De 100 meest gebruikte Franse woorden

Elk woord met een afbeelding, native audio en een voorbeeldzin met Nederlandse vertaling. Tik op een luidspreker om het woord of de zin te horen.

Leer alle 100 woorden in de app

Met afbeeldingen, native audio, en elk woord komt terug vlak voordat je het zou vergeten. Gratis op iPhone en Android.

Gratis downloaden
Download in de App Store Ontdek het op Google Play Scan met de camera van je telefoon

Hoe deze lijst is gerangschikt

Dit is de Flashcardly-cursus Frans op volgorde: gerangschikt op frequentie en nut in het dagelijks leven, met input van taaldocenten. Het is dus geen kale telling uit een tekstcorpus, en daarom staan woorden als “de” en “van” niet bovenaan de lijst, terwijl “man” op nummer 13 staat.

De lijst

Fout melden

Vertel ons wat er niet klopt. We bekijken elke melding.

Wat klopt er niet?

Tik op een plaatje om het te horen.

  1. Salut — Hallo
    Salut Hallo

    Salut, comment ça va ? Hallo, hoe gaat het?

  2. bienvenue — Welkom
    bienvenue Welkom

    Bienvenue chez nous. Welkom in ons huis.

  3. Bonjour — Goedemorgen
    Bonjour Goedemorgen

    Bonjour ! Goedemorgen!

  4. oui — ja
    oui ja

    Oui, je comprends. Ja, ik begrijp het.

  5. Bonsoir — Goedenavond
    Bonsoir Goedenavond

    Bonsoir ! Goedenavond!

  6. non — nee
    non nee

    Elle a dit non. Ze zei nee.

  7. Au revoir — doei
    Au revoir doei

    Au revoir, Anna ! Doei, Anna!

  8. Bon après-midi — Goedemiddag
    Bon après-midi Goedemiddag

    Bon après-midi ! Goedemiddag!

  9. À bientôt — Tot snel
    À bientôt Tot snel

    À bientôt, Mia ! Tot snel, Mia!

  10. À demain — Tot morgen
    À demain Tot morgen

    À demain ! Tot morgen!

  11. Enchanté — Aangenaam
    Enchanté Aangenaam

    Moi aussi, enchanté ! Aangenaam kennis te maken!

  12. Comment vas-tu ? — Hoe gaat het met je
    Comment vas-tu ? Hoe gaat het met je

    Comment vas-tu aujourd'hui ? Hoe gaat het met je vandaag?

  13. un homme — de man
    un homme de man

    L'homme lit le livre. De man leest het boek.

  14. une femme — de vrouw
    une femme de vrouw

    La femme porte un chapeau. De vrouw draagt een hoed.

  15. un garçon — de jongen
    un garçon de jongen

    Le garçon joue avec des jouets. De jongen speelt met speelgoed.

  16. une fille — het meisje
    une fille het meisje

    La fille a un ballon. Het meisje heeft een bal.

  17. une personne — de persoon
    une personne de persoon

    C'est une personne gentille. Hij is een aardig persoon.

  18. les gens — de mensen
    les gens de mensen

    Les gens sont très heureux. De mensen zijn erg blij.

  19. un adulte — de volwassene
    un adulte de volwassene

    Je suis un adulte. Ik ben een volwassene.

  20. un bébé — de baby
    un bébé de baby

    Le bébé a besoin de lait. De baby heeft melk nodig.

  21. Monsieur — meneer
    Monsieur meneer

    Monsieur Smith aime lire des livres. Meneer Smith leest graag boeken.

  22. Madame — mevrouw
    Madame mevrouw

    Madame Smith est professeur. Mevrouw Smith is een lerares.

  23. un voisin — de buurman
    un voisin de buurman

    Mon voisin est très sympathique. Mijn buurman is erg vriendelijk.

  24. un ami — de vriend
    un ami de vriend

    Mon ami aime lire des livres. Mijn vriend leest graag boeken.

  25. aujourd'hui — vandaag
    aujourd'hui vandaag

    Aujourd'hui est un bon jour. Vandaag is een goede dag.

  26. demain — morgen
    demain morgen

    Demain est un nouveau jour. Morgen is een nieuwe dag.

  27. hier — gisteren
    hier gisteren

    Je l'ai vue hier. Ik heb haar gisteren gezien.

  28. maintenant — nu
    maintenant nu

    Il le veut maintenant. Hij wil het nu.

  29. un après-midi — de middag
    un après-midi de middag

    J'aime l'après-midi. Ik vind de middag fijn.

  30. un soir — de avond
    un soir de avond

    Le soir est calme. De avond is rustig.

  31. une minute — de minuut
    une minute de minuut

    Il nous faut cinq minutes. We hebben vijf minuten nodig.

  32. un matin — de ochtend
    un matin de ochtend

    Je prends le petit déjeuner le matin. Ik eet 's ochtends mijn ontbijt.

  33. plus tard — later
    plus tard later

    Je le ferai plus tard. Ik doe het later.

  34. tôt — vroeg
    tôt vroeg

    Elle se réveille tôt. Zij wordt vroeg wakker.

  35. en retard — te laat
    en retard te laat

    Il est souvent en retard. Hij is vaak te laat.

  36. une heure — het uur
    une heure het uur

    Le cours dure une heure. De les duurt één uur.

  37. Comment tu t'appelles ? — Hoe heet je?
    Comment tu t'appelles ? Hoe heet je?

    Comment tu t'appelles ? Hoe heet je?

  38. Je m'appelle — Mijn naam is
    Je m'appelle Mijn naam is

    Je m'appelle Emily. Mijn naam is Emily.

  39. D'où viens-tu ? — Waar kom je vandaan?
    D'où viens-tu ? Waar kom je vandaan?

    D'où viens-tu ? Waar kom je vandaan?

  40. Je suis de — Ik kom uit ...
    Je suis de Ik kom uit ...

    Je suis d'Allemagne. Ik kom uit Duitsland.

  41. Où habites-tu ? — Waar woon je
    Où habites-tu ? Waar woon je

    Où habites-tu ? Waar woon je?

  42. J'habite au — Ik woon in
    J'habite au Ik woon in

    J'habite au Japon. Ik woon in Japan.

  43. Quelles langues parles-tu ? — Welke talen spreek je?
    Quelles langues parles-tu ? Welke talen spreek je?

    Quelles langues parles-tu ? Welke talen spreek je?

  44. je parle — ik spreek
    je parle ik spreek

    Je parle bien anglais. Ik spreek goed Engels.

  45. Je parle un peu — Ik spreek een beetje ...
    Je parle un peu Ik spreek een beetje ...

    Je parle un peu français. Ik spreek een beetje Frans.

  46. Où es-tu né ? — Waar ben je geboren
    Où es-tu né ? Waar ben je geboren

    Où es-tu né ? Waar ben je geboren?

  47. Quel est ton nom de famille ? — Wat is je achternaam?
    Quel est ton nom de famille ? Wat is je achternaam?

    Quel est ton nom de famille ? Wat is je achternaam?

  48. C'est mon amie — Dit is mijn vriend(in)
    C'est mon amie Dit is mijn vriend(in)

    C'est mon amie Lisa. Dit is mijn vriendin Lisa.

  49. faire — maken
    faire maken

    Je fais du bon café. Ik maak goede koffie.

  50. recevoir — krijgen
    recevoir krijgen

    Il a reçu un cadeau. Hij kreeg een cadeau.

  51. avoir — hebben
    avoir hebben

    Emma a une voiture. Emma heeft een auto.

  52. manger — eten
    manger eten

    Ils mangent des pommes. Zij eten appels.

  53. boire — drinken
    boire drinken

    Tu bois du café ? Drink jij koffie?

  54. dormir — slapen
    dormir slapen

    Je veux dormir maintenant. Ik wil nu slapen.

  55. voir — zien
    voir zien

    Peux-tu voir la maison ? Kun je het huis zien?

  56. regarder — kijken naar
    regarder kijken naar

    Adam aime regarder des photos. Adam vindt het leuk om naar foto's te kijken.

  57. lire — lezen
    lire lezen

    L'élève lit des livres. De student leest boeken.

  58. ouvrir — openen
    ouvrir openen

    Elle ouvre la fenêtre. Zij opent het raam.

  59. fermer — sluiten
    fermer sluiten

    Je ferme la porte. Ik sluit de deur.

  60. venir — komen
    venir komen

    Tu viens ici tous les jours. Je komt hier elke dag.

  61. S'il vous plaît — alsjeblieft
    S'il vous plaît alsjeblieft

    Ouvrez la porte, s'il vous plaît. Wil je alsjeblieft de deur openen?

  62. Merci — Dank je wel
    Merci Dank je wel

    Merci de votre aide. Dank je wel voor je hulp.

  63. De rien — Graag gedaan.
    De rien Graag gedaan.

    De rien. Graag gedaan.

  64. Excusez-moi — Pardon
    Excusez-moi Pardon

    Excusez-moi, j'ai besoin d'aide. Pardon, ik heb hulp nodig.

  65. désolé — sorry
    désolé sorry

    Je suis désolé. Het spijt me.

  66. Pourrais-tu m'aider — Kun je me helpen?
    Pourrais-tu m'aider Kun je me helpen?

    Pourrais-tu m'aider ? Kun je me helpen?

  67. Pourriez-vous répéter s'il vous plaît — Kun je dat alsjeblieft herhalen?
    Pourriez-vous répéter s'il vous plaît Kun je dat alsjeblieft herhalen?

    Pourriez-vous répéter s'il vous plaît ? Kun je dat alsjeblieft herhalen?

  68. Pourrais-tu parler plus lentement ? — Zou je wat langzamer kunnen spreken?
    Pourrais-tu parler plus lentement ? Zou je wat langzamer kunnen spreken?

    Pourrais-tu parler plus lentement ? Zou je wat langzamer kunnen spreken?

  69. Pourrais-je avoir... s'il vous plaît ? — Mag ik ... alsjeblieft?
    Pourrais-je avoir... s'il vous plaît ? Mag ik ... alsjeblieft?

    Pourrais-je avoir de l'eau, s'il vous plaît ? Mag ik water alsjeblieft?

  70. Je voudrais — ik zou graag ... willen
    Je voudrais ik zou graag ... willen

    Je voudrais encore du thé. Ik zou graag nog wat thee willen.

  71. Puis-je ? — Mag ik ...?
    Puis-je ? Mag ik ...?

    Puis-je avoir de l'eau ? Mag ik wat water?

  72. Est-ce que je peux...? — Is het goed als ...?
    Est-ce que je peux...? Is het goed als ...?

    Est-ce que je peux m'asseoir ? Is het goed als ik ga zitten?

  73. un zéro — nul
    un zéro nul

    Zéro est inférieur à un. Nul is minder dan één.

  74. un — één
    un één

    J'ai une pomme. Ik heb één appel.

  75. deux — twee
    deux twee

    Il y a deux chats. Er zijn twee katten.

  76. trois — drie
    trois drie

    Non, trois, c'est trop. Nee, drie is te veel.

  77. quatre — vier
    quatre vier

    Donne-moi quatre, s'il te plaît. Geef me er vier, alsjeblieft.

  78. cinq — vijf
    cinq vijf

    J'ai cinq chiens. Ik heb vijf honden.

  79. six — zes
    six zes

    Il est venu avec six amis. Hij kwam met zes vrienden.

  80. sept — zeven
    sept zeven

    Je cours sept kilomètres. Ik ren zeven kilometer.

  81. huit — acht
    huit acht

    Une araignée a huit pattes. Een spin heeft acht poten.

  82. neuf — negen
    neuf negen

    Neuf est mon chiffre porte-bonheur. Negen is mijn geluksgetal.

  83. dix — tien
    dix tien

    On a dix doigts. Wij hebben tien vingers.

  84. plus — plus
    plus plus

    Deux plus deux font quatre. Twee plus twee is vier.

  85. Je ne comprends pas — Ik begrijp het niet
    Je ne comprends pas Ik begrijp het niet

    Je ne comprends pas. Ik begrijp het niet.

  86. Pouvez-vous répéter, s'il vous plaît — Kun je dat alsjeblieft herhalen?
    Pouvez-vous répéter, s'il vous plaît Kun je dat alsjeblieft herhalen?

    Pouvez-vous répéter, s'il vous plaît ? Kun je dat alsjeblieft herhalen?

  87. plus lentement s'il te plaît — Iets langzamer, alsjeblieft.
    plus lentement s'il te plaît Iets langzamer, alsjeblieft.

    Plus lentement s'il te plaît. Iets langzamer, alsjeblieft.

  88. Qu'est-ce que ça veut dire ? — Wat betekent dat?
    Qu'est-ce que ça veut dire ? Wat betekent dat?

    Qu'est-ce que ça veut dire ? Wat betekent dat?

  89. Comment dit-on ça en...? — Hoe zeg je dat in ...?
    Comment dit-on ça en...? Hoe zeg je dat in ...?

    Comment dit-on ça en espagnol ? Hoe zeg je dat in het Spaans?

  90. Comment ça s'écrit ? — Hoe spel je dat?
    Comment ça s'écrit ? Hoe spel je dat?

    Comment ça s'écrit ? Hoe spel je dat?

  91. Tu peux l'écrire ? — Kun je het opschrijven?
    Tu peux l'écrire ? Kun je het opschrijven?

    Tu peux l'écrire, s'il te plaît ? Kun je het opschrijven, alsjeblieft?

  92. Peux-tu me montrer ? — Kun je me ... laten zien
    Peux-tu me montrer ? Kun je me ... laten zien

    Peux-tu me montrer la photo ? Kun je me de foto laten zien?

  93. Parlez-vous... ? — Spreek je ...?
    Parlez-vous... ? Spreek je ...?

    Parlez-vous anglais ? Spreek je Engels?

  94. Un instant s'il vous plaît — Een momentje, alsjeblieft.
    Un instant s'il vous plaît Een momentje, alsjeblieft.

    Un instant, s'il vous plaît. Een momentje, alsjeblieft.

  95. Je pense que oui — Ik denk het wel.
    Je pense que oui Ik denk het wel.

    Moi aussi, je pense que oui. Ik denk het ook.

  96. Je ne sais pas — Ik weet het niet.
    Je ne sais pas Ik weet het niet.

    Je ne sais pas. Ik weet het niet.

  97. ce ...-ci — dit
    ce ...-ci dit

    Cette voiture-ci est ma voiture rouge. Dit is mijn rode auto.

  98. ce ...-là — die
    ce ...-là die

    Ce chien-là est très amical. Die hond is erg vriendelijk.

  99. ici — hier
    ici hier

    J'aime être ici. Ik vind het fijn om hier te zijn.

  100. là — daar
    là daar

    On se retrouve là après le travail. We spreken daar na het werk af.

Gratis voor persoonlijk gebruik en in de klas.

Snelle quiz

Vijf vragen over de eerste 100 woorden.

Leer deze 100 Franse woorden op volgorde.

De app leert ze je 12 tegelijk, met afbeeldingen en audio, en brengt elk woord terug voordat je het vergeet. Gratis op iPhone en Android.

Scan de code met de camera van je telefoon om de app te downloaden.