf minuten nodig.

  32. a manhã — de ochtend
    a manhã de ochtend

    Eu tomo café da manhã de manhã. Ik eet 's ochtends mijn ontbijt.

  33. mais tarde — later
    mais tarde later

    Vou fazer isso mais tarde. Ik doe het later.

  34. cedo — vroeg
    cedo vroeg

    Ela acorda cedo. Zij wordt vroeg wakker.

  35. atrasado — te laat
    atrasado te laat

    Ele costuma estar atrasado. Hij is vaak te laat.

  36. a hora — het uur
    a hora het uur

    A aula dura uma hora. De les duurt één uur.

  37. Qual é o seu nome? — Hoe heet je?
    Qual é o seu nome? Hoe heet je?

    Qual é o seu nome? Hoe heet je?

  38. Meu nome é — Mijn naam is
    Meu nome é Mijn naam is

    Meu nome é Emily. Mijn naam is Emily.

  39. De onde você é? — Waar kom je vandaan?
    De onde você é? Waar kom je vandaan?

    De onde você é? Waar kom je vandaan?

  40. Eu sou de — Ik kom uit ...
    Eu sou de Ik kom uit ...

    Eu sou da Alemanha. Ik kom uit Duitsland.

  41. Onde você mora? — Waar woon je
    Onde você mora? Waar woon je

    Onde você mora? Waar woon je?

  42. Eu moro no — Ik woon in
    Eu moro no Ik woon in

    Eu moro no Japão. Ik woon in Japan.

  43. Quais idiomas você fala? — Welke talen spreek je?
    Quais idiomas você fala? Welke talen spreek je?

    Quais idiomas você fala? Welke talen spreek je?

  44. eu falo — ik spreek
    eu falo ik spreek

    Eu falo inglês bem. Ik spreek goed Engels.

  45. falar um pouco de — Ik spreek een beetje ...
    falar um pouco de Ik spreek een beetje ...

    Eu falo um pouco de francês. Ik spreek een beetje Frans.

  46. Onde você nasceu — Waar ben je geboren
    Onde você nasceu Waar ben je geboren

    Onde você nasceu? Waar ben je geboren?

  47. Qual é o seu sobrenome? — Wat is je achternaam?
    Qual é o seu sobrenome? Wat is je achternaam?

    Qual é o seu sobrenome? Wat is je achternaam?

  48. Esta é minha amiga — Dit is mijn vriend(in)
    Esta é minha amiga Dit is mijn vriend(in)

    Esta é minha amiga Lisa. Dit is mijn vriendin Lisa.

  49. fazer — maken
    fazer maken

    Eu faço um bom café. Ik maak goede koffie.

  50. ganhar — krijgen
    ganhar krijgen

    Ele ganhou um presente. Hij kreeg een cadeau.

  51. ter — hebben
    ter hebben

    Emma tem um carro. Emma heeft een auto.

  52. comer — eten
    comer eten

    Eles estão comendo maçãs. Zij eten appels.

  53. beber — drinken
    beber drinken

    Você bebe café? Drink jij koffie?

  54. dormir — slapen
    dormir slapen

    Eu quero dormir agora. Ik wil nu slapen.

  55. ver — zien
    ver zien

    Você consegue ver a casa? Kun je het huis zien?

  56. olhar — kijken naar
    olhar kijken naar

    Adam gosta de olhar fotos. Adam vindt het leuk om naar foto's te kijken.

  57. ler — lezen
    ler lezen

    O estudante lê livros. De student leest boeken.

  58. abrir — openen
    abrir openen

    Ela abre a janela. Zij opent het raam.

  59. fechar — sluiten
    fechar sluiten

    Eu fecho a porta. Ik sluit de deur.

  60. vir — komen
    vir komen

    Você vem aqui todo dia. Je komt hier elke dag.

  61. Por favor — alsjeblieft
    Por favor alsjeblieft

    Por favor, abra a porta. Wil je alsjeblieft de deur openen?

  62. Obrigado — Dank je wel
    Obrigado Dank je wel

    Obrigado pela sua ajuda. Dank je wel voor je hulp.

  63. De nada — Graag gedaan.
    De nada Graag gedaan.

    De nada. Graag gedaan.

  64. Com licença — Pardon
    Com licença Pardon

    Com licença, eu preciso de ajuda. Pardon, ik heb hulp nodig.

  65. Desculpe — sorry
    Desculpe sorry

    Me desculpe. Het spijt me.

  66. Você poderia me ajudar? — Kun je me helpen?
    Você poderia me ajudar? Kun je me helpen?

    Você poderia me ajudar? Kun je me helpen?

  67. Você poderia repetir, por favor? — Kun je dat alsjeblieft herhalen?
    Você poderia repetir, por favor? Kun je dat alsjeblieft herhalen?

    Você poderia repetir, por favor? Kun je dat alsjeblieft herhalen?

  68. Você poderia falar mais devagar? — Zou je wat langzamer kunnen spreken?
    Você poderia falar mais devagar? Zou je wat langzamer kunnen spreken?

    Você poderia falar mais devagar? Zou je wat langzamer kunnen spreken?

  69. Poderia me dar... por favor? — Mag ik ... alsjeblieft?
    Poderia me dar... por favor? Mag ik ... alsjeblieft?

    Poderia me dar água, por favor? Mag ik water alsjeblieft?

  70. Gostaria de — ik zou graag ... willen
    Gostaria de ik zou graag ... willen

    Gostaria de mais chá. Ik zou graag nog wat thee willen.

  71. Posso...? — Mag ik ...?
    Posso...? Mag ik ...?

    Posso ter um pouco de água? Mag ik wat water?

  72. Tudo bem se — Is het goed als ...?
    Tudo bem se Is het goed als ...?

    Tudo bem se eu sentar? Is het goed als ik ga zitten?

  73. zero — nul
    zero nul

    Zero é menor que um. Nul is minder dan één.

  74. um — één
    um één

    Eu tenho uma maçã. Ik heb één appel.

  75. dois — twee
    dois twee

    Tem dois gatos. Er zijn twee katten.

  76. três — drie
    três drie

    Não, três é demais. Nee, drie is te veel.

  77. quatro — vier
    quatro vier

    Me dê quatro, por favor. Geef me er vier, alsjeblieft.

  78. cinco — vijf
    cinco vijf

    Eu tenho cinco cachorros. Ik heb vijf honden.

  79. seis — zes
    seis zes

    Ele veio com seis amigos. Hij kwam met zes vrienden.

  80. sete — zeven
    sete zeven

    Eu estou correndo sete quilômetros. Ik ren zeven kilometer.

  81. oito — acht
    oito acht

    Uma aranha tem oito pernas. Een spin heeft acht poten.

  82. nove — negen
    nove negen

    Nove é o meu número da sorte. Negen is mijn geluksgetal.

  83. dez — tien
    dez tien

    Nós temos dez dedos. Wij hebben tien vingers.

  84. mais — plus
    mais plus

    Dois mais dois é quatro. Twee plus twee is vier.

  85. Não entendo. — Ik begrijp het niet
    Não entendo. Ik begrijp het niet

    Não entendo. Ik begrijp het niet.

  86. Você poderia repetir, por favor? — Kun je dat alsjeblieft herhalen?
    Você poderia repetir, por favor? Kun je dat alsjeblieft herhalen?

    Você poderia repetir, por favor? Kun je dat alsjeblieft herhalen?

  87. Mais devagar, por favor — Iets langzamer, alsjeblieft.
    Mais devagar, por favor Iets langzamer, alsjeblieft.

    Mais devagar, por favor. Iets langzamer, alsjeblieft.

  88. O que isso significa? — Wat betekent dat?
    O que isso significa? Wat betekent dat?

    O que isso significa? Wat betekent dat?

  89. Como se diz isso em ...? — Hoe zeg je dat in ...?
    Como se diz isso em ...? Hoe zeg je dat in ...?

    Como se diz isso em espanhol? Hoe zeg je dat in het Spaans?

  90. Como se soletra isso? — Hoe spel je dat?
    Como se soletra isso? Hoe spel je dat?

    Como se soletra isso? Hoe spel je dat?

  91. Você pode anotar? — Kun je het opschrijven?
    Você pode anotar? Kun je het opschrijven?

    Você pode anotar, por favor? Kun je het opschrijven, alsjeblieft?

  92. Você pode me mostrar? — Kun je me ... laten zien
    Você pode me mostrar? Kun je me ... laten zien

    Você pode me mostrar a foto? Kun je me de foto laten zien?

  93. Você fala...? — Spreek je ...?
    Você fala...? Spreek je ...?

    Você fala inglês? Spreek je Engels?

  94. Só um momento, por favor. — Een momentje, alsjeblieft.
    Só um momento, por favor. Een momentje, alsjeblieft.

    Só um momento, por favor. Een momentje, alsjeblieft.

  95. Acho que sim — Ik denk het wel.
    Acho que sim Ik denk het wel.

    Acho que sim também. Ik denk het ook.

  96. Não sei — Ik weet het niet.
    Não sei Ik weet het niet.

    Não sei. Ik weet het niet.

  97. este — dit
    este dit

    Este é o meu carro vermelho. Dit is mijn rode auto.

  98. esse — die
    esse die

    Esse cachorro é muito amigável. Die hond is erg vriendelijk.

  99. aqui — hier
    aqui hier

    Eu gosto de estar aqui. Ik vind het fijn om hier te zijn.

  100. lá — daar
    lá daar

    Nos encontramos lá depois do trabalho. We spreken daar na het werk af.

Woorden 101–200

  1. outro — nog een
    outro nog een

    Ele quer outro pedaço de bolo. Hij wil nog een stukje taart.

  2. mesmo — hetzelfde
    mesmo hetzelfde

    Vestimos a mesma camisa azul. Wij dragen hetzelfde blauwe shirt.

  3. estas — deze
    estas deze

    Estas maçãs estão prontas para comer. Deze appels zijn klaar om te eten.

  4. aqueles — die
    aqueles die

    Aqueles biscoitos parecem muito gostosos. Die koekjes zien er erg lekker uit.

  5. bem aqui — precies hier
    bem aqui precies hier

    As chaves estão bem aqui. De sleutels liggen precies hier.

  6. lá — daar
    lá daar

    Meus sapatos estão lá. Mijn schoenen staan daar.

  7. sobre — boven op
    sobre boven op

    O gato está sobre a mesa. De kat zit boven op de tafel.

  8. debaixo — onder
    debaixo onder

    O cachorro está debaixo da mesa. De hond zit onder de tafel.

  9. Como vai? — Hoe gaat het?
    Como vai? Hoe gaat het?

    Como vai? Hoe gaat het?

  10. Há quanto tempo — Lang niet gezien.
    Há quanto tempo Lang niet gezien.

    Há quanto tempo! Lang niet gezien.

  11. Do que você gosta? — Waar geniet je van
    Do que você gosta? Waar geniet je van

    Do que você gosta? Waar geniet je van?

  12. O que você está fazendo? — Wat ben je aan het doen ...?
    O que você está fazendo? Wat ben je aan het doen ...?

    O que você está fazendo agora? Wat ben je nu aan het doen?

  13. Tenha um bom dia. — Prettige dag
    Tenha um bom dia. Prettige dag

    Tenha um bom dia, John! Prettige dag nog, John!

  14. Se cuida — Pas goed op jezelf
    Se cuida Pas goed op jezelf

    Se cuida. Até amanhã. Pas goed op jezelf. Tot morgen.

  15. Boa sorte! — Veel succes!
    Boa sorte! Veel succes!

    Boa sorte! Acredito em você! Veel succes! Ik geloof in je!

  16. Parabéns! — Gefeliciteerd!
    Parabéns! Gefeliciteerd!

    Parabéns! Você terminou o trabalho duro. Gefeliciteerd! Je hebt het zware werk afgerond.

  17. Saúde! — Proost!
    Saúde! Proost!

    Saúde! Proost!

  18. Sem problemas — Geen probleem
    Sem problemas Geen probleem

    Sem problemas, posso te ajudar. Geen probleem, ik kan je helpen.

  19. Não se preocupe — Maak je geen zorgen
    Não se preocupe Maak je geen zorgen

    Não se preocupe, vai ficar tudo bem. Maak je geen zorgen, het komt wel goed.

  20. Parece bom — Dat klinkt goed
    Parece bom Dat klinkt goed

    Parece bom para mim, obrigado! Dat klinkt goed voor mij, bedankt!

  21. saber — weten
    saber weten

    Você sabe a resposta agora. Je weet het antwoord nu.

  22. perguntar — vragen
    perguntar vragen

    Você pode perguntar ao seu irmão. Je kunt het aan je broer vragen.

  23. ouvir — horen
    ouvir horen

    Você consegue ouvir aquele som? Kun je dat geluid horen?

  24. aprender — leren
    aprender leren

    Você aprende algo novo todos os dias. Je leert elke dag iets nieuws.

  25. conversar com — praten met
    conversar com praten met

    Você gosta de conversar com seus amigos? Vind je het leuk om met je vrienden te praten?

  26. dizer — zeggen
    dizer zeggen

    Eu quero dizer alguma coisa. Ik wil iets zeggen.

  27. escolher — kiezen
    escolher kiezen

    Você escolhe sua cor favorita. Je kiest je favoriete kleur.

  28. escrever — schrijven
    escrever schrijven

    Os alunos escrevem uma história. De studenten schrijven een verhaal.

  29. ligar — bellen
    ligar bellen

    Eu vou te ligar. Ik ga je bellen.

  30. escutar — luisteren naar
    escutar luisteren naar

    Eu escuto o rádio. Ik luister naar de radio.

  31. estudar — studeren
    estudar studeren

    Eu estudo muito para toda prova. Ik moet hard studeren voor elke toets.

  32. contar — vertellen
    contar vertellen

    Ele me conta o nome dele. Hij vertelt me zijn naam.

  33. encontrar — ontmoeten
    encontrar ontmoeten

    Eu te encontro amanhã. Ik ontmoet je morgen.

  34. entrar — zich aansluiten bij
    entrar zich aansluiten bij

    Ela vai entrar para o nosso grupo. Zij zal zich bij onze groep aansluiten.

  35. aproveitar — genieten van
    aproveitar genieten van

    Nós aproveitamos a música. Wij genieten van de muziek.

  36. descrever — beschrijven
    descrever beschrijven

    O menino descreveu o animal. De jongen beschreef het dier.

  37. explicar — uitleggen
    explicar uitleggen

    Ela explicará o problema. Zij zal het probleem uitleggen.

  38. ensinar — lesgeven
    ensinar lesgeven

    Eu ensino os novos alunos. Ik lesgeef de nieuwe studenten.

  39. apresentar — voorstellen
    apresentar voorstellen

    Eu vou apresentar o meu amigo. Ik zal mijn vriend voorstellen.

  40. aceitar — accepteren
    aceitar accepteren

    Ela aceita o presente. Zij accepteert het cadeau.

  41. recusar — weigeren
    recusar weigeren

    A criança recusa a comida. Het kind weigert het eten.

  42. prometer — beloven
    prometer beloven

    Eu prometo te ajudar. Ik beloof dat ik je zal helpen.

  43. discutir — bespreken
    discutir bespreken

    Eles discutem o novo plano. Zij bespreken het nieuwe plan.

  44. entrar em contato — contact opnemen met
    entrar em contato contact opnemen met

    Eu entrarei em contato com o médico. Ik zal contact opnemen met de dokter.

  45. rir — lachen
    rir lachen

    As crianças riem alto. De kinderen lachen hard.

  46. gritar — schreeuwen
    gritar schreeuwen

    O menino grita por socorro. De jongen schreeuwt om hulp.

  47. sussurrar — fluisteren
    sussurrar fluisteren

    Ele sussurra no meu ouvido. Hij fluistert in mijn oor.

  48. acenar — zwaaien
    acenar zwaaien

    Ela acena para se despedir. Ze zwaait gedag.

  49. acenar — knikken
    acenar knikken

    A mulher acena com a cabeça. De vrouw knikt met haar hoofd.

  50. abraçar — knuffelen
    abraçar knuffelen

    A mãe abraça o seu filho. De moeder knuffelt haar kind.

  51. beijar — kussen
    beijar kussen

    A mãe beija o seu filho. De moeder kust haar kind.

  52. apontar — wijzen
    apontar wijzen

    A criança aponta para o cachorro. Het kind wijst naar de hond.

  53. piscar — knipperen
    piscar knipperen

    Ele pisca os olhos rapidamente. Hij knippert snel met zijn ogen.

  54. franzir a testa — fronsen
    franzir a testa fronsen

    O pai franze a testa para o filho. De vader fronst naar zijn zoon.

  55. bocejar — gapen
    bocejar gapen

    O homem cansado boceja. De vermoeide man gaapt.

  56. cheirar — snuiven
    cheirar snuiven

    O cachorro cheira a comida. De hond snuift aan het eten.

  57. bom — goed
    bom goed

    Ela é uma boa pessoa. Zij is een goede persoon.

  58. ruim — slecht
    ruim slecht

    Aquele leite está com cheiro ruim. Die melk ruikt slecht.

  59. grande — groot
    grande groot

    O cachorro grande pode pular. De grote hond kan springen.

  60. pequeno — klein
    pequeno klein

    O bebê tem mãos pequenas. De baby heeft kleine handjes.

  61. errado — fout
    errado fout

    Sua resposta está errada. Je antwoord is fout.

  62. fácil — makkelijk
    fácil makkelijk

    Este problema de matemática é fácil. Deze som is makkelijk.

  63. difícil — moeilijk
    difícil moeilijk

    Essa prova foi difícil. Die toets was moeilijk.

  64. rápido — snel
    rápido snel

    Carros vão muito rápido. Auto's rijden erg snel.

  65. lento — langzaam
    lento langzaam

    A tartaruga é muito lenta. De schildpad is erg langzaam.

  66. novo — nieuw
    novo nieuw

    Este é um carro novo. Dit is een nieuwe auto.

  67. verdadeiro — waar
    verdadeiro waar

    Esta história é verdadeira? Is dit verhaal waar?

  68. falso — onjuist
    falso onjuist

    A resposta é falsa. Het antwoord is onjuist.

  69. Eu quero — Ik wil
    Eu quero Ik wil

    Eu quero comer pizza. Ik wil pizza eten.

  70. precisar — ik moet ...
    precisar ik moet ...

    Preciso ligar para ela. Ik moet haar bellen.

  71. Eu vou — ik ga ...
    Eu vou ik ga ...

    Eu vou comer em breve. Ik ga zo eten.

  72. Eu gostaria de — ik zou graag ...
    Eu gostaria de ik zou graag ...

    Eu gostaria de jogar tênis. Ik zou graag tennissen.

  73. Eu tenho que — ik moet
    Eu tenho que ik moet

    Eu tenho que ir agora. Ik moet nu gaan.

  74. Posso — Mag ik ...
    Posso Mag ik ...

    Posso ter água, por favor? Mag ik water, alsjeblieft?

  75. me ajude com — help me met ...
    me ajude com help me met ...

    Por favor, me ajude com esta mala. Help me alsjeblieft met deze tas.

  76. Mostre-me como — laat me zien hoe je ...
    Mostre-me como laat me zien hoe je ...

    Mostre-me como fazer isso. Laat me zien hoe je dit doet.

  77. Não posso... agora — Ik kan nu niet ...
    Não posso... agora Ik kan nu niet ...

    Não posso ajudar agora. Ik kan nu niet helpen.

  78. Estou tentando — Ik probeer te
    Estou tentando Ik probeer te

    Estou tentando dormir agora. Ik probeer te slapen nu.

  79. É possível...? — Is het mogelijk om ...
    É possível...? Is het mogelijk om ...

    É possível nadar aqui? Is het mogelijk om hier te zwemmen?

  80. Onde posso...? — Waar kan ik ...
    Onde posso...? Waar kan ik ...

    Onde posso almoçar? Waar kan ik lunchen?

  81. a segunda-feira — maandag
    a segunda-feira maandag

    Segunda-feira é o primeiro dia. Maandag is de eerste dag.

  82. a terça-feira — dinsdag
    a terça-feira dinsdag

    Terça-feira é sempre divertida. Dinsdag is altijd leuk.

  83. a quarta-feira — woensdag
    a quarta-feira woensdag

    Ela vai para casa quarta-feira. Ze gaat woensdag naar huis.

  84. a quinta-feira — donderdag
    a quinta-feira donderdag

    Ele vem na quinta-feira. Hij komt op donderdag.

  85. a sexta-feira — vrijdag
    a sexta-feira vrijdag

    Sexta-feira é o melhor dia. Vrijdag is de beste dag.

  86. o sábado — zaterdag
    o sábado zaterdag

    Eu saio no sábado. Ik vertrek op zaterdag.

  87. o domingo — zondag
    o domingo zondag

    Vou descansar no domingo. Ik ga op zondag uitrusten.

  88. o dia de semana — de doordeweekse dag
    o dia de semana de doordeweekse dag

    Ela trabalha toda manhã de dia de semana. Ze werkt elke doordeweekse ochtend.

  89. o fim de semana — het weekend
    o fim de semana het weekend

    Quem não gosta do fim de semana? Wie houdt er niet van het weekend?

  90. diariamente — dagelijks
    diariamente dagelijks

    Lemos o jornal diariamente. Wij lezen dagelijks de krant.

  91. semanalmente — wekelijks
    semanalmente wekelijks

    Eu geralmente assisto o noticiário semanalmente. Ik kijk meestal wekelijks naar het nieuws.

  92. mensal — maandelijks
    mensal maandelijks

    Eles pagam o preço mensal. Zij betalen de maandelijkse prijs.

  93. o dia — de dag
    o dia de dag

    Nós esperamos por um dia. We hebben één dag gewacht.

  94. a noite — de nacht
    a noite de nacht

    Nós dormimos à noite. Wij slapen 's nachts.

  95. a semana — de week
    a semana de week

    Nós ficamos por uma semana. We zijn één week gebleven.

  96. o mês — de maand
    o mês de maand

    Ele trabalhou por um mês. Hij heeft één maand gewerkt.

  97. o ano — het jaar
    o ano het jaar

    Nós esperamos por um ano. We hebben één jaar gewacht.

  98. o tempo — de tijd
    o tempo de tijd

    Nós precisamos de mais tempo. We hebben meer tijd nodig.

  99. o momento — het moment
    o momento het moment

    Ele esperou por um momento. Hij wachtte even een moment.

  100. o futuro — de toekomst
    o futuro de toekomst

    Eu penso no futuro. Ik denk na over de toekomst.

Woorden 201–300

  1. em ponto — uur
    em ponto uur

    Eu acordo às sete horas em ponto. Ik word om zeven uur wakker.

  2. a meia-noite — de middernacht
    a meia-noite de middernacht

    Nós vamos sair à meia-noite. We vertrekken om middernacht.

  3. o meio-dia — de middag
    o meio-dia de middag

    O sol está quente ao meio-dia. De zon is heet op de middag.

  4. hoje à noite — vanavond
    hoje à noite vanavond

    Os convidados chegarão hoje à noite. De gasten komen vanavond aan.

  5. socorro! — de hulp
    socorro! de hulp

    Socorro! Estou em apuros. Hulp! Ik zit in de problemen.

  6. o perigo — het gevaar
    o perigo het gevaar

    Estamos em perigo! We zijn in gevaar!

  7. a polícia — de politie
    a polícia de politie

    Chame a polícia! Bel de politie!

  8. o médico — de dokter
    o médico de dokter

    Preciso de um médico! Ik heb een dokter nodig!

  9. a ambulância — de ambulance
    a ambulância de ambulance

    Ligue para uma ambulância! Bel een ambulance!

  10. o bombeiro — de brandweerman
    o bombeiro de brandweerman

    Os bombeiros são heróis. De brandweermannen zijn helden.

  11. o acidente — het ongeluk
    o acidente het ongeluk

    Eu tive um acidente. Ik heb een ongeluk gehad.

  12. proteger — beschermen
    proteger beschermen

    A polícia nos protege. De politie moet ons beschermen.

  13. avisar — waarschuwen
    avisar waarschuwen

    Preciso avisar a eles! Ik moet ze waarschuwen!

  14. o alarme — de wekker
    o alarme de wekker

    O alarme disparou! De wekker ging af!

  15. o incêndio — de brand
    o incêndio de brand

    Tem um incêndio! Er is brand!

  16. a fumaça — de rook
    a fumaça de rook

    A fumaça está saindo do prédio! Er komt rook uit het gebouw!

  17. trabalhar como — werken als
    trabalhar como werken als

    Elas trabalham como enfermeiras de hospital. Ze werken als verpleegkundigen in het ziekenhuis.

  18. comprar — kopen
    comprar kopen

    Você pode comprar frutas aqui. Je kunt hier fruit kopen.

  19. pagar — betalen
    pagar betalen

    Você precisa pagar por isso. Je moet hiervoor betalen.

  20. vender — verkopen
    vender verkopen

    Eles vendem frutas frescas aqui. Ze verkopen hier vers fruit.

  21. colocar — leggen
    colocar leggen

    Ele coloca o livro na mesa. Hij legt het boek op tafel.

  22. sentar — zitten
    sentar zitten

    Emma senta naquela cadeira. Emma zit in die stoel.

  23. ficar em pé — staan
    ficar em pé staan

    Eu fico em pé perto da porta. Ik sta bij de deur.

  24. nadar — zwemmen
    nadar zwemmen

    Eles podem nadar rápido. Zij kunnen snel zwemmen.

  25. dirigir — rijden
    dirigir rijden

    Você precisa dirigir com cuidado. Je moet voorzichtig rijden.

  26. planejar — plannen
    planejar plannen

    Eles planejam visitar em breve. Zij plannen om binnenkort op bezoek te komen.

  27. terminar — afmaken
    terminar afmaken

    Ele pode terminar o dever de casa mais tarde. Hij kan zijn huiswerk later afmaken.

  28. dar — geven
    dar geven

    Eu dou presentes para amigos. Ik geef cadeaus aan vrienden.

  29. onze — elf
    onze elf

    Eu sempre pego onze pedaços. Ik krijg altijd elf stukken.

  30. doze — twaalf
    doze twaalf

    Há doze ovos em uma cartela. Er zitten twaalf eieren in een doos.

  31. treze — dertien
    treze dertien

    O número treze é azarado. Het getal dertien brengt ongeluk.

  32. catorze — veertien
    catorze veertien

    O apartamento tem catorze andares. Het appartementencomplex heeft veertien verdiepingen.

  33. quinze — vijftien
    quinze vijftien

    Eu abro o livro na página quinze. Ik sla het boek open op pagina vijftien.

  34. dezesseis — zestien
    dezesseis zestien

    Isso é dezesseis vezes mais! Dat is zestien keer meer!

  35. dezessete — zeventien
    dezessete zeventien

    Nós temos dezessete lápis. Wij hebben zeventien potloden.

  36. dezoito — achttien
    dezoito achttien

    Tem dezoito metros de altura. Het is achttien meter hoog.

  37. dezenove — negentien
    dezenove negentien

    Dezenove é o meu número favorito. Negentien is mijn lievelingsgetal.

  38. vinte — twintig
    vinte twintig

    Ela precisa de vinte maçãs pequenas. Zij heeft twintig kleine appels nodig.

  39. trinta — dertig
    trinta dertig

    Ele tem trinta anos. Hij is dertig jaar oud.

  40. cem — honderd
    cem honderd

    Ele contou até cem. Hij telde tot honderd.

  41. quarenta — veertig
    quarenta veertig

    Ela tem quarenta lápis no total. Ze heeft in totaal veertig potloden.

  42. cinquenta — vijftig
    cinquenta vijftig

    Ele tem cinquenta dólares. Hij heeft vijftig dollar.

  43. sessenta — zestig
    sessenta zestig

    John tem sessenta anos. John is zestig jaar oud.

  44. setenta — zeventig
    setenta zeventig

    Meu avô tem setenta anos. Mijn opa is zeventig.

  45. oitenta — tachtig
    oitenta tachtig

    Tenho oitenta gramas de açúcar. Ik heb tachtig gram suiker.

  46. noventa — negentig
    noventa negentig

    Ele tem noventa livros para ler. Hij heeft negentig boeken om te lezen.

  47. mil — duizend
    mil duizend

    Mil é um número grande. Duizend is een groot getal.

  48. o milhão — miljoen
    o milhão miljoen

    Aquele carro custa um milhão de dólares. Die auto kost een miljoen dollar.

  49. a metade — helft
    a metade helft

    Ele comeu metade da pizza. Hij at de helft van de pizza op.

  50. o quarto — het kwart
    o quarto het kwart

    Só resta um quarto deles. Er is nog maar een kwart van over.

  51. a dúzia — het dozijn
    a dúzia het dozijn

    Compro uma dúzia de ovos na loja. Ik koop een dozijn eieren in de winkel.

  52. o par — het paar
    o par het paar

    Aquele par de sapatos está limpo. Dat paar schoenen is schoon.

  53. primeiro — eerste
    primeiro eerste

    Ele ganhou o primeiro lugar facilmente. Hij won gemakkelijk de eerste plaats.

  54. segundo — tweede
    segundo tweede

    Esta é minha segunda vez aqui. Dit is de tweede keer dat ik hier ben.

  55. terceiro — derde
    terceiro derde

    Eles terminaram em terceiro lugar. Ze eindigden op de derde plaats.

  56. quarto — vierde
    quarto vierde

    Eu sou o quarto na fila. Ik sta als vierde in de rij.

  57. quinto — vijfde
    quinto vijfde

    Ela está na quinta fila. Zij zit in de vijfde rij.

  58. sexto — zesde
    sexto zesde

    Ele é a sexta pessoa. Hij is de zesde persoon.

  59. sétimo — zevende
    sétimo zevende

    Eles moram no sétimo andar. Ze wonen op de zevende verdieping.

  60. oitavo — achtste
    oitavo achtste

    Esta é a oitava maçã. Dit is de achtste appel.

  61. nono — negende
    nono negende

    O nono dia é feriado. De negende dag is een feestdag.

  62. décimo — tiende
    décimo tiende

    Ela é o décimo lugar. Zij staat op de tiende plaats.

  63. décimo primeiro — elfde
    décimo primeiro elfde

    Eles celebram o seu décimo primeiro aniversário. Ze vieren hun elfde jubileum.

  64. décimo segundo — twaalfde
    décimo segundo twaalfde

    Esse é o décimo segundo mês. Dat is de twaalfde maand.

  65. sempre — altijd
    sempre altijd

    Sempre bebo café de manhã. Ik drink 's ochtends altijd koffie.

  66. geralmente — meestal
    geralmente meestal

    Ele geralmente almoça ao meio-dia. Hij eet meestal rond het middaguur zijn lunch.

  67. muitas vezes — vaak
    muitas vezes vaak

    As pessoas muitas vezes comem pizza aqui. Mensen eten hier vaak pizza.

  68. às vezes — soms
    às vezes soms

    Ela às vezes vai à biblioteca. Zij gaat soms naar de bibliotheek.

  69. raramente — zelden
    raramente zelden

    Eu raramente como fast food. Ik eet zelden fastfood.

  70. nunca — nooit
    nunca nooit

    Eles nunca vão àquela loja. Zij gaan nooit naar die winkel.

  71. todo dia — elke dag
    todo dia elke dag

    Comemos chocolate todo dia. Wij eten elke dag chocolade.

  72. toda semana — elke week
    toda semana elke week

    Ela nada toda semana. Zij zwemt elke week.

  73. nos fins de semana — in het weekend
    nos fins de semana in het weekend

    Eu relaxo nos fins de semana em casa. Ik ontspan in het weekend thuis.

  74. pela manhã — in de ochtend
    pela manhã in de ochtend

    As pessoas tomam café da manhã pela manhã. Mensen eten 's ochtends ontbijt.

  75. à noite — ’s nachts
    à noite ’s nachts

    Eles dormem à noite nas suas camas. Ze slapen ’s nachts in hun bedden.

  76. depois do trabalho — na het werk
    depois do trabalho na het werk

    Ele relaxa depois do trabalho todo dia. Hij ontspant elke dag na het werk.

  77. uma vez por — één keer per ...
    uma vez por één keer per ...

    Eu vou uma vez por semana. Ik ga één keer per week.

  78. duas vezes por — twee keer per
    duas vezes por twee keer per

    Meu pai visita duas vezes por semana. Mijn vader komt twee keer per week op bezoek.

  79. semana sim, semana não — om de ...
    semana sim, semana não om de ...

    Eles visitam semana sim, semana não. Ze komen om de week langs.

  80. pelo menos — ten minste
    pelo menos ten minste

    Ele come pelo menos uma maçã todo dia. Hij eet ten minste één appel per dag.

  81. no máximo — hooguit
    no máximo hooguit

    Vou comprar dois no máximo. Ik koop er hooguit twee.

  82. mais do que — meer dan
    mais do que meer dan

    Isso é mais do que comida suficiente. Dit is meer dan genoeg eten.

  83. menos que — minder dan
    menos que minder dan

    Você pegou menos que da última vez. Je hebt minder dan de vorige keer.

  84. um pouco — een beetje
    um pouco een beetje

    Ele precisa de um pouco de ajuda. Hij heeft een beetje hulp nodig.

  85. um pouco — een beetje
    um pouco een beetje

    Ela comeu um pouco de bolo. Ze at een beetje van de taart.

  86. muito — veel
    muito veel

    Eu estudo muito. Ik studeer veel.

  87. demais — te veel
    demais te veel

    Eles comeram torta demais. Ze aten te veel taart.

  88. não basta — niet genoeg
    não basta niet genoeg

    Essa quantidade não basta. Dit bedrag is niet genoeg.

  89. atrás — geleden
    atrás geleden

    Eu cheguei dois dias atrás. Ik ben twee dagen geleden aangekomen.

  90. logo — binnenkort
    logo binnenkort

    Meu amigo vai chegar logo. Mijn vriend komt binnenkort aan.

  91. ainda — nog
    ainda nog

    Eu ainda estou com fome. Ik heb nog honger.

  92. alguma vez — ooit
    alguma vez ooit

    Você já viu o mar alguma vez? Heb je ooit de oceaan gezien?

  93. ainda — nog niet
    ainda nog niet

    Meu amigo ainda não chegou. Mijn vriend is nog niet gearriveerd.

  94. imediatamente — meteen
    imediatamente meteen

    Eu preciso de ajuda imediatamente. Ik heb meteen hulp nodig.

  95. talvez — misschien
    talvez misschien

    Talvez ela venha mais tarde. Misschien komt ze later.

  96. algum dia — eens
    algum dia eens

    Nós vamos nos encontrar algum dia. We zullen elkaar eens ontmoeten.

  97. a qualquer momento — altijd
    a qualquer momento altijd

    Você pode nos visitar a qualquer momento. Je kunt ons altijd bezoeken.

  98. antes de — vóór
    antes de vóór

    Nós saímos antes da tempestade. Wij vertrokken vóór de storm.

  99. depois de — na
    depois de na

    Nós vamos embora depois da refeição. We vertrekken na de maaltijd.

  100. hoje em dia — tegenwoordig
    hoje em dia tegenwoordig

    As pessoas viajam mais hoje em dia. Mensen reizen tegenwoordig meer.

Woorden 301–400

  1. janeiro — januari
    janeiro januari

    Janeiro é o primeiro mês. Januari is de eerste maand.

  2. fevereiro — februari
    fevereiro februari

    Fevereiro geralmente é um mês curto. Februari is meestal een korte maand.

  3. março — maart
    março maart

    Eu geralmente os visito em março. Ik bezoek hen meestal in maart.

  4. abril — april
    abril april

    O jogo de basquete é em abril. De basketbalwedstrijd is in april.

  5. maio — mei
    maio mei

    Meu exame final é em maio. Mijn eindexamen is in mei.

  6. junho — juni
    junho juni

    Eu vou saber a resposta até junho. Ik weet het antwoord in juni.

  7. julho — juli
    julho juli

    Julho é geralmente um mês muito quente. Juli is meestal een erg warme maand.

  8. agosto — augustus
    agosto augustus

    Podemos nos encontrar de novo em agosto? Kunnen we in augustus weer afspreken?

  9. setembro — september
    setembro september

    Minhas férias são em setembro. Mijn vakantie is in september.

  10. outubro — oktober
    outubro oktober

    Seu aniversário é em Outubro? Is je verjaardag in oktober?

  11. novembro — november
    novembro november

    Por que chove em novembro? Waarom regent het in november?

  12. dezembro — december
    dezembro december

    Dezembro é o último mês. december is de laatste maand.

  13. sobre — over
    sobre over

    O gato pula sobre a caixa. De kat springt over de doos.

  14. debaixo de — onder
    debaixo de onder

    Eles moram debaixo de uma árvore grande. Ze wonen onder een grote boom.

  15. por — door
    por door

    Ele passa pela porta. Hij loopt door de deur.

  16. ao longo de — langs
    ao longo de langs

    Nós caminhamos ao longo da praia. Wij lopen langs het strand.

  17. pelo — rond
    pelo rond

    As pessoas caminham pelo parque. Mensen lopen rond het park.

  18. para o outro lado — aan de overkant van
    para o outro lado aan de overkant van

    Eu vou para o outro lado da rua. Ik ga aan de overkant van de straat.

  19. para dentro de — in
    para dentro de in

    Ele anda devagar para dentro da sala. Hij loopt langzaam de kamer in.

  20. para fora de — uit
    para fora de uit

    A criança corre para fora da escola. Het kind rent de school uit.

  21. para cima — omhoog
    para cima omhoog

    Ela olha para cima, para as nuvens. Ze kijkt omhoog naar de wolken.

  22. no chão — neer
    no chão neer

    O cachorro colocou a bola no chão. De hond legde de bal neer.

  23. lá em cima — naar boven
    lá em cima naar boven

    Eu vou lá em cima para a cama. Ik ga naar boven om te slapen.

  24. lá embaixo — beneden
    lá embaixo beneden

    Eu escuto barulhos lá embaixo. Ik hoor geluiden beneden.

  25. trazer — meebrengen
    trazer meebrengen

    Eles trazem comida para a festa. Zij brengen eten mee naar het feest.

  26. levar — pakken
    levar pakken

    Você sempre leva minha caneta. Je pakt altijd mijn pen.

  27. carregar — dragen
    carregar dragen

    Ele pode carregar a caixa. Hij kan de doos dragen.

  28. pegar — ophalen
    pegar ophalen

    Você pode pegar o pacote? Kun je het pakketje ophalen?

  29. derrubar — laten vallen
    derrubar laten vallen

    Se eu derrubar o celular, ele vai quebrar. Als ik de telefoon laat vallen, gaat hij kapot.

  30. passar — aanreiken
    passar aanreiken

    Você pode me passar o sal? Kun je me het zout aanreiken?

  31. colocar — neerzetten
    colocar neerzetten

    Nós colocamos nossas mochilas. Wij zetten onze rugzakken neer.

  32. guardar — opruimen
    guardar opruimen

    Eu guardei meus brinquedos. Ik ruim mijn speelgoed op.

  33. tirar — buitenzetten
    tirar buitenzetten

    Ela vai tirar o lixo. Zij buitenzet het vuilnis.

  34. pendurar — ophangen
    pendurar ophangen

    Eles penduram os casacos. Ze hangen hun jassen op.

  35. ligar — aanzetten
    ligar aanzetten

    Você liga a luz. Je zet het licht aan.

  36. desligar — uitzetten
    desligar uitzetten

    Alguém pode desligar o rádio? Kan iemand de radio uitzetten?

  37. pular — springen
    pular springen

    O gato pula o muro. De kat springt over de muur.

  38. atirar — gooien
    atirar gooien

    O menino atira a pedra. De jongen gooit de steen.

  39. pegar — vangen
    pegar vangen

    Ele pega a bola. Hij vangt de bal.

  40. montar — rijden
    montar rijden

    O menino monta um cavalo. De jongen rijdt op een paard.

  41. voar — vliegen
    voar vliegen

    Os pássaros voam no céu. De vogels vliegen in de lucht.

  42. engatinhar — kruipen
    engatinhar kruipen

    O bebê engatinha pelo chão. De baby kruipt op de vloer.

  43. pular — overslaan
    pular overslaan

    Ela pulou a primeira página. Zij sloeg de eerste pagina over.

  44. chutar — schoppen
    chutar schoppen

    A criança chuta a bola. Het kind schopt tegen de bal.

  45. quicar — stuiteren
    quicar stuiteren

    A bola quica no chão. De bal stuitert op de grond.

  46. subir — klimmen
    subir klimmen

    O gato sobe na árvore. De kat klimt in de boom.

  47. mergulhar — duiken
    mergulhar duiken

    O menino mergulha na água. De jongen duikt in het water.

  48. deslizar — glijden
    deslizar glijden

    A caixa desliza pelo chão. De doos glijdt over de vloer.

  49. beliscar — knijpen
    beliscar knijpen

    Ele beliscou o meu braço. Hij kneep in mijn arm.

  50. apertar — knijpen
    apertar knijpen

    Ela aperta a minha mão. Zij knijpt in mijn hand.

  51. cutucar — prikken
    cutucar prikken

    A criança cutucou o meu braço. Het kind prikte in mijn arm.

  52. acariciar — aaien
    acariciar aaien

    O menino acaricia o cachorro. De jongen aait de hond.

  53. esfregar — wrijven
    esfregar wrijven

    Eu esfrego meus olhos cansados. Ik wrijf in mijn vermoeide ogen.

  54. torcer — draaien
    torcer draaien

    O homem torce a corda. De man draait aan het touw.

  55. sacudir — schudden
    sacudir schudden

    O bebê sacode o brinquedo. De baby schudt met het speelgoed.

  56. dobrar — vouwen
    dobrar vouwen

    Eu dobro o papel. Ik vouw het papier.

  57. apertar — drukken op
    apertar drukken op

    Ela aperta o botão vermelho. Zij drukt op de rode knop.

  58. prender — bevestigen
    prender bevestigen

    Ele prenderá a corda. Hij zal het touw bevestigen.

  59. puxar — trekken
    puxar trekken

    O homem puxa a corda pesada. De man trekt aan het zware touw.

  60. fazer — inpakken
    fazer inpakken

    Eu faço a minha mala. Ik pak mijn tas in.

  61. Onde fica o...? — Waar is de ...
    Onde fica o...? Waar is de ...

    Onde fica o hotel? Waar is het hotel?

  62. Tem um... aqui perto? — Is er een ... in de buurt
    Tem um... aqui perto? Is er een ... in de buurt

    Tem um banco aqui perto? Is er een bank in de buurt?

  63. Como eu vou para...? — Hoe kom ik bij ...?
    Como eu vou para...? Hoe kom ik bij ...?

    Como eu vou para a escola? Hoe kom ik bij school?

  64. Qual ônibus vai para...? — Welke bus gaat naar ...?
    Qual ônibus vai para...? Welke bus gaat naar ...?

    Qual ônibus vai para a cidade? Welke bus gaat naar het centrum?

  65. Qual linha vai para...? — Welke lijn gaat naar ...
    Qual linha vai para...? Welke lijn gaat naar ...

    Qual linha vai para o museu? Welke lijn gaat naar het museum?

  66. Quanto tempo leva? — Hoe lang duurt het ...
    Quanto tempo leva? Hoe lang duurt het ...

    Eu me pergunto quanto tempo leva. Ik vraag me af hoe lang het duurt.

  67. Qual a distância? — Hoe ver is het
    Qual a distância? Hoe ver is het

    Qual a distância? Hoe ver is het?

  68. Você pode me mostrar no mapa? — Kun je me ... op de kaart laten zien?
    Você pode me mostrar no mapa? Kun je me ... op de kaart laten zien?

    Você pode me mostrar no mapa? Kun je me op de kaart laten zien?

  69. procurar — ik zoek
    procurar ik zoek

    Eles estão procurando um banheiro. Ze zijn op zoek naar een toilet.

  70. o mais próximo — de dichtstbijzijnde
    o mais próximo de dichtstbijzijnde

    A loja mais próxima está lá embaixo. De dichtstbijzijnde winkel is daar beneden.

  71. Isso vai para...? — Gaat dit naar ...?
    Isso vai para...? Gaat dit naar ...?

    Isso vai para o restaurante? Gaat dit naar het restaurant?

  72. Qual ponto para...? — Bij welke halte moet ik zijn voor ...?
    Qual ponto para...? Bij welke halte moet ik zijn voor ...?

    Qual ponto para o centro? Bij welke halte moet ik zijn voor het centrum?

  73. a estação — het station
    a estação het station

    Eles esperam na estação de trem. Ze wachten op het station.

  74. ponto de ônibus — de bushalte
    ponto de ônibus de bushalte

    O ponto de ônibus fica por perto. De bushalte is vlakbij.

  75. a estação de metrô — de metrohalte
    a estação de metrô de metrohalte

    Esta estação de metrô está muito cheia. Deze metrohalte is erg druk.

  76. o hotel — het hotel
    o hotel het hotel

    Você pode reservar um hotel online. Je kunt online een hotel boeken.

  77. a farmácia — de apotheek
    a farmácia de apotheek

    Mark trabalha na farmácia. Mark werkt bij de apotheek.

  78. o banco — de bank
    o banco de bank

    Ele vai ao banco. Hij gaat naar de bank.

  79. o banheiro — het toilet
    o banheiro het toilet

    Este é um banheiro limpo. Dit is een schoon toilet.

  80. o supermercado — de supermarkt
    o supermercado de supermarkt

    Compramos comida no supermercado. Wij kopen eten in de supermarkt.

  81. o restaurante — het restaurant
    o restaurante het restaurant

    Eles gostam muito daquele restaurante. Ze vinden dat restaurant erg leuk.

  82. o café — het café
    o café het café

    Jane trabalha no café. Jane werkt in het café.

  83. o parque — het park
    o parque het park

    Ela gosta do parque verde. Ze houdt van het groene park.

  84. o hospital — het ziekenhuis
    o hospital het ziekenhuis

    Um hospital ajuda pessoas doentes. Een ziekenhuis helpt zieke mensen.

  85. o aeroporto — de luchthaven
    o aeroporto de luchthaven

    Nós chegamos ao aeroporto. We kwamen aan op de luchthaven.

  86. o estádio — het stadion
    o estádio het stadion

    Nós fomos ao estádio. Wij gingen naar het stadion.

  87. a fábrica — de fabriek
    a fábrica de fabriek

    Esta fábrica produz roupas. Deze fabriek maakt kleding.

  88. a universidade — de universiteit
    a universidade de universiteit

    Ela estuda na universidade. Zij studeert aan de universiteit.

  89. a faculdade — de hogeschool
    a faculdade de hogeschool

    Ela estuda na faculdade. Zij studeert aan de hogeschool.

  90. o clube — de club
    o clube de club

    Nós entramos para o clube esportivo. We zijn lid geworden van de sportclub.

  91. a prisão — de gevangenis
    a prisão de gevangenis

    O criminoso escapou da prisão. De crimineel is uit de gevangenis ontsnapt.

  92. a torre — de toren
    a torre de toren

    Eu vejo a torre alta. Ik zie de hoge toren.

  93. o shopping — het winkelcentrum
    o shopping het winkelcentrum

    Eu comprei sapatos no shopping. Ik heb schoenen gekocht in het winkelcentrum.

  94. a prefeitura — het gemeentehuis
    a prefeitura het gemeentehuis

    Nós nos encontramos na prefeitura. We hebben afgesproken bij het gemeentehuis.

  95. a delegacia — het politiebureau
    a delegacia het politiebureau

    Eu vejo a delegacia. Ik zie het politiebureau.

  96. o quartel de bombeiros — de brandweerkazerne
    o quartel de bombeiros de brandweerkazerne

    Eu moro perto do quartel de bombeiros. Ik woon vlak bij de brandweerkazerne.

  97. Virar à esquerda — Sla linksaf
    Virar à esquerda Sla linksaf

    Vire à esquerda aqui. Sla linksaf hier.

  98. Vire à direita — sla rechtsaf
    Vire à direita sla rechtsaf

    Vire à direita no cruzamento. Sla rechtsaf bij het kruispunt.

  99. Siga reto — Ga rechtdoor
    Siga reto Ga rechtdoor

    Siga reto para a escola. Ga rechtdoor naar school.

  100. Fica perto. — Het is dichtbij
    Fica perto. Het is dichtbij

    Fica perto. Het is dichtbij.

Woorden 401–500

  1. É longe. — Het is ver
    É longe. Het is ver

    É longe. Het is ver.

  2. do outro lado da rua — aan de overkant van de straat
    do outro lado da rua aan de overkant van de straat

    Ele mora do outro lado da rua. Hij woont aan de overkant van de straat.

  3. Na esquina — op de hoek
    Na esquina op de hoek

    Ela está esperando na esquina. Ze staat op de hoek te wachten.

  4. No semáforo — bij het stoplicht
    No semáforo bij het stoplicht

    Paramos no semáforo. We stopten bij het stoplicht.

  5. No cruzamento — op het kruispunt
    No cruzamento op het kruispunt

    O bar está no cruzamento. De bar is op het kruispunt.

  6. a faixa de pedestres — het zebrapad
    a faixa de pedestres het zebrapad

    Essa faixa de pedestres é muito segura. Dat zebrapad is erg veilig.

  7. A um quarteirão — één blok verderop
    A um quarteirão één blok verderop

    O museu fica a um quarteirão. Het museum is één blok verderop.

  8. Siga as placas — de borden volgen
    Siga as placas de borden volgen

    Siga as placas para a segurança. Je moet de borden volgen naar de veiligheid.

  9. a mala — de koffer
    a mala de koffer

    Você já arrumou sua mala? Heb je je koffer al ingepakt?

  10. o ímã — de magneet
    o ímã de magneet

    O pequeno ímã é um presente. De kleine magneet is een cadeau.

  11. a escova de cabelo — de haarborstel
    a escova de cabelo de haarborstel

    Ela não encontra a escova de cabelo dela. Ze kan haar haarborstel niet vinden.

  12. o travesseiro — het kussen
    o travesseiro het kussen

    Este travesseiro é macio e quente. Dit kussen is zacht en warm.

  13. o cobertor — de deken
    o cobertor de deken

    Pegue um cobertor se você estiver com frio. Pak een deken als je het koud hebt.

  14. o colchão — de matras
    o colchão de matras

    Nosso colchão novo é muito confortável. Onze nieuwe matras ligt echt heerlijk.

  15. a cortina — het gordijn
    a cortina het gordijn

    Por favor, abra a cortina, está escuro. Doe alsjeblieft het gordijn open, het is donker.

  16. a persiana — de jaloezieën
    a persiana de jaloezieën

    Geralmente eu fecho as persianas à noite. Ik doe 's avonds meestal de jaloezieën dicht.

  17. o tapete — het tapijt
    o tapete het tapijt

    Tem poeira debaixo do tapete. Er ligt stof onder het tapijt.

  18. o vaso — de vaas
    o vaso de vaas

    Este vaso parece caro. Deze vaas ziet er duur uit.

  19. a vassoura — de bezem
    a vassoura de bezem

    Este apartamento tem uma vassoura? Heeft dit appartement een bezem?

  20. o papel higiênico — het wc-papier
    o papel higiênico het wc-papier

    Ah não, o papel higiênico acabou! Oh nee, het wc-papier is op!

  21. a lã — de wol
    a lã de wol

    A ovelha tem uma lã grossa. Het schaap heeft dikke wol.

  22. o metal — het metaal
    o metal het metaal

    Nós precisamos de madeira e metal. We hebben hout en metaal nodig.

  23. plástico — plastic
    plástico plastic

    Ela lava a tigela de plástica. Ze wast de plastic kom.

  24. o couro — het leer
    o couro het leer

    Eu comprei uma bolsa de couro nova. Ik heb een nieuwe leren tas gekocht.

  25. o algodão — de katoen
    o algodão de katoen

    O fazendeiro cultiva algodão. De boer verbouwt katoen.

  26. a seda — de zijde
    a seda de zijde

    Esta seda é muito macia. Deze zijde is erg zacht.

  27. a borracha — het rubber
    a borracha het rubber

    A bola é feita de borracha. De bal is gemaakt van rubber.

  28. o jeans — de denim
    o jeans de denim

    Ele comprou um tecido jeans grosso. Hij kocht dikke denimstof.

  29. cerâmica — keramisch
    cerâmica keramisch

    Ela lavou a tigela de cerâmica. Ze waste de keramische kom af.

  30. o mármore — het marmer
    o mármore het marmer

    Eles cortaram o mármore branco. Ze sneden het witte marmer.

  31. o tijolo — de baksteen
    o tijolo de baksteen

    Ele segura um tijolo vermelho. Hij houdt een rode baksteen vast.

  32. o aço — het staal
    o aço het staal

    Eles fabricam as ferramentas de aço. Ze maken de gereedschappen van staal.

  33. atrás de — achter
    atrás de achter

    Está atrás daquele prédio. Het staat achter dat gebouw.

  34. na frente de — voor
    na frente de voor

    Ela está na frente de mim. Zij staat voor mij.

  35. entre — tussen
    entre tussen

    O parque está entre duas casas. Het park ligt tussen twee huizen.

  36. ao lado de — naast
    ao lado de naast

    Aquela loja está ao lado da minha casa. Die winkel ligt naast mijn huis.

  37. oposto — de tegenovergestelde
    oposto de tegenovergestelde

    Vamos na direção oposta. Wij gaan de tegenovergestelde richting op.

  38. em frente a — tegenover
    em frente a tegenover

    Moramos em frente à loja. Wij wonen tegenover de winkel.

  39. logo ali na esquina — om de hoek
    logo ali na esquina om de hoek

    Ela mora logo ali na esquina agora. Ze woont nu om de hoek.

  40. em direção a — richting
    em direção a richting

    As crianças andam em direção à árvore grande. De kinderen lopen richting de grote boom.

  41. passar por — voorbij
    passar por voorbij

    Você precisa passar pela ponte. Je moet voorbij de brug gaan.

  42. no final da rua — aan het einde van de straat
    no final da rua aan het einde van de straat

    Moro no final da rua. Ik woon aan het einde van de straat.

  43. à esquerda — aan de linkerkant
    à esquerda aan de linkerkant

    Ela estaciona à esquerda. Zij parkeert aan de linkerkant.

  44. à direita — aan de rechterkant
    à direita aan de rechterkant

    Eles estão à direita. Ze staan aan de rechterkant.

  45. acima de — boven
    acima de boven

    O sol está acima da montanha. De zon staat boven de berg.

  46. abaixo de — onder
    abaixo de onder

    A aldeia fica abaixo da montanha. Het dorp ligt onder de berg.

  47. em cima — bovenop
    em cima bovenop

    A caixa está em cima. De doos staat bovenop.

  48. perto de — vlakbij
    perto de vlakbij

    Eu moro perto do rio. Ik woon vlakbij de rivier.

  49. no meio — in het midden
    no meio in het midden

    Ele está parado no meio. Hij staat in het midden.

  50. dentro de — binnen
    dentro de binnen

    O cachorro está dentro de casa. De hond is binnen in het huis.

  51. o lugar — de plek
    o lugar de plek

    Nós encontramos um lugar seguro. We hebben een veilige plek gevonden.

  52. a loja — de winkel
    a loja de winkel

    Nós compramos comida na loja. Wij kopen eten in de winkel.

  53. a casa — het huis
    a casa het huis

    A família mora naquela casa. Het gezin woont in dat huis.

  54. a rodoviária — het busstation
    a rodoviária het busstation

    Eu espero na rodoviária. Ik wacht bij het busstation.

  55. o centro da cidade — het stadscentrum
    o centro da cidade het stadscentrum

    Eu moro perto do centro da cidade. Ik woon vlak bij het stadscentrum.

  56. o shopping — het winkelcentrum
    o shopping het winkelcentrum

    O shopping é muito grande. Het winkelcentrum is erg groot.

  57. a fonte — de fontein
    a fonte de fontein

    Aquela fonte tem água muito clara. Die fontein heeft heel helder water.

  58. a rotatória — de rotonde
    a rotatória de rotonde

    Esta rotatória ajuda o trânsito. Deze rotonde helpt het verkeer.

  59. o cruzamento — de kruising
    o cruzamento de kruising

    Paramos no cruzamento. We stopten bij de kruising.

  60. a ponte — de brug
    a ponte de brug

    As pessoas andam pela ponte. Mensen lopen over de brug.

  61. o túnel — de tunnel
    o túnel de tunnel

    O carro passa por um túnel. De auto rijdt door een tunnel.

  62. a placa de pare — het stopbord
    a placa de pare het stopbord

    Você precisa respeitar a placa de pare. Je moet je aan het stopbord houden.

  63. o viaduto — het viaduct
    o viaduto het viaduct

    Eles construíram um viaduto perto de casa. Ze hebben bij ons in de buurt een viaduct gebouwd.

  64. a passagem subterrânea — de tunnel
    a passagem subterrânea de tunnel

    Nós vamos passar pela passagem subterrânea. We lopen door de tunnel.

  65. o marco — de bezienswaardigheid
    o marco de bezienswaardigheid

    O marco fica perto do rio. De bezienswaardigheid ligt vlak bij de rivier.

  66. o sinal de trânsito — het verkeersbord
    o sinal de trânsito het verkeersbord

    Este sinal de trânsito significa parar. Dit verkeersbord betekent stoppen.

  67. a estátua — het standbeeld
    a estátua het standbeeld

    Ele viu a linda estátua. Hij zag het prachtige standbeeld.

  68. o monumento — het monument
    o monumento het monument

    Eles visitaram o monumento alto. Ze bezochten het hoge monument.

  69. o norte — het noorden
    o norte het noorden

    O norte desta cidade é interessante. Het noorden van deze stad is interessant.

  70. o sul — het zuiden
    o sul het zuiden

    O vento vem do sul. De wind komt uit het zuiden.

  71. o leste — oosten
    o leste oosten

    O vento vem do leste. De wind komt uit het oosten.

  72. o oeste — het westen
    o oeste het westen

    O sol se põe no oeste. De zon gaat onder in het westen.

  73. o nordeste — het noordoosten
    o nordeste het noordoosten

    Ben mora na área nordeste. Ben woont in het noordoosten.

  74. o noroeste — het noordwesten
    o noroeste het noordwesten

    Aquele estado fica no noroeste. Die staat ligt in het noordwesten.

  75. o sudeste — zuidoosten
    o sudeste zuidoosten

    Ele mora na região sudeste. Hij woont in het zuidoosten van het land.

  76. o sudoeste — het zuidwesten
    o sudoeste het zuidwesten

    Eles dirigiram para o sudoeste. Ze reden naar het zuidwesten.

  77. o retorno — de U-bocht
    o retorno de U-bocht

    Isto é um retorno. Dit is een U-bocht.

  78. rua sem saída — de doodlopende weg
    rua sem saída de doodlopende weg

    Aquela rua é uma rua sem saída. Die straat is een doodlopende weg.

  79. a escada rolante — de roltrap
    a escada rolante de roltrap

    A escada rolante leva você ao último andar. De roltrap brengt je naar de bovenste verdieping.

  80. a rampa — de hellingbaan
    a rampa de hellingbaan

    Cadeiras de rodas precisam de rampas. Rolstoelen hebben hellingbanen nodig.

  81. o tempo — het weer
    o tempo het weer

    O tempo está bom hoje. Het is vandaag mooi weer.

  82. ensolarado — zonnig
    ensolarado zonnig

    Ele gosta de um dia ensolarado. Hij houdt van een zonnige dag.

  83. nublado — bewolkt
    nublado bewolkt

    Eles esperam uma tarde nublada. Ze verwachten een bewolkte middag.

  84. chuvoso — regenachtig
    chuvoso regenachtig

    Um dia chuvoso pode ser aconchegante. Een regenachtige dag kan gezellig zijn.

  85. ventoso — winderig
    ventoso winderig

    Está ventoso lá fora. Het is buiten winderig.

  86. quente — heet
    quente heet

    Este chá está muito quente. Deze thee is erg heet.

  87. frio — koud
    frio koud

    O vento frio sopra no inverno. De koude wind waait in de winter.

  88. ameno — warm
    ameno warm

    Estava ameno na praia hoje. Het was vandaag warm op het strand.

  89. a primavera — de lente
    a primavera de lente

    As flores amam a primavera. De bloemen houden van de lente.

  90. o verão — de zomer
    o verão de zomer

    O verão é uma estação muito quente. De zomer is een erg heet seizoen.

  91. o outono — de herfst
    o outono de herfst

    O outono é minha estação favorita. De herfst is mijn favoriete seizoen.

  92. o inverno — de winter
    o inverno de winter

    O inverno pode ser muito frio aqui. Winter kan hier erg koud zijn.

  93. o sol — de zon
    o sol de zon

    O sol brilha no céu. De zon schijnt aan de hemel.

  94. a lua — de maan
    a lua de maan

    Eu vejo a lua brilhante. Ik zie de heldere maan.

  95. a estrela — de ster
    a estrela de ster

    Eu vejo uma estrela brilhante. Ik zie een heldere ster.

  96. o céu — de lucht
    o céu de lucht

    Os pássaros voam no céu. Vogels vliegen in de lucht.

  97. a nuvem — de wolk
    a nuvem de wolk

    Uma nuvem escura esconde o sol. Een donkere wolk verbergt de zon.

  98. a chuva — de regen
    a chuva de regen

    A chuva cai do céu. De regen valt uit de lucht.

  99. o vento — de wind
    o vento de wind

    Nós sentimos o vento frio. Wij voelen de koude wind.

  100. a tempestade — de storm
    a tempestade de storm

    A forte tempestade quebrou as árvores. De sterke storm brak de bomen.

Gratis voor persoonlijk gebruik en in de klas.

Snelle quiz

Vijf vragen over de eerste 100 woorden.

Leer deze 500 Portugese woorden op volgorde.

De app leert ze je 12 tegelijk, met afbeeldingen en audio, en brengt elk woord terug voordat je het vergeet. Gratis op iPhone en Android.

Scan de code met de camera van je telefoon om de app te downloaden.