Vervoermiddelen in het Tsjechisch
Vervoermiddelen in het Tsjechisch: autobus (de bus), vlak (de trein), taxi (de taxi), auto (de auto), kolo (de fiets), letadlo (het vliegtuig). Hieronder staan alle 48 woorden over dit onderwerp uit de lessen 48, 49, 50 en 144 van de Flashcardly-cursus, elk met een afbeelding en native audio.
Leer deze 48 woorden in de app
Met afbeeldingen, native audio, en elk woord komt terug vlak voordat je het zou vergeten. Gratis op iPhone en Android.
Vervoermiddelen in het Tsjechisch: alle 48 woorden
Tik op een plaatje om het te horen.
Het Nederlands is verborgen. Zeg het woord en tik dan op het grijze vak om jezelf te controleren.
Les 48 · Vervoer — basis 12 woorden
- jízdenka het kaartje
Má jízdenku na vlak.
Ze heeft een treinkaartje.
- zavazadlo de bagage
Kam dáme naše zavazadla?
Waar laten we onze bagage?
- automat na jízdenky de kaartautomaat
Koupím to v automatu na jízdenky.
Ik koop het bij de kaartautomaat.
- nástupiště het perron
To je vlakové nástupiště.
Dat is het perron voor de trein.
- jízdní řád het rooster
Čte jízdní řád.
Zij leest het rooster.
- autobus de bus
Čekáme na autobus?
Wachten we op een bus?
- vlak de trein
Ten vlak je velmi moderní.
De trein is erg modern.
- tramvaj de tram
Nejrychlejší cesta je tramvají.
De snelste manier is met de tram.
- taxi de taxi
Kolik stojí taxi?
Hoeveel kost de taxi?
- včas op tijd
Je důležité dorazit včas.
Het is belangrijk om op tijd te komen.
- zpozdit vertraging hebben
Ten let byl zpožděný.
Die vlucht had vertraging.
- metro de metro
Metro jezdí pod zemí.
Een metro rijdt ondergronds.
Les 49 · Auto's, vrachtwagens & fietsen 12 woorden
- auto de auto
Koupil si nové auto.
Hij heeft een nieuwe auto gekocht.
- náklaďák de vrachtwagen
Ten chlap řídí velký náklaďák.
De man bestuurt een grote vrachtwagen.
- kolo de fiets
Do školy jezdím na kole.
Ik rijd met mijn fiets naar school.
- traktor de tractor
Farmář jede velkým traktorem.
De boer rijdt op een grote tractor.
- motorka de motor
Jezdí na rychlé motorce.
Hij rijdt op een snelle motor.
- koloběžka de step
Dítě jede na koloběžce.
Het kind rijdt op een step.
- dodávka de bestelbus
Řídí velkou dodávku.
Hij rijdt in een grote bestelbus.
- řidič de bestuurder
Řidič zastavil auto.
De bestuurder stopte de auto.
- provoz het verkeer
Dneska je hodně pomalý provoz.
Het verkeer gaat vandaag erg langzaam.
- kolo het wiel
Opravil to rozbité kolo.
Hij heeft het kapotte wiel gerepareerd.
- parkoviště de parkeerplaats
Našli jsme místo na parkovišti.
We hebben een parkeerplaats gevonden.
- přívěs de trailer
Náklaďák táhne přívěs.
De vrachtwagen trekt de trailer.
Les 50 · Vliegtuigen, boten & schepen 12 woorden
- letadlo het vliegtuig
To letadlo přistává na letišti.
Het vliegtuig landt op het vliegveld.
- člun de boot
Vidím malý člun.
Ik zie een kleine boot.
- loď het schip
Ta velká loď pluje přes oceán.
Het grote schip steekt de oceaan over.
- vrtulník de helikopter
Ten vrtulník letí na obloze.
De helikopter vliegt in de lucht.
- raketa de raket
Raketa letí do nebe.
De raket vliegt de lucht in.
- vesmírná loď het ruimteschip
Vesmírná loď přistála na Měsíci.
Het ruimteschip landde op de maan.
- hasičské auto de brandweerauto
Hasičské auto veze vodu.
De brandweerauto vervoert water.
- tryskáč de straaljager
Tryskáč letí velmi rychle.
De straaljager vliegt erg snel.
- kajak de kajak
Sedí v kajaku.
Ze zit in de kajak.
- vor het vlot
Postavili jsme dřevěný vor.
We hebben een houten vlot gebouwd.
- kanoe de kano
Pádluje v malé kanoi.
Hij peddelt in de kleine kano.
- plachetnice de zeilboot
Vítr pohání tu plachetnici.
De wind verplaatst de zeilboot.
Les 144 · Stadsvervoer & woon-werkverkeer 12 woorden
- metro de metro
Do práce jezdíme metrem.
Wij nemen de metro naar ons werk.
- nástupiště het perron
Vlak přijel k nástupišti.
De trein kwam aan bij het perron.
- jízdenka het kaartje
Koupil jsem si jízdenku na vlak.
Ik heb een treinkaartje gekocht.
- zpoždění de vertraging
Vlak má zpoždění.
De trein heeft vertraging.
- mapa de kaart
Ta mapa ukazuje řeku.
De kaart laat de rivier zien.
- cestující de passagier
Řidič pomáhá cestujícímu.
De chauffeur helpt de passagier.
- trasa de route
Našli jsme kratší trasu.
We hebben een kortere route gevonden.
- branka de poort
Ten muž otevřel branku.
De man opende de poort.
- východ de uitgang
Našli jsme východ.
We hebben de uitgang gevonden.
- přestup de overstap
Přestup na nádraží byl snadný.
De overstap op het station was makkelijk.
- jízdné de ritprijs
Zaplatil jsem jízdné v autobuse.
Ik heb de ritprijs voor de bus betaald.
- projíždět passeren
Vlak projíždí stanicí.
De trein passeert het station.
Gratis voor persoonlijk gebruik en in de klas. Leer je met papieren kaarten? Zo sorteer je ze in bakjes.
Meer Tsjechische flashcards
Tsjechische woorden per onderwerp
Woordenlijsten