Handige zinnen in het Portugees

“Hallo” is in het Portugees Olá. “Dank je wel” is Obrigado, en “alsjeblieft” is Por favor. Tik op een zin om hem te horen.

  • Hallo Olá
  • Dank je wel Obrigado
  • alsjeblieft Por favor
  • Graag gedaan De nada
  • Pardon Com licença
  • sorry Desculpe
  • ja sim
  • nee não
  • doei Tchau
  • Ik begrijp het niet Não entendo

Leer deze 430 zinnen in de app

Met afbeeldingen, native audio, en elk woord komt terug vlak voordat je het zou vergeten. Gratis op iPhone en Android.

Gratis downloaden
Download in de App Store Ontdek het op Google Play Scan met de camera van je telefoon

Handige zinnen in het Portugees: alle 430, les voor les

Fout melden

Vertel ons wat er niet klopt. We bekijken elke melding.

Wat klopt er niet?

Tik op een plaatje om het te horen.

Les 1 · Begroetingen 10 woorden

  • Olá Hallo

    Olá, tudo bem?

    Hallo, hoe gaat het?

  • bem-vindo Welkom

    Bem-vindos à nossa casa.

    Welkom in ons huis.

  • Bom dia Goedemorgen

    Bom dia!

    Goedemorgen!

  • Boa noite Goedenavond

    Boa noite!

    Goedenavond!

  • Tchau doei

    Tchau, Anna!

    Doei, Anna!

  • Boa tarde Goedemiddag

    Boa tarde!

    Goedemiddag!

  • Até breve Tot snel

    Até breve, Mia!

    Tot snel, Mia!

  • Até amanhã Tot morgen

    Até amanhã!

    Tot morgen!

  • Prazer em conhecer você Aangenaam

    Prazer em conhecer você também!

    Aangenaam kennis te maken!

  • Como você está? Hoe gaat het met je

    Como você está hoje?

    Hoe gaat het met je vandaag?

Les 2 · Mensen & aanspreekvormen 1 woorden

  • o adulto de volwassene

    Eu sou um adulto.

    Ik ben een volwassene.

Les 4 · Namen & herkomst 12 woorden

  • Qual é o seu nome? Hoe heet je?

    Qual é o seu nome?

    Hoe heet je?

  • Meu nome é Mijn naam is

    Meu nome é Emily.

    Mijn naam is Emily.

  • De onde você é? Waar kom je vandaan?

    De onde você é?

    Waar kom je vandaan?

  • Eu sou de Ik kom uit ...

    Eu sou da Alemanha.

    Ik kom uit Duitsland.

  • Onde você mora? Waar woon je

    Onde você mora?

    Waar woon je?

  • Eu moro no Ik woon in

    Eu moro no Japão.

    Ik woon in Japan.

  • Quais idiomas você fala? Welke talen spreek je?

    Quais idiomas você fala?

    Welke talen spreek je?

  • eu falo ik spreek

    Eu falo inglês bem.

    Ik spreek goed Engels.

  • falar um pouco de Ik spreek een beetje ...

    Eu falo um pouco de francês.

    Ik spreek een beetje Frans.

  • Onde você nasceu Waar ben je geboren

    Onde você nasceu?

    Waar ben je geboren?

  • Qual é o seu sobrenome? Wat is je achternaam?

    Qual é o seu sobrenome?

    Wat is je achternaam?

  • Esta é minha amiga Dit is mijn vriend(in)

    Esta é minha amiga Lisa.

    Dit is mijn vriendin Lisa.

Les 6 · Beleefde verzoeken 12 woorden

  • Por favor alsjeblieft

    Por favor, abra a porta.

    Wil je alsjeblieft de deur openen?

  • Obrigado Dank je wel

    Obrigado pela sua ajuda.

    Dank je wel voor je hulp.

  • De nada Graag gedaan.

    De nada.

    Graag gedaan.

  • Com licença Pardon

    Com licença, eu preciso de ajuda.

    Pardon, ik heb hulp nodig.

  • Desculpe sorry

    Me desculpe.

    Het spijt me.

  • Você poderia me ajudar? Kun je me helpen?

    Você poderia me ajudar?

    Kun je me helpen?

  • Você poderia repetir, por favor? Kun je dat alsjeblieft herhalen?

    Você poderia repetir, por favor?

    Kun je dat alsjeblieft herhalen?

  • Você poderia falar mais devagar? Zou je wat langzamer kunnen spreken?

    Você poderia falar mais devagar?

    Zou je wat langzamer kunnen spreken?

  • Poderia me dar... por favor? Mag ik ... alsjeblieft?

    Poderia me dar água, por favor?

    Mag ik water alsjeblieft?

  • Gostaria de ik zou graag ... willen

    Gostaria de mais chá.

    Ik zou graag nog wat thee willen.

  • Posso...? Mag ik ...?

    Posso ter um pouco de água?

    Mag ik wat water?

  • Tudo bem se Is het goed als ...?

    Tudo bem se eu sentar?

    Is het goed als ik ga zitten?

Les 8 · Begrijpen & verduidelijken 12 woorden

  • Não entendo. Ik begrijp het niet

    Não entendo.

    Ik begrijp het niet.

  • Você poderia repetir, por favor? Kun je dat alsjeblieft herhalen?

    Você poderia repetir, por favor?

    Kun je dat alsjeblieft herhalen?

  • Mais devagar, por favor Iets langzamer, alsjeblieft.

    Mais devagar, por favor.

    Iets langzamer, alsjeblieft.

  • O que isso significa? Wat betekent dat?

    O que isso significa?

    Wat betekent dat?

  • Como se diz isso em ...? Hoe zeg je dat in ...?

    Como se diz isso em espanhol?

    Hoe zeg je dat in het Spaans?

  • Como se soletra isso? Hoe spel je dat?

    Como se soletra isso?

    Hoe spel je dat?

  • Você pode anotar? Kun je het opschrijven?

    Você pode anotar, por favor?

    Kun je het opschrijven, alsjeblieft?

  • Você pode me mostrar? Kun je me ... laten zien

    Você pode me mostrar a foto?

    Kun je me de foto laten zien?

  • Você fala...? Spreek je ...?

    Você fala inglês?

    Spreek je Engels?

  • Só um momento, por favor. Een momentje, alsjeblieft.

    Só um momento, por favor.

    Een momentje, alsjeblieft.

  • Acho que sim Ik denk het wel.

    Acho que sim também.

    Ik denk het ook.

  • Não sei Ik weet het niet.

    Não sei.

    Ik weet het niet.

Les 9 · Aanwijzen & verwijswoorden 2 woorden

  • bem aqui precies hier

    As chaves estão bem aqui.

    De sleutels liggen precies hier.

  • sobre boven op

    O gato está sobre a mesa.

    De kat zit boven op de tafel.

Les 10 · Korte gesprekjes 12 woorden

  • Como vai? Hoe gaat het?

    Como vai?

    Hoe gaat het?

  • Há quanto tempo Lang niet gezien.

    Há quanto tempo!

    Lang niet gezien.

  • Do que você gosta? Waar geniet je van

    Do que você gosta?

    Waar geniet je van?

  • O que você está fazendo? Wat ben je aan het doen ...?

    O que você está fazendo agora?

    Wat ben je nu aan het doen?

  • Tenha um bom dia. Prettige dag

    Tenha um bom dia, John!

    Prettige dag nog, John!

  • Se cuida Pas goed op jezelf

    Se cuida. Até amanhã.

    Pas goed op jezelf. Tot morgen.

  • Boa sorte! Veel succes!

    Boa sorte! Acredito em você!

    Veel succes! Ik geloof in je!

  • Parabéns! Gefeliciteerd!

    Parabéns! Você terminou o trabalho duro.

    Gefeliciteerd! Je hebt het zware werk afgerond.

  • Saúde! Proost!

    Saúde!

    Proost!

  • Sem problemas Geen probleem

    Sem problemas, posso te ajudar.

    Geen probleem, ik kan je helpen.

  • Não se preocupe Maak je geen zorgen

    Não se preocupe, vai ficar tudo bem.

    Maak je geen zorgen, het komt wel goed.

  • Parece bom Dat klinkt goed

    Parece bom para mim, obrigado!

    Dat klinkt goed voor mij, bedankt!

Les 15 · Alledaagse bezigheden 12 woorden

  • Eu quero Ik wil

    Eu quero comer pizza.

    Ik wil pizza eten.

  • precisar ik moet ...

    Preciso ligar para ela.

    Ik moet haar bellen.

  • Eu vou ik ga ...

    Eu vou comer em breve.

    Ik ga zo eten.

  • Eu gostaria de ik zou graag ...

    Eu gostaria de jogar tênis.

    Ik zou graag tennissen.

  • Eu tenho que ik moet

    Eu tenho que ir agora.

    Ik moet nu gaan.

  • Posso Mag ik ...

    Posso ter água, por favor?

    Mag ik water, alsjeblieft?

  • me ajude com help me met ...

    Por favor, me ajude com esta mala.

    Help me alsjeblieft met deze tas.

  • Mostre-me como laat me zien hoe je ...

    Mostre-me como fazer isso.

    Laat me zien hoe je dit doet.

  • Não posso... agora Ik kan nu niet ...

    Não posso ajudar agora.

    Ik kan nu niet helpen.

  • Estou tentando Ik probeer te

    Estou tentando dormir agora.

    Ik probeer te slapen nu.

  • É possível...? Is het mogelijk om ...

    É possível nadar aqui?

    Is het mogelijk om hier te zwemmen?

  • Onde posso...? Waar kan ik ...

    Onde posso almoçar?

    Waar kan ik lunchen?

Les 19 · Alledaagse werkwoorden — werk, beweging & plannen 1 woorden

  • trabalhar como werken als

    Elas trabalham como enfermeiras de hospital.

    Ze werken als verpleegkundigen in het ziekenhuis.

Les 23 · Frequentie & routine 6 woorden

  • todo dia elke dag

    Comemos chocolate todo dia.

    Wij eten elke dag chocolade.

  • toda semana elke week

    Ela nada toda semana.

    Zij zwemt elke week.

  • nos fins de semana in het weekend

    Eu relaxo nos fins de semana em casa.

    Ik ontspan in het weekend thuis.

  • pela manhã in de ochtend

    As pessoas tomam café da manhã pela manhã.

    Mensen eten 's ochtends ontbijt.

  • à noite ’s nachts

    Eles dormem à noite nas suas camas.

    Ze slapen ’s nachts in hun bedden.

  • depois do trabalho na het werk

    Ele relaxa depois do trabalho todo dia.

    Hij ontspant elke dag na het werk.

Les 24 · Frequentie & hoeveelheid 2 9 woorden

  • duas vezes por twee keer per

    Meu pai visita duas vezes por semana.

    Mijn vader komt twee keer per week op bezoek.

  • pelo menos ten minste

    Ele come pelo menos uma maçã todo dia.

    Hij eet ten minste één appel per dag.

  • no máximo hooguit

    Vou comprar dois no máximo.

    Ik koop er hooguit twee.

  • mais do que meer dan

    Isso é mais do que comida suficiente.

    Dit is meer dan genoeg eten.

  • menos que minder dan

    Você pegou menos que da última vez.

    Je hebt minder dan de vorige keer.

  • um pouco een beetje

    Ele precisa de um pouco de ajuda.

    Hij heeft een beetje hulp nodig.

  • um pouco een beetje

    Ela comeu um pouco de bolo.

    Ze at een beetje van de taart.

  • demais te veel

    Eles comeram torta demais.

    Ze aten te veel taart.

  • não basta niet genoeg

    Essa quantidade não basta.

    Dit bedrag is niet genoeg.

Les 28 · Alledaagse actiewerkwoorden 2 1 woorden

  • tirar buitenzetten

    Ela vai tirar o lixo.

    Zij buitenzet het vuilnis.

Les 31 · Waar is & ergens komen 10 woorden

  • Onde fica o...? Waar is de ...

    Onde fica o hotel?

    Waar is het hotel?

  • Tem um... aqui perto? Is er een ... in de buurt

    Tem um banco aqui perto?

    Is er een bank in de buurt?

  • Como eu vou para...? Hoe kom ik bij ...?

    Como eu vou para a escola?

    Hoe kom ik bij school?

  • Qual ônibus vai para...? Welke bus gaat naar ...?

    Qual ônibus vai para a cidade?

    Welke bus gaat naar het centrum?

  • Qual linha vai para...? Welke lijn gaat naar ...

    Qual linha vai para o museu?

    Welke lijn gaat naar het museum?

  • Quanto tempo leva? Hoe lang duurt het ...

    Eu me pergunto quanto tempo leva.

    Ik vraag me af hoe lang het duurt.

  • Qual a distância? Hoe ver is het

    Qual a distância?

    Hoe ver is het?

  • Você pode me mostrar no mapa? Kun je me ... op de kaart laten zien?

    Você pode me mostrar no mapa?

    Kun je me op de kaart laten zien?

  • Isso vai para...? Gaat dit naar ...?

    Isso vai para o restaurante?

    Gaat dit naar het restaurant?

  • Qual ponto para...? Bij welke halte moet ik zijn voor ...?

    Qual ponto para o centro?

    Bij welke halte moet ik zijn voor het centrum?

Les 34 · Routebeschrijving — basis 11 woorden

  • Virar à esquerda Sla linksaf

    Vire à esquerda aqui.

    Sla linksaf hier.

  • Vire à direita sla rechtsaf

    Vire à direita no cruzamento.

    Sla rechtsaf bij het kruispunt.

  • Siga reto Ga rechtdoor

    Siga reto para a escola.

    Ga rechtdoor naar school.

  • Fica perto. Het is dichtbij

    Fica perto.

    Het is dichtbij.

  • É longe. Het is ver

    É longe.

    Het is ver.

  • do outro lado da rua aan de overkant van de straat

    Ele mora do outro lado da rua.

    Hij woont aan de overkant van de straat.

  • Na esquina op de hoek

    Ela está esperando na esquina.

    Ze staat op de hoek te wachten.

  • No semáforo bij het stoplicht

    Paramos no semáforo.

    We stopten bij het stoplicht.

  • No cruzamento op het kruispunt

    O bar está no cruzamento.

    De bar is op het kruispunt.

  • A um quarteirão één blok verderop

    O museu fica a um quarteirão.

    Het museum is één blok verderop.

  • Siga as placas de borden volgen

    Siga as placas para a segurança.

    Je moet de borden volgen naar de veiligheid.

Les 37 · Routebeschrijving 2 6 woorden

  • ao lado de naast

    Aquela loja está ao lado da minha casa.

    Die winkel ligt naast mijn huis.

  • em frente a tegenover

    Moramos em frente à loja.

    Wij wonen tegenover de winkel.

  • logo ali na esquina om de hoek

    Ela mora logo ali na esquina agora.

    Ze woont nu om de hoek.

  • no final da rua aan het einde van de straat

    Moro no final da rua.

    Ik woon aan het einde van de straat.

  • à esquerda aan de linkerkant

    Ela estaciona à esquerda.

    Zij parkeert aan de linkerkant.

  • à direita aan de rechterkant

    Eles estão à direita.

    Ze staan aan de rechterkant.

Les 38 · In de stad & positie 1 woorden

  • no meio in het midden

    Ele está parado no meio.

    Hij staat in het midden.

Les 40 · Kaart & oriëntatie 1 woorden

  • rua sem saída de doodlopende weg

    Aquela rua é uma rua sem saída.

    Die straat is een doodlopende weg.

Les 47 · Strand & weer 2 woorden

  • a bermuda de banho de zwembroek

    Não se esqueça da sua bermuda de banho.

    Vergeet je zwembroek niet.

  • a maré alta de vloed

    A maré alta deixa a praia bem molhada.

    Bij vloed is het erg nat.

Les 48 · Vervoer — basis 1 woorden

  • na hora op tijd

    É importante chegar na hora.

    Het is belangrijk om op tijd te komen.

Les 51 · Geld & betalen 2 woorden

  • Quanto custa isto? Hoeveel kost dit

    Quanto custa isto?

    Hoeveel kost dit?

  • Posso pagar com cartão? Kan ik met de kaart betalen?

    Posso pagar com cartão?

    Kan ik met de kaart betalen?

Les 52 · Reisgeld 5 woorden

  • moeda estrangeira de buitenlandse valuta

    Isso é moeda estrangeira.

    Dat is buitenlandse valuta.

  • pagamento com cartão de kaartbetaling

    O pagamento com cartão foi aprovado.

    De kaartbetaling is gelukt.

  • o limite diário de daglimiet

    Ela atingiu o limite diário.

    Ze heeft de daglimiet bereikt.

  • o reembolso de terugbetaling

    Você receberá um reembolso.

    Je ontvangt een terugbetaling.

  • taxa de serviço de servicekosten

    A taxa de serviço está incluída.

    De servicekosten zijn inbegrepen.

Les 53 · Winkels & boodschappen 2 woorden

  • política de devolução het retourbeleid

    Esta política de devolução parece justa.

    Dit retourbeleid lijkt eerlijk.

  • o carrinho de compras het winkelwagentje

    Precisamos de um carrinho de compras.

    We hebben een winkelwagentje nodig.

Les 54 · Café & restaurant 1 1 woorden

  • A conta, por favor. De rekening, alstublieft.

    A conta, por favor.

    De rekening, alstublieft.

Les 55 · Restaurant 2 8 woorden

  • o prato principal het hoofdgerecht

    Adoro o prato principal.

    Ik ben dol op het hoofdgerecht.

  • o prato do dia het dagmenu

    Esse é o prato do dia.

    Dat is het dagmenu.

  • menu do dia het dagmenu

    Eles têm o menu do dia.

    Ze hebben het dagmenu.

  • mesa para dois tafel voor twee

    Precisamos de uma mesa para dois.

    We hebben een tafel voor twee nodig.

  • reserva em nome de de reservering op naam van ...

    Ela tem uma reserva em nome de Smith.

    Ze heeft een reservering op naam van Smith.

  • dividir a conta de rekening delen

    Nós podemos dividir a conta.

    We kunnen de rekening delen.

  • pagar juntos samen betalen

    Vamos pagar juntos.

    Wij zullen samen betalen.

  • pagar no caixa betalen bij de kassa

    Podemos pagar no caixa?

    Kunnen we betalen bij de kassa?

Les 56 · Kleding & maten 1 woorden

  • grande demais te groot

    Eu acho que esta camisa é grande demais.

    Ik vind dit shirt te groot.

Les 59 · Gezondheid — basis 2 woorden

  • a dor de garganta de keelpijn

    Marry tem dor de garganta.

    Marry heeft keelpijn.

  • o nariz escorrendo de loopneus

    Isso é um nariz escorrendo.

    Dat is een loopneus.

Les 60 · Diensten in de stad 2 woorden

  • informações turísticas de toeristische informatie

    A placa oferece informações turísticas.

    Het bord geeft toeristische informatie.

  • o aluguel de bicicletas de fietsverhuur

    Este aluguel de bicicletas parece novo.

    Deze fietsverhuur ziet er nieuw uit.

Les 65 · Openbare borden & mededelingen 6 woorden

  • Proibido fumar verboden te roken

    Esta placa diz proibido fumar.

    Dit bord zegt dat het hier verboden te roken is.

  • Proibido estacionar verboden te parkeren

    Proibido estacionar aqui, desculpe.

    Het is hier verboden te parkeren, sorry.

  • fora de serviço buiten gebruik

    Aquele elevador está fora de serviço.

    Die lift is buiten gebruik.

  • Uso exclusivo de funcionários alleen voor personeel

    Aquele espaço é de uso exclusivo de funcionários.

    Die ruimte is alleen voor personeel.

  • saída de emergência de nooduitgang

    Todo prédio tem uma saída de emergência.

    Elk gebouw heeft een nooduitgang.

  • Não pise na grama niet op het gras lopen

    Por favor, não pise na grama.

    Loop alstublieft niet op het gras.

Les 66 · Bankieren & geldautomaten 5 woorden

  • o cartão de banco de bankpas

    Sempre usamos um cartão de banco.

    Wij gebruiken altijd een bankpas.

  • sacar dinheiro geld opnemen

    Eu saco dinheiro toda semana.

    Ik neem elke week geld op.

  • depositar dinheiro contant geld storten

    Você deposita dinheiro em caixas eletrônicos.

    Je kunt bij geldautomaten contant geld storten.

  • transferir dinheiro geld overmaken

    Eles transferem dinheiro todos os dias.

    Ze maken elke dag geld over.

  • a conta poupança de spaarrekening

    Abrimos uma conta poupança.

    We hebben een spaarrekening geopend.

Les 78 · Lichaam & fitness 3 woorden

  • levantar pesos gewichten heffen

    Levantar pesos desenvolve seus músculos.

    Door gewichten heffen groeien je spieren.

  • manter a forma fit blijven

    Para manter a forma, eu corro.

    Ik blijf fit door hard te lopen.

  • o dia de descanso de rustdag

    Ela precisa de um dia de descanso.

    Ze heeft een rustdag nodig.

Les 80 · Symptomen & pijn 5 woorden

  • dores musculares de spierpijn

    Meu treino causou dores musculares.

    Mijn training veroorzaakte spierpijn.

  • o torcicolo de stijve nek

    Como faço para resolver este torcicolo?

    Hoe kom ik van deze stijve nek af?

  • dor de estômago de buikpijn

    Eu tive uma dor de estômago ontem.

    Ik kreeg gisteren buikpijn.

  • dor nas costas de rugpijn

    Vovó tem dor nas costas hoje.

    Oma heeft vandaag rugpijn.

  • Dói aqui. Het doet hier pijn

    Dói aqui.

    Het doet hier pijn.

Les 82 · Stroom & elektriciteit 3 woorden

  • a caixa de fusíveis de meterkast

    A caixa de fusíveis está quebrada.

    De meterkast is kapot.

  • bateria descarregada de lege batterij

    Precisamos carregar a bateria descarregada.

    We moeten de lege batterij opladen.

  • trocar a bateria de batterij vervangen

    Você troca a bateria com frequência.

    Je vervangt de batterij vaak.

Les 83 · Rekeningen & nutsvoorzieningen thuis 3 woorden

  • data de vencimento de uiterste inleverdatum

    Por favor, verifique a data de vencimento na fatura.

    Controleer alsjeblieft de uiterste inleverdatum op de rekening.

  • número da conta het rekeningnummer

    Qual é o meu número da conta?

    Wat is mijn rekeningnummer?

  • o atendimento ao cliente de klantenservice

    Oferecemos um ótimo atendimento ao cliente.

    Wij bieden een uitstekende klantenservice.

Les 84 · Alledaagse administratie 1 woorden

  • o horário de funcionamento het spreekuur

    Qual é o horário de funcionamento hoje?

    Wat is het spreekuur vandaag?

Les 93 · Drankjes & café 3 woorden

  • água sem gás het plat water

    Água sem gás é a melhor.

    Plat water is het lekkerst.

  • a água com gás het bruiswater

    Você bebe água com gás com frequência.

    Je drinkt vaak bruiswater.

  • o chocolate quente de warme chocolademelk

    Eu gosto de chocolate quente quando está frio.

    Ik houd van warme chocolademelk als het koud is.

Les 97 · Markt & boodschappen 1 woorden

  • preço por quilo de prijs per kilo

    Eles calculam o preço por quilo.

    Ze berekenen de prijs per kilo.

Les 99 · Winkelpraat 12 woorden

  • Estou só olhando Ik kijk alleen maar

    Estou só olhando, obrigado.

    Ik kijk alleen maar, bedankt.

  • Pode me ajudar? Kun je me helpen?

    Pode me ajudar?

    Kun je me helpen?

  • Você tem...? Heb je ...

    Você tem um isqueiro?

    Heb je een aansteker?

  • Onde fica o provador? Waar is het pashokje ...?

    Onde fica o provador?

    Waar is het pashokje?

  • cai bem Het past goed

    Esta camisa cai bem agora.

    Dit shirt past goed nu.

  • É muito grande. Het is te groot

    É muito grande.

    Het is te groot.

  • Está pequeno demais Het is te klein

    Está pequeno demais, até para mim.

    Het is te klein, zelfs voor mij.

  • Você tem outra cor? Heb je een andere kleur ...?

    Você tem outra cor?

    Heb je een andere kleur?

  • estar em promoção Is het in de aanbieding?

    Está em promoção?

    Is het in de aanbieding?

  • conseguir um desconto Kan ik ... krijgen?

    Posso conseguir um desconto?

    Kan ik een korting krijgen?

  • Qual é a sua política de devolução? Wat is jullie retourbeleid ...?

    Qual é a sua política de devolução?

    Wat is jullie retourbeleid voor dit product?

  • Gostaria de devolver isto. Ik zou dit graag willen retourneren

    Gostaria de devolver isto.

    Ik zou dit graag willen retourneren.

Les 106 · Leuk & niet leuk vinden 10 woorden

  • Eu não gosto de ik vind ... niet leuk

    Eu não gosto de como ele fala.

    Ik vind het niet leuk hoe hij praat.

  • Eu odeio ik haat

    Eu odeio barulhos altos.

    Ik haat harde geluiden.

  • Eu gosto de ik geniet van ...

    Eu gosto de cozinhar o jantar.

    Ik geniet van het koken van het avondeten.

  • Você gosta de...? Houd je van ...?

    Você gosta de música?

    Houd je van muziek?

  • Eu prefiro ik heb liever

    Eu prefiro chá a café.

    Ik heb liever thee dan koffie.

  • É a minha favorita. Het is mijn favoriet

    É a minha favorita de todas as músicas.

    Het is mijn favoriete nummer ooit.

  • Na verdade, não Niet echt

    Na verdade, não, gosto do segundo.

    Niet echt, ik vind de tweede leuker.

  • Está tudo bem het is oké

    Está tudo bem errar.

    Het is oké om fouten te maken.

  • Gostar de ik hou van ...

    Eu gosto de jogar videogame.

    Ik hou van het spelen van videogames.

  • não ser muito de ik ben niet zo van ...

    Eu não sou muito de esportes de nenhum tipo.

    Ik ben niet zo van sporten in het algemeen.

Les 107 · Voorkeuren & keuzes 8 woorden

  • Qual você prefere? Wat heb je liever?

    Qual você prefere?

    Wat heb je liever?

  • ficar com este Ik neem dit

    Fico com este.

    Ik neem dit.

  • Pra mim, está bom Dat klinkt goed.

    Pra mim, está bom.

    Dat klinkt goed.

  • Para mim tanto faz. Dat maakt me niet uit.

    Para mim tanto faz.

    Dat maakt me niet uit.

  • Tanto faz Beide is prima.

    Tanto faz.

    Beide is prima.

  • O de sempre gebruikelijke

    Eu gostaria do de sempre.

    Ik wil graag het gebruikelijke.

  • Surpreenda-me verras me

    Surpreenda-me com a sua comida.

    Verras me met je kookkunsten.

  • Você escolhe jij kiest

    Você escolhe o que comer.

    Jij kiest wat je wilt eten.

Les 108 · Voorkeuren in context 2 11 woorden

  • Prefiro ik zou liever ...

    Prefiro assistir a um filme.

    Ik zou liever een film kijken.

  • não estar com vontade de ik heb geen zin om ...

    Não estou com vontade de andar.

    Ik heb geen zin om te wandelen.

  • Ser mais de ik ben meer van ...

    Eu sou mais de esportes do que qualquer coisa.

    Ik ben meer van sport dan van wat dan ook.

  • Hoje não, obrigado Vandaag niet, bedankt

    Hoje não, obrigado por perguntar.

    Vandaag niet, bedankt voor het vragen.

  • Talvez mais tarde Misschien later

    Talvez mais tarde, vou pensar nisso.

    Misschien later denk ik erover na.

  • O que funcionar para você Wat voor jou werkt

    O que funcionar para você.

    Wat voor jou werkt, is prima.

  • deixar você decidir ik laat jou ... beslissen

    Vou deixar você decidir.

    Ik laat jou beslissen.

  • Vou dispensar ik sla ... over

    Vou dispensar a sobremesa.

    Ik sla het dessert over.

  • Para mim, tudo bem Dat is goed voor mij

    Para mim, tudo bem.

    Dat is goed voor mij.

  • o mesmo que da última vez hetzelfde

    Eu prefiro o mesmo que da última vez.

    Ik heb liever hetzelfde.

  • Estou aberto a qualquer coisa ik sta open voor alles

    Estou aberto a qualquer coisa.

    Ik sta open voor alles.

Les 109 · Meningen 1 11 woorden

  • Eu acho que ik denk

    Eu acho que você deveria comer o bolo.

    Ik denk dat je de taart moet nemen.

  • Acho que não. Ik denk het niet.

    Acho que não.

    Ik denk het niet.

  • eu diria que ik zou zeggen

    Eu diria que estamos prontos.

    Ik zou zeggen dat we er klaar voor zijn.

  • Concordo Ik ben het ermee eens

    Concordo, você deveria fazer isso.

    Ik ben het ermee eens, je moet het doen.

  • Discordo Ik ben het er niet mee eens

    Discordo dessa ideia.

    Ik ben het er niet mee eens met dat idee.

  • Você tem razão Je hebt gelijk.

    Você tem razão.

    Je hebt gelijk.

  • Não tenho certeza Ik weet het niet zeker

    Não tenho certeza. E você?

    Ik weet het niet zeker. Hoe zit het met jou?

  • Chega! Dat is genoeg

    Chega! Por favor, pare com isso.

    Dat is genoeg. Stop daar alsjeblieft mee.

  • pessoalmente Persoonlijk

    Pessoalmente, eu gosto desta comida.

    Persoonlijk vind ik dit eten lekker.

  • Para ser honesto Eerlijk gezegd

    Para ser honesto, eu adoro cachorros.

    Eerlijk gezegd ben ik dol op honden.

  • É um bom ponto Dat is een goed punt.

    É um bom ponto.

    Dat is een goed punt.

Les 110 · Complimenten & reacties 12 woorden

  • Que legal! Leuk!

    Que legal! Ganhamos de novo!

    Leuk! We hebben weer gewonnen!

  • Ótimo! Geweldig!

    Ótimo! Isso é uma notícia incrível!

    Geweldig! Dat is fantastisch nieuws!

  • Muito bem! Goed gedaan!

    Muito bem! Você terminou.

    Goed gedaan! Je hebt het afgemaakt.

  • Parabéns! Gefeliciteerd!

    Parabéns! Você ganhou o jogo.

    Gefeliciteerd! Je hebt het spel gewonnen.

  • Boa ideia! Goed idee!

    Boa ideia! Vamos fazer isso.

    Goed idee! Laten we dat doen.

  • Eu gosto disso Ik vind het leuk

    Eu gosto disso demais.

    Ik vind het heel erg leuk.

  • Está ótimo! Ziet er goed uit!

    Está ótimo! Continue assim!

    Ziet er goed uit! Ga zo door!

  • Que interessante! Dat is interessant

    Que interessante! Eu nunca vi isso.

    Dat is interessant. Dat heb ik nooit gezien.

  • Que incrível! Geweldig!

    Que incrível! Essa é uma ótima notícia.

    Geweldig! Dat is fantastisch nieuws.

  • Que fofo! Schattig!

    Que fofo! Um gatinho minúsculo dorme.

    Schattig! Een klein poesje slaapt.

  • Linda! Prachtig!

    Linda! Que vista deslumbrante!

    Prachtig! Wat een adembenemend uitzicht!

  • Adoro! Ik ben er dol op!

    Adoro! Você tem as melhores ideias!

    Ik ben er dol op! Je hebt de beste ideeën!

Les 111 · Gevoelens 1 1 woorden

  • entediado verveeld

    Estou entediado hoje.

    Ik ben vandaag verveeld.

Les 114 · Small talk — openingszinnen 12 woorden

  • Como está o seu dia? Hoe is je dag?

    Como está o seu dia?

    Hoe is je dag?

  • Como foi o seu fim de semana? Hoe was je weekend?

    Como foi o seu fim de semana?

    Hoe was je weekend?

  • Quais são os seus planos para hoje? Wat zijn je plannen voor vandaag?

    Quais são os seus planos para hoje?

    Wat zijn je plannen voor vandaag?

  • Como está o tempo? Hoe is het weer?

    Como está o tempo?

    Hoe is het weer?

  • Você viu...? Heb je ... gekeken

    Você viu o jogo?

    Heb je de wedstrijd gekeken?

  • Como foi? Hoe was het?

    Como foi? Você gostou?

    Hoe was het? Heb je ervan genoten?

  • Me conte sobre vertel me eens over ...

    Me conte sobre o seu dia.

    Vertel me eens over je dag.

  • Que legal Dat is leuk

    Que legal, eu concordo.

    Dat is leuk, daar ben ik het mee eens.

  • Sério? Echt?

    Sério? Isso é verdade?

    Echt? Is dat waar?

  • Não acredito Echt niet!

    Não acredito! Eu nunca vi isso!

    Echt niet! Dat heb ik nog nooit gezien!

  • Entendi. Ik begrijp het.

    Entendi. Eu entendo agora.

    Ik begrijp het. Ik snap het nu.

  • Interessante interessant

    Interessante. Nunca vi isso assim.

    Interessant. Zo heb ik het nog nooit bekeken.

Les 115 · Small talk — verdieping 10 woorden

  • a propósito trouwens

    A propósito, prazer em te conhecer.

    Trouwens, leuk je te ontmoeten.

  • Pra falar a verdade eerlijk gezegd

    Pra falar a verdade, eu estou cansado.

    Eerlijk gezegd ben ik moe.

  • Sem problemas geen probleem

    Sem problemas, vai ficar tudo bem.

    Geen probleem, het komt wel goed.

  • sabe weet je

    Sabe, eu acho que a gente se conheceu antes.

    Weet je, volgens mij hebben we elkaar al eens ontmoet.

  • Quer dizer ik bedoel

    Quer dizer, o tempo está bom mesmo.

    Ik bedoel, het weer ziet er wel mooi uit.

  • Bem nou

    Bem, depende de como você vê.

    Nou, het hangt ervan af hoe je het bekijkt.

  • isso me lembra dat herinnert me eraan

    Isso me lembra, tenho um compromisso.

    Dat herinnert me eraan, ik heb een afspraak.

  • Resumindo kortom

    Resumindo, eu ganhei.

    Kortom, ik heb gewonnen.

  • como eu estava dizendo zoals ik al zei

    Como eu estava dizendo, está tudo bem.

    Zoals ik al zei, het is prima.

  • Até onde eu sei voor zover ik weet

    Até onde eu sei, a estação fica lá.

    Voor zover ik weet, is het station daar.

Les 116 · Instemmen & geruststellen 10 woorden

  • certo klopt

    Certo, ele realmente gosta de você.

    Klopt, hij vindt je echt leuk.

  • sem dúvida zonder twijfel

    Sem dúvida, você tem razão.

    Zonder twijfel heb je gelijk.

  • não se preocupe maak je geen zorgen

    Não se preocupe, fique feliz agora.

    Maak je geen zorgen, wees nu maar blij.

  • vá com calma neem je tijd

    Vá com calma, não se apresse.

    Neem je tijd, haast je niet.

  • É verdade dat klopt

    É verdade, acho que sim.

    Dat klopt, dat denk ik ook.

  • Entendi ik zie

    Entendi, então pode ser feito.

    Ik zie, dus het kan gedaan worden.

  • boa ideia goed idee

    Boa ideia, vamos fazer do seu jeito.

    Goed idee, we doen het op jouw manier.

  • tudo bem vooruit

    Tudo bem, eu entendo você.

    Vooruit, ik begrijp je.

  • absolutamente absoluut

    Concordo absolutamente com você.

    Ik ben het absoluut met je eens.

  • sem problemas geen probleem

    Sem problemas, posso ajudar.

    Geen probleem, ik kan je helpen.

Les 117 · Beleefd oneens zijn 12 woorden

  • Eu entendo, mas Ik begrijp het, maar

    Eu entendo, mas eu discordo.

    Ik begrijp het, maar ik ben het er niet mee eens.

  • Não exatamente Niet precies

    Não exatamente, mas você está perto.

    Niet precies, maar je zit wel in de buurt.

  • Não tenho certeza disso Ik weet het niet zeker

    Não tenho certeza disso.

    Ik weet het niet zeker.

  • Talvez, mas Misschien, maar

    Talvez, mas precisa de trabalho.

    Misschien, maar het heeft werk nodig.

  • Entendi seu ponto ik begrijp je punt

    Entendi seu ponto agora.

    Ik begrijp je punt nu.

  • Outra forma é Een andere manier is om ... te

    Outra forma é tentar.

    Een andere manier is om het te proberen.

  • É verdade, porém Dat klopt, maar

    É verdade, porém ainda é difícil.

    Dat klopt, maar het blijft moeilijk.

  • Depende Het hangt ervan af

    Depende, há muitos fatores.

    Het hangt ervan af, er zijn veel factoren.

  • Eu acho que não Ik denk het niet

    Eu acho que não, e você?

    Ik denk het niet, en jij?

  • Para ser sincero Eerlijk gezegd

    Para ser sincero, discordo.

    Eerlijk gezegd ben ik het er niet mee eens.

  • Da minha parte van mijn kant

    Da minha parte, está tudo bem.

    Van mijn kant is het in orde.

  • Uma ideia melhor seria Een beter idee is misschien om ...

    Uma ideia melhor seria ligar para ele.

    Een beter idee is misschien om hem even te bellen.

Les 118 · Uitnodigingen & plannen 12 woorden

  • Vamos laten we

    Vamos ao parque.

    Laten we naar het park gaan.

  • Você gostaria de Zou je ... willen

    Você gostaria de jantar?

    Zou je vanavond willen eten?

  • Você quer...? Wil je ...

    Você quer jogar jogos?

    Wil je spelletjes spelen?

  • Você vem? Kom je ...?

    Você vem para o jantar?

    Kom je mee eten?

  • Vamos nos encontrar Laten we afspreken om

    Vamos nos encontrar ao meio-dia.

    Laten we afspreken om twaalf uur.

  • Que tal? Hoe zit het met ...?

    Que tal o filme hoje à noite?

    Hoe zit het met de film vanavond?

  • Talvez mais tarde Misschien later

    Talvez mais tarde, vamos esperar um pouquinho.

    Misschien later, laten we even wachten.

  • Ótima ideia! Goed idee!

    Ótima ideia! Concordo agora.

    Goed idee! Ik ben het er nu mee eens.

  • Eu topo. reken op mij

    Eu topo.

    Reken op mij.

  • Não posso, desculpe. Dat kan ik niet, sorry.

    Não posso, desculpe. Aconteceu algo.

    Dat kan ik niet, sorry. Er is iets gebeurd.

  • Outra hora? Een andere keer?

    Outra hora? Vamos mudar a data.

    Een andere keer? Laten we de datum verzetten.

  • Até lá Tot dan

    Até lá, Mark.

    Tot dan, Mark.

Les 119 · Afspraken & planningen 6 woorden

  • às ... horas om ... uur

    Ele chega às seis horas.

    Hij komt om zes uur aan.

  • de ... a van ... tot

    Eles trabalham das nove às cinco.

    Ze werken van negen tot vijf.

  • esta semana deze week

    Estou ocupado esta semana.

    Ik heb het deze week druk.

  • semana que vem volgende week

    Você pode vir semana que vem.

    Je kunt volgende week langskomen.

  • neste fim de semana dit weekend

    Ela está ocupada neste fim de semana.

    Ze is dit weekend druk.

  • Até Tot ziens om ...

    Até meio-dia.

    Tot ziens om twaalf uur.

Les 120 · Bevestiging vragen 12 woorden

  • Você está bem? Gaat het?

    Você está bem? Você pode me contar.

    Gaat het? Je kunt het me vertellen.

  • Você quer dizer...? Bedoel je ...

    Você quer dizer o vermelho?

    Bedoel je de rode?

  • Correto? Klopt dat?

    Correto?

    Klopt dat?

  • Tem certeza? Weet je het zeker?

    Tem certeza?

    Weet je het zeker?

  • Você falou que...? Zei je ...?

    Você falou que está com raiva?

    Zei je dat je boos bent?

  • Posso conferir? Mag ik ... controleren

    Posso conferir sua lição de casa?

    Mag ik je huiswerk controleren?

  • Está certo? Is dit correct?

    Está certo?

    Is dit correct?

  • Você fala muito bem Je spreekt heel goed

    Você fala muito bem.

    Je spreekt heel goed.

  • Ficou claro Dat is duidelijk

    Ficou claro para mim agora.

    Dat is duidelijk voor mij nu.

  • Entendi Ik begrijp het

    Entendi. Agora eu compreendo.

    Ik begrijp het. Ik snap het nu.

  • Faz sentido dat is logisch

    Faz sentido. Vou fazer assim.

    Dat is logisch. Ik doe het op die manier.

  • Não tenho certeza se entendi Ik weet niet zeker of ik het begrijp

    Não tenho certeza se entendi.

    Ik weet niet zeker of ik het begrijp.

Les 121 · Dagelijkse routine 5 woorden

  • ir trabalhar naar het werk gaan

    Eles vão trabalhar todo dia.

    Zij gaan dagelijks naar het werk.

  • ir para a escola naar school gaan

    Eu vou para a escola cedo.

    Ik ga vroeg naar school.

  • começar a trabalhar beginnen met werken

    Você começa a trabalhar às nove.

    Je begint met werken om negen uur.

  • fazer uma pausa pauze nemen

    Nós fazemos uma pausa agora.

    Wij nemen nu pauze.

  • ir para a cama naar bed gaan

    Você vai para a cama cedo.

    Jij gaat naar bed vroeg.

Les 127 · Adres & gebouwdetails 2 woorden

  • o primeiro andar de eerste verdieping

    Este é o primeiro andar.

    Dit is de eerste verdieping.

  • porta da frente de voordeur

    Eles pintaram a porta da frente de vermelho.

    Ze hebben de voordeur rood geverfd.

Les 135 · Feesten & feestdagen 2 woorden

  • o cartão de aniversário de verjaardagskaart

    Este é um cartão de aniversário bonito.

    Dit is een mooie verjaardagskaart.

  • Ano Novo nieuwjaar

    O Ano Novo é uma época feliz.

    Nieuwjaar is een vrolijke tijd.

Les 137 · Huisdieren & dieren 2 woorden

  • passear com o cachorro de hond uitlaten

    Eu passeio com o cachorro diariamente.

    Elke dag laat ik de hond uit.

  • a clínica veterinária de dierenkliniek

    A clínica veterinária ajuda animais doentes.

    De dierenkliniek helpt zieke huisdieren.

Les 151 · Hobby's buiten 1 woorden

  • kit de primeiros socorros de verbanddoos

    Precisamos do kit de primeiros socorros.

    We hebben de verbanddoos nodig.

Les 163 · Gemeenschap & buurt 1 woorden

  • ponto de reciclagem het milieupark

    Este ponto de reciclagem é muito perto.

    Dit milieupark is heel dichtbij.

Les 168 · Op het station 9 woorden

  • o painel de chegadas het aankomstbord

    Conferimos o painel de chegadas hoje.

    We hebben vandaag op het aankomstbord gekeken.

  • validar a passagem je kaartje valideren

    Você deve validar sua passagem agora.

    Je moet nu je kaartje valideren.

  • trem direto de rechtstreekse trein

    Aquele trem direto chega muito em breve.

    Die rechtstreekse trein komt heel snel aan.

  • trem expresso de sneltrein

    Um trem expresso é muito rápido.

    Een sneltrein is erg snel.

  • trocar de trem overstappen

    Nós trocamos de trem na estação.

    Wij stappen over op het station.

  • último trem de laatste trein

    Ele perdeu o último trem para casa.

    Hij heeft de laatste trein naar huis gemist.

  • primeiro trem de eerste trein

    Eles pegaram o primeiro trem facilmente.

    Ze haalden gemakkelijk de eerste trein.

  • assento da janela de raamplaats

    Aquele é o meu assento da janela.

    Dat is mijn raamplaats.

  • o assento do corredor de stoel aan het gangpad

    O assento do corredor é muito bom.

    De stoel aan het gangpad is erg fijn.

Les 169 · Vliegen 4 woorden

  • a revista de segurança de veiligheidscontrole

    Você já foi reprovado em uma revista de segurança?

    Ben je ooit gezakt voor een veiligheidscontrole?

  • bagagem despachada de ruimbagage

    Esta é a minha bagagem despachada.

    Dit is mijn ruimbagage.

  • a esteira de bagagem de bagageband

    Eles esperam na esteira de bagagem.

    Ze wachten bij de bagageband.

  • o controle de passaportes de paspoortcontrole

    Onde fica o controle de passaportes neste aeroporto?

    Waar is de paspoortcontrole op dit vliegveld?

Les 170 · Hotels & verblijf 3 woorden

  • o cartão-chave de sleutelkaart

    Este é o meu cartão-chave.

    Dit is mijn sleutelkaart.

  • Não perturbe niet storen

    Não perturbe o hóspede dormindo.

    Je moet de slapende gast niet storen.

  • o guarda-volumes de bagageopslag

    Quanto custa o guarda-volumes por dia?

    Hoeveel kost de bagageopslag per dag?

Les 171 · De weg vinden in de stad 4 woorden

  • cidade antiga de oude stad

    Esta cidade antiga é muito charmosa.

    Deze oude stad is erg charmant.

  • a zona de pedestres de voetgangerszone

    Carros não são permitidos na zona de pedestres.

    Auto's zijn niet toegestaan in de voetgangerszone.

  • a rua de mão única de eenrichtingsweg

    Essa rua é uma rua de mão única.

    Die weg is een eenrichtingsweg.

  • área residencial de woonwijk

    Aquela é uma área residencial tranquila.

    Dat is een rustige woonwijk.

Les 174 · Bezienswaardigheden & rondleidingen 3 woorden

  • excursão guiada de rondleiding

    Uma excursão guiada nos mostra lugares.

    Een rondleiding laat ons plekken zien.

  • galeria de arte de kunstgalerie

    Eles visitaram uma galeria de arte hoje.

    Ze hebben vandaag een kunstgalerie bezocht.

  • horário de funcionamento de openingstijden

    Qual é o seu horário de funcionamento?

    Wat zijn jullie openingstijden?

Les 175 · Reisplannen 5 woorden

  • horário de partida de vertrektijd

    Esse é o horário de partida agora.

    Dat is nu de vertrektijd.

  • horário de chegada de aankomsttijd

    O horário de chegada é quase meio-dia.

    De aankomsttijd is bijna twaalf uur.

  • código de reserva het boekingsnummer

    Onde posso encontrar meu código de reserva?

    Waar kan ik mijn boekingsnummer vinden?

  • bagagem extra de extra bagage

    Bagagem extra pode ser cara.

    Extra bagage kan duur zijn.

  • seguro de viagem de reisverzekering

    Ele precisa de seguro de viagem para segurança.

    Hij heeft voor de veiligheid een reisverzekering nodig.

Les 176 · Postkantoor & post versturen 1 woorden

  • entrega expressa de spoedbezorging

    Eles oferecem entrega expressa para encomendas.

    Ze bieden spoedbezorging aan voor pakketten.

Les 177 · Praten over het verleden 1 — tijdsankers 7 woorden

  • ontem à noite gisteravond

    Saímos ontem à noite.

    We zijn gisteravond uitgeweest.

  • semana passada vorige week

    Eu o vi semana passada.

    Ik heb hem vorige week gezien.

  • mês passado vorige maand

    Ela viajou para a Europa mês passado.

    Ze is vorige maand naar Europa gereisd.

  • dois dias atrás twee dagen geleden

    Isso aconteceu dois dias atrás.

    Dat gebeurde twee dagen geleden.

  • antes disso daarvoor

    Não, o evento aconteceu antes disso.

    Nee, het evenement vond daarvoor plaats.

  • depois disso daarna

    Jantamos, e depois disso conversamos.

    We hebben gegeten en daarna hebben we gepraat.

  • naquela época toen

    Eu era mais feliz naquela época.

    Ik was toen gelukkiger.

Les 178 · Praten over het verleden 2 — vertellen wat er gebeurde 10 woorden

  • Aconteceu het gebeurde

    Aconteceu ontem na loja.

    Het gebeurde gisteren in de winkel.

  • Eu estava ik was

    Eu estava feliz na escola.

    Ik was gelukkig op school.

  • Eu vi ik zag

    Eu vi um cachorro grande e preto.

    Ik zag een grote zwarte hond.

  • tirei ik heb ... gekregen

    Eu tirei boas notas hoje.

    Ik heb vandaag goede cijfers gekregen.

  • Tinha Er was

    Tinha um estrondo alto lá fora.

    Er was buiten een harde knal te horen.

  • Eu ouvi ik hoorde

    Eu ouvi um barulho estranho ontem à noite.

    Ik hoorde gisteravond een raar geluid.

  • Demorar het duurde

    Demorou duas horas para chegar.

    Het duurde twee uur om aan te komen.

  • No final uiteindelijk

    No final, ela se sentiu aliviada.

    Uiteindelijk voelde ze zich opgelucht.

  • não deu certo Het werkte niet

    Não deu certo, então fomos embora.

    Het werkte niet, dus we zijn vertrokken.

  • acabar het pakte ... uit

    Acabou sendo ótimo para eles.

    Het pakte geweldig uit voor hen.

Les 179 · Verhaalvolgorde — een miniverhaal maken 7 woorden

  • Foi aí que dat is het moment dat

    Foi aí que eu percebi.

    Dat is het moment dat ik het besefte.

  • No começo In het begin

    No começo, me senti muito nervoso.

    In het begin voelde ik me erg zenuwachtig.

  • Mais tarde later

    Mais tarde, eles brincaram no parque.

    Later speelden ze in het park.

  • Assim que zodra

    Assim que eu terminar, eu vou brincar.

    Zodra ik klaar ben, ga ik spelen.

  • No dia anterior de dag ervoor

    No dia anterior eu estava doente.

    De dag ervoor was ik ziek.

  • No final das contas achteraf gezien

    No final das contas, eu estava certo.

    Achteraf gezien had ik gelijk.

  • Para começar Om te beginnen

    Para começar, adicione farinha.

    Om te beginnen voeg je de bloem toe.

Les 180 · Redenen & gevolgen — oorzaak en gevolg 8 woorden

  • é por isso que daarom

    É por isso que eu preciso de ajuda.

    Daarom heb ik hulp nodig.

  • dado que gezien het feit dat

    Dado que ela está doente, ela descansa.

    Gezien het feit dat ze ziek is, rust ze.

  • o motivo é de reden is

    Eu acho que o motivo é dinheiro.

    Ik denk dat de reden is dat het om geld gaat.

  • graças a dankzij

    Eles conseguiram, graças à prática.

    Het is hen gelukt, dankzij oefening.

  • como resultado daardoor

    Ela estudou muito, como resultado, ela passou.

    Ze heeft hard gestudeerd; daardoor is ze geslaagd.

  • ser devido a dat komt door ...

    Isso é devido à chuva.

    Dat komt door de regen.

  • isso significa que dat betekent

    Ganhamos, isso significa que eles vão para casa.

    Wij hebben gewonnen, dat betekent dat zij naar huis gaan.

  • que levaram a ... dat leidde tot ...

    Peter cometeu erros que levaram a problemas.

    Peter maakte fouten dat leidde tot problemen.

Les 181 · Advies geven — vriendelijke suggesties 11 woorden

  • Você já pensou em Heb je al nagedacht over ...

    Você já pensou em ter um animal de estimação?

    Heb je al nagedacht over het nemen van een huisdier?

  • Você poderia tentar Je zou kunnen proberen om ...

    Você poderia tentar assar um bolo.

    Je zou kunnen proberen om een taart te bakken.

  • Siga meu conselho neem mijn advies aan

    Siga meu conselho. Você vai me agradecer.

    Neem mijn advies aan. Je zult me dankbaar zijn.

  • Eu recomendo ik raad ... aan

    Eu recomendo ler aquele livro interessante.

    Ik raad aan om dat interessante boek te lezen.

  • Valer a pena het is de moeite waard om ... te

    Vale a pena experimentar o bolo delicioso.

    Het is de moeite waard om de heerlijke taart te proberen.

  • não se esqueça de denk eraan om ... te

    Não se esqueça de trancar a porta.

    Denk eraan om de deur op slot te doen.

  • Não se esqueça de... Vergeet niet om ... te

    Não se esqueça de lavar as mãos.

    Vergeet niet om je handen te wassen.

  • Certifique-se de ervoor zorgen dat ...

    Certifique-se de trancar a porta.

    Zorg ervoor dat je de deur op slot doet.

  • Que tal...? Wat dacht je van ...?

    Que tal ir ao parque?

    Wat dacht je van naar het park gaan?

  • Se eu fosse você Als ik jou was

    Se eu fosse você, eu tentaria de novo.

    Als ik jou was, zou ik het opnieuw proberen.

  • Talvez você pudesse Misschien kun je ...

    Talvez você pudesse abrir a janela.

    Misschien kun je het raam openen.

Les 182 · Persoonlijke plannen & beloften — de nabije toekomst 11 woorden

  • Mais tarde vou ... Ik zal ... later

    Vou te ligar mais tarde hoje à noite.

    Ik zal je later vanavond bellen.

  • Estar livre em ik ben vrij op ...

    Estou livre na sexta-feira à tarde.

    Ik ben vrij op vrijdagmiddag.

  • Eu já tenho planos Ik heb al plannen

    Eu já tenho planos, desculpe.

    Ik heb al plannen, sorry.

  • Vou me encontrar com ik spreek af met ...

    Eu vou me encontrar com o Kevin hoje.

    Vandaag spreek ik af met Kevin.

  • colocar o papo em dia laten we bijpraten

    Vamos colocar o papo em dia na semana que vem.

    Laten we volgende week ergens bijpraten.

  • te mandar uma mensagem ik app je

    Eu vou te mandar uma mensagem mais tarde hoje à noite.

    Ik app je later vanavond.

  • Eu te ligo de volta ik bel je terug

    Eu te ligo de volta.

    Ik bel je terug.

  • Eu te aviso ik laat het je weten

    Eu te aviso.

    Ik laat het je weten.

  • Vou checar e te aviso Ik kijk het na en laat het je weten

    Vou checar e te aviso.

    Ik kijk het na en laat het je weten.

  • Eu tenho que estar lá ... ik moet er ... zijn

    Eu tenho que estar lá ao meio-dia.

    Ik moet er om twaalf uur zijn.

  • Vamos ver we zien wel

    Vamos ver o que acontece depois.

    We zien wel wat er later gebeurt.

Les 183 · Problemen aanpakken — snelle oplossingen 11 woorden

  • Cuidado! Pas op!

    Cuidado! Um trem está vindo!

    Pas op! Er komt een trein aan!

  • Estou atrasado ik ben te laat

    Estou atrasado para a aula hoje.

    Ik ben te laat voor de les vandaag.

  • Está quebrado Het is kapot

    Está quebrado, mas eu conheço uma oficina.

    Het is kapot, maar ik ken een reparatiewinkel.

  • Não funciona het werkt niet

    Não funciona, mas podemos resolver isso.

    Het werkt niet, maar we kunnen dit oplossen.

  • sem sinal geen bereik

    Meu celular está sem sinal.

    Ik heb geen bereik op mijn telefoon.

  • bateria fraca de bijna lege batterij

    Estou com a bateria fraca, então peguei um carregador.

    Ik heb een bijna lege batterij, dus ik heb een oplader gepakt.

  • Eu perdi ... Ik ben ... kwijt

    Eu perdi minha chave de casa.

    Ik ben mijn huissleutel kwijt.

  • Não consigo achar ... Ik kan ... niet vinden

    Não consigo achar minhas botas.

    Ik kan mijn laarzen niet vinden.

  • estar travado ik zit vast

    Estou travado, você pode me ajudar?

    Ik zit vast, kun je me helpen?

  • É urgente Het is dringend

    É urgente, ligue de volta para eles!

    Het is dringend, bel ze terug!

  • Preciso de ajuda! Ik heb hulp nodig!

    Preciso de ajuda! Estou preso aqui!

    Ik heb hulp nodig! Ik zit hier vast!

Les 184 · Navertellen oefenen — afsluitende zinnen 9 woorden

  • Esta manhã vanmorgen

    Esta manhã estava agradável e ensolarada.

    Vanmorgen was het lekker zonnig.

  • outro dia onlangs

    Outro dia eu a vi.

    Onlangs zag ik haar.

  • Quando eu era Toen ik ... was

    Quando eu era mais jovem, eu brincava lá fora.

    Toen ik jonger was, speelde ik buiten.

  • Para começar Om te beginnen ...

    Para começar, considere todas as suas opções.

    Om te beginnen, overweeg al je opties.

  • Desde então Vanaf toen

    Desde então, eu me senti feliz.

    Vanaf toen voelde ik me gelukkig.

  • A razão foi De reden was

    A razão foi bem simples.

    De reden was vrij simpel.

  • Para resumir Kortom

    Para resumir, choveu o dia todo.

    Kortom, het heeft de hele dag geregend.

  • Para minha surpresa Tot mijn verbazing

    Para minha surpresa, o gato comeu grama.

    Tot mijn verbazing at de kat gras.

  • Da próxima vez de volgende keer

    Da próxima vez, eu vou trazer água.

    De volgende keer neem ik water mee.

Gratis voor persoonlijk gebruik en in de klas.

Snelle quiz

Vijf vragen over de woorden op deze pagina.

Handige zinnen in het Portugees: leer ze in de app met afbeeldingen en audio.

De app leert ze je in lessen van vijf minuten en brengt elk woord terug voordat je het vergeet. Gratis op iPhone en Android.

Scan de code met de camera van je telefoon om de app te downloaden.