De 1000 meest gebruikte Japanse woorden

Elk woord met een afbeelding, native audio en een voorbeeldzin met Nederlandse vertaling. Tik op een luidspreker om het woord of de zin te horen.

Leer alle 1000 woorden in de app

Met afbeeldingen, native audio, en elk woord komt terug vlak voordat je het zou vergeten. Gratis op iPhone en Android.

Gratis downloaden
Download in de App Store Ontdek het op Google Play Scan met de camera van je telefoon

Hoe deze lijst is gerangschikt

Dit is de Flashcardly-cursus Japans op volgorde: gerangschikt op frequentie en nut in het dagelijks leven, met input van taaldocenten. Het is dus geen kale telling uit een tekstcorpus, en daarom staan woorden als “de” en “van” niet bovenaan de lijst, terwijl “man” op nummer 13 staat.

De lijst

Fout melden

Vertel ons wat er niet klopt. We bekijken elke melding.

Wat klopt er niet?

Tik op een plaatje om het te horen.

Woorden 1–100

  1. こんにちは — Hallo
    こんにちは konnichiwa Hallo

    こんにちは、お元気ですか? Konnichiwa, o genki desu ka? Hallo, hoe gaat het?

  2. ようこそ — Welkom
    ようこそ yōkoso Welkom

    わが家へようこそ。 Wagaya e yōkoso. Welkom in ons huis.

  3. おはようございます — Goedemorgen
    おはようございます ohayō gozaimasu Goedemorgen

    おはようございます。 ohayō gozaimasu. Goedemorgen!

  4. はい — ja
    はい hai ja

    はい、分かります。 hai wakarimasu Ja, ik begrijp het.

  5. こんばんは — Goedenavond
    こんばんは konbanwa Goedenavond

    こんばんは。 Konbanwa. Goedenavond!

  6. いいえ — nee
    いいえ iie nee

    彼女はいいえと言いました。 kanojo wa iie to iimashita Ze zei nee.

  7. さようなら — doei
    さようなら sayounara doei

    さようなら、アンナさん。 sayounara, Anna san. Doei, Anna!

  8. こんにちは — Goedemiddag
    こんにちは konnichiwa Goedemiddag

    こんにちは! konnichiwa! Goedemiddag!

  9. また会いましょう — Tot snel
    また会いましょう mata aimashō Tot snel

    ミアさん、また会いましょう。 Mia-san, mata aimashō. Tot snel, Mia!

  10. また明日 — Tot morgen
    また明日 mata ashita Tot morgen

    また明日。 mata ashita. Tot morgen!

  11. はじめまして — Aangenaam
    はじめまして hajimemashite Aangenaam

    こちらこそ、はじめまして。 Kochira koso, hajimemashite. Aangenaam kennis te maken!

  12. お元気ですか — Hoe gaat het met je
    お元気ですか o genki desu ka Hoe gaat het met je

    今日はお元気ですか? Kyō wa o genki desu ka? Hoe gaat het met je vandaag?

  13. 男の人 — de man
    男の人 otoko no hito de man

    その男の人は本を読みます。 sono otoko no hito wa hon o yomimasu. De man leest het boek.

  14. 女性 — de vrouw
    女性 josei de vrouw

    その女性は帽子をかぶっています。 sono josei wa bōshi o kabutte imasu. De vrouw draagt een hoed.

  15. 男の子 — de jongen
    男の子 otokonoko de jongen

    男の子はおもちゃで遊びます。 Otokonoko wa omocha de asobimasu. De jongen speelt met speelgoed.

  16. 女の子 — het meisje
    女の子 onnanoko het meisje

    その女の子はボールを持っています。 Sono onnanoko wa bōru o motte imasu. Het meisje heeft een bal.

  17. 人 — de persoon
    人 hito de persoon

    彼は優しい人です。 Kare wa yasashii hito desu. Hij is een aardig persoon.

  18. 人々 — de mensen
    人々 hitobito de mensen

    人々はとても幸せです。 Hitobito wa totemo shiawase desu. De mensen zijn erg blij.

  19. 大人 — de volwassene
    大人 otona de volwassene

    私は大人です。 watashi wa otona desu Ik ben een volwassene.

  20. 赤ちゃん — de baby
    赤ちゃん akachan de baby

    赤ちゃんはミルクが必要です。 Akachan wa miruku ga hitsuyō desu. De baby heeft melk nodig.

  21. さん — meneer
    さん san meneer

    スミスさんは本を読むのが好きです。 Sumisu-san wa hon o yomu no ga suki desu. Meneer Smith leest graag boeken.

  22. 夫人 — mevrouw
    夫人 fujin mevrouw

    スミス夫人は先生です。 Sumisu fujin wa sensei desu. Mevrouw Smith is een lerares.

  23. 隣人 — de buurman
    隣人 rinjin de buurman

    私の隣人はとても親切です。 Watashi no rinjin wa totemo shinsetsu desu. Mijn buurman is erg vriendelijk.

  24. 友達 — de vriend
    友達 tomodachi de vriend

    私の友達は本を読むのが好きです。 watashi no tomodachi wa hon o yomu no ga suki desu. Mijn vriend leest graag boeken.

  25. 今日 — vandaag
    今日 kyō vandaag

    今日はいい日です。 Kyō wa ii hi desu. Vandaag is een goede dag.

  26. 明日 — morgen
    明日 ashita morgen

    明日は新しい日です。 Ashita wa atarashii hi desu. Morgen is een nieuwe dag.

  27. 昨日 — gisteren
    昨日 kinou gisteren

    私は昨日彼女に会いました。 watashi wa kinou kanojo ni aimashita Ik heb haar gisteren gezien.

  28. 今 — nu
    今 ima nu

    彼は今、それを欲しがっています。 Kare wa ima sore o hoshigatte imasu. Hij wil het nu.

  29. 午後 — de middag
    午後 gogo de middag

    私は午後が好きです。 watashi wa gogo ga suki desu Ik vind de middag fijn.

  30. 晩 — de avond
    晩 ban de avond

    晩は静かです。 Ban wa shizuka desu. De avond is rustig.

  31. 分 — de minuut
    分 fun de minuut

    私たちは5分必要です。 watashitachi wa go fun hitsuyō desu We hebben vijf minuten nodig.

  32. 朝 — de ochtend
    朝 asa de ochtend

    私は朝に朝ご飯を食べます。 watashi wa asa ni asagohan o tabemasu. Ik eet 's ochtends mijn ontbijt.

  33. 後で — later
    後で ato de later

    私はそれを後でします。 Watashi wa sore o ato de shimasu. Ik doe het later.

  34. 早い — vroeg
    早い hayai vroeg

    彼女は早く起きます。 kanojo wa hayaku okimasu Zij wordt vroeg wakker.

  35. 遅れる — te laat
    遅れる okureru te laat

    彼はよく遅れます。 kare wa yoku okuremasu Hij is vaak te laat.

  36. 時間 — het uur
    時間 jikan het uur

    授業は一時間です。 Jugyō wa ichi-jikan desu. De les duurt één uur.

  37. お名前は何ですか? — Hoe heet je?
    お名前は何ですか? o namae wa nan desu ka? Hoe heet je?

    お名前は何ですか? o namae wa nan desu ka? Hoe heet je?

  38. 私の名前は — Mijn naam is
    私の名前は watashi no namae wa Mijn naam is

    私の名前はエミリーです。 Watashi no namae wa Emirī desu. Mijn naam is Emily.

  39. 出身はどこですか? — Waar kom je vandaan?
    出身はどこですか? shusshin wa doko desu ka Waar kom je vandaan?

    出身はどこですか? Shusshin wa doko desu ka Waar kom je vandaan?

  40. 〜出身です — Ik kom uit ...
    〜出身です shusshin desu Ik kom uit ...

    ドイツ出身です。 Doitsu shusshin desu. Ik kom uit Duitsland.

  41. どこに住んでいますか — Waar woon je
    どこに住んでいますか doko ni sunde imasu ka Waar woon je

    どこに住んでいますか? doko ni sunde imasu ka? Waar woon je?

  42. 〜に住む — Ik woon in
    〜に住む ni sumu Ik woon in

    私は日本に住んでいます。 Watashi wa Nihon ni sunde imasu. Ik woon in Japan.

  43. 何語を話しますか? — Welke talen spreek je?
    何語を話しますか? nanigo o hanashimasu ka? Welke talen spreek je?

    何語を話しますか? nanigo o hanashimasu ka? Welke talen spreek je?

  44. 話す — ik spreek
    話す hanasu ik spreek

    私は英語を上手に話します。 watashi wa eigo o jouzu ni hanashimasu Ik spreek goed Engels.

  45. 少し話す — Ik spreek een beetje ...
    少し話す sukoshi hanasu Ik spreek een beetje ...

    私はフランス語を少し話します。 Watashi wa Furansugo o sukoshi hanashimasu. Ik spreek een beetje Frans.

  46. どこで生まれましたか — Waar ben je geboren
    どこで生まれましたか doko de umaremashita ka Waar ben je geboren

    どこで生まれましたか? doko de umaremashita ka Waar ben je geboren?

  47. 名字は何ですか? — Wat is je achternaam?
    名字は何ですか? myōji wa nan desu ka Wat is je achternaam?

    名字は何ですか? myōji wa nan desu ka Wat is je achternaam?

  48. こちらは私の友達の...です — Dit is mijn vriend(in)
    こちらは私の友達の...です kochira wa watashi no tomodachi no ... desu Dit is mijn vriend(in)

    こちらは私の友達のリサです。 kochira wa watashi no tomodachi no Risa desu. Dit is mijn vriendin Lisa.

  49. 作る — maken
    作る tsukuru maken

    私は美味しいコーヒーを作ります。 Watashi wa oishii kōhī o tsukurimasu. Ik maak goede koffie.

  50. もらう — krijgen
    もらう morau krijgen

    彼はプレゼントをもらいました。 Kare wa purezento o moraimashita. Hij kreeg een cadeau.

  51. 持つ — hebben
    持つ motsu hebben

    エマさんは車を持っています。 Ema-san wa kuruma o motte imasu. Emma heeft een auto.

  52. 食べる — eten
    食べる taberu eten

    彼らはりんごを食べています。 karera wa ringo o tabete imasu Zij eten appels.

  53. 飲む — drinken
    飲む nomu drinken

    コーヒーを飲みますか? Kōhī o nomimasu ka? Drink jij koffie?

  54. 寝る — slapen
    寝る neru slapen

    私は今寝たいです。 Watashi wa ima netai desu. Ik wil nu slapen.

  55. 見える — zien
    見える mieru zien

    家が見えますか? Ie ga miemasu ka? Kun je het huis zien?

  56. 見る — kijken naar
    見る miru kijken naar

    アダムさんは写真を見るのが好きです。 Adamu-san wa shashin o miru no ga suki desu. Adam vindt het leuk om naar foto's te kijken.

  57. 読む — lezen
    読む yomu lezen

    学生は本を読みます。 Gakusei wa hon o yomimasu. De student leest boeken.

  58. 開ける — openen
    開ける akeru openen

    彼女は窓を開けます。 Kanojo wa mado o akemasu. Zij opent het raam.

  59. 閉める — sluiten
    閉める shimeru sluiten

    私はドアを閉めます。 Watashi wa doa o shimemasu. Ik sluit de deur.

  60. 来る — komen
    来る kuru komen

    あなたは毎日ここに来ます。 anata wa mainichi koko ni kimasu Je komt hier elke dag.

  61. ください — alsjeblieft
    ください kudasai alsjeblieft

    ドアを開けてください。 doa o akete kudasai Wil je alsjeblieft de deur openen?

  62. ありがとうございます — Dank je wel
    ありがとうございます arigatou gozaimasu Dank je wel

    手伝ってくれてありがとうございます。 Tetsudatte kurete arigatou gozaimasu. Dank je wel voor je hulp.

  63. どういたしまして — Graag gedaan.
    どういたしまして dō itashimashite Graag gedaan.

    どういたしまして。 dō itashimashite Graag gedaan.

  64. すみません — Pardon
    すみません sumimasen Pardon

    すみません、助けが必要です。 Sumimasen, tasuke ga hitsuyō desu. Pardon, ik heb hulp nodig.

  65. すみません — sorry
    すみません sumimasen sorry

    すみません。 sumimasen. Het spijt me.

  66. 手伝ってもらえますか? — Kun je me helpen?
    手伝ってもらえますか? tetsudatte moraemasu ka Kun je me helpen?

    手伝ってもらえますか? tetsudatte moraemasu ka? Kun je me helpen?

  67. もう一度言ってください — Kun je dat alsjeblieft herhalen?
    もう一度言ってください mou ichido itte kudasai Kun je dat alsjeblieft herhalen?

    もう一度言ってください。 mou ichido itte kudasai Kun je dat alsjeblieft herhalen?

  68. もう少しゆっくり話していただけますか — Zou je wat langzamer kunnen spreken?
    もう少しゆっくり話していただけますか mō sukoshi yukkuri hanashite itadakemasu ka Zou je wat langzamer kunnen spreken?

    もう少しゆっくり話していたいただけけますか? mō sukoshi yukkuri hanashite itadakemasu ka Zou je wat langzamer kunnen spreken?

  69. 〜をいただけますか — Mag ik ... alsjeblieft?
    〜をいただけますか o itadakemasu ka Mag ik ... alsjeblieft?

    お水をいただけますか? o mizu o itadakemasu ka Mag ik water alsjeblieft?

  70. 〜をください — ik zou graag ... willen
    〜をください ~ o kudasai ik zou graag ... willen

    お茶をもう少しください。 Ocha o mō sukoshi kudasai. Ik zou graag nog wat thee willen.

  71. 〜てもいいですか — Mag ik ...?
    〜てもいいですか te mo ii desu ka Mag ik ...?

    お水をいただいてもいいですか? o mizu o itadaite mo ii desu ka Mag ik wat water?

  72. ~てもいいですか — Is het goed als ...?
    ~てもいいですか ~te mo ii desu ka Is het goed als ...?

    座ってもいいですか? Suwatte mo ii desu ka? Is het goed als ik ga zitten?

  73. ゼロ — nul
    ゼロ zero nul

    ゼロは一より小さいです。 zero wa ichi yori chiisai desu. Nul is minder dan één.

  74. 一 — één
    一 ichi één

    私はりんごを一個持っています。 watashi wa ringo o ikko motte imasu. Ik heb één appel.

  75. 二 — twee
    二 ni twee

    猫が二匹います。 Neko ga nihiki imasu. Er zijn twee katten.

  76. 三 — drie
    三 san drie

    いいえ、三個は多すぎます。 iie, sanko wa ōsugimasu. Nee, drie is te veel.

  77. 四 — vier
    四 yon vier

    四個ください。 yonko kudasai. Geef me er vier, alsjeblieft.

  78. 五 — vijf
    五 go vijf

    私は犬が五匹います。 Watashi wa inu ga gohiki imasu. Ik heb vijf honden.

  79. 六 — zes
    六 roku zes

    彼は六人の友達と来ました。 Kare wa rokunin no tomodachi to kimashita. Hij kwam met zes vrienden.

  80. 七 — zeven
    七 nana zeven

    私は七キロ走っています。 watashi wa nana kiro hashitte imasu. Ik ren zeven kilometer.

  81. 八 — acht
    八 hachi acht

    クモは足が八本あります。 kumo wa ashi ga happon arimasu Een spin heeft acht poten.

  82. 九 — negen
    九 kyū negen

    九は私のラッキーナンバーです。 Kyū wa watashi no rakkī nanbā desu. Negen is mijn geluksgetal.

  83. 十 — tien
    十 jū tien

    私たちには指が十本あります。 Watashitachi ni wa yubi ga juppon arimasu. Wij hebben tien vingers.

  84. プラス — plus
    プラス purasu plus

    二プラス二は四です。 Ni purasu ni wa yon desu. Twee plus twee is vier.

  85. 分かりません — Ik begrijp het niet
    分かりません wakari masen Ik begrijp het niet

    分かりません。 wakari masen. Ik begrijp het niet.

  86. もう一度言ってください — Kun je dat alsjeblieft herhalen?
    もう一度言ってください mou ichido itte kudasai Kun je dat alsjeblieft herhalen?

    もう一度言ってください。 mou ichido itte kudasai Kun je dat alsjeblieft herhalen?

  87. もっとゆっくりお願いします — Iets langzamer, alsjeblieft.
    もっとゆっくりお願いします motto yukkuri onegaishimasu Iets langzamer, alsjeblieft.

    もっとゆっくりお願いします。 motto yukkuri onegaishimasu Iets langzamer, alsjeblieft.

  88. どういう意味ですか — Wat betekent dat?
    どういう意味ですか dou iu imi desu ka Wat betekent dat?

    それはどういう意味ですか? sore wa dou iu imi desu ka Wat betekent dat?

  89. 〜で何と言いますか — Hoe zeg je dat in ...?
    〜で何と言いますか ~ de nani to iimasu ka Hoe zeg je dat in ...?

    それはスペイン語で何と言いますか? Sore wa Supeingo de nani to iimasu ka Hoe zeg je dat in het Spaans?

  90. それはどう書きますか — Hoe spel je dat?
    それはどう書きますか sore wa dō kakimasu ka Hoe spel je dat?

    それはどう書きますか? sore wa dō kakimasu ka? Hoe spel je dat?

  91. 書いてもらえますか — Kun je het opschrijven?
    書いてもらえますか kai te morae masu ka Kun je het opschrijven?

    書いてもらえますか? kai te morae masu ka Kun je het opschrijven, alsjeblieft?

  92. 見せてくれますか — Kun je me ... laten zien
    見せてくれますか misete kuremasu ka Kun je me ... laten zien

    写真を見せてくれますか? shashin o misete kuremasu ka Kun je me de foto laten zien?

  93. 話しますか — Spreek je ...?
    話しますか hanashimasu ka Spreek je ...?

    英語を話しますか? Eigo o hanashimasu ka? Spreek je Engels?

  94. ちょっと待ってください — Een momentje, alsjeblieft.
    ちょっと待ってください chotto matte kudasai Een momentje, alsjeblieft.

    ちょっと待ってください。 chotto matte kudasai. Een momentje, alsjeblieft.

  95. そう思います — Ik denk het wel.
    そう思います sō omoimasu Ik denk het wel.

    私もそう思います。 watashi mo sō omoimasu Ik denk het ook.

  96. わかりません — Ik weet het niet.
    わかりません wakarimasen Ik weet het niet.

    わかりません。 wakarimasen. Ik weet het niet.

  97. これ — dit
    これ kore dit

    これは私の赤い車です。 Kore wa watashi no akai kuruma desu. Dit is mijn rode auto.

  98. その — die
    その sono die

    その犬はとてもフレンドリーです。 sono inu wa totemo furendorii desu. Die hond is erg vriendelijk.

  99. ここ — hier
    ここ koko hier

    ここにいるのが好きです。 koko ni iru no ga suki desu Ik vind het fijn om hier te zijn.

  100. そこ — daar
    そこ soko daar

    仕事の後にそこで会います。 shigoto no ato ni soko de aimasu. We spreken daar na het werk af.

Woorden 101–200

  1. もう一つ — nog een
    もう一つ mō hitotsu nog een

    彼はケーキをもう一つ欲しがっています。 kare wa kēki o mō hitotsu hoshigatte imasu. Hij wil nog een stukje taart.

  2. 同じ — hetzelfde
    同じ onaji hetzelfde

    私たちは同じ青いシャツを着ます。 Watashitachi wa onaji aoi shatsu o kimasu. Wij dragen hetzelfde blauwe shirt.

  3. これら — deze
    これら kore ra deze

    これらのりんごは食べ頃です。 kore ra no ringo wa tabegoro desu. Deze appels zijn klaar om te eten.

  4. それらの — die
    それらの sorera no die

    それらのクッキーはとても美味しそうです。 Sorera no kukkī wa totemo oishisō desu. Die koekjes zien er erg lekker uit.

  5. ここ — precies hier
    ここ koko precies hier

    鍵はここにあります。 kagi wa koko ni arimasu. De sleutels liggen precies hier.

  6. あそこ — daar
    あそこ asoko daar

    私の靴はあそこにあります。 Watashi no kutsu wa asoko ni arimasu. Mijn schoenen staan daar.

  7. 上 — boven op
    上 ue boven op

    猫はテーブルの上にいます。 neko wa tēburu no ue ni imasu De kat zit boven op de tafel.

  8. 下 — onder
    下 shita onder

    犬はテーブルの下にいます。 Inu wa tēburu no shita ni imasu. De hond zit onder de tafel.

  9. 最近どうですか — Hoe gaat het?
    最近どうですか saikin dō desu ka Hoe gaat het?

    最近どうですか? saikin dō desu ka? Hoe gaat het?

  10. お久しぶりです — Lang niet gezien.
    お久しぶりです o hisashiburi desu Lang niet gezien.

    お久しぶりです。 o hisashiburi desu Lang niet gezien.

  11. 何を楽しんでいますか — Waar geniet je van
    何を楽しんでいますか nani o tanoshinde imasu ka Waar geniet je van

    何を楽しんでいますか? nani o tanoshinde imasu ka Waar geniet je van?

  12. 何をしている — Wat ben je aan het doen ...?
    何をしている nani o shite iru Wat ben je aan het doen ...?

    今は何をしていますか? ima wa nani o shite imasu ka Wat ben je nu aan het doen?

  13. 良い一日を — Prettige dag
    良い一日を yoi ichinichi o Prettige dag

    ジョンさん、良い一日を過ごしてください。 Jon-san, yoi ichinichi o sugoshite kudasai. Prettige dag nog, John!

  14. 気をつけてください — Pas goed op jezelf
    気をつけてください ki o tsukete kudasai Pas goed op jezelf

    気をつけてください。また明日。 ki o tsukete kudasai. mata ashita. Pas goed op jezelf. Tot morgen.

  15. 頑張ってください — Veel succes!
    頑張ってください ganbatte kudasai Veel succes!

    頑張ってください!信じています。 ganbatte kudasai! shinjite imasu. Veel succes! Ik geloof in je!

  16. おめでとうございます — Gefeliciteerd!
    おめでとうございます omedetō gozaimasu Gefeliciteerd!

    おめでとうございます!大変な仕事を終えました。 Omedetō gozaimasu! Taihen na shigoto o oemashita. Gefeliciteerd! Je hebt het zware werk afgerond.

  17. 乾杯 — Proost!
    乾杯 kanpai Proost!

    乾杯! Kanpai! Proost!

  18. 問題ありません — Geen probleem
    問題ありません mondai arimasen Geen probleem

    問題ありません。お手伝いできます。 mondai arimasen. otetsudai dekimasu. Geen probleem, ik kan je helpen.

  19. 心配しないでください — Maak je geen zorgen
    心配しないでください shinpai shinaide kudasai Maak je geen zorgen

    心配しないでください、大丈夫ですよ。 shinpai shinaide kudasai, daijōbu desu yo. Maak je geen zorgen, het komt wel goed.

  20. いいですね — Dat klinkt goed
    いいですね ii desu ne Dat klinkt goed

    いいですね、ありがとうございます。 ii desu ne arigatou gozaimasu Dat klinkt goed voor mij, bedankt!

  21. 知る — weten
    知る shiru weten

    あなたは今、答えを知っています。 anata wa ima kotae o shitte imasu Je weet het antwoord nu.

  22. 尋ねる — vragen
    尋ねる tazuneru vragen

    お兄さんに尋ねてもいいですよ。 Onīsan ni tazunete mo ii desu yo. Je kunt het aan je broer vragen.

  23. 聞こえる — horen
    聞こえる kikoeru horen

    あの音が聞こえますか? Ano oto ga kikoemasu ka? Kun je dat geluid horen?

  24. 学ぶ — leren
    学ぶ manabu leren

    毎日何か新しいことを学びます。 mainichi nanika atarashii koto o manabimasu Je leert elke dag iets nieuws.

  25. 話す — praten met
    話す hanasu praten met

    友達と話すのが好きですか? Tomodachi to hanasu no ga suki desu ka? Vind je het leuk om met je vrienden te praten?

  26. 言う — zeggen
    言う iu zeggen

    私は何か言いたいです。 watashi wa nanika iitai desu. Ik wil iets zeggen.

  27. 選ぶ — kiezen
    選ぶ erabu kiezen

    好きな色を選びます。 Suki na iro o erabimasu. Je kiest je favoriete kleur.

  28. 書く — schrijven
    書く kaku schrijven

    学生たちは物語を書きます。 Gakusei-tachi wa monogatari o kakimasu. De studenten schrijven een verhaal.

  29. 電話する — bellen
    電話する denwa suru bellen

    私はあなたに電話します。 Watashi wa anata ni denwa shimasu. Ik ga je bellen.

  30. 聞く — luisteren naar
    聞く kiku luisteren naar

    私はラジオを聞きます。 Watashi wa rajio o kikimasu. Ik luister naar de radio.

  31. 勉強する — studeren
    勉強する benkyō suru studeren

    私はどのテストも一生懸命勉強します。 watashi wa dono tesuto mo isshōkenmei benkyō shimasu. Ik moet hard studeren voor elke toets.

  32. 教える — vertellen
    教える oshieru vertellen

    彼は私に名前を教えます。 Kare wa watashi ni namae o oshiemasu. Hij vertelt me zijn naam.

  33. 会う — ontmoeten
    会う au ontmoeten

    明日あなたに会います。 Ashita anata ni aimasu. Ik ontmoet je morgen.

  34. 加わる — zich aansluiten bij
    加わる kuwawaru zich aansluiten bij

    彼女は私たちのグループに加わります。 kanojo wa watashitachi no gurūpu ni kuwawarimasu. Zij zal zich bij onze groep aansluiten.

  35. 楽しむ — genieten van
    楽しむ tanoshimu genieten van

    私たちは音楽を楽しんでいます。 watashitachi wa ongaku o tanoshinde imasu Wij genieten van de muziek.

  36. 説明する — beschrijven
    説明する setsumei suru beschrijven

    その男の子はその動物について説明しました。 Sono otokonoko wa sono dōbutsu ni tsuite setsumei shimashita. De jongen beschreef het dier.

  37. 説明する — uitleggen
    説明する setsumei suru uitleggen

    彼女がその問題を説明します。 kanojo ga sono mondai o setsumei shimasu Zij zal het probleem uitleggen.

  38. 教える — lesgeven
    教える oshieru lesgeven

    私は新入生に教えます。 watashi wa shinnyūsei ni oshiemasu Ik lesgeef de nieuwe studenten.

  39. 紹介する — voorstellen
    紹介する shōkai suru voorstellen

    友達を紹介します。 tomodachi o shōkai shimasu Ik zal mijn vriend voorstellen.

  40. 受け取る — accepteren
    受け取る uketoru accepteren

    彼女はその贈り物を受け取ります。 kanojo wa sono okurimono o uketorimasu. Zij accepteert het cadeau.

  41. 拒む — weigeren
    拒む kobamu weigeren

    その子供は食べ物を拒んでいます。 sono kodomo wa tabemono o kobande imasu Het kind weigert het eten.

  42. 約束する — beloven
    約束する yakusoku suru beloven

    あなたを助けると約束します。 Anata o tasukeru to yakusoku shimasu. Ik beloof dat ik je zal helpen.

  43. 話し合う — bespreken
    話し合う hanashiau bespreken

    彼らは新しい計画について話し合っています。 karera wa atarashii keikaku ni tsuite hanashiatte imasu Zij bespreken het nieuwe plan.

  44. 連絡する — contact opnemen met
    連絡する renraku suru contact opnemen met

    医者に連絡します。 isha ni renraku shimasu Ik zal contact opnemen met de dokter.

  45. 笑う — lachen
    笑う warau lachen

    子供たちが大きな声で笑っています。 Kodomotachi ga ookina koe de waratte imasu. De kinderen lachen hard.

  46. 叫ぶ — schreeuwen
    叫ぶ sakebu schreeuwen

    その男の子は助けを求めて叫びます。 Sono otokonoko wa tasuke o motomete sakebimasu. De jongen schreeuwt om hulp.

  47. 囁く — fluisteren
    囁く sasayaku fluisteren

    彼は私の耳元で囁きます。 kare wa watashi no mimimoto de sasayakimasu. Hij fluistert in mijn oor.

  48. 手を振る — zwaaien
    手を振る te o furu zwaaien

    彼女は別れの手を振る。 Kanojo wa wakare no te o furu. Ze zwaait gedag.

  49. 頷く — knikken
    頷く unazuku knikken

    その女性は頷いています。 sono josei wa unazuite imasu De vrouw knikt met haar hoofd.

  50. 抱きしめる — knuffelen
    抱きしめる dakishimeru knuffelen

    母親が子供を抱きしめています。 Hahaoya ga kodomo o dakishimete imasu. De moeder knuffelt haar kind.

  51. キスする — kussen
    キスする kisu suru kussen

    お母さんは子供にキスします。 okāsan wa kodomo ni kisu shimasu De moeder kust haar kind.

  52. 指さす — wijzen
    指さす yubisasu wijzen

    子供が犬を指さしています。 Kodomo ga inu o yubisashite imasu. Het kind wijst naar de hond.

  53. 瞬きする — knipperen
    瞬きする mabataki suru knipperen

    彼は素早く瞬きしました。 kare wa subayaku mabataki shimashita Hij knippert snel met zijn ogen.

  54. 眉をひそめる — fronsen
    眉をひそめる mayu o hisomeru fronsen

    父親は息子に対して眉をひそめました。 chichioya wa musuko ni taishite mayu o hisomemashita De vader fronst naar zijn zoon.

  55. あくびをする — gapen
    あくびをする akubi o suru gapen

    疲れた男性があくびをしています。 Tsukareta dansei ga akubi o shite imasu. De vermoeide man gaapt.

  56. 嗅ぐ — snuiven
    嗅ぐ kagu snuiven

    犬が食べ物の匂いを嗅いでいます。 Inu ga tabemono no nioi o kaide imasu. De hond snuift aan het eten.

  57. いい — goed
    いい ii goed

    彼女はいい人です。 kanojo wa ii hito desu Zij is een goede persoon.

  58. 悪い — slecht
    悪い warui slecht

    その牛乳はにおいが悪いです。 sono gyūnyū wa nioi ga warui desu. Die melk ruikt slecht.

  59. 大きい — groot
    大きい ōkii groot

    その大きい犬はジャンプできます。 sono ōkii inu wa janpu dekimasu De grote hond kan springen.

  60. 小さい — klein
    小さい chiisai klein

    赤ちゃんは手が小さいです。 akachan wa te ga chiisai desu De baby heeft kleine handjes.

  61. 間違い — fout
    間違い machigai fout

    あなたの答えは間違いです。 anata no kotae wa machigai desu. Je antwoord is fout.

  62. 易しい — makkelijk
    易しい yasashii makkelijk

    この数学の問題は易しいです。 Kono sūgaku no mondai wa yasashii desu. Deze som is makkelijk.

  63. 難しい — moeilijk
    難しい muzukashii moeilijk

    あのテストは難しかったです。 ano tesuto wa muzukashikatta desu Die toets was moeilijk.

  64. 速い — snel
    速い hayai snel

    車はとても速く走ります。 Kuruma wa totemo hayaku hashirimasu. Auto's rijden erg snel.

  65. 遅い — langzaam
    遅い osoi langzaam

    かめはとても遅いです。 kame wa totemo osoi desu De schildpad is erg langzaam.

  66. 新しい — nieuw
    新しい atarashii nieuw

    これは新しい車です。 Kore wa atarashii kuruma desu. Dit is een nieuwe auto.

  67. 本当 — waar
    本当 hontō waar

    この話は本当ですか? Kono hanashi wa hontō desu ka? Is dit verhaal waar?

  68. 間違い — onjuist
    間違い machigai onjuist

    その答えは間違いです。 sono kotae wa machigai desu Het antwoord is onjuist.

  69. ~たい — Ik wil
    ~たい tai Ik wil

    私はピザを食べたいです。 Watashi wa piza o tabetai desu. Ik wil pizza eten.

  70. なければならない — ik moet ...
    なければならない nakereba naranai ik moet ...

    彼女に電話をしなければなりません。 kanojo ni denwa o shinakereba narimasen Ik moet haar bellen.

  71. つもり — ik ga ...
    つもり tsumori ik ga ...

    もうすぐ食べるつもりです。 mō sugu taberu tsumori desu Ik ga zo eten.

  72. たい — ik zou graag ...
    たい tai ik zou graag ...

    私はテニスをしたいです。 watashi wa tenisu o shitai desu Ik zou graag tennissen.

  73. なければならない — ik moet
    なければならない nakereba naranai ik moet

    もう行かなければなりません。 mou ikanakereba narimasen Ik moet nu gaan.

  74. 〜てもいいですか — Mag ik ...
    〜てもいいですか ~te mo ii desu ka Mag ik ...

    お水をもらってもいいですか? O mizu o moratte mo ii desu ka? Mag ik water, alsjeblieft?

  75. 〜を手伝ってください — help me met ...
    〜を手伝ってください ~ o tetsudatte kudasai help me met ...

    このカバンを持つのを手伝ってください。 Kono kaban o motsu no o tetsudatte kudasai. Help me alsjeblieft met deze tas.

  76. やり方を教えてください — laat me zien hoe je ...
    やり方を教えてください yarikata o oshiete kudasai laat me zien hoe je ...

    これのやり方を教えてください。 Kore no yarikata o oshiete kudasai. Laat me zien hoe je dit doet.

  77. 今は~できない — Ik kan nu niet ...
    今は~できない ima wa ~ dekinai Ik kan nu niet ...

    今は手伝えません。 ima wa tetsudaemasen Ik kan nu niet helpen.

  78. ~ようとする — Ik probeer te
    ~ようとする ~yō to suru Ik probeer te

    今、寝ようとしています。 Ima neyō to shite imasu. Ik probeer te slapen nu.

  79. ことができる — Is het mogelijk om ...
    ことができる koto ga dekiru Is het mogelijk om ...

    ここで泳ぐことができますか? koko de oyogu koto ga dekimasu ka Is het mogelijk om hier te zwemmen?

  80. どこで〜られますか — Waar kan ik ...
    どこで〜られますか doko de ~ rare masu ka Waar kan ik ...

    どこで昼ご飯を食べられますか? doko de hiru gohan o taberaremasu ka Waar kan ik lunchen?

  81. 月曜日 — maandag
    月曜日 getsuyōbi maandag

    月曜日は最初の日です。 Getsuyōbi wa saisho no hi desu. Maandag is de eerste dag.

  82. 火曜日 — dinsdag
    火曜日 kayōbi dinsdag

    火曜日はいつも楽しいです。 kayōbi wa itsumo tanoshii desu. Dinsdag is altijd leuk.

  83. 水曜日 — woensdag
    水曜日 suiyōbi woensdag

    彼女は水曜日に家に帰ります。 Kanojo wa suiyōbi ni ie ni kaerimasu. Ze gaat woensdag naar huis.

  84. 木曜日 — donderdag
    木曜日 mokuyōbi donderdag

    彼は木曜日に来ます。 Kare wa mokuyōbi ni kimasu. Hij komt op donderdag.

  85. 金曜日 — vrijdag
    金曜日 kin'yōbi vrijdag

    金曜日は最高の日です。 Kin'yōbi wa saikō no hi desu. Vrijdag is de beste dag.

  86. 土曜日 — zaterdag
    土曜日 doyōbi zaterdag

    私は土曜日に出発します。 Watashi wa doyōbi ni shuppatsu shimasu. Ik vertrek op zaterdag.

  87. 日曜日 — zondag
    日曜日 nichiyōbi zondag

    私は日曜日に休みます。 Watashi wa nichiyōbi ni yasumimasu. Ik ga op zondag uitrusten.

  88. 平日 — de doordeweekse dag
    平日 heijitsu de doordeweekse dag

    彼女は平日は毎朝働いています。 Kanojo wa heijitsu wa maiasa hataraite imasu. Ze werkt elke doordeweekse ochtend.

  89. 週末 — het weekend
    週末 shūmatsu het weekend

    週末が好きではない人はだれですか? shūmatsu ga suki de wa nai hito wa dare desu ka Wie houdt er niet van het weekend?

  90. 毎日 — dagelijks
    毎日 mainichi dagelijks

    私たちは毎日新聞を読みます。 Watashitachi wa mainichi shinbun o yomimasu. Wij lezen dagelijks de krant.

  91. 毎週 — wekelijks
    毎週 maishū wekelijks

    私はたいてい毎週ニュースを見ます。 Watashi wa taitei maishū nyūsu o mimasu. Ik kijk meestal wekelijks naar het nieuws.

  92. 毎月 — maandelijks
    毎月 maitsuki maandelijks

    彼らは毎月の料金を払います。 Karera wa maitsuki no ryōkin o haraimasu. Zij betalen de maandelijkse prijs.

  93. 一日 — de dag
    一日 ichinichi de dag

    私たちは一日待ちました。 watashitachi wa ichinichi machimashita We hebben één dag gewacht.

  94. 夜 — de nacht
    夜 yoru de nacht

    私たちは夜に眠ります。 watashitachi wa yoru ni nemurimasu Wij slapen 's nachts.

  95. 週間 — de week
    週間 shūkan de week

    私たちは1週間滞在しました。 watashitachi wa isshūkan taizai shimashita We zijn één week gebleven.

  96. ヶ月 — de maand
    ヶ月 kagetsu de maand

    彼は1ヶ月間働きました。 kare wa ikkagetsukan hatarakimashita Hij heeft één maand gewerkt.

  97. 年 — het jaar
    年 nen het jaar

    私たちは一年間待ちました。 watashitachi wa ichinenkan machimashita. We hebben één jaar gewacht.

  98. 時間 — de tijd
    時間 jikan de tijd

    もっと時間が必要です。 motto jikan ga hitsuyō desu We hebben meer tijd nodig.

  99. 少しの間 — het moment
    少しの間 sukoshi no aida het moment

    彼は少しの間待った。 kare wa sukoshi no aida matta Hij wachtte even een moment.

  100. 将来 — de toekomst
    将来 shōrai de toekomst

    私は将来について考えます。 watashi wa shōrai ni tsuite kangaemasu Ik denk na over de toekomst.

Woorden 201–300

  1. 時 — uur
    時 ji uur

    私は7時に起きます。 Watashi wa shichi ji ni okimasu. Ik word om zeven uur wakker.

  2. 真夜中 — de middernacht
    真夜中 mayonaka de middernacht

    私たちは真夜中に出発します。 watashitachi wa mayonaka ni shuppatsu shimasu. We vertrekken om middernacht.

  3. 正午 — de middag
    正午 shōgo de middag

    正午は太陽が熱いです。 shōgo wa taiyō ga atsui desu De zon is heet op de middag.

  4. 今夜 — vanavond
    今夜 konya vanavond

    今夜、お客様が到着します。 konya okyakusama ga tōchaku shimasu De gasten komen vanavond aan.

  5. 助ける — de hulp
    助ける tasukeru de hulp

    助けてください!困っています。 Tasukete kudasai! Komatte imasu. Hulp! Ik zit in de problemen.

  6. 危険 — het gevaar
    危険 kiken het gevaar

    私たちは危険な状態です。 Watashitachi wa kiken na jōtai desu. We zijn in gevaar!

  7. 警察 — de politie
    警察 keisatsu de politie

    警察を呼んでください。 keisatsu o yonde kudasai Bel de politie!

  8. 医者 — de dokter
    医者 isha de dokter

    医者が必要です。 isha ga hitsuyō desu Ik heb een dokter nodig!

  9. 救急車 — de ambulance
    救急車 kyūkyūsha de ambulance

    救急車を呼んでください。 kyūkyūsha o yonde kudasai Bel een ambulance!

  10. 消防士 — de brandweerman
    消防士 shōbōshi de brandweerman

    消防士はヒーローです。 Shōbōshi wa hīrō desu. De brandweermannen zijn helden.

  11. 事故 — het ongeluk
    事故 jiko het ongeluk

    私は事故に遭いました。 watashi wa jiko ni aimashita Ik heb een ongeluk gehad.

  12. 守る — beschermen
    守る mamoru beschermen

    警察は私たちを守ります。 Keisatsu wa watashitachi o mamorimasu. De politie moet ons beschermen.

  13. 警告する — waarschuwen
    警告する keikoku suru waarschuwen

    私は彼らに警告しなければなりません! Watashi wa karera ni keikoku shinakereba narimasen! Ik moet ze waarschuwen!

  14. アラーム — de wekker
    アラーム araamu de wekker

    アラームが鳴りました! araamu ga narimashita! De wekker ging af!

  15. 火事 — de brand
    火事 kaji de brand

    火事です! kaji desu Er is brand!

  16. 煙 — de rook
    煙 kemuri de rook

    建物から煙が出ています! Tatemono kara kemuri ga dete imasu! Er komt rook uit het gebouw!

  17. として働く — werken als
    として働く toshite hataraku werken als

    彼らは病院の看護師として働いています。 Karera wa byōin no kangoshi toshite hataraite imasu. Ze werken als verpleegkundigen in het ziekenhuis.

  18. 買う — kopen
    買う kau kopen

    ここで果物が買えます。 Koko de kudamono ga kaemasu. Je kunt hier fruit kopen.

  19. 払う — betalen
    払う harau betalen

    これのお金を払わなければなりません。 kore no okane o harawanakereba narimasen. Je moet hiervoor betalen.

  20. 売る — verkopen
    売る uru verkopen

    ここでは新鮮な果物を売っています。 koko de wa shinsen na kudamono o utte imasu Ze verkopen hier vers fruit.

  21. 置く — leggen
    置く oku leggen

    彼はテーブルの上に本を置きます。 Kare wa tēburu no ue ni hon o okimasu. Hij legt het boek op tafel.

  22. 座る — zitten
    座る suwaru zitten

    エマさんはその椅子に座ります。 Ema-san wa sono isu ni suwarimasu. Emma zit in die stoel.

  23. 立つ — staan
    立つ tatsu staan

    私はドアのそばに立ちます。 watashi wa doa no soba ni tachimasu Ik sta bij de deur.

  24. 泳ぐ — zwemmen
    泳ぐ oyogu zwemmen

    彼らは速く泳げます。 Karera wa hayaku oyogemasu. Zij kunnen snel zwemmen.

  25. 運転する — rijden
    運転する unten suru rijden

    気をつけて運転しなければなりません。 ki o tsukete unten shinakereba narimasen. Je moet voorzichtig rijden.

  26. 予定する — plannen
    予定する yotei suru plannen

    彼らは近いうちに訪ねることを予定しています。 Karera wa chikai uchi ni tazuneru koto o yotei shite imasu. Zij plannen om binnenkort op bezoek te komen.

  27. 終わらせる — afmaken
    終わらせる owaraseru afmaken

    彼は後で宿題を終わらせることができます。 kare wa ato de shukudai o owaraseru koto ga dekimasu Hij kan zijn huiswerk later afmaken.

  28. あげる — geven
    あげる ageru geven

    私は友達にプレゼントをあげます。 watashi wa tomodachi ni purezento o agemasu. Ik geef cadeaus aan vrienden.

  29. 十一 — elf
    十一 jūichi elf

    私はいつも十一個もらいます。 Watashi wa itsumo jūikko moraimasu. Ik krijg altijd elf stukken.

  30. 十二 — twaalf
    十二 jūni twaalf

    パックの中に卵が十二個あります。 pakku no naka ni tamago ga jūniko arimasu. Er zitten twaalf eieren in een doos.

  31. 十三 — dertien
    十三 jūsan dertien

    十三という数字は不吉です。 jūsan to iu sūji wa fukitsu desu. Het getal dertien brengt ongeluk.

  32. 十四 — veertien
    十四 jūyon veertien

    そのアパートは十四階あります。 Sono apāto wa jūyon kai arimasu. Het appartementencomplex heeft veertien verdiepingen.

  33. 十五 — vijftien
    十五 jūgo vijftien

    私は本の十五ページを開きます。 Watashi wa hon no jūgo pēji o hirakimasu. Ik sla het boek open op pagina vijftien.

  34. 十六 — zestien
    十六 jūroku zestien

    それは十六倍も多いです。 Sore wa jūroku bai mo ooi desu. Dat is zestien keer meer!

  35. 十七 — zeventien
    十七 jūnana zeventien

    私たちは鉛筆を十七本持っています。 Watashitachi wa enpitsu o jūnana-hon motteimasu. Wij hebben zeventien potloden.

  36. 十八 — achttien
    十八 jūhachi achttien

    高さは十八メートルです。 takasa wa jūhachi mētoru desu Het is achttien meter hoog.

  37. 十九 — negentien
    十九 jūkyū negentien

    十九は私の一番好きな数字です。 Jūkyū wa watashi no ichiban suki na sūji desu. Negentien is mijn lievelingsgetal.

  38. 二十 — twintig
    二十 nijū twintig

    彼女は小さいりんごが二十個必要です。 Kanojo wa chiisai ringo ga nijukko hitsuyō desu. Zij heeft twintig kleine appels nodig.

  39. 三十 — dertig
    三十 sanjū dertig

    彼は三十歳です。 Kare wa sanjussai desu. Hij is dertig jaar oud.

  40. 百 — honderd
    百 hyaku honderd

    彼は百まで数えました。 kare wa hyaku made kazoemashita Hij telde tot honderd.

  41. 四十 — veertig
    四十 yonjū veertig

    彼女は全部で鉛筆を四十本持っています。 kanojo wa zenbu de enpitsu o yonjū-pon motte imasu. Ze heeft in totaal veertig potloden.

  42. 五十 — vijftig
    五十 gojū vijftig

    彼は五十ドル持っています。 kare wa gojū doru motte imasu. Hij heeft vijftig dollar.

  43. 六十 — zestig
    六十 rokujū zestig

    ジョンさんは六十歳です。 Jon-san wa rokujussai desu. John is zestig jaar oud.

  44. 七十 — zeventig
    七十 nanajū zeventig

    私の祖父は七十歳です。 Watashi no sofu wa nanajū-sai desu. Mijn opa is zeventig.

  45. 八十 — tachtig
    八十 hachijū tachtig

    私は砂糖を八十グラム持っています。 Watashi wa satō o hachijū guramu motte imasu. Ik heb tachtig gram suiker.

  46. 九十 — negentig
    九十 kyūjū negentig

    彼は読む本が九十冊あります。 Kare wa yomu hon ga kyūjussatsu arimasu. Hij heeft negentig boeken om te lezen.

  47. 千 — duizend
    千 sen duizend

    千は大きな数です。 Sen wa ōkina kazu desu. Duizend is een groot getal.

  48. 百万 — miljoen
    百万 hyakuman miljoen

    その車は百万ドルします。 Sono kuruma wa hyakuman doru shimasu. Die auto kost een miljoen dollar.

  49. 半分 — helft
    半分 hanbun helft

    彼はピザを半分食べました。 Kare wa piza o hanbun tabemashita. Hij at de helft van de pizza op.

  50. 4分の1 — het kwart
    4分の1 yon bun no ichi het kwart

    4分の1しか残っていません。 yon bun no ichi shika nokotte imasen. Er is nog maar een kwart van over.

  51. ダース — het dozijn
    ダース daasu het dozijn

    私はお店で卵を1ダース買います。 watashi wa omise de tamago o ichi daasu kaimasu. Ik koop een dozijn eieren in de winkel.

  52. 一足 — het paar
    一足 issoku het paar

    その一足の靴はきれいです。 sono issoku no kutsu wa kirei desu. Dat paar schoenen is schoon.

  53. 1位 — eerste
    1位 ichi-i eerste

    彼は簡単に1位を取りました。 Kare wa kantan ni ichi-i o torimashita. Hij won gemakkelijk de eerste plaats.

  54. 2回目 — tweede
    2回目 nikaime tweede

    ここは2回目です。 Koko wa nikaime desu. Dit is de tweede keer dat ik hier ben.

  55. 三位 — derde
    三位 san'i derde

    彼らは三位で終わりました。 karera wa san'i de owarimashita. Ze eindigden op de derde plaats.

  56. 4番目 — vierde
    4番目 yonbanme vierde

    私は列の4番目です。 watashi wa retsu no yonbanme desu. Ik sta als vierde in de rij.

  57. 五番目 — vijfde
    五番目 gobanme vijfde

    彼女は五番目の列にいます。 kanojo wa gobanme no retsu ni imasu Zij zit in de vijfde rij.

  58. 六番目 — zesde
    六番目 rokubanme zesde

    彼は六番目の人です。 Kare wa rokubanme no hito desu. Hij is de zesde persoon.

  59. 七番目 — zevende
    七番目 nanabanme zevende

    彼らは七番目の階に住んでいます。 karera wa nanabanme no kai ni sunde imasu. Ze wonen op de zevende verdieping.

  60. 八番目 — achtste
    八番目 hachibanme achtste

    これは八番目のりんごです。 Kore wa hachibanme no ringo desu. Dit is de achtste appel.

  61. 九番目 — negende
    九番目 kyūbanme negende

    九番目の日は休みです。 Kyūbanme no hi wa yasumi desu. De negende dag is een feestdag.

  62. 10番目 — tiende
    10番目 jūbanme tiende

    彼女は10番目です。 Kanojo wa jūbanme desu. Zij staat op de tiende plaats.

  63. 11回目 — elfde
    11回目 jūikkaime elfde

    彼らは11回目の記念日を祝います。 karera wa jūikkaime no kinenbi o iwaimasu. Ze vieren hun elfde jubileum.

  64. 12番目 — twaalfde
    12番目 jūnibanme twaalfde

    それは12番目の月です。 sore wa jūnibanme no tsuki desu. Dat is de twaalfde maand.

  65. いつも — altijd
    いつも itsumo altijd

    私は朝、いつもコーヒーを飲みます。 Watashi wa asa, itsumo kōhī o nomimasu. Ik drink 's ochtends altijd koffie.

  66. たいてい — meestal
    たいてい taitei meestal

    彼はたいてい正午に昼ご飯を食べます。 Kare wa taitei shōgo ni hirugohan o tabemasu. Hij eet meestal rond het middaguur zijn lunch.

  67. よく — vaak
    よく yoku vaak

    人々はよくここでピザを食べます。 hitobito wa yoku koko de piza o tabemasu. Mensen eten hier vaak pizza.

  68. 時々 — soms
    時々 tokidoki soms

    彼女は時々図書館に行きます。 Kanojo wa tokidoki toshokan ni ikimasu. Zij gaat soms naar de bibliotheek.

  69. めったに — zelden
    めったに metta ni zelden

    私はめったにファストフードを食べません。 watashi wa metta ni fasuto fuudo o tabemasen. Ik eet zelden fastfood.

  70. 全然 — nooit
    全然 zenzen nooit

    彼らはあの店に全然行きません。 karera wa ano mise ni zenzen ikimasen Zij gaan nooit naar die winkel.

  71. 毎日 — elke dag
    毎日 mainichi elke dag

    わたしたちは毎日チョコレートを食べます。 watashitachi wa mainichi chokoreeto o tabemasu. Wij eten elke dag chocolade.

  72. 毎週 — elke week
    毎週 maishū elke week

    彼女は毎週泳ぎます。 kanojo wa maishū oyogimasu. Zij zwemt elke week.

  73. 週末 — in het weekend
    週末 shūmatsu in het weekend

    私は週末に家でゆっくりします。 Watashi wa shūmatsu ni ie de yukkuri shimasu. Ik ontspan in het weekend thuis.

  74. 朝 — in de ochtend
    朝 asa in de ochtend

    人々は朝に朝食を食べます。 hitobito wa asa ni chōshoku o tabemasu. Mensen eten 's ochtends ontbijt.

  75. 夜 — ’s nachts
    夜 yoru ’s nachts

    彼らは夜にベッドで寝ます。 Karera wa yoru ni beddo de nemasu. Ze slapen ’s nachts in hun bedden.

  76. 仕事の後 — na het werk
    仕事の後 shigoto no ato na het werk

    彼は毎日仕事の後にリラックスします。 Kare wa mainichi shigoto no ato ni rirakkusu shimasu. Hij ontspant elke dag na het werk.

  77. 〜に一回 — één keer per ...
    〜に一回 ni ikkai één keer per ...

    私は週に一回行きます。 watashi wa shū ni ikkai ikimasu. Ik ga één keer per week.

  78. に2回 — twee keer per
    に2回 ni ni kai twee keer per

    父は週に2回、来ます。 Chichi wa shū ni ni kai, kimasu. Mijn vader komt twee keer per week op bezoek.

  79. ~おき — om de ...
    ~おき oki om de ...

    彼らは一週間おきに来ます。 Karera wa isshūkan oki ni kimasu. Ze komen om de week langs.

  80. 少なくとも — ten minste
    少なくとも sukunakutomo ten minste

    彼は毎日少なくとも一個はりんごを食べます。 kare wa mainichi sukunakutomo ikko wa ringo o tabemasu. Hij eet ten minste één appel per dag.

  81. せいぜい — hooguit
    せいぜい seizei hooguit

    私はせいぜい二つ買います。 Watashi wa seizei futatsu kaimasu. Ik koop er hooguit twee.

  82. 以上 — meer dan
    以上 ijō meer dan

    これは十分以上の食べ物です。 kore wa jūbun ijō no tabemono desu Dit is meer dan genoeg eten.

  83. 〜より少ない — minder dan
    〜より少ない yori sukunai minder dan

    前回より少なかったです。 zenkai yori sukunakatta desu Je hebt minder dan de vorige keer.

  84. 少し — een beetje
    少し sukoshi een beetje

    彼は少し助けが必要です。 Kare wa sukoshi tasuke ga hitsuyou desu. Hij heeft een beetje hulp nodig.

  85. 少し — een beetje
    少し sukoshi een beetje

    彼女はケーキを少し食べました。 kanojo wa kēki o sukoshi tabemashita. Ze at een beetje van de taart.

  86. たくさん — veel
    たくさん takusan veel

    私はたくさん勉強します。 watashi wa takusan benkyō shimasu. Ik studeer veel.

  87. 過ぎる — te veel
    過ぎる sugiru te veel

    彼らはケーキを食べ過ぎました。 Karera wa keeki o tabesugimashita. Ze aten te veel taart.

  88. 足りない — niet genoeg
    足りない tari nai niet genoeg

    この量は足りません。 kono ryou wa tari masen Dit bedrag is niet genoeg.

  89. 前 — geleden
    前 mae geleden

    二日前に到着しました。 futsuka mae ni tōchaku shimashita. Ik ben twee dagen geleden aangekomen.

  90. もうすぐ — binnenkort
    もうすぐ mōsugu binnenkort

    友達はもうすぐ着きます。 tomodachi wa mōsugu tsukimasu. Mijn vriend komt binnenkort aan.

  91. まだ — nog
    まだ mada nog

    私はまだお腹が空いています。 watashi wa mada onaka ga suite imasu Ik heb nog honger.

  92. これまでに — ooit
    これまでに kore made ni ooit

    これまでに海を見たことがありますか? kore made ni umi o mita koto ga arimasu ka? Heb je ooit de oceaan gezien?

  93. まだ — nog niet
    まだ mada nog niet

    友達はまだ到着していません。 tomodachi wa mada tōchaku shite imasen Mijn vriend is nog niet gearriveerd.

  94. すぐに — meteen
    すぐに sugu ni meteen

    すぐに助けが必要です。 sugu ni tasuke ga hitsuyō desu. Ik heb meteen hulp nodig.

  95. たぶん — misschien
    たぶん tabun misschien

    たぶん彼女は後で来るでしょう。 tabun kanojo wa ato de kuru deshou Misschien komt ze later.

  96. いつか — eens
    いつか itsuka eens

    いつか会いましょう。 Itsuka aimashō. We zullen elkaar eens ontmoeten.

  97. いつでも — altijd
    いつでも itsu demo altijd

    いつでも遊びに来てください。 itsu demo asobi ni kite kudasai. Je kunt ons altijd bezoeken.

  98. 前に — vóór
    前に mae ni vóór

    嵐が来る前に出発しました。 arashi ga kuru mae ni shuppatsu shimashita Wij vertrokken vóór de storm.

  99. 後 — na
    後 ato na

    食事の後に、出発します。 shokuji no ato ni, shuppatsu shimasu. We vertrekken na de maaltijd.

  100. 近頃 — tegenwoordig
    近頃 chikagoro tegenwoordig

    近頃は旅行をする人が増えています。 chikagoro wa ryokō o suru hito ga fuete imasu Mensen reizen tegenwoordig meer.

Woorden 301–400

  1. 一月 — januari
    一月 ichigatsu januari

    一月は最初の月です。 Ichigatsu wa saisho no tsuki desu. Januari is de eerste maand.

  2. 二月 — februari
    二月 nigatsu februari

    二月はたいてい短い月です。 Nigatsu wa taitei mijikai tsuki desu. Februari is meestal een korte maand.

  3. 三月 — maart
    三月 sangatsu maart

    私はたいてい三月に彼らを訪ねます。 Watashi wa taitei sangatsu ni karera o tazunemasu. Ik bezoek hen meestal in maart.

  4. 四月 — april
    四月 shigatsu april

    バスケットボールの試合は四月にあります。 Basukettobōru no shiai wa shigatsu ni arimasu. De basketbalwedstrijd is in april.

  5. 5月 — mei
    5月 gogatsu mei

    私の期末試験は5月にあります。 watashi no kimatsu shiken wa gogatsu ni arimasu. Mijn eindexamen is in mei.

  6. 六月 — juni
    六月 rokugatsu juni

    私は六月までに答えが分かります。 watashi wa rokugatsu made ni kotae ga wakarimasu. Ik weet het antwoord in juni.

  7. 七月 — juli
    七月 shichigatsu juli

    七月はたいていとても暖かい月です。 Shichigatsu wa taitei totemo atatakai tsuki desu. Juli is meestal een erg warme maand.

  8. 8月 — augustus
    8月 hachigatsu augustus

    8月にまた会えますか? hachigatsu ni mata aemasu ka? Kunnen we in augustus weer afspreken?

  9. 九月 — september
    九月 kugatsu september

    私の休みは九月です。 watashi no yasumi wa kugatsu desu. Mijn vakantie is in september.

  10. 10月 — oktober
    10月 jūgatsu oktober

    あなたの誕生日は10月ですか? Anata no tanjōbi wa jūgatsu desu ka? Is je verjaardag in oktober?

  11. 十一月 — november
    十一月 jūichigatsu november

    十一月はどうして雨が降るのですか? jūichigatsu wa dōshite ame ga furu no desu ka? Waarom regent het in november?

  12. 十二月 — december
    十二月 jūnigatsu december

    十二月は最後の月です。 Jūnigatsu wa saigo no tsuki desu. december is de laatste maand.

  13. 越える — over
    越える koeru over

    猫は箱を越えてジャンプします。 neko wa hako o koete janpu shimasu De kat springt over de doos.

  14. 下 — onder
    下 shita onder

    彼らは大きな木の下に住んでいます。 Karera wa ōkina ki no shita ni sunde imasu. Ze wonen onder een grote boom.

  15. 通る — door
    通る tōru door

    彼はドアを通って歩きます。 Kare wa doa o tōtte arukimasu. Hij loopt door de deur.

  16. 沿って — langs
    沿って sotte langs

    私たちは海岸に沿って歩きます。 Watashitachi wa kaigan ni sotte arukimasu. Wij lopen langs het strand.

  17. 周り — rond
    周り mawari rond

    人々は公園の周りを歩きます。 hitobito wa kōen no mawari o arukimasu Mensen lopen rond het park.

  18. 渡る — aan de overkant van
    渡る wataru aan de overkant van

    私は通りを渡って行きます。 Watashi wa tōri o watatte ikimasu. Ik ga aan de overkant van de straat.

  19. 〜の中へ — in
    〜の中へ no naka e in

    彼はゆっくりと部屋の中へ歩きます。 Kare wa yukkuri to heya no naka e arukimasu. Hij loopt langzaam de kamer in.

  20. 〜の外へ — uit
    〜の外へ no soto e uit

    子供は学校の外へ走っていきます。 kodomo wa gakkō no soto e hashitte ikimasu. Het kind rent de school uit.

  21. 上 — omhoog
    上 ue omhoog

    彼女は上を向いて雲を見ています。 kanojo wa ue o muite kumo o mite imasu. Ze kijkt omhoog naar de wolken.

  22. 下 — neer
    下 shita neer

    犬がボールを下に置きました。 inu ga bōru o shita ni okimashita De hond legde de bal neer.

  23. 二階 — naar boven
    二階 nikai naar boven

    私は二階へ寝に行きます。 Watashi wa nikai e ne ni ikimasu. Ik ga naar boven om te slapen.

  24. 階下 — beneden
    階下 kaika beneden

    階下で音が聞こえます。 Kaika de oto ga kikoemasu. Ik hoor geluiden beneden.

  25. 持ってくる — meebrengen
    持ってくる motte kuru meebrengen

    彼らはパーティーに食べ物を持ってきます。 karera wa pātī ni tabemono o motte kimasu Zij brengen eten mee naar het feest.

  26. 持っていく — pakken
    持っていく motte iku pakken

    あなたはいつも私のペンを持っていきます。 anata wa itsumo watashi no pen o motte ikimasu Je pakt altijd mijn pen.

  27. 運ぶ — dragen
    運ぶ hakobu dragen

    彼はその箱を運べます。 Kare wa sono hako o hakobemasu. Hij kan de doos dragen.

  28. 受け取る — ophalen
    受け取る uketoru ophalen

    荷物を受け取ってくれますか? nimotsu o uketotte kuremasu ka Kun je het pakketje ophalen?

  29. 落とす — laten vallen
    落とす otosu laten vallen

    私がスマホを落としたら、壊れます。 watashi ga sumaho o otoshitara kowaremasu Als ik de telefoon laat vallen, gaat hij kapot.

  30. 取る — aanreiken
    取る toru aanreiken

    塩を取ってもらえますか? Shio o totte moraemasu ka? Kun je me het zout aanreiken?

  31. 置く — neerzetten
    置く oku neerzetten

    私たちはリュックを置きました。 watashitachi wa ryukku o okimashita. Wij zetten onze rugzakken neer.

  32. 片付ける — opruimen
    片付ける katadzukeru opruimen

    私はおもちゃを片付けます。 watashi wa omocha o katadzukemasu Ik ruim mijn speelgoed op.

  33. 出す — buitenzetten
    出す dasu buitenzetten

    彼女はゴミを出します。 Kanojo wa gomi o dashimasu. Zij buitenzet het vuilnis.

  34. 掛ける — ophangen
    掛ける kakeru ophangen

    彼らはコートを掛けます。 Karera wa kōto o kakemasu. Ze hangen hun jassen op.

  35. つける — aanzetten
    つける tsukeru aanzetten

    電気をつけます。 Denki o tsukemasu. Je zet het licht aan.

  36. 消す — uitzetten
    消す kesu uitzetten

    誰かラジオを消してくれますか? Dareka rajio o keshite kuremasu ka? Kan iemand de radio uitzetten?

  37. 跳ぶ — springen
    跳ぶ tobu springen

    猫が壁を跳び越えます。 neko ga kabe o tobikoemasu De kat springt over de muur.

  38. 投げる — gooien
    投げる nageru gooien

    男の子が石を投げます。 Otokonoko ga ishi o nagemasu. De jongen gooit de steen.

  39. 捕る — vangen
    捕る toru vangen

    彼はボールを捕ります。 kare wa bōru o torimasu Hij vangt de bal.

  40. 乗る — rijden
    乗る noru rijden

    男の子が馬に乗っています。 otokonoko ga uma ni notte imasu. De jongen rijdt op een paard.

  41. 飛ぶ — vliegen
    飛ぶ tobu vliegen

    鳥が空を飛んでいます。 tori ga sora o tonde imasu De vogels vliegen in de lucht.

  42. 這う — kruipen
    這う hau kruipen

    赤ちゃんが床を這っています。 akachan ga yuka o hatte imasu De baby kruipt op de vloer.

  43. 飛ばす — overslaan
    飛ばす tobasu overslaan

    彼女は最初のページを飛ばした。 kanojo wa saisho no pēji o tobashita. Zij sloeg de eerste pagina over.

  44. 蹴る — schoppen
    蹴る keru schoppen

    子供がボールを蹴っています。 Kodomo ga bōru o kette imasu. Het kind schopt tegen de bal.

  45. 弾む — stuiteren
    弾む hazumu stuiteren

    ボールが地面で弾みます。 bōru ga jimen de hazumimasu. De bal stuitert op de grond.

  46. 登る — klimmen
    登る noboru klimmen

    猫が木に登ります。 neko ga ki ni noborimasu. De kat klimt in de boom.

  47. 飛び込む — duiken
    飛び込む tobikomu duiken

    男の子が水の中に飛び込みます。 Otokonoko ga mizu no naka ni tobikomimasu. De jongen duikt in het water.

  48. 滑る — glijden
    滑る suberu glijden

    箱が床の上を滑ります。 Hako ga yuka no ue o suberimasu. De doos glijdt over de vloer.

  49. つねる — knijpen
    つねる tsuneru knijpen

    彼は私の腕をつねりました。 kare wa watashi no ude o tsunerimashita Hij kneep in mijn arm.

  50. 握る — knijpen
    握る nigiru knijpen

    彼女は私の手をぎゅっと握りしめた。 kanojo wa watashi no te o gyutto nigirishimeta Zij knijpt in mijn hand.

  51. 突く — prikken
    突く tsuku prikken

    子供が私の腕を指で突きました。 Kodomo ga watashi no ude o yubi de tsukimashita. Het kind prikte in mijn arm.

  52. なでる — aaien
    なでる naderu aaien

    男の子が犬をなでています。 Otokonoko ga inu o nadete imasu. De jongen aait de hond.

  53. 擦る — wrijven
    擦る kosuru wrijven

    疲れた目を擦ります。 tsukareta me o kosurimasu Ik wrijf in mijn vermoeide ogen.

  54. 捻る — draaien
    捻る hineru draaien

    その男はロープを捻っています。 sono otoko wa rōpu o hinette imasu De man draait aan het touw.

  55. 振る — schudden
    振る furu schudden

    赤ちゃんがおもちゃを振っています。 Akachan ga omocha o futte imasu. De baby schudt met het speelgoed.

  56. 折る — vouwen
    折る oru vouwen

    私は紙を折ります。 watashi wa kami o orimasu Ik vouw het papier.

  57. 押す — drukken op
    押す osu drukken op

    彼女は赤いボタンを押します。 kanojo wa akai botan o oshimasu. Zij drukt op de rode knop.

  58. 取り付ける — bevestigen
    取り付ける toritsukeru bevestigen

    彼はロープを取り付けます。 kare wa rōpu o toritsukemasu. Hij zal het touw bevestigen.

  59. 引く — trekken
    引く hiku trekken

    その男性は重いロープを引いています。 Sono dansei wa omoi rōpu o hiite imasu. De man trekt aan het zware touw.

  60. 荷造りする — inpakken
    荷造りする nizukuri suru inpakken

    私はカバンに荷造りします。 watashi wa kaban ni nizukuri shimasu Ik pak mijn tas in.

  61. はどこですか — Waar is de ...
    はどこですか wa doko desu ka Waar is de ...

    ホテルはどこですか? hoteru wa doko desu ka? Waar is het hotel?

  62. 近くに〜はありますか — Is er een ... in de buurt
    近くに〜はありますか chikaku ni ~ wa arimasu ka Is er een ... in de buurt

    近くに銀行はありますか? chikaku ni ginkō wa arimasu ka Is er een bank in de buurt?

  63. どうやって行きますか — Hoe kom ik bij ...?
    どうやって行きますか dou yatte ikimasu ka Hoe kom ik bij ...?

    学校までどうやって行きますか? gakkou made dou yatte ikimasu ka Hoe kom ik bij school?

  64. ...に行くバスはどれですか — Welke bus gaat naar ...?
    ...に行くバスはどれですか ... ni iku basu wa dore desu ka Welke bus gaat naar ...?

    街に行くバスはどれですか? machi ni iku basu wa dore desu ka Welke bus gaat naar het centrum?

  65. どの線が〜に行きますか — Welke lijn gaat naar ...
    どの線が〜に行きますか dono sen ga ~ ni ikimasu ka Welke lijn gaat naar ...

    どの線が博物館に行きますか? dono sen ga hakubutsukan ni ikimasu ka Welke lijn gaat naar het museum?

  66. どのくらいかかりますか — Hoe lang duurt het ...
    どのくらいかかりますか dono kurai kakarimasu ka Hoe lang duurt het ...

    どのくらいかかるでしょうか。 dono kurai kakaru deshou ka Ik vraag me af hoe lang het duurt.

  67. どのくらい遠いですか — Hoe ver is het
    どのくらい遠いですか dono kurai tōi desu ka Hoe ver is het

    どのくらい遠いですか? dono kurai tōi desu ka? Hoe ver is het?

  68. 地図で見せてもらえますか? — Kun je me ... op de kaart laten zien?
    地図で見せてもらえますか? chizu de misete morae masu ka? Kun je me ... op de kaart laten zien?

    地図で見せてもらえますか? chizu de misete morae masu ka? Kun je me op de kaart laten zien?

  69. 探す — ik zoek
    探す sagasu ik zoek

    彼らはトイレを探しています。 Karera wa toire o sagashite imasu. Ze zijn op zoek naar een toilet.

  70. 一番近い — de dichtstbijzijnde
    一番近い ichiban chikai de dichtstbijzijnde

    一番近い店はあそこにあります。 ichiban chikai mise wa asoko ni arimasu. De dichtstbijzijnde winkel is daar beneden.

  71. 行く — Gaat dit naar ...?
    行く iku Gaat dit naar ...?

    これはレストランに行きますか? kore wa resutoran ni ikimasu ka Gaat dit naar het restaurant?

  72. どの駅で降りる — Bij welke halte moet ik zijn voor ...?
    どの駅で降りる dono eki de oriru Bij welke halte moet ik zijn voor ...?

    繁華街へは、どの駅で降りますか? hankagai e wa dono eki de orimasu ka Bij welke halte moet ik zijn voor het centrum?

  73. 駅 — het station
    駅 eki het station

    彼らは駅で待っています。 karera wa eki de matte imasu Ze wachten op het station.

  74. バス停 — de bushalte
    バス停 basutei de bushalte

    バス停は近くにあります。 basutei wa chikaku ni arimasu. De bushalte is vlakbij.

  75. 地下鉄の駅 — de metrohalte
    地下鉄の駅 chikatetsu no eki de metrohalte

    この地下鉄の駅はとても混んでいます。 Kono chikatetsu no eki wa totemo konde imasu. Deze metrohalte is erg druk.

  76. ホテル — het hotel
    ホテル hoteru het hotel

    オンラインでホテルを予約できます。 onrain de hoteru o yoyaku dekimasu Je kunt online een hotel boeken.

  77. 薬局 — de apotheek
    薬局 yakkyoku de apotheek

    マークさんは薬局で働いています。 Māku-san wa yakkyoku de hataraite imasu. Mark werkt bij de apotheek.

  78. 銀行 — de bank
    銀行 ginkō de bank

    彼は銀行に行きます。 Kare wa ginkō ni ikimasu. Hij gaat naar de bank.

  79. お手洗い — het toilet
    お手洗い o-te-arai het toilet

    これはきれいなお手洗いです。 Kore wa kirei na o-te-arai desu. Dit is een schoon toilet.

  80. スーパー — de supermarkt
    スーパー sūpā de supermarkt

    スーパーで食べ物を買います。 sūpā de tabemono o kaimasu. Wij kopen eten in de supermarkt.

  81. レストラン — het restaurant
    レストラン resutoran het restaurant

    彼らはあのレストランがとても好きです。 karera wa ano resutoran ga totemo suki desu. Ze vinden dat restaurant erg leuk.

  82. カフェ — het café
    カフェ kafe het café

    ジェーンさんはカフェで働いています。 Jēn-san wa kafe de hataraite imasu. Jane werkt in het café.

  83. 公園 — het park
    公園 kōen het park

    彼女は緑の公園が好きです。 kanojo wa midori no kōen ga suki desu. Ze houdt van het groene park.

  84. 病院 — het ziekenhuis
    病院 byōin het ziekenhuis

    病院は病気の人を助けます。 byōin wa byōki no hito o tasukemasu. Een ziekenhuis helpt zieke mensen.

  85. 空港 — de luchthaven
    空港 kūkō de luchthaven

    私たちは空港に到着しました。 watashitachi wa kūkō ni tōchaku shimashita We kwamen aan op de luchthaven.

  86. スタジアム — het stadion
    スタジアム sutajiamu het stadion

    私たちはスタジアムに行きました。 watashitachi wa sutajiamu ni ikimashita Wij gingen naar het stadion.

  87. 工場 — de fabriek
    工場 kōjō de fabriek

    この工場では服を作っています。 kono kōjō de wa fuku o tsukutte imasu Deze fabriek maakt kleding.

  88. 大学 — de universiteit
    大学 daigaku de universiteit

    彼女は大学で勉強しています。 kanojo wa daigaku de benkyō shite imasu Zij studeert aan de universiteit.

  89. 大学 — de hogeschool
    大学 daigaku de hogeschool

    彼女は大学で勉強しています。 kanojo wa daigaku de benkyō shite imasu Zij studeert aan de hogeschool.

  90. 部 — de club
    部 bu de club

    私たちは運動部に入りました。 watashitachi wa undōbu ni hairimashita We zijn lid geworden van de sportclub.

  91. 刑務所 — de gevangenis
    刑務所 keimusho de gevangenis

    犯人は刑務所から脱走した。 hannin wa keimusho kara dassō shita De crimineel is uit de gevangenis ontsnapt.

  92. 塔 — de toren
    塔 tō de toren

    高い塔が見えます。 takai tō ga miemasu. Ik zie de hoge toren.

  93. ショッピングモール — het winkelcentrum
    ショッピングモール shoppingu mōru het winkelcentrum

    ショッピングモールで靴を買いました。 shoppingu mōru de kutsu o kaimashita. Ik heb schoenen gekocht in het winkelcentrum.

  94. 市役所 — het gemeentehuis
    市役所 shiyakusho het gemeentehuis

    私たちは市役所で待ち合わせました。 watashitachi wa shiyakusho de machiawasemashita We hebben afgesproken bij het gemeentehuis.

  95. 警察署 — het politiebureau
    警察署 keisatsusho het politiebureau

    警察署が見えます。 keisatsusho ga miemasu Ik zie het politiebureau.

  96. 消防署 — de brandweerkazerne
    消防署 shōbōsho de brandweerkazerne

    私は消防署の近くに住んでいます。 watashi wa shōbōsho no chikaku ni sunde imasu Ik woon vlak bij de brandweerkazerne.

  97. 左に曲がる — Sla linksaf
    左に曲がる hidari ni magaru Sla linksaf

    ここを左に曲がってください。 koko o hidari ni magatte kudasai Sla linksaf hier.

  98. 右に曲がる — sla rechtsaf
    右に曲がる migi ni magaru sla rechtsaf

    交差点を右に曲がってください。 kōsaten o migi ni magatte kudasai Sla rechtsaf bij het kruispunt.

  99. まっすぐ行く — Ga rechtdoor
    まっすぐ行く massugu iku Ga rechtdoor

    学校までまっすぐ行きます。 gakkō made massugu ikimasu Ga rechtdoor naar school.

  100. 近い — Het is dichtbij
    近い chikai Het is dichtbij

    近いです。 Chikai desu. Het is dichtbij.

Woorden 401–500

  1. 遠い — Het is ver
    遠い tōi Het is ver

    遠いです。 tōi desu Het is ver.

  2. 道の向かい側 — aan de overkant van de straat
    道の向かい側 michi no mukai gawa aan de overkant van de straat

    彼は道の向かい側に住んでいます。 Kare wa michi no mukai gawa ni sunde imasu. Hij woont aan de overkant van de straat.

  3. 角で — op de hoek
    角で kaku de op de hoek

    彼女は角で待っています。 Kanojo wa kaku de matte imasu. Ze staat op de hoek te wachten.

  4. 信号で — bij het stoplicht
    信号で shingō de bij het stoplicht

    信号で止まりました。 shingō de tomarimashita. We stopten bij het stoplicht.

  5. 交差点に — op het kruispunt
    交差点に kousaten ni op het kruispunt

    バーは交差点にあります。 baa wa kousaten ni arimasu De bar is op het kruispunt.

  6. 横断歩道 — het zebrapad
    横断歩道 ōdan hodō het zebrapad

    あの横断歩道はとても安全です。 ano ōdan hodō wa totemo anzen desu. Dat zebrapad is erg veilig.

  7. 1ブロック先 — één blok verderop
    1ブロック先 ichi burokku saki één blok verderop

    美術館は1ブロック先にあります。 Bijutsukan wa ichi burokku saki ni arimasu. Het museum is één blok verderop.

  8. 標識に従う — de borden volgen
    標識に従う hyōshiki ni shitagau de borden volgen

    安全な場所まで、標識に従ってください。 anzen na basho made hyōshiki ni shitagatte kudasai Je moet de borden volgen naar de veiligheid.

  9. スーツケース — de koffer
    スーツケース sūtsukēsu de koffer

    もうスーツケースの荷造りはしましたか? Mō sūtsukēsu no nizukuri wa shimashita ka? Heb je je koffer al ingepakt?

  10. 磁石 — de magneet
    磁石 jishaku de magneet

    小さい磁石はプレゼントです。 Chiisai jishaku wa purezento desu. De kleine magneet is een cadeau.

  11. ヘアブラシ — de haarborstel
    ヘアブラシ hea burashi de haarborstel

    彼女は自分のヘアブラシを見つけられません。 kanojo wa jibun no hea burashi o mitsukeraremasen Ze kan haar haarborstel niet vinden.

  12. 枕 — het kussen
    枕 makura het kussen

    この枕は柔らかくて温かいです。 kono makura wa yawarakakute atakai desu Dit kussen is zacht en warm.

  13. 毛布 — de deken
    毛布 mōfu de deken

    寒かったら、毛布を持って行ってください。 samukattara, mōfu o motte itte kudasai. Pak een deken als je het koud hebt.

  14. マットレス — de matras
    マットレス mattorēsu de matras

    私たちの新しいマットレスは、本当に快適です。 Watashitachi no atarashii mattorēsu wa hontō ni kaiteki desu. Onze nieuwe matras ligt echt heerlijk.

  15. カーテン — het gordijn
    カーテン kaaten het gordijn

    暗いので、カーテンを開けてください。 kurai node, kaaten o akete kudasai. Doe alsjeblieft het gordijn open, het is donker.

  16. ブラインド — de jaloezieën
    ブラインド buraindo de jaloezieën

    私はたいてい夜にブラインドを閉めます。 watashi wa taitei yoru ni buraindo o shimemasu. Ik doe 's avonds meestal de jaloezieën dicht.

  17. カーペット — het tapijt
    カーペット kāpetto het tapijt

    カーペットの下にほこりがあります。 kāpetto no shita ni hokori ga arimasu. Er ligt stof onder het tapijt.

  18. 花瓶 — de vaas
    花瓶 kabin de vaas

    この花瓶は高そうです。 Kono kabin wa takasō desu. Deze vaas ziet er duur uit.

  19. ほうき — de bezem
    ほうき hōki de bezem

    このアパートにほうきはありますか? Kono apāto ni hōki wa arimasu ka Heeft dit appartement een bezem?

  20. トイレットペーパー — het wc-papier
    トイレットペーパー toiretto pēpā het wc-papier

    あ、トイレットペーパーがなくなりました。 a toiretto pēpā ga nakunarimashita Oh nee, het wc-papier is op!

  21. 羊毛 — de wol
    羊毛 yōmō de wol

    その羊は厚い羊毛に覆われています。 Sono hitsuji wa atsui yōmō ni oowarete imasu. Het schaap heeft dikke wol.

  22. 金属 — het metaal
    金属 kinzoku het metaal

    木材と金属が必要です。 Mokuzai to kinzoku ga hitsuyō desu. We hebben hout en metaal nodig.

  23. プラスチックの — plastic
    プラスチックの purasuchikku no plastic

    彼女はプラスチックのボウルを洗います。 kanojo wa purasuchikku no bouru o araimasu Ze wast de plastic kom.

  24. 革 — het leer
    革 kawa het leer

    新しい革のバッグを買いました。 atarashii kawa no baggu o kaimashita. Ik heb een nieuwe leren tas gekocht.

  25. 綿 — de katoen
    綿 wata de katoen

    その農家は綿を育てています。 Sono nōka wa wata o sodatete imasu. De boer verbouwt katoen.

  26. 絹 — de zijde
    絹 kinu de zijde

    この絹はとても柔らかいです。 kono kinu wa totemo yawarakai desu Deze zijde is erg zacht.

  27. ゴム — het rubber
    ゴム gomu het rubber

    そのボールはゴムでできています。 Sono bōru wa gomu de dekite imasu. De bal is gemaakt van rubber.

  28. デニム — de denim
    デニム denimu de denim

    彼は厚手のデニム生地を買った。 kare wa atsude no denimu kiji o katta. Hij kocht dikke denimstof.

  29. 陶器の — keramisch
    陶器の tōki no keramisch

    彼女は陶器のボウルを洗いました。 kanojo wa tōki no bōru o araimashita Ze waste de keramische kom af.

  30. 大理石 — het marmer
    大理石 dairiseki het marmer

    彼らはその白い大理石を切り出した。 karera wa sono shiroi dairiseki o kiridashita. Ze sneden het witte marmer.

  31. 煉瓦 — de baksteen
    煉瓦 renga de baksteen

    彼は赤い煉瓦を持っています。 kare wa akai renga o motte imasu Hij houdt een rode baksteen vast.

  32. 鋼鉄 — het staal
    鋼鉄 kōtetsu het staal

    彼らは鋼鉄で道具を作っています。 Karera wa kōtetsu de dōgu o tsukutte imasu. Ze maken de gereedschappen van staal.

  33. 後ろ — achter
    後ろ ushiro achter

    あの建物の後ろにあります。 ano tatemono no ushiro ni arimasu Het staat achter dat gebouw.

  34. 前 — voor
    前 mae voor

    彼女は私の前にいます。 kanojo wa watashi no mae ni imasu. Zij staat voor mij.

  35. 間 — tussen
    間 aida tussen

    公園は二つの家の間にあります。 Kōen wa futatsu no ie no aida ni arimasu. Het park ligt tussen twee huizen.

  36. 隣 — naast
    隣 tonari naast

    あの店は私の家の隣です。 Ano mise wa watashi no ie no tonari desu. Die winkel ligt naast mijn huis.

  37. 反対 — de tegenovergestelde
    反対 hantai de tegenovergestelde

    私たちは反対の方向に行きます。 Watashitachi wa hantai no hōkō ni ikimasu. Wij gaan de tegenovergestelde richting op.

  38. 向かい — tegenover
    向かい mukai tegenover

    私たちは店の向かいに住んでいます。 Watashitachi wa mise no mukai ni sunde imasu. Wij wonen tegenover de winkel.

  39. 角を曲がったところ — om de hoek
    角を曲がったところ kaku o magatta tokoro om de hoek

    彼女は今、角を曲がったところに住んでいます。 kanojo wa ima kaku o magatta tokoro ni sunde imasu. Ze woont nu om de hoek.

  40. の方へ — richting
    の方へ no hō e richting

    子供たちは大きな木の方へ歩きます。 Kodomo tachi wa ōkina ki no hō e arukimasu. De kinderen lopen richting de grote boom.

  41. 過ぎる — voorbij
    過ぎる sugiru voorbij

    橋を過ぎる必要があります。 Hashi o sugiru hitsuyou ga arimasu. Je moet voorbij de brug gaan.

  42. 通りの突き当たり — aan het einde van de straat
    通りの突き当たり tōri no tsukiatari aan het einde van de straat

    私は通りの突き当たりに住んでいます。 watashi wa tōri no tsukiatari ni sunde imasu. Ik woon aan het einde van de straat.

  43. 左側 — aan de linkerkant
    左側 hidarigawa aan de linkerkant

    彼女は左側に車を止めます。 Kanojo wa hidarigawa ni kuruma o tomemasu. Zij parkeert aan de linkerkant.

  44. 右側 — aan de rechterkant
    右側 migigawa aan de rechterkant

    右側にあります。 migigawa ni arimasu. Ze staan aan de rechterkant.

  45. 上 — boven
    上 ue boven

    太陽が山の上に出ています。 taiyō ga yama no ue ni dete imasu De zon staat boven de berg.

  46. 下 — onder
    下 shita onder

    村は山の下にあります。 Mura wa yama no shita ni arimasu. Het dorp ligt onder de berg.

  47. 一番上 — bovenop
    一番上 ichiban ue bovenop

    箱は一番上にあります。 hako wa ichiban ue ni arimasu. De doos staat bovenop.

  48. 近く — vlakbij
    近く chikaku vlakbij

    私は川の近くに住んでいます。 Watashi wa kawa no chikaku ni sunde imasu. Ik woon vlakbij de rivier.

  49. 真ん中 — in het midden
    真ん中 mannaka in het midden

    彼は真ん中に立っています。 kare wa mannaka ni tatte imasu Hij staat in het midden.

  50. 中 — binnen
    中 naka binnen

    犬は家の中にいます。 Inu wa ie no naka ni imasu. De hond is binnen in het huis.

  51. 場所 — de plek
    場所 basho de plek

    私たちは安全な場所を見つけました。 watashitachi wa anzen na basho o mitsukemashita We hebben een veilige plek gevonden.

  52. 店 — de winkel
    店 mise de winkel

    私たちはその店で食べ物を買います。 watashitachi wa sono mise de tabemono o kaimasu Wij kopen eten in de winkel.

  53. 家 — het huis
    家 ie het huis

    その家族はあの家に住んでいます。 Sono kazoku wa ano ie ni sunde imasu. Het gezin woont in dat huis.

  54. バスターミナル — het busstation
    バスターミナル basu tāminaru het busstation

    私はバスターミナルで待っています。 Watashi wa basu tāminaru de matte imasu. Ik wacht bij het busstation.

  55. 都心 — het stadscentrum
    都心 toshin het stadscentrum

    私は都心の近くに住んでいます。 watashi wa toshin no chikaku ni sunde imasu Ik woon vlak bij het stadscentrum.

  56. ショッピングモール — het winkelcentrum
    ショッピングモール shoppingu mōru het winkelcentrum

    そのショッピングモールはとても大きいです。 Sono shoppingu mōru wa totemo ōkii desu. Het winkelcentrum is erg groot.

  57. 噴水 — de fontein
    噴水 funsui de fontein

    あの噴水は水がとてもきれいです。 ano funsui wa mizu ga totemo kirei desu. Die fontein heeft heel helder water.

  58. ロータリー — de rotonde
    ロータリー rōtarī de rotonde

    このロータリーは交通に役立ちます。 Kono rōtarī wa kōtsū ni yakudachimasu. Deze rotonde helpt het verkeer.

  59. 交差点 — de kruising
    交差点 kousaten de kruising

    私たちは交差点で止まりました。 watashitachi wa kousaten de tomarimashita We stopten bij de kruising.

  60. 橋 — de brug
    橋 hashi de brug

    人々は橋を渡ります。 Hitobito wa hashi o watarimasu. Mensen lopen over de brug.

  61. トンネル — de tunnel
    トンネル tonneru de tunnel

    車がトンネルを通ります。 kuruma ga tonneru o toorimasu. De auto rijdt door een tunnel.

  62. 一時停止の標識 — het stopbord
    一時停止の標識 ichiji teishi no hyōshiki het stopbord

    一時停止の標識を守る必要があります。 ichiji teishi no hyōshiki o mamoru hitsuyō ga arimasu. Je moet je aan het stopbord houden.

  63. 歩道橋 — het viaduct
    歩道橋 hodōkyō het viaduct

    家の近くに歩道橋を造りました。 ie no chikaku ni hodōkyō o tsukurimashita. Ze hebben bij ons in de buurt een viaduct gebouwd.

  64. 地下道 — de tunnel
    地下道 chika dō de tunnel

    私たちは地下道を歩いて通ります。 watashitachi wa chika dō o aruite tōrimasu We lopen door de tunnel.

  65. 目印 — de bezienswaardigheid
    目印 mejirushi de bezienswaardigheid

    その目印は川の近くにあります。 Sono mejirushi wa kawa no chikaku ni arimasu. De bezienswaardigheid ligt vlak bij de rivier.

  66. 標識 — het verkeersbord
    標識 hyōshiki het verkeersbord

    この標識は止まれという意味です。 Kono hyōshiki wa tomare to iu imi desu. Dit verkeersbord betekent stoppen.

  67. 像 — het standbeeld
    像 zō het standbeeld

    彼は美しい像を見ました。 kare wa utsukushii zō o mimashita. Hij zag het prachtige standbeeld.

  68. 記念碑 — het monument
    記念碑 kinenhi het monument

    彼らは高い記念碑を訪れました。 Karera wa takai kinenhi o otozuremashita. Ze bezochten het hoge monument.

  69. 北 — het noorden
    北 kita het noorden

    この町の北はおもしろいです。 kono machi no kita wa omoshiroi desu Het noorden van deze stad is interessant.

  70. 南 — het zuiden
    南 minami het zuiden

    風は南から吹いています。 Kaze wa minami kara fuite imasu. De wind komt uit het zuiden.

  71. 東 — oosten
    東 higashi oosten

    風は東から吹いています。 Kaze wa higashi kara fuite imasu. De wind komt uit het oosten.

  72. 西 — het westen
    西 nishi het westen

    太陽は西に沈みます。 Taiyou wa nishi ni shizumimasu. De zon gaat onder in het westen.

  73. 北東 — het noordoosten
    北東 hokutō het noordoosten

    ベンさんは北東の地域に住んでいます。 Ben-san wa hokutō no chiiki ni sunde imasu. Ben woont in het noordoosten.

  74. 北西 — het noordwesten
    北西 hokusei het noordwesten

    その州は北西にあります。 sono shū wa hokusei ni arimasu. Die staat ligt in het noordwesten.

  75. 南東 — zuidoosten
    南東 nantō zuidoosten

    彼は南東の地域に住んでいます。 Kare wa nantō no chiiki ni sunde imasu. Hij woont in het zuidoosten van het land.

  76. 南西 — het zuidwesten
    南西 nansei het zuidwesten

    彼らは南西へ運転しました。 karera wa nansei e unten shimashita. Ze reden naar het zuidwesten.

  77. Uターン — de U-bocht
    Uターン U-tān de U-bocht

    これはUターンです。 Kore wa U-tān desu. Dit is een U-bocht.

  78. 突き当たり — de doodlopende weg
    突き当たり tsukiatari de doodlopende weg

    あの道は突き当たりです。 Ano michi wa tsukiatari desu. Die straat is een doodlopende weg.

  79. エスカレーター — de roltrap
    エスカレーター esukarētā de roltrap

    エスカレーターで最上階まで行けます。 esukarētā de saijōkai made ikemasu. De roltrap brengt je naar de bovenste verdieping.

  80. スロープ — de hellingbaan
    スロープ suroopu de hellingbaan

    車椅子にはスロープが必要です。 Kurumaisu ni wa suroopu ga hitsuyō desu. Rolstoelen hebben hellingbanen nodig.

  81. 天気 — het weer
    天気 tenki het weer

    今日はいい天気ですね。 Kyō wa ii tenki desu ne. Het is vandaag mooi weer.

  82. 晴れ — zonnig
    晴れ hare zonnig

    彼は晴れの日が好きです。 Kare wa hare no hi ga suki desu. Hij houdt van een zonnige dag.

  83. 曇り — bewolkt
    曇り kumori bewolkt

    午後は曇りになると予想されています。 gogo wa kumori ni naru to yosō sarete imasu. Ze verwachten een bewolkte middag.

  84. 雨 — regenachtig
    雨 ame regenachtig

    雨の日は心地よいです。 Ame no hi wa kokochiyoi desu. Een regenachtige dag kan gezellig zijn.

  85. 風が強い — winderig
    風が強い kaze ga tsuyoi winderig

    外は風が強いです。 soto wa kaze ga tsuyoi desu Het is buiten winderig.

  86. 熱い — heet
    熱い atsui heet

    このお茶はとても熱いです。 kono ocha wa totemo atsui desu Deze thee is erg heet.

  87. 寒い — koud
    寒い samui koud

    冬は寒い風が吹きます。 Fuyu wa samui kaze ga fukimasu. De koude wind waait in de winter.

  88. 暖かい — warm
    暖かい attakai warm

    今日はビーチが暖かかったです。 Kyō wa bīchi ga attakakatta desu. Het was vandaag warm op het strand.

  89. 春 — de lente
    春 haru de lente

    花は春が大好きです。 hana wa haru ga daisuki desu De bloemen houden van de lente.

  90. 夏 — de zomer
    夏 natsu de zomer

    夏はとても暑い季節です。 Natsu wa totemo atsui kisetsu desu. De zomer is een erg heet seizoen.

  91. 秋 — de herfst
    秋 aki de herfst

    秋は私の一番好きな季節です。 aki wa watashi no ichiban suki na kisetsu desu. De herfst is mijn favoriete seizoen.

  92. 冬 — de winter
    冬 fuyu de winter

    ここは冬はとても寒いです。 Koko wa fuyu wa totemo samui desu. Winter kan hier erg koud zijn.

  93. 太陽 — de zon
    太陽 taiyō de zon

    太陽が空に輝いています。 taiyō ga sora ni kagayaite imasu. De zon schijnt aan de hemel.

  94. 月 — de maan
    月 tsuki de maan

    明るい月が見えます。 akarui tsuki ga miemasu. Ik zie de heldere maan.

  95. 星 — de ster
    星 hoshi de ster

    明るい星が見えます。 akarui hoshi ga miemasu. Ik zie een heldere ster.

  96. 空 — de lucht
    空 sora de lucht

    鳥が空を飛んでいます。 tori ga sora o tonde imasu Vogels vliegen in de lucht.

  97. 雲 — de wolk
    雲 kumo de wolk

    黒い雲が太陽を隠している。 kuroi kumo ga taiyō o kakushite iru Een donkere wolk verbergt de zon.

  98. 雨 — de regen
    雨 ame de regen

    空から雨が降っています。 sora kara ame ga futte imasu De regen valt uit de lucht.

  99. 風 — de wind
    風 kaze de wind

    冷たい風を感じます。 tsumetai kaze o kanjimasu. Wij voelen de koude wind.

  100. 嵐 — de storm
    嵐 arashi de storm

    激しい嵐で木々が折れた。 hageshii arashi de kigi ga oreta. De sterke storm brak de bomen.

Woorden 501–600

  1. 虹 — de regenboog
    虹 niji de regenboog

    空に虹が出ています。 Sora ni niji ga dete imasu. Ik zie een regenboog in de lucht.

  2. 影 — de schaduw
    影 kage de schaduw

    暗い影が見えます。 kurai kage ga miemasu. Ik zie een donkere schaduw.

  3. 夕日 — de zonsondergang
    夕日 yūhi de zonsondergang

    私たちは美しい夕日を眺めました。 watashitachi wa utsukushii yūhi o nagamemashita. We hebben naar de prachtige zonsondergang gekeken.

  4. 雷 — de donder
    雷 kaminari de donder

    大きな雷の音が聞こえました。 ōkina kaminari no oto ga kikoemashita. We hoorden de harde donder.

  5. 傘 — de paraplu
    傘 kasa de paraplu

    彼女は赤い傘を持っています。 Kanojo wa akai kasa o motte imasu. Ze heeft een rode paraplu.

  6. レインコート — de regenjas
    レインコート rein kōto de regenjas

    このレインコートは暖かいです。 kono rein kōto wa atatakai desu. Deze regenjas houdt me warm.

  7. 予報 — de weersverwachting
    予報 yohō de weersverwachting

    私は毎日、天気予報を見ます。 watashi wa mainichi tenki yohō o mimasu. Ik kijk elke dag naar de weersverwachting.

  8. 日陰 — de schaduw
    日陰 hikage de schaduw

    暑い日は日陰が必要です。 Atsui hi wa hikage ga hitsuyou desu. We hebben schaduw nodig op een hete dag.

  9. 雷雨 — het onweer
    雷雨 raiu het onweer

    雷雨は激しい雨を降らせます。 raiu wa hageshii ame o furasemasu Een onweer brengt zware regen met zich mee.

  10. 雷 — de bliksem
    雷 kaminari de bliksem

    彼は昨夜、明るい雷を見ました。 Kare wa sakuya, akarui kaminari o mimashita. Hij zag gisteravond felle bliksem.

  11. 霧 — de mist
    霧 kiri de mist

    彼らは濃い霧の中を運転しました。 karera wa koi kiri no naka o unten shimashita. Ze reden door dikke mist.

  12. 雪 — de sneeuw
    雪 yuki de sneeuw

    これは新しくて白い雪です。 kore wa atarashikute shiroi yuki desu Dit is verse, witte sneeuw.

  13. 氷 — het ijs
    氷 koori het ijs

    私たちは飲み物に氷を入れます。 watashitachi wa nomimono ni koori o iremasu We doen ijs in onze drankjes.

  14. ひょう — de hagel
    ひょう hyō de hagel

    外はひょうがたくさん降っています。 Soto wa hyō ga takusan futte imasu. Er ligt een heleboel hagel buiten.

  15. 滑りやすい — glad
    滑りやすい suberiyasui glad

    彼女は滑りやすい氷の上で転びました。 kanojo wa suberiyasui kōri no ue de korobimashita Ze viel op het gladde ijs.

  16. 気温 — de temperatuur
    気温 kion de temperatuur

    彼らは毎日気温を確認します。 Karera wa mainichi kion o kakunin shimasu. Ze controleren dagelijks de temperatuur.

  17. 森 — het bos
    森 mori het bos

    森は木でいっぱいです。 mori wa ki de ippai desu Een bos staat vol met bomen.

  18. 川 — de rivier
    川 kawa de rivier

    その川は水が冷たくてきれいです。 sono kawa wa mizu ga tsumetakute kirei desu De rivier heeft koel, helder water.

  19. 湖 — het meer
    湖 mizuumi het meer

    彼女は深い湖で泳ぎます。 kanojo wa fukai mizuumi de oyogimasu Ze zwemt in het diepe meer.

  20. 山 — de berg
    山 yama de berg

    彼らは高い山に登りました。 Karera wa takai yama ni noborimashita. Ze beklommen de hoge berg.

  21. 自然 — de natuur
    自然 shizen de natuur

    ピーターさんは自然が大好きです。 Piitaa-san wa shizen ga daisuki desu. Peter houdt van de natuur.

  22. 海岸 — de kust
    海岸 kaigan de kust

    これは美しい海岸です。 Kore wa utsukushii kaigan desu. Dit is een prachtige kust.

  23. 島 — het eiland
    島 shima het eiland

    彼は小さな島に住んでいます。 kare wa chiisana shima ni sunde imasu Hij woont op een klein eiland.

  24. 砂漠 — de woestijn
    砂漠 sabaku de woestijn

    砂漠はとても乾燥している場所です。 Sabaku wa totemo kanshō shite iru basho desu. Een woestijn is een erg droge plek.

  25. 谷 — de vallei
    谷 tani de vallei

    その谷は緑で広いです。 sono tani wa midori de hiroi desu De vallei is groen en breed.

  26. 滝 — de waterval
    滝 taki de waterval

    彼らは美しい滝を見ました。 karera wa utsukushii taki o mimashita Ze zagen een prachtige waterval.

  27. 崖 — de klif
    崖 gake de klif

    あの崖はとても高いです。 ano gake wa totemo takai desu Die klif is erg hoog.

  28. 草原 — de weide
    草原 sōgen de weide

    彼女は草原を歩くのが好きです。 Kanojo wa sōgen o aruku no ga suki desu. Ze houdt ervan om in weiden te wandelen.

  29. 木 — de boom
    木 ki de boom

    犬が木の下で眠っています。 inu ga ki no shita de nemutte imasu De hond slaapt onder de boom.

  30. 花 — de bloem
    花 hana de bloem

    その赤い花は美しいです。 sono akai hana wa utsukushii desu. De rode bloem is mooi.

  31. 葉 — het blad
    葉 ha het blad

    木から葉が落ちた。 ki kara ha ga ochita. Er viel een blad van de boom.

  32. 草 — het gras
    草 kusa het gras

    牛が草を食べています。 ushi ga kusa o tabete imasu. De koe eet het gras.

  33. 植物 — de plant
    植物 shokubutsu de plant

    その植物は緑の葉をしています。 sono shokubutsu wa midori no ha o shite imasu De plant heeft groene bladeren.

  34. 岩 — de rots
    岩 iwa de rots

    その男は重い岩を持ち上げた。 sono otoko wa omoi iwa o mochiageta. De man tilde de zware rots op.

  35. 石 — de steen
    石 ishi de steen

    重い石を見つけました。 Omoi ishi o mitsukemashita. Ik heb een zware steen gevonden.

  36. 枝 — de tak
    枝 eda de tak

    鳥が枝にとまっています。 tori ga eda ni tomatte imasu De vogel zit op de tak.

  37. 根 — de wortel
    根 ne de wortel

    この植物には長い根があります。 kono shokubutsu ni wa nagai ne ga arimasu. Deze plant heeft een lange wortel.

  38. 種 — het zaad
    種 tane het zaad

    農家が種をまきます。 Nōka ga tane o makimasu. De boer plant het zaad.

  39. 茂み — de struik
    茂み shigemi de struik

    鳥が茂みの中に隠れています。 tori ga shigemi no naka ni kakurete imasu De vogel verstopt zich in de struik.

  40. 薪 — het hout
    薪 maki het hout

    焚き火のために薪が必要です。 takibi no tame ni maki ga hitsuyō desu. Ik heb hout nodig voor het vuur.

  41. 世界 — de wereld
    世界 sekai de wereld

    世界はとても広いです。 sekai wa totemo hiroi desu. De wereld is erg groot.

  42. 都市 — de stad
    都市 toshi de stad

    多くの人々がその都市に住んでいます。 Ōku no hitobito ga sono toshi ni sunde imasu. Veel mensen wonen in de stad.

  43. 国 — het land
    国 kuni het land

    彼は別の国に住んでいます。 kare wa betsu no kuni ni sunde imasu. Hij woont in een ander land.

  44. 町 — de stad
    町 machi de stad

    私たちは小さな町に住んでいます。 watashitachi wa chiisana machi ni sunde imasu Wij wonen in een klein stadje.

  45. 道 — de weg
    道 michi de weg

    この道はとても長いです。 kono michi wa totemo nagai desu. Deze weg is erg lang.

  46. 丘 — de heuvel
    丘 oka de heuvel

    その家は丘の上にあります。 sono ie wa oka no ue ni arimasu. Het huis staat op de heuvel.

  47. 陸 — het land
    陸 riku het land

    船乗りたちは陸が見えた。 funanoritachi wa riku ga mieta De zeelieden zagen het land.

  48. 空気 — de lucht
    空気 kūki de lucht

    私はきれいな空気を吸います。 watashi wa kirei na kūki o suimasu Ik adem de schone lucht in.

  49. 海 — de oceaan
    海 umi de oceaan

    魚は海に住んでいます。 sakana wa umi ni sunde imasu Vissen leven in de oceaan.

  50. 地面 — de grond
    地面 jimen de grond

    その男の人は地面に座っています。 sono otoko no hito wa jimen ni suwatte imasu De man zit op de grond.

  51. 地域 — de regio
    地域 chiiki de regio

    私たちは寒い地域に住んでいます。 watashitachi wa samui chiiki ni sunde imasu. Wij wonen in een koude regio.

  52. エリア — de omgeving
    エリア eria de omgeving

    多くの人がこのエリアに住んでいます。 Ōku no hito ga kono eria ni sunde imasu. Veel mensen wonen in deze omgeving.

  53. ビーチ — het strand
    ビーチ bīchi het strand

    私はビーチが好きです。 Watashi wa bīchi ga suki desu. Ik vind het strand leuk.

  54. 海 — de zee
    海 umi de zee

    海は青いです。 Umi wa aoi desu. De zee is blauw.

  55. 波 — de golven
    波 nami de golven

    彼らは海の波を見ています。 Karera wa umi no nami o mite imasu. Ze kijken naar de golven van de oceaan.

  56. 砂 — het zand
    砂 suna het zand

    彼女は温かくて柔らかい砂が好きです。 kanojo wa atatakakute yawarakai suna ga suki desu. Zij houdt van warm, zacht zand.

  57. 日焼け止め — de zonnebrandcrème
    日焼け止め hiyakedome de zonnebrandcrème

    私は晴れた日に日焼け止めを使います。 Watashi wa hareta hi ni hiyakedome o tsukaimasu. Ik gebruik zonnebrandcrème op zonnige dagen.

  58. ビーチパラソル — de strandparasol
    ビーチパラソル bīchi parasoru de strandparasol

    あのビーチパラソルはカラフルです。 ano bīchi parasoru wa karafuru desu Die strandparasol is kleurrijk.

  59. ビーチサンダル — de slippers
    ビーチサンダル bīchi sandaru de slippers

    このビーチサンダルは履き心地がいいです。 kono bīchi sandaru wa hakigokochi ga ī desu. Deze slippers zitten comfortabel.

  60. 水着 — het badpak
    水着 mizugi het badpak

    彼女は新しい水着を持っています。 kanojo wa atarashii mizugi o motte imasu Zij heeft een nieuw badpak.

  61. 水着 — de zwembroek
    水着 mizugi de zwembroek

    水着を忘れないでください。 mizugi o wasurenaide kudasai Vergeet je zwembroek niet.

  62. ライフガード — de badmeester
    ライフガード raifugādo de badmeester

    ライフガードは泳いでいる人の安全を守ります。 Raifugādo wa oyoide iru hito no anzen o mamorimasu. De badmeester houdt zwemmers veilig.

  63. 満潮 — de vloed
    満潮 manchō de vloed

    満潮はとてもぬれています。 manchō wa totemo nurete imasu. Bij vloed is het erg nat.

  64. 日焼け — de zonnebrand
    日焼け hiyake de zonnebrand

    その日焼けはかなり痛そうです。 sono hiyake wa kanari itasou desu Die zonnebrand ziet er behoorlijk pijnlijk uit.

  65. 切符 — het kaartje
    切符 kippu het kaartje

    彼女は電車の切符を持っています。 kanojo wa densha no kippu o motte imasu. Ze heeft een treinkaartje.

  66. 荷物 — de bagage
    荷物 nimotsu de bagage

    荷物はどこに置きますか? nimotsu wa doko ni okimasu ka? Waar laten we onze bagage?

  67. 券売機 — de kaartautomaat
    券売機 kenbaiki de kaartautomaat

    券売機で買います。 kenbaiki de kaimasu. Ik koop het bij de kaartautomaat.

  68. ホーム — het perron
    ホーム hōmu het perron

    あれは電車のホームです。 Are wa densha no hōmu desu. Dat is het perron voor de trein.

  69. 時刻表 — het rooster
    時刻表 jikokuhyō het rooster

    彼女は時刻表を読みます。 kanojo wa jikokuhyō o yomimasu Zij leest het rooster.

  70. バス — de bus
    バス basu de bus

    バスを待っていますか? basu o matte imasu ka? Wachten we op een bus?

  71. 電車 — de trein
    電車 densha de trein

    その電車はとても近代的です。 sono densha wa totemo kindaiteki desu De trein is erg modern.

  72. 路面電車 — de tram
    路面電車 romen densha de tram

    一番速い方法は路面電車です。 Ichiban hayai hōhō wa romen densha desu. De snelste manier is met de tram.

  73. タクシー — de taxi
    タクシー takushī de taxi

    タクシーはいくらかかりますか? takushī wa ikura kakarimasu ka? Hoeveel kost de taxi?

  74. 時間通り — op tijd
    時間通り jikan dōri op tijd

    時間通りに到着することは大切です。 Jikan dōri ni tōchaku suru koto wa taisetsu desu. Het is belangrijk om op tijd te komen.

  75. 遅れる — vertraging hebben
    遅れる okureru vertraging hebben

    その便は遅れました。 Sono bin wa okuremashita. Die vlucht had vertraging.

  76. 地下鉄 — de metro
    地下鉄 chikatetsu de metro

    地下鉄は地下を走ります。 chikatetsu wa chika o hashirimasu Een metro rijdt ondergronds.

  77. 車 — de auto
    車 kuruma de auto

    彼は新しい車を買いました。 kare wa atarashii kuruma o kaimashita Hij heeft een nieuwe auto gekocht.

  78. トラック — de vrachtwagen
    トラック torakku de vrachtwagen

    その男性は大きなトラックを運転しています。 sono dansei wa ookina torakku o unten shite imasu De man bestuurt een grote vrachtwagen.

  79. 自転車 — de fiets
    自転車 jitensha de fiets

    私は自転車で学校に通っています。 watashi wa jitensha de gakkō ni kayotte imasu Ik rijd met mijn fiets naar school.

  80. トラクター — de tractor
    トラクター torakutā de tractor

    農家が大きなトラクターを運転しています。 Nōka ga ōkina torakutā o unten shite imasu. De boer rijdt op een grote tractor.

  81. バイク — de motor
    バイク baiku de motor

    彼は速いバイクに乗っています。 kare wa hayai baiku ni notte imasu Hij rijdt op een snelle motor.

  82. キックスケーター — de step
    キックスケーター kikkusukētā de step

    その子供はキックスケーターに乗っています。 Sono kodomo wa kikkusukētā ni notte imasu. Het kind rijdt op een step.

  83. バン — de bestelbus
    バン ban de bestelbus

    彼は大きなバンを運転しています。 kare wa ookina ban o unten shite imasu. Hij rijdt in een grote bestelbus.

  84. 運転手 — de bestuurder
    運転手 untenshu de bestuurder

    運転手は車を止めました。 untenshu wa kuruma o tomemashita De bestuurder stopte de auto.

  85. 交通 — het verkeer
    交通 kōtsū het verkeer

    今日は渋滞がひどいです。 Kyō wa jūtai ga hidoi desu. Het verkeer gaat vandaag erg langzaam.

  86. 車輪 — het wiel
    車輪 sharin het wiel

    彼は壊れた車輪を修理した。 kare wa kowareta sharin o shuuri shita. Hij heeft het kapotte wiel gerepareerd.

  87. 駐車場 — de parkeerplaats
    駐車場 chūshajō de parkeerplaats

    駐車場が見つかりました。 Chūshajō ga mitsukarimashita. We hebben een parkeerplaats gevonden.

  88. トレーラー — de trailer
    トレーラー torērā de trailer

    トラックがトレーラーを引いています。 Torakku ga torērā o hiite imasu. De vrachtwagen trekt de trailer.

  89. 飛行機 — het vliegtuig
    飛行機 hikōki het vliegtuig

    飛行機が空港に着陸します。 hikōki ga kūkō ni chakuriku shimasu Het vliegtuig landt op het vliegveld.

  90. ボート — de boot
    ボート bōto de boot

    小さなボートが見えます。 chiisana bōto ga miemasu. Ik zie een kleine boot.

  91. 船 — het schip
    船 fune het schip

    大きな船が海を渡ります。 ōkina fune ga umi o watarimasu. Het grote schip steekt de oceaan over.

  92. ヘリコプター — de helikopter
    ヘリコプター herikoputā de helikopter

    ヘリコプターが空を飛んでいます。 herikoputā ga sora o tonde imasu De helikopter vliegt in de lucht.

  93. ロケット — de raket
    ロケット roketto de raket

    ロケットが空へ飛んでいく。 roketto ga sora e tonde iku De raket vliegt de lucht in.

  94. 宇宙船 — het ruimteschip
    宇宙船 uchūsen het ruimteschip

    宇宙船が月に着陸しました。 uchūsen ga tsuki ni chakuriku shimashita. Het ruimteschip landde op de maan.

  95. 消防車 — de brandweerauto
    消防車 shōbōsha de brandweerauto

    消防車は水を運んでいます。 shōbōsha wa mizu o hakonde imasu De brandweerauto vervoert water.

  96. ジェット機 — de straaljager
    ジェット機 jettoki de straaljager

    そのジェット機はとても速く飛びます。 sono jettoki wa totemo hayaku tobimasu De straaljager vliegt erg snel.

  97. カヤック — de kajak
    カヤック kayakku de kajak

    彼女はカヤックに座っています。 kanojo wa kayakku ni suwatte imasu Ze zit in de kajak.

  98. いかだ — het vlot
    いかだ ikada het vlot

    私たちは木のいかだを作りました。 watashitachi wa ki no ikada o tsukurimashita We hebben een houten vlot gebouwd.

  99. カヌー — de kano
    カヌー kanū de kano

    彼は小さなカヌーを漕いでいる。 kare wa chiisana kanū o koide iru. Hij peddelt in de kleine kano.

  100. 帆船 — de zeilboot
    帆船 hansen de zeilboot

    風が帆船を動かします。 kaze ga hansen o ugokashimasu. De wind verplaatst de zeilboot.

Woorden 601–700

  1. 値段 — de prijs
    値段 nedan de prijs

    値段が見えますか? nedan ga miemasu ka Zie je de prijs?

  2. 安い — goedkoop
    安い yasui goedkoop

    彼は安い靴を買いました。 Kare wa yasui kutsu o kaimashita. Hij kocht goedkope schoenen.

  3. 高い — duur
    高い takai duur

    あの車は高そうです。 Ano kuruma wa takasō desu. Die auto ziet er duur uit.

  4. 現金 — het contant geld
    現金 genkin het contant geld

    彼女は現金が必要だと思います。 kanojo wa genkin ga hitsuyō da to omoimasu. Ik denk dat ze wat contant geld nodig heeft.

  5. クレジットカード — de creditcard
    クレジットカード kurejitto kādo de creditcard

    私はクレジットカードで払えます。 Watashi wa kurejitto kādo de haraemasu. Ik kan met mijn creditcard betalen.

  6. レシート — de kassabon
    レシート reshiito de kassabon

    レシートをいただけますか? reshiito o itadakemasu ka? Mag ik de kassabon, alsjeblieft?

  7. 勘定 — de rekening
    勘定 kanjō de rekening

    誰がお勘定を払いますか? Dare ga o kanjō o haraimasu ka? Wie gaat de rekening betalen?

  8. お釣り — het wisselgeld
    お釣り otsuri het wisselgeld

    支払ってお釣りをもらいました。 shiharatte otsuri o moraimashita. Ik heb betaald en kreeg wat wisselgeld terug.

  9. 硬貨 — de munt
    硬貨 kōka de munt

    私は硬貨を数枚持っています。 watashi wa kōka o sūmai motte imasu Ik heb een paar munten.

  10. お札 — het bankbiljet
    お札 osatsu het bankbiljet

    それはどんなお札ですか? Sore wa donna osatsu desu ka? Wat voor een bankbiljet is dat?

  11. これはいくらですか — Hoeveel kost dit
    これはいくらですか kore wa ikura desu ka Hoeveel kost dit

    これはいくらですか? Kore wa ikura desu ka Hoeveel kost dit?

  12. カードで払えますか? — Kan ik met de kaart betalen?
    カードで払えますか? kaado de haraemasu ka? Kan ik met de kaart betalen?

    カードで払えますか? kaado de haraemasu ka? Kan ik met de kaart betalen?

  13. 通貨 — de munteenheid
    通貨 tsūka de munteenheid

    その通貨はとても強いです。 sono tsūka wa totemo tsuyoi desu Die munteenheid is erg sterk.

  14. 為替レート — de wisselkoers
    為替レート kawase rēto de wisselkoers

    この為替レートは最悪です。 Kono kawase rēto wa saiaku desu. Deze wisselkoers is verschrikkelijk.

  15. 両替所 — het wisselkantoor
    両替所 ryōgaesho het wisselkantoor

    両替所が必要です。 Ryōgaesho ga hitsuyō desu. We hebben een wisselkantoor nodig.

  16. 手数料 — de commissie
    手数料 tesūryō de commissie

    手数料を払わなければなりませんか? Tesūryō o harawanakereba narimasen ka? Moet je commissie betalen?

  17. 外貨 — de buitenlandse valuta
    外貨 gaika de buitenlandse valuta

    それは外貨です。 Sore wa gaika desu. Dat is buitenlandse valuta.

  18. カード決済 — de kaartbetaling
    カード決済 kaado kessai de kaartbetaling

    カード決済が通りました。 kaado kessai ga toorimashita. De kaartbetaling is gelukt.

  19. コンタクトレス — contactloos
    コンタクトレス kontakutoresu contactloos

    これはコンタクトレス決済です。 Kore wa kontakutoresu kessai desu. Dit is een contactloze betaling.

  20. 暗証番号 — de pincode
    暗証番号 anshō bangō de pincode

    私は暗証番号を忘れました。 watashi wa anshō bangō o wasuremashita. Ik ben mijn pincode vergeten.

  21. 引き出し手数料 — de opnamekosten
    引き出し手数料 hikidashi tesūryō de opnamekosten

    彼らは引き出し手数料を払いました。 Karera wa hikidashi tesūryō o haraimashita. Ze hebben de opnamekosten betaald.

  22. 1日の限度額 — de daglimiet
    1日の限度額 ichi nichi no gendo gaku de daglimiet

    彼女は1日の限度額に達しました。 kanojo wa ichi nichi no gendo gaku ni tasshimashita Ze heeft de daglimiet bereikt.

  23. 払い戻し — de terugbetaling
    払い戻し harai modoshi de terugbetaling

    払い戻しを受け取ります。 harai modoshi o uketorimasu Je ontvangt een terugbetaling.

  24. サービス料 — de servicekosten
    サービス料 saabisu ryō de servicekosten

    サービス料が含まれています。 saabisu ryō ga fukumarete imasu. De servicekosten zijn inbegrepen.

  25. 店 — de winkel
    店 mise de winkel

    これは私の一番好きな店です。 Kore wa watashi no ichiban suki na mise desu. Dit is mijn favoriete winkel.

  26. レジ係 — de kassier
    レジ係 reji gakari de kassier

    彼女は新しいレジ係です。 kanojo wa atarashii reji gakari desu Zij is de nieuwe kassier.

  27. 列 — de rij
    列 retsu de rij

    この列はとても長いです。 Kono retsu wa totemo nagai desu. Deze rij is erg lang.

  28. 開く — open
    開く hiraku open

    その店は今日、開いています。 Sono mise wa kyō, aite imasu. De winkel is vandaag open.

  29. 閉まる — gesloten
    閉まる shimaru gesloten

    残念ながら、薬局は閉まっています。 Zannen nagara, yakkyoku wa shimatte imasu. Helaas is de apotheek gesloten.

  30. 値札 — de prijskaart
    値札 nefuda de prijskaart

    彼らは値札を見ました。 Karera wa nefuda o mimashita. Ze zagen de prijskaart.

  31. 割引 — de korting
    割引 waribiki de korting

    私はそこの割引が大好きです。 watashi wa soko no waribiki ga daisuki desu. Ik ben dol op hun kortingen.

  32. 返品ポリシー — het retourbeleid
    返品ポリシー henpin porishī het retourbeleid

    この返品ポリシーは公平なようです。 kono henpin porishī wa kōhei na yō desu. Dit retourbeleid lijkt eerlijk.

  33. 保証 — de garantie
    保証 hoshō de garantie

    保証は買ったものを守ります。 Hoshō wa katta mono o mamorimasu. Een garantie beschermt je aankoop.

  34. 試着室 — het pashokje
    試着室 shichakushitsu het pashokje

    彼らは試着室を使いました。 Karera wa shichakushitsu o tsukaimashita. Ze gebruikten het pashokje.

  35. ショッピングカート — het winkelwagentje
    ショッピングカート shoppingu kāto het winkelwagentje

    ショッピングカートが必要です。 shoppingu kāto ga hitsuyō desu. We hebben een winkelwagentje nodig.

  36. お客様 — de klant
    お客様 okyakusama de klant

    お客様はいつも正しいです。 Okyakusama wa itsumo tadashii desu. De klant heeft altijd gelijk.

  37. テーブル — de tafel
    テーブル teeburu de tafel

    このサラダをテーブルに置いてもらえますか? kono sarada o teeburu ni oite moraemasu ka? Kun je deze salade op de tafel zetten?

  38. メニュー — het menu
    メニュー menyuu het menu

    メニューが豊富です。 menyuu ga houfu desu. Ze hebben een uitgebreid menu.

  39. 予約 — de reservering
    予約 yoyaku de reservering

    予約をしています。 yoyaku o shiteimasu. Wij hebben een reservering.

  40. 店員 — de server
    店員 ten'in de server

    店員たちは一生懸命働いています。 ten'in tachi wa isshoukenmei hataraite imasu. De servers werken hard.

  41. 注文 — de bestelling
    注文 chūmon de bestelling

    私たちは今、注文します。 Watashitachi wa ima, chūmon shimasu. Wij plaatsen nu onze bestelling.

  42. 水 — het water
    水 mizu het water

    彼女は冷たい水を飲みます。 Kanojo wa tsumetai mizu o nomimasu. Zij drinkt koud water.

  43. コーヒー — de koffie
    コーヒー kōhī de koffie

    彼らは濃いコーヒーを飲みます。 karera wa koi kōhī o nomimasu. Zij drinken sterke koffie.

  44. お茶 — de thee
    お茶 ocha de thee

    冬の温かいお茶は最高です。 fuyu no atakai ocha wa saikō desu. Hete thee in de winter is het lekkerst.

  45. ビール — het bier
    ビール bīru het bier

    ビールをもう一杯ください。 bīru o mō ippai kudasai Ik wil graag nog een bier, alstublieft.

  46. ワイン — de wijn
    ワイン wain de wijn

    このワインをいただけますか? kono wain o itadakemasu ka? Kunnen we deze wijn krijgen, alsjeblieft?

  47. お会計をお願いします — De rekening, alstublieft.
    お会計をお願いします o kaikei o onegai shimasu De rekening, alstublieft.

    お会計をお願いします。 o kaikei o onegai shimasu. De rekening, alstublieft.

  48. おいしい — heerlijk
    おいしい oishii heerlijk

    そのパイはおいしいです! Sono pai wa oishii desu! Die taart is heerlijk!

  49. 前菜 — het voorgerecht
    前菜 zensai het voorgerecht

    まずは前菜を注文します。 Mazu wa zensai o chūmon shimasu. We bestellen eerst een voorgerecht.

  50. メインコース — het hoofdgerecht
    メインコース mein koosu het hoofdgerecht

    私はメインコースが大好きです。 Watashi wa mein koosu ga daisuki desu. Ik ben dol op het hoofdgerecht.

  51. デザート — het dessert
    デザート dezāto het dessert

    彼女はデザートが好きです。 kanojo wa dezāto ga suki desu Ze vindt het dessert lekker.

  52. 今日のおすすめ — het dagmenu
    今日のおすすめ kyō no osusume het dagmenu

    それは今日のおすすめです。 Sore wa kyō no osusume desu. Dat is het dagmenu.

  53. 日替わりメニュー — het dagmenu
    日替わりメニュー higawari menyuu het dagmenu

    日替わりメニューがあります。 higawari menyuu ga arimasu Ze hebben het dagmenu.

  54. 二人用のテーブル — tafel voor twee
    二人用のテーブル futari-yō no tēburu tafel voor twee

    二人用のテーブルが必要です。 futari-yō no tēburu ga hitsuyō desu. We hebben een tafel voor twee nodig.

  55. ~という名前の予約 — de reservering op naam van ...
    ~という名前の予約 to iu namae no yoyaku de reservering op naam van ...

    彼女はスミスという名前で予約しています。 kanojo wa sumisu to iu namae de yoyaku shite imasu Ze heeft een reservering op naam van Smith.

  56. 水道水 — het kraanwater
    水道水 suidousui het kraanwater

    私はたいてい水道水を飲みます。 watashi wa taitei suidousui o nomimasu. Ik drink meestal kraanwater.

  57. 割り勘にする — de rekening delen
    割り勘にする warikan ni suru de rekening delen

    割り勘にできます。 warikan ni dekimasu. We kunnen de rekening delen.

  58. 一緒に払う — samen betalen
    一緒に払う issho ni harau samen betalen

    私たちは一緒に払います。 watashitachi wa issho ni haraimasu Wij zullen samen betalen.

  59. チップ — de fooi
    チップ chippu de fooi

    私はいつもチップをたくさん渡します。 watashi wa itsumo chippu o takusan watashimasu Ik geef altijd grote fooien.

  60. レジで払う — betalen bij de kassa
    レジで払う reji de harau betalen bij de kassa

    レジで払えますか? reji de haraemasu ka? Kunnen we betalen bij de kassa?

  61. サイズ — de maat
    サイズ saizu de maat

    このサイズは小さすぎます。 kono saizu wa chiisasugimasu Deze maat is te klein.

  62. 入る — passen
    入る hairu passen

    彼女はまだ古いジーンズが入ります。 kanojo wa mada furui jiinzu ga hairimasu Ze past nog steeds in haar oude spijkerbroek.

  63. 大きすぎる — te groot
    大きすぎる ōki sugiru te groot

    このシャツは大きすぎると思います。 kono shatsu wa ōki sugiru to omoimasu Ik vind dit shirt te groot.

  64. 小さすぎる — te klein
    小さすぎる chiisasugiru te klein

    残念ですが、この靴は小さすぎます。 zannen desu ga, kono kutsu wa chiisasugimasu. Helaas is deze schoen te klein.

  65. 試着する — passen
    試着する shichaku suru passen

    私たちは新しい帽子を試着します。 Watashitachi wa atarashii bōshi o shichaku shimasu. Wij passen nieuwe hoeden.

  66. 黒い — zwart
    黒い kuroi zwart

    ベンさんは黒いシャツを着ています。 Ben-san wa kuroi shatsu o kite imasu. Ben draagt een zwart shirt.

  67. 白い — wit
    白い shiroi wit

    彼女は白いズボンを履いています。 Kanojo wa shiroi zubon o haite imasu. Zij draagt een witte broek.

  68. 赤い — rood
    赤い akai rood

    赤いバラは最高ではありませんか? Akai bara wa saikō de wa arimasen ka? Zijn rode rozen niet de beste?

  69. 青 — blauw
    青 ao blauw

    青は一番好きな色ですか? Ao wa ichiban suki na iro desu ka? Is blauw je lievelingskleur?

  70. 緑 — groen
    緑 midori groen

    緑のドレスにしますか? Midori no doresu ni shimasu ka? Zou je de groene jurk nemen?

  71. 黄色い — geel
    黄色い kiiroi geel

    彼女は黄色いシャツが好きです。 kanojo wa kiiroi shatsu ga suki desu. Ze houdt van gele shirts.

  72. 色 — de kleur
    色 iro de kleur

    何色が好きですか? Nani iro ga suki desu ka? Welke kleur vind je mooi?

  73. ピンク — roze
    ピンク pinku roze

    ピンクの花が見えます。 pinku no hana ga miemasu. Ik zie een roze bloem.

  74. 紫 — paars
    紫 murasaki paars

    紫の花が見えます。 murasaki no hana ga miemasu. Ik zie een paarse bloem.

  75. 茶色い — bruin
    茶色い chairoi bruin

    茶色い犬が見えます。 chairoi inu ga miemasu. Ik zie een bruine hond.

  76. 灰色 — grijs
    灰色 haiiro grijs

    その猫は灰色です。 Sono neko wa haiiro desu. De kat is grijs.

  77. 金色の — gouden
    金色の kin gouden

    指輪は金色です。 Yubiwa wa kin'iro desu. De ring is gouden.

  78. 銀色 — zilver
    銀色 gin'iro zilver

    車は銀色です。 Kuruma wa gin'iro desu. De auto is zilver.

  79. ベージュ — beige
    ベージュ bēju beige

    彼女はベージュのシャツを着ています。 kanojo wa bēju no shatsu o kite imasu Zij draagt een beige shirt.

  80. 濃紺の — marineblauw
    濃紺の kaigun marineblauw

    彼のジャケットは濃紺です。 Kare no jaketto wa nōkon desu. Zijn jas is marineblauw.

  81. 眩しい — fel
    眩しい mabushii fel

    太陽がとても眩しいです。 taiyō ga totemo mabushii desu. De zon is erg fel.

  82. 青白い — bleek
    青白い aojiroi bleek

    病気の子どもは顔色が青白い。 Byōki no kodomo wa kaoiro ga aojiroi. Het zieke kind is bleek.

  83. 暗い — donker
    暗い kurai donker

    その部屋はとても暗いです。 sono heya wa totemo kurai desu. De kamer is erg donker.

  84. しま模様の — gestreept
    しま模様の shimamoyō no gestreept

    彼はしま模様のシャツを着ています。 kare wa shimamoyō no shatsu o kite imasu. Hij draagt een gestreept overhemd.

  85. 部屋 — de kamer
    部屋 heya de kamer

    部屋は気に入っていますか? heya wa ki ni itte imasu ka? Ben je blij met je kamer?

  86. ドア — de deur
    ドア doa de deur

    このドアは交換する必要があります。 kono doa wa kōkan suru hitsuyō ga arimasu. Deze deur moet worden vervangen.

  87. 鍵 — de sleutel
    鍵 kagi de sleutel

    私は鍵をなくしたと思います。 watashi wa kagi o nakushita to omoimasu. Ik denk dat ik mijn sleutel kwijt ben.

  88. 窓 — het raam
    窓 mado het raam

    窓はとてもきれいです。 mado wa totemo kirei desu. Het raam is erg schoon.

  89. 光 — het licht
    光 hikari het licht

    この部屋は光がたくさん入ります。 Kono heya wa hikari ga takusan hairimasu. Deze kamer krijgt veel licht.

  90. スイッチ — de schakelaar
    スイッチ suicchi de schakelaar

    電気のスイッチは壁にあります。 Denki no suicchi wa kabe ni arimasu. De schakelaar voor het licht zit op de muur.

  91. ベッド — het bed
    ベッド beddo het bed

    私はまだベッドを買う必要があります。 watashi wa mada beddo o kau hitsuyō ga arimasu Ik moet nog steeds een bed kopen.

  92. 台所 — de keuken
    台所 daidokoro de keuken

    この台所はとてもきれいです。 kono daidokoro wa totemo kirei desu. Deze keuken is erg schoon.

  93. トイレ — de badkamer
    トイレ toire de badkamer

    彼女はよくトイレを使います。 kanojo wa yoku toire o tsukaimasu Ze gebruikt vaak de badkamer.

  94. シャワー — de douche
    シャワー shawā de douche

    彼らは毎日シャワーを浴びます。 karera wa mainichi shawā o abimasu Zij nemen dagelijks een douche.

  95. ワイファイ — de wifi
    ワイファイ waifai de wifi

    このバーにワイファイはありますか? Kono bā ni waifai wa arimasu ka? Heeft deze bar wifi?

  96. 住所 — het adres
    住所 jūsho het adres

    住所は何ですか? jūsho wa nan desu ka? Wat is je adres?

  97. 頭痛 — de hoofdpijn
    頭痛 zutsuu de hoofdpijn

    頭痛は決して楽しくありません。 zutsuu wa kesshite tanoshiku arimasen. Hoofdpijn is nooit leuk.

  98. 熱 — de koorts
    熱 netsu de koorts

    彼はひどい熱があります。 Kare wa hidoi netsu ga arimasu. Hij heeft hoge koorts.

  99. 咳 — de hoest
    咳 seki de hoest

    私の咳がなかなか治りません。 watashi no seki ga nakanaka naorimasen Mijn hoest gaat niet weg.

  100. のどが痛い — de keelpijn
    のどが痛い nodo ga itai de keelpijn

    メアリーさんはのどが痛いです。 Mearī-san wa nodo ga itai desu. Marry heeft keelpijn.

Woorden 701–800

  1. 鼻水 — de loopneus
    鼻水 hanamizu de loopneus

    それは鼻水です。 Sore wa hanamizu desu. Dat is een loopneus.

  2. めまいがする — duizelig
    めまいがする memai ga suru duizelig

    私は回った後でめまいがします。 watashi wa mawatta ato de memai ga shimasu Ik voel me duizelig na het ronddraaien.

  3. 具合が悪い — ziek
    具合が悪い guai ga warui ziek

    彼女は今日、とても具合が悪いです。 kanojo wa kyō, totemo guai ga warui desu. Ze voelt zich vandaag erg ziek.

  4. 薬 — de medicatie
    薬 kusuri de medicatie

    薬を飲むのを忘れないでください。 kusuri o nomu no wasurenaide kudasai Vergeet niet om je medicatie in te nemen.

  5. 処方せん — het recept
    処方せん shohōsen het recept

    こちらはお客様の処方せんですか? Kochira wa okyakusama no shohōsen desu ka? Is dit uw recept, meneer?

  6. 医者 — de dokter
    医者 isha de dokter

    医者はたくさんの人を助けます。 Isha wa takusan no hito o tasukemasu. Een dokter helpt veel mensen.

  7. 薬局 — de apotheek
    薬局 yakkyoku de apotheek

    私たちは時々、薬局に行きます。 watashitachi wa tokidoki yakkyoku ni ikimasu Wij bezoeken soms de apotheek.

  8. クリニック — de kliniek
    クリニック kurinikku de kliniek

    おじいさんは今、クリニックにいます。 Ojiisan wa ima, kurinikku ni imasu. Opa is momenteel in de kliniek.

  9. 観光案内 — de toeristische informatie
    観光案内 kankō annai de toeristische informatie

    その看板には観光案内が載っています。 sono kanban ni wa kankō annai ga notte imasu. Het bord geeft toeristische informatie.

  10. 図書館 — de bibliotheek
    図書館 toshokan de bibliotheek

    図書館は人でいっぱいです。 Toshokan wa hito de ippai desu. De bibliotheek staat vol met mensen.

  11. 銀行 — de bank
    銀行 ginkō de bank

    お父さんはまだ銀行に行く必要があります。 otōsan wa mada ginkō ni iku hitsuyō ga arimasu. Papa moet nog naar de bank.

  12. 美容師 — de kapper
    美容師 biyoushi de kapper

    彼女はその美容師が好きです。 Kanojo wa sono biyoushi ga suki desu. Ze vindt de kapper leuk.

  13. 床屋 — de kapper
    床屋 tokoya de kapper

    あの床屋さんは毎日髪を切ります。 Ano tokoya-san wa mainichi kami o kirimasu. Die kapper knipt elke dag haar.

  14. クリーニング屋 — de stomerij
    クリーニング屋 kuriiningu ya de stomerij

    このスーツはクリーニング屋が必要です。 Kono suutsu wa kuriiningu ya ga hitsuyou desu. Dit pak moet naar de stomerij.

  15. 修理屋 — de reparatiewerkplaats
    修理屋 shūriya de reparatiewerkplaats

    修理屋は今日、開いていますか? Shūriya wa kyō aite imasu ka? Is de reparatiewerkplaats vandaag open?

  16. 携帯電話ショップ — de telefoonwinkel
    携帯電話ショップ keitai denwa shoppu de telefoonwinkel

    彼女は携帯電話ショップで働いています。 kanojo wa keitai denwa shoppu de hataraite imasu Zij werkt in de telefoonwinkel.

  17. 宅配便 — de koeriersdienst
    宅配便 takuhaibin de koeriersdienst

    私たちは小包を宅配便で送りました。 watashitachi wa kozutsumi o takuhaibin de okurimashita. We hebben het pakket met de koeriersdienst verstuurd.

  18. レンタカー — de autohuur
    レンタカー rentakaa de autohuur

    私たちは週末のレンタカーを予約しました。 watashitachi wa shuumatsu no rentakaa o yoyaku shimashita. We hebben voor het weekend een autohuur geboekt.

  19. レンタサイクル — de fietsverhuur
    レンタサイクル rentasaikuru de fietsverhuur

    このレンタサイクルは新しそうです。 Kono rentasaikuru wa atarashisō desu. Deze fietsverhuur ziet er nieuw uit.

  20. 獣医 — de dierenarts
    獣医 jūi de dierenarts

    獣医さんは毎月私たちの犬を診ます。 Jūi-san wa maitsuki watashitachi no inu o mimasu. De dierenarts controleert onze hond elke maand.

  21. なくす — verliezen
    なくす nakusu verliezen

    公園で鍵をなくしました。 Kooen de kagi o nakushimashita. Ik ben mijn sleutels in het park verloren.

  22. 財布 — de portemonnee
    財布 saifu de portemonnee

    彼はバスで財布をなくしました。 kare wa basu de saifu o nakushimashita. Hij is zijn portemonnee verloren in de bus.

  23. 電話 — de telefoon
    電話 denwa de telefoon

    授業中は電話の電源を切ってください。 jugyōchū wa denwa no dengen o kitte kudasai. Zet tijdens de les alsjeblieft je telefoon uit.

  24. 身分証明書 — de identiteitskaart
    身分証明書 mibun shōmeisho de identiteitskaart

    身分証明書は見つかりましたか? mibun shōmeisho wa mitsukarimashita ka? Heb je je identiteitskaart gevonden?

  25. カバン — de tas
    カバン kaban de tas

    彼女のカバンはいつもいっぱいです。 kanojo no kaban wa itsumo ippai desu. Haar tas zit altijd vol.

  26. 報告書 — het verslag
    報告書 hōkokusho het verslag

    彼女は会議についての報告書を書きました。 kanojo wa kaigi ni tsuite no hōkokusho o kakimashita Ze schreef een verslag over de vergadering.

  27. 説明 — de beschrijving
    説明 setsumei de beschrijving

    これは素晴らしい説明です。 Kore wa subarashii setsumei desu. Dit is een geweldige beschrijving.

  28. 連絡先 — het telefoonnummer
    連絡先 renrakusaki het telefoonnummer

    連絡先が必要です。 Renrakusaki ga hitsuyō desu. Ik heb je telefoonnummer nodig.

  29. 忘れ物センター — de gevonden voorwerpen
    忘れ物センター wasuremono sentaa de gevonden voorwerpen

    彼女はそれを忘れ物センターで見つけました。 kanojo wa sore o wasuremono sentaa de mitsukemashita. Ze vond het bij de gevonden voorwerpen.

  30. 鍵 — de sleutels
    鍵 kagi de sleutels

    昨日、鍵をなくしました。 Kinō, kagi o nakushimashita. Ik ben gisteren mijn sleutels verloren.

  31. 返す — terugbrengen
    返す kaesu terugbrengen

    彼女は明日の朝、本を返します。 Kanojo wa ashita no asa, hon o kaeshimasu. Zij zal het boek morgenochtend terugbrengen.

  32. 持ち主 — de eigenaar
    持ち主 mochinushi de eigenaar

    持ち主を知っていますか? mochinushi o shitte imasu ka? Ken jij de eigenaar?

  33. 看護師 — de verpleegkundige
    看護師 kangoshi de verpleegkundige

    看護師が患者を助けました。 kangoshi ga kanja o tasukemashita De verpleegkundige hielp de patiënt.

  34. 歯医者 — de tandarts
    歯医者 haisha de tandarts

    歯医者さんが歯を治してくれました。 haisha san ga ha o naoshite kuremashita De tandarts heeft mijn tand gerepareerd.

  35. ウェイター — de ober
    ウェイター ueitā de ober

    ウェイターが料理を運んできてくれました。 ueitā ga ryōri o hakonde kite kuremashita. De ober bracht ons eten.

  36. ウェイトレス — de serveerster
    ウェイトレス ueitoresu de serveerster

    ウェイトレスが料理を運んできてくれました。 ueitoresu ga ryōri o hakonde kite kuremashita. De serveerster bracht ons eten.

  37. シェフ — de chef-kok
    シェフ shefu de chef-kok

    シェフが料理を作ります。 shefu ga ryouri o tsukurimasu De chef-kok bereidt de maaltijd.

  38. 整備士 — de monteur
    整備士 seibishi de monteur

    整備士が私の車を直してくれました。 seibishi ga watashi no kuruma o naoshite kuremashita. De monteur heeft mijn auto gerepareerd.

  39. 郵便配達員 — de postbode
    郵便配達員 yūbin haitatsu-in de postbode

    郵便配達員が手紙を届けてくれました。 yūbin haitatsu-in ga tegami o todokete kuremashita. De postbode bracht een brief.

  40. 清掃員 — de schoonmaker
    清掃員 seisōin de schoonmaker

    清掃員が床を磨きました。 seisōin ga yuka o migakimashita. De schoonmaker heeft de vloer gedweild.

  41. 庭師 — de tuinman
    庭師 niwashi de tuinman

    庭師が植物に水をやっています。 niwashi ga shokubutsu ni mizu o yatte imasu De tuinman geeft de planten water.

  42. 画家 — de schilder
    画家 gaka de schilder

    その画家は美しい絵を描きます。 Sono gaka wa utsukushii e o kakimasu. De schilder schildert een prachtig schilderij.

  43. 仕立屋 — de kleermaker
    仕立屋 shitateya de kleermaker

    その仕立屋は美しい服を作ります。 sono shitateya wa utsukushii fuku o tsukurimasu De kleermaker maakt prachtige kleding.

  44. 司書 — de bibliothecaris
    司書 shisho de bibliothecaris

    司書が本を整理しています。 shisho ga hon o seiri shite imasu De bibliothecaris organiseert de boeken.

  45. 俳優 — de acteur
    俳優 haiyū de acteur

    私はその有名な俳優を見ました。 watashi wa sono yūmei na haiyū o mimashita Ik zag de beroemde acteur.

  46. 女優 — de actrice
    女優 joyū de actrice

    有名な女優を見ました。 yūmei na joyū o mimashita. Ik zag de beroemde actrice.

  47. 芸術家 — de kunstenaar
    芸術家 geijutsuka de kunstenaar

    その芸術家は絵を描いています。 Sono geijutsuka wa e o kaite imasu. De kunstenaar schildert een schilderij.

  48. カメラマン — de fotograaf
    カメラマン kameraman de fotograaf

    カメラマンが私の写真を撮ってくれました。 Kameraman ga watashi no shashin o totte kuremashita. De fotograaf maakte een foto van mij.

  49. 作家 — de schrijver
    作家 sakka de schrijver

    その作家は本を書き終えた。 Sono sakka wa hon o kakioeta. De schrijver heeft het boek afgemaakt.

  50. マネージャー — de manager
    マネージャー manējā de manager

    私たちは新しいマネージャーに会いました。 watashitachi wa atarashii manējā ni aimashita We hebben de nieuwe manager ontmoet.

  51. 弁護士 — de advocaat
    弁護士 bengoshi de advocaat

    腕の良い弁護士が必要です。 ude no yoi bengoshi ga hitsuyō desu. Ik heb een goede advocaat nodig.

  52. 秘書 — de secretaresse
    秘書 hisho de secretaresse

    秘書はオフィスで働いています。 hisho wa ofisu de hataraite imasu. De secretaresse werkt op kantoor.

  53. ジャーナリスト — de journalist
    ジャーナリスト jānaristo de journalist

    そのジャーナリストはニュースを書いています。 sono jānaristo wa nyūsu o kaite imasu. De journalist schrijft het nieuws.

  54. 助手 — de assistent
    助手 joshu de assistent

    私の助手があなたをお手伝いします。 watashi no joshu ga anata o otetsudai shimasu Mijn assistent zal je helpen.

  55. 記者 — de verslaggever
    記者 kisha de verslaggever

    記者はニュースを書きます。 Kisha wa nyūsu o kakimasu. De verslaggever schrijft het nieuws.

  56. デザイナー — de ontwerper
    デザイナー dezainā de ontwerper

    そのデザイナーは美しい服を作ります。 sono dezainā wa utsukushii fuku o tsukurimasu De ontwerper maakt prachtige kleding.

  57. エンジニア — de ingenieur
    エンジニア enjinia de ingenieur

    そのエンジニアが機械を修理しました。 sono enjinia ga kikai o shuuri shimashita De ingenieur repareerde de machine.

  58. パイロット — de piloot
    パイロット pairotto de piloot

    パイロットが飛行機を操縦します。 pairotto ga hikōki o sōjū shimasu. De piloot bestuurt het vliegtuig.

  59. 農家 — de boer
    農家 nōka de boer

    その農家は畑で働いています。 sono nōka wa hatake de hataraite imasu. De boer werkt op het land.

  60. 漁師 — de visser
    漁師 ryōshi de visser

    漁師が大きな魚を釣りました。 ryōshi ga ōkina sakana o tsurimashita De visser ving een grote vis.

  61. 科学者 — de wetenschapper
    科学者 kagakusha de wetenschapper

    その科学者は新しい薬を発見しました。 Sono kagakusha wa atarashii kusuri o hakken shimashita. De wetenschapper ontdekte een nieuw medicijn.

  62. プログラマー — de programmeur
    プログラマー puroguramā de programmeur

    プログラマーがソフトウェアを書きます。 puroguramā ga sofutowea o kakimasu De programmeur schrijft de software.

  63. 警察官 — de politieagent
    警察官 keisatsukan de politieagent

    警察官が泥棒を捕まえました。 keisatsukan ga dorobō o tsukamaemashita De politieagent heeft de dief gepakt.

  64. 軍人 — de soldaat
    軍人 gunjin de soldaat

    その軍人は街を守っています。 sono gunjin wa machi o mamotte imasu. De soldaat beschermt de stad.

  65. 教授 — de professor
    教授 kyōju de professor

    教授が学生たちに教えています。 kyōju ga gakusei tachi ni oshiete imasu. De professor geeft les aan de studenten.

  66. 大工 — de bouwvakker
    大工 daiku de bouwvakker

    大工が新しい家を建てています。 Daiku ga atarashii ie o tatete imasu. De bouwvakker bouwt het nieuwe huis.

  67. パン職人 — de bakker
    パン職人 pan shokunin de bakker

    そのパン職人は焼きたてのパンを作ります。 Sono pan shokunin wa yakitate no pan o tsukurimasu. De bakker maakt vers brood.

  68. アスリート — de atleet
    アスリート asurīto de atleet

    そのアスリートは走るのがとても速いです。 sono asurīto wa hashiru no ga totemo hayai desu De atleet rent heel erg snel.

  69. 出口 — de uitgang
    出口 deguchi de uitgang

    すみません、出口はどこですか? Sumimasen, deguchi wa doko desu ka? Pardon, waar is de uitgang?

  70. 入口 — de ingang
    入口 iriguchi de ingang

    ここが入口のはずです。 Koko ga iriguchi no hazu desu. Dit zou de ingang moeten zijn.

  71. 押す — duwen
    押す osu duwen

    彼らは赤いドアを押します。 Karera wa akai doa o oshimasu. Zij duwen de rode deur.

  72. 引く — trekken
    引く hiku trekken

    ドアを引く必要があります。 doa o hiku hitsuyō ga arimasu. Je moet aan de deur trekken.

  73. 禁煙 — verboden te roken
    禁煙 kin'en verboden te roken

    この標識には禁煙と書いてあります。 Kono hyōshiki ni wa kin'en to kaite arimasu. Dit bord zegt dat het hier verboden te roken is.

  74. 駐車禁止 — verboden te parkeren
    駐車禁止 chūsha kinshi verboden te parkeren

    ここは駐車禁止です、すみません。 koko wa chūsha kinshi desu, sumimasen. Het is hier verboden te parkeren, sorry.

  75. 故障 — buiten gebruik
    故障 koshō buiten gebruik

    あのエレベーターは故障しています。 ano erebētā wa koshō shite imasu Die lift is buiten gebruik.

  76. 関係者専用 — alleen voor personeel
    関係者専用 kankeisha sen'yō alleen voor personeel

    あのスペースは関係者専用です。 Ano supēsu wa kankeisha sen'yō desu. Die ruimte is alleen voor personeel.

  77. 非常口 — de nooduitgang
    非常口 hijōguchi de nooduitgang

    どの建物にも非常口があります。 Dono tatemono nimo hijōguchi ga arimasu. Elk gebouw heeft een nooduitgang.

  78. 情報 — de informatie
    情報 jōhō de informatie

    私たちはもっと情報が必要です。 Watashitachi wa motto jōhō ga hitsuyō desu. We hebben meer informatie nodig.

  79. 切符売り場 — het loket
    切符売り場 kippu uriba het loket

    あれは切符売り場です。 Are wa kippu uriba desu. Dat is het loket.

  80. 芝生に入らない — niet op het gras lopen
    芝生に入らない shibafu ni hairanai niet op het gras lopen

    芝生に入らないでください。 shibafu ni hairanai de kudasai Loop alstublieft niet op het gras.

  81. ATM — de geldautomaat
    ATM ē-tī-emu de geldautomaat

    ATMはどこですか? ē-tī-emu wa doko desu ka? Waar is de geldautomaat?

  82. 銀行口座 — de bankrekening
    銀行口座 ginkō kōza de bankrekening

    彼女は銀行口座を持っています。 Kanojo wa ginkō kōza o motte imasu. Ze heeft een bankrekening.

  83. キャッシュカード — de bankpas
    キャッシュカード kyasshu kādo de bankpas

    私たちはいつもキャッシュカードを使います。 watashitachi wa itsumo kyasshu kādo o tsukaimasu. Wij gebruiken altijd een bankpas.

  84. 現金を引き出す — geld opnemen
    現金を引き出す genkin o hikidasu geld opnemen

    私は毎週現金を引き出します。 watashi wa maishū genkin o hikidashimasu Ik neem elke week geld op.

  85. 現金を預ける — contant geld storten
    現金を預ける genkin o azukeru contant geld storten

    ATMで現金を預けます。 eetiiemu de genkin o azukemasu. Je kunt bij geldautomaten contant geld storten.

  86. お金を振り込む — geld overmaken
    お金を振り込む okane o furikomu geld overmaken

    彼らは毎日お金を振り込みます。 karera wa mainichi okane o furikomimasu Ze maken elke dag geld over.

  87. 残高 — het saldo
    残高 zandaka het saldo

    彼女は口座の残高を確認します。 kanojo wa kōza no zandaka o kakunin shimasu. Ze controleert haar banksaldo.

  88. 明細書 — het bankafschrift
    明細書 meisaisho het bankafschrift

    銀行の明細書はどこですか? Ginkō no meisaisho wa doko desu ka Waar is je bankafschrift?

  89. 手数料 — de vergoeding
    手数料 tesūryō de vergoeding

    この取引には手数料がかかりますか? Kono torihiki ni wa tesūryō ga kakarimasu ka? Zit er een vergoeding aan deze transactie verbonden?

  90. 追加料金 — de toeslag
    追加料金 tsuikaryōkin de toeslag

    私はすでに追加料金を支払いました。 Watashi wa sude ni tsuikaryōkin o shiharaimashita. Ik heb de toeslag al betaald.

  91. 預金口座 — de spaarrekening
    預金口座 yokin kōza de spaarrekening

    私たちは預金口座を作りました。 Watashitachi wa yokin kōza o tsukurimashita. We hebben een spaarrekening geopend.

  92. 金庫 — de kluis
    金庫 kinko de kluis

    お金は金庫の中にあります。 okane wa kinko no naka ni arimasu. Het geld ligt in de kluis.

  93. ソファー — de bank
    ソファー sofā de bank

    このソファーはとても快適です。 Kono sofā wa totemo kaiteki desu. Deze bank is erg comfortabel.

  94. テーブル — de tafel
    テーブル teeburu de tafel

    これは新しいテーブルですか? Kore wa atarashii teeburu desu ka? Is dit een nieuwe tafel?

  95. 椅子 — de stoel
    椅子 isu de stoel

    フレッドさんはいつも椅子に座ります。 Fureddo-san wa itsumo isu ni suwarimasu. Fred zit altijd in de stoel.

  96. 洋服ダンス — de kledingkast
    洋服ダンス yōfuku dansu de kledingkast

    洋服ダンスは服でいっぱいです。 yōfuku dansu wa fuku de ippai desu. De kledingkast zit vol met kleren.

  97. 棚 — de plank
    棚 tana de plank

    私は棚を掃除する必要があります。 watashi wa tana o sōji suru hitsuyō ga arimasu. Ik moet mijn plank schoonmaken.

  98. 冷蔵庫 — de koelkast
    冷蔵庫 reizouko de koelkast

    冷蔵庫は食べ物を冷たく保ちます。 reizouko wa tabemono o tsumetaku tamochimasu De koelkast houdt eten koud.

  99. 冷凍庫 — de vriezer
    冷凍庫 reitōko de vriezer

    冷凍庫がいっぱいです。 reitōko ga ippai desu De vriezer zit vol.

  100. コンロ — het fornuis
    コンロ konro het fornuis

    彼はよくコンロを使います。 kare wa yoku konro o tsukaimasu Hij gebruikt het fornuis vaak.

Woorden 801–900

  1. オーブン — de oven
    オーブン oobun de oven

    このオーブンはとても熱くなります。 kono oobun wa totemo atsuku narimasu. Deze oven wordt erg heet.

  2. 流し — de gootsteen
    流し nagashi de gootsteen

    流しはお皿でいっぱいです。 nagashi wa osara de ippai desu. De gootsteen staat vol met borden.

  3. ランプ — de lamp
    ランプ ranpu de lamp

    母は読書にランプを使います。 Haha wa dokushō ni ranpu o tsukaimasu. Mijn moeder gebruikt een lamp om te lezen.

  4. ごみ箱 — de prullenbak
    ごみ箱 gomi bako de prullenbak

    ダニエルさんはごみ箱を空にしました。 Danieru-san wa gomi bako o kara ni shimashita. Daniel heeft de prullenbak geleegd.

  5. 時計 — de klok
    時計 tokei de klok

    時計が時間を指しています。 tokei ga jikan o sashite imasu De klok geeft de tijd aan.

  6. パソコン — de computer
    パソコン pasokon de computer

    仕事でパソコンを使います。 shigoto de pasokon o tsukaimasu Ik gebruik een computer voor mijn werk.

  7. 額縁 — de lijst
    額縁 gakubuchi de lijst

    彼は木製の額縁を塗装した。 kare wa mokusei no gakubuchi o tosō shita Hij schilderde de houten lijst.

  8. ラジオ — de radio
    ラジオ rajio de radio

    私はラジオを聴きます。 watashi wa rajio o kikimasu Ik luister naar de radio.

  9. カメラ — de camera
    カメラ kamera de camera

    新しいカメラを買いました。 atarashii kamera o kaimashita. Ik heb een nieuwe camera gekocht.

  10. 暖炉 — de open haard
    暖炉 danro de open haard

    暖炉で火が燃えています。 Danro de hi ga moete imasu. Het vuur brandt in de open haard.

  11. 肘掛け椅子 — de leunstoel
    肘掛け椅子 hijikake isu de leunstoel

    彼は肘掛け椅子で休んでいます。 kare wa hijikake isu de yasunde imasu Hij rust in de leunstoel.

  12. 食器棚 — de kast
    食器棚 shokkidana de kast

    お皿は食器棚の中にあります。 osara wa shokkidana no naka ni arimasu. De borden staan in de kast.

  13. 本棚 — de boekenkast
    本棚 hondana de boekenkast

    彼は新しい本棚を買いました。 kare wa atarashii hondana o kaimashita Hij heeft een nieuwe boekenkast gekocht.

  14. 引き出し — de lade
    引き出し hikidashi de lade

    鍵は引き出しの中にあります。 kagi wa hikidashi no naka ni arimasu. De sleutels liggen in de lade.

  15. 廊下 — de hal
    廊下 rōka de hal

    私たちは廊下で待ちました。 watashitachi wa rōka de machimashita We wachtten in de hal.

  16. ラグ — het kleed
    ラグ ragu het kleed

    猫がラグの上で寝ています。 neko ga ragu no ue de nete imasu De kat slaapt op het kleed.

  17. 居間 — de woonkamer
    居間 ima de woonkamer

    これは私たちの古い居間です。 Kore wa watashitachi no furui ima desu. Dit is onze oude woonkamer.

  18. 寝室 — de slaapkamer
    寝室 shinshitsu de slaapkamer

    彼らは寝室を青く塗りました。 karera wa shinshitsu o aoku nurimashita. Ze hebben de slaapkamer blauw geverfd.

  19. ダイニングルーム — de eetkamer
    ダイニングルーム dainingu rūmu de eetkamer

    私たちはダイニングルームで食べます。 Watashitachi wa dainingu rūmu de tabemasu. Wij eten in de eetkamer.

  20. 廊下 — de gang
    廊下 rōka de gang

    あの廊下はとても長いです。 ano rōka wa totemo nagai desu. Die gang is erg lang.

  21. バルコニー — het balkon
    バルコニー barukonī het balkon

    バルコニーからは街の景色が見えます。 barukonī kara wa machi no keshiki ga miemasu. Een balkon biedt uitzicht over de stad.

  22. 庭園 — de tuin
    庭園 teien de tuin

    彼の庭園はとても美しいです。 Kare no teien wa totemo utsukushii desu. Zijn tuin is erg mooi.

  23. 庭 — de tuin
    庭 niwa de tuin

    子供たちは庭で遊んでいます。 Kodomo-tachi wa niwa de asonde imasu. De kinderen spelen in de tuin.

  24. ガレージ — de garage
    ガレージ garēji de garage

    ガレージのドアは自動で閉まります。 Garēji no doa wa jidō de shimarimasu. De garagedeur sluit automatisch.

  25. 地下室 — de kelder
    地下室 chikashitsu de kelder

    この地下室はとてもきれいです。 kono chikashitsu wa totemo kirei desu. Deze kelder is erg schoon.

  26. 天井 — het plafond
    天井 tenjou het plafond

    私たちは天井を白く塗りました。 watashitachi wa tenjou o shiroku nurimashita We hebben het plafond wit geverfd.

  27. 屋根 — het dak
    屋根 yane het dak

    あの屋根は古そうです。 ano yane wa furusou desu Dat dak ziet er oud uit.

  28. 壁 — de muur
    壁 kabe de muur

    彼は壁を青く塗りました。 Kare wa kabe o aoku nurimashita. Hij schilderde de muur blauw.

  29. きれい — schoon
    きれい kirei schoon

    彼女はきれいな家を欲しがっています。 kanojo wa kirei na ie o hoshigatte imasu Zij wil een schoon huis.

  30. 洗う — wassen
    洗う arau wassen

    今、私は皿を洗います。 ima watashi wa sara o araimasu Ik ga nu de afwas doen.

  31. 料理する — koken
    料理する ryōri suru koken

    彼らは毎晩夕食を料理します。 karera wa maiban yūshoku o ryōri shimasu Zij koken elke avond het avondeten.

  32. 沸かす — koken
    沸かす wakasu koken

    お茶のためにお湯を沸かします。 ocha no tame ni oyu o wakashimasu Je kookt water voor thee.

  33. 揚げる — bakken
    揚げる ageru bakken

    よく食べ物を揚げますか? yoku tabemono o agemasu ka Bakt u uw eten vaak?

  34. 焼く — bakken
    焼く yaku bakken

    彼女は今日、パンを焼きます。 kanojo wa kyō pan o yakimasu Zij bakt vandaag brood.

  35. 掃く — vegen
    掃く haku vegen

    私は床をもっと速く掃きます。 watashi wa yuka o motto hayaku hakimasu. Ik veeg de vloer sneller.

  36. モップ — de dweil
    モップ moppu de dweil

    清掃員はモップを使います。 Seisōin wa moppu o tsukaimasu. De schoonmaker gebruikt de dweil.

  37. 掃除機をかける — stofzuigen
    掃除機をかける soujiki o kakeru stofzuigen

    私たちはリビングに掃除機をかけます。 watashitachi wa ribingu ni soujiki o kakemasu Wij stofzuigen de woonkamer.

  38. ほこり — het stof
    ほこり hokori het stof

    彼女はほこりを拭き取ります。 Kanojo wa hokori o fukitorimasu. Ze veegt het stof weg.

  39. 水をやる — water geven
    水をやる mizu o yaru water geven

    彼らは毎週庭に水をやります。 karera wa maishū niwa ni mizu o yarimasu Ze geven wekelijks water aan de tuin.

  40. 消す — uitdoen
    消す kesu uitdoen

    電気を消してくれますか? Denki o keshite kuremasu ka? Kun je het licht uitdoen?

  41. 注ぐ — schenken
    注ぐ sosogu schenken

    彼女はコップに水を注ぎます。 kanojo wa koppu ni mizu o sosogimasu. Zij schenkt water in het kopje.

  42. かき混ぜる — roeren
    かき混ぜる kakimazeru roeren

    熱いスープをかき混ぜます。 atsui sūpu o kakimazemasu. Ik roer in de hete soep.

  43. 割る — hakken
    割る waru hakken

    その男の人は薪を割っています。 Sono otoko no hito wa maki o watteimasu. De man hakt het hout.

  44. 浸す — dopen
    浸す hitasu dopen

    彼女は布を水に浸します。 kanojo wa nuno o mizu ni hitashimasu Zij dopt de doek in het water.

  45. 剥く — schillen
    剥く muku schillen

    彼女はオレンジの皮を剥きます。 kanojo wa orenji no kawa o mukimasu Zij schilt de sinaasappel.

  46. おろす — raspen
    おろす orosu raspen

    彼女は野菜をおろします。 kanojo wa yasai o oroshimasu Zij raspt de groenten.

  47. 熱 — de hitte
    熱 netsu de hitte

    火の熱を感じます。 hi no netsu o kanjimasu Ik voel de hitte van het vuur.

  48. 混ぜる — mengen
    混ぜる mazeru mengen

    塩と水を混ぜます。 shio to mizu o mazemasu. Ik meng het zout en het water.

  49. 塗る — besmeren
    塗る nuru besmeren

    彼女はパンにバターを塗る。 Kanojo wa pan ni batā o nuru. Zij besmeert het brood met boter.

  50. 溶かす — smelten
    溶かす tokasu smelten

    太陽が氷を溶かします。 Taiyō ga kōri o tokashimasu. De zon smelt het ijs.

  51. 測る — meten
    測る hakaru meten

    私はその長いロープを測ります。 watashi wa sono nagai rōpu o hakarimasu Ik meet het lange touw.

  52. 満たす — vullen
    満たす mitasu vullen

    私はコップを水で満たします。 Watashi wa koppu o mizu de mitashimasu. Ik vul de beker met water.

  53. 洗濯機 — de wasmachine
    洗濯機 sentakuki de wasmachine

    この洗濯機はきれいです。 Kono sentakuki wa kirei desu. Deze wasmachine is schoon.

  54. 乾燥機 — de wasdroger
    乾燥機 kansōki de wasdroger

    乾燥機はとても熱いです。 Kansōki wa totemo atsui desu. De wasdroger is erg heet.

  55. 洗剤 — het wasmiddel
    洗剤 senzai het wasmiddel

    今、もっと洗剤が必要です。 Ima, motto senzai ga hitsuyou desu. We hebben nu meer wasmiddel nodig.

  56. 柔軟剤 — de wasverzachter
    柔軟剤 jūnan-zai de wasverzachter

    彼女はいつも柔軟剤を使います。 Kanojo wa itsumo jūnan-zai o tsukaimasu. Zij gebruikt altijd wasverzachter.

  57. 染み — de vlek
    染み shimi de vlek

    この染みはいつつきましたか? Kono shimi wa itsu tsukimashita ka? Wanneer heb je deze vlek gekregen?

  58. シミ抜き — de vlekkenverwijderaar
    シミ抜き shimi nuki de vlekkenverwijderaar

    このシミ抜きはよく効きます。 Kono shimi nuki wa yoku kikimasu. Deze vlekkenverwijderaar werkt goed.

  59. 洗濯かご — de wasmand
    洗濯かご sentaku kago de wasmand

    私たちは洗濯かごが必要です。 Watashitachi wa sentaku kago ga hitsuyō desu. We hebben een wasmand nodig.

  60. ハンガー — de kledinghanger
    ハンガー hangaa de kledinghanger

    私はコートのハンガーが見つかりません。 watashi wa kōto no hangaa ga mitsukarimasen. Ik kan de kledinghanger niet vinden.

  61. 洗濯ばさみ — de wasknijper
    洗濯ばさみ sentaku basami de wasknijper

    洗濯ばさみを使いますか? Sentaku basami o tsukaimasu ka? Gebruik jij wasknijpers?

  62. 物干し — de waslijn
    物干し monohoshi de waslijn

    この物干しには濡れた洗濯物が掛かっています。 kono monohoshi ni wa nureta sentakumono ga kakatte imasu. Deze waslijn houdt natte was vast.

  63. アイロン台 — de strijkplank
    アイロン台 airon dai de strijkplank

    アイロン台が邪魔です。 Airon dai ga jama desu. De strijkplank staat in de weg.

  64. アイロン — het strijkijzer
    アイロン airon het strijkijzer

    彼女は服に熱いアイロンを使います。 Kanojo wa fuku ni atsui airon o tsukaimasu. Ze gebruikt een heet strijkijzer voor haar kleding.

  65. 壊れる — kapot
    壊れる kowareru kapot

    残念ながら、そのおもちゃは壊れています。 zannen nagara sono omocha wa kowarete imasu Helaas is dat speelgoed kapot.

  66. 直す — repareren
    直す naosu repareren

    私たちはここで壊れたものを直します。 Watashitachi wa koko de kowareta mono o naoshimasu. Wij repareren hier kapotte dingen.

  67. 蛇口 — de kraan
    蛇口 jaguchi de kraan

    私たちの蛇口はまだ漏れています。 watashitachi no jaguchi wa mada morete imasu. Onze kraan lekt nog steeds.

  68. 漏れ — het lek
    漏れ more het lek

    ようやく漏れを修理しています。 yōyaku more o shūri shite imasu Ze zijn eindelijk het lek aan het repareren.

  69. パイプ — de pijp
    パイプ paipu de pijp

    パイプが見えます。 paipu ga miemasu. Ik kan de pijp zien.

  70. 修理する — repareren
    修理する shūri suru repareren

    それを修理する方法を知っていますか? Sore o shūri suru hōhō o shitte imasu ka? Weet je hoe je het moet repareren?

  71. 水道屋 — de loodgieter
    水道屋 suidōya de loodgieter

    彼女は今日、水道屋に電話しました。 kanojo wa kyō suidōya ni denwa shimashita. Ze heeft vandaag de loodgieter gebeld.

  72. 電気工事士 — de elektricien
    電気工事士 denki kōjishi de elektricien

    彼らは電気工事士を雇いました。 Karera wa denki kōjishi o yatoimashita. Ze hebben een elektricien ingehuurd.

  73. ヒューズ — de zekering
    ヒューズ hyūzu de zekering

    このヒューズは回路を保護します。 kono hyūzu wa kairo o hogo shimasu. Deze zekering beschermt het circuit.

  74. 電球 — de gloeilamp
    電球 denkyū de gloeilamp

    替えの電球はありますか? Kae no denkyū wa arimasu ka? Hebben we nog een gloeilamp?

  75. 交換する — vervangen
    交換する kōkan suru vervangen

    私たちは古いタイヤを交換します。 Watashitachi wa furui taiya o kōkan shimasu. Wij vervangen oude banden.

  76. メンテナンス — het onderhoud
    メンテナンス mentenansu het onderhoud

    彼らは定期的なメンテナンスをしています。 karera wa teikiteki na mentenansu o shiteimasu Ze plegen regelmatig onderhoud.

  77. 散髪 — de knipbeurt
    散髪 sanpatsu de knipbeurt

    そろそろ散髪が必要です。 Sorosoro sanpatsu ga hitsuyō desu. Ik heb binnenkort een knipbeurt nodig.

  78. 香水 — het parfum
    香水 kōsui het parfum

    彼女はその香水が好きです。 kanojo wa sono kōsui ga suki desu. Zij houdt van dat parfum.

  79. シャンプー — de shampoo
    シャンプー shanpū de shampoo

    別のシャンプーはありますか? betsu no shanpū wa arimasu ka Heb je nog een andere shampoo?

  80. 石けん — de zeep
    石けん sekken de zeep

    石けんで洗ったほうがいいですよ。 Sekken de aratta hō ga ii desu yo. Je moet je wassen met zeep.

  81. 歯ブラシ — de tandenborstel
    歯ブラシ haburashi de tandenborstel

    あなたの歯ブラシは使い始めてからどのくらいですか? Anata no haburashi wa tsukaihajimete kara donokurai desu ka? Hoe oud is je tandenborstel?

  82. 歯磨き粉 — de tandpasta
    歯磨き粉 ha migaki ko de tandpasta

    これは一番いい歯磨き粉です。 Kore wa ichiban ii ha migaki ko desu. Dit is de beste tandpasta.

  83. タオル — de handdoek
    タオル taoru de handdoek

    きれいなタオルは棚にあります。 kirei na taoru wa tana ni arimasu Schone handdoeken liggen op de plank.

  84. カミソリ — het scheermes
    カミソリ kamisori het scheermes

    私は毎回新しいカミソリを使います。 Watashi wa maikai atarashii kamisori o tsukaimasu. Ik gebruik elke keer een nieuw scheermes.

  85. くし — de kam
    くし kushi de kam

    彼女は毎日くしを使います。 kanojo wa mainichi kushi o tsukaimasu. Ze gebruikt dagelijks een kam.

  86. 鏡 — de spiegel
    鏡 kagami de spiegel

    昨日、鏡を掃除しましたか? Kinō kagami o sōji shimashita ka? Heb je gisteren de spiegel schoongemaakt?

  87. デオドラント — de deodorant
    デオドラント deodoranto de deodorant

    私は毎日デオドラントが必要です。 watashi wa mainichi deodoranto ga hitsuyō desu. Ik heb elke dag deodorant nodig.

  88. シャワージェル — de douchegel
    シャワージェル shawā jeru de douchegel

    このシャワージェルはいい香りがします。 kono shawā jeru wa ii kaori ga shimasu. Deze douchegel ruikt lekker.

  89. 頭 — het hoofd
    頭 atama het hoofd

    頭を守ってください。 atama o mamotte kudasai Bescherm alsjeblieft je hoofd.

  90. 顔 — het gezicht
    顔 kao het gezicht

    毎朝、顔を洗います。 maiasa kao o araimasu Je wast elke ochtend je gezicht.

  91. 足 — de voet
    足 ashi de voet

    足を触ることができますか? ashi o sawaru koto ga dekimasu ka? Kun je je voet aanraken?

  92. 目 — het oog
    目 me het oog

    あなたは目がきれいです。 Anata wa me ga kirei desu. Je hebt prachtige ogen.

  93. 腕 — de arm
    腕 ude de arm

    彼は昨日腕を折りました。 kare wa kinō ude o orimashita. Hij heeft gisteren zijn arm gebroken.

  94. 鼻 — de neus
    鼻 hana de neus

    どちらの方が鼻が大きいですか? dochira no hō ga hana ga ōkii desu ka Wie heeft de grotere neus?

  95. 口 — de mond
    口 kuchi de mond

    彼女は口に飴を入れました。 kanojo wa kuchi ni ame o iremashita. Ze stopte het snoepje in haar mond.

  96. 歯 — de tanden
    歯 ha de tanden

    彼らは毎日歯を磨きます。 Karera wa mainichi ha o migakimasu. Ze poetsen dagelijks hun tanden.

  97. 手 — de hand
    手 te de hand

    手を洗うことはとても大切です。 te o arau koto wa totemo taisetsu desu. Het wassen van je handen is erg belangrijk.

  98. 耳 — het oor
    耳 mimi het oor

    この動物は耳がありますか? kono dōbutsu wa mimi ga arimasu ka? Heeft dit dier oren?

  99. 脚 — het been
    脚 ashi het been

    脚が痛いですか? Ashi ga itai desu ka? Doet je been pijn?

  100. 髪 — het haar
    髪 kami het haar

    どのくらいの頻度で髪をとかしますか? Dono kurai no hindo de kami o tokashimasu ka? Hoe vaak borstel jij je haar?

Woorden 901–1000

  1. 体 — het lichaam
    体 karada het lichaam

    その男の人は体が丈夫だ。 sono otoko no hito wa karada ga jōbu da. De man heeft een sterk lichaam.

  2. 微笑む — glimlachen
    微笑む hohoemu glimlachen

    その子供は私に微笑んでいます。 Sono kodomo wa watashi ni hohoende imasu. Het kind glimlacht naar mij.

  3. 背中 — de rug
    背中 senaka de rug

    彼は私の背中に触れた。 kare wa watashi no senaka ni fureta. Hij raakte mijn rug aan.

  4. 首 — de nek
    首 kubi de nek

    彼女は自分の首に手を当てた。 kanojo wa jibun no kubi ni te o ateta Ze raakte haar nek aan.

  5. 肩 — de schouder
    肩 kata de schouder

    医者は私の肩に触れた。 isha wa watashi no kata ni fureta. De dokter raakte mijn schouder aan.

  6. お腹 — de maag
    お腹 onaka de maag

    お腹が痛いです。 onaka ga itai desu Mijn maag doet pijn.

  7. 胸 — de borst
    胸 mune de borst

    彼は胸に痛みを感じた。 kare wa mune ni itami o kanjita Hij voelde pijn in zijn borst.

  8. 唇 — de lip
    唇 kuchibiru de lip

    その男の子は自分の唇に触れた。 Sono otokonoko wa jibun no kuchibiru ni fureta. De jongen raakte zijn lip aan.

  9. 舌 — de tong
    舌 shita de tong

    熱いスープで舌を火傷した。 atsui sūpu de shita o yakedo shita. De hete soep verbrandde mijn tong.

  10. のど — de keel
    のど nodo de keel

    のどがとても渇いています。 nodo ga totemo kawaite imasu. Mijn keel is erg droog.

  11. 口髭 — de snor
    口髭 kuchihige de snor

    父は口髭を生やしています。 chichi wa kuchihige o hayashite imasu Mijn vader heeft een snor.

  12. あごひげ — de baard
    あごひげ agohige de baard

    その男性は長いあごひげを生やしています。 Sono dansei wa nagai agohige o hayashite imasu. De man heeft een lange baard.

  13. 指 — de vinger
    指 yubi de vinger

    赤ちゃんが私の指を握った。 akachan ga watashi no yubi o nigitta. De baby pakte mijn vinger vast.

  14. 親指 — de duim
    親指 oyayubi de duim

    彼は親指で指し示した。 kare wa oyayubi de sashishimeshita Hij wees met zijn duim.

  15. 足の指 — de teen
    足の指 ashi no yubi de teen

    足の指を痛めました。 ashi no yubi o itamemashita Ik heb mijn teen bezeerd.

  16. 膝 — de knie
    膝 hiza de knie

    彼は右の膝を曲げた。 kare wa migi no hiza o mageta Hij boog zijn rechterknie.

  17. 肘 — de elleboog
    肘 hiji de elleboog

    医者は私の肘を診察した。 isha wa watashi no hiji o shinsatsu shita De dokter onderzocht mijn elleboog.

  18. 手首 — de pols
    手首 tekubi de pols

    手首を痛めました。 tekubi o itamemashita Ik heb mijn pols bezeerd.

  19. 足首 — de enkel
    足首 ashikubi de enkel

    彼女は足首を痛めました。 kanojo wa ashikubi o itamemashita Ze heeft haar enkel bezeerd.

  20. 手のひら — de handpalm
    手のひら te no hira de handpalm

    彼女は手のひらを開いた。 kanojo wa te no hira o hiraita Ze opende haar handpalm.

  21. かかと — de hiel
    かかと kakato de hiel

    犬が私のかかとを噛みました。 Inu ga watashi no kakato o kamimashita. De hond beet in mijn hiel.

  22. 股関節 — de heup
    股関節 kokansetsu de heup

    左の股関節が痛いです。 hidari no kokansetsu ga itai desu Mijn linkerheup doet pijn.

  23. 腰 — de taille
    腰 koshi de taille

    彼は腰に縄を巻いた。 kare wa koshi ni nawa o maita. Hij bond een touw om zijn taille.

  24. 筋肉 — de spier
    筋肉 kinniku de spier

    足の筋肉が痛いです。 ashi no kinniku ga itai desu. Mijn beenspier doet pijn.

  25. エクササイズ — de oefening
    エクササイズ ekusasaizu de oefening

    これは素晴らしいフィットネスのエクササイズです。 kore wa subarashii fittonesu no ekusasaizu desu Dit is een geweldige fitnessoefening.

  26. ジム — de sportschool
    ジム jimu de sportschool

    ジムに行きますか? jimu ni ikimasu ka? Ga je naar de sportschool?

  27. 運動 — de training
    運動 undō de training

    定期的な運動は健康を保ちます。 Teikiteki na undō wa kenkō o tamochimasu. Regelmatige training houdt je gezond.

  28. ウォーミングアップする — opwarmen
    ウォーミングアップする wōmingu appu suru opwarmen

    これは筋肉をウォーミングアップするのに役立ちます。 kore wa kin'niku o wōmingu appu suru noni yakudachimasu Dit helpt om de spieren op te warmen.

  29. ストレッチする — rekken
    ストレッチする sutorecchi suru rekken

    私は毎朝ストレッチします。 watashi wa maiasa sutorecchi shimasu Ik rek me elke ochtend uit.

  30. 走る — rennen
    走る hashiru rennen

    彼らはとても速く走ります。 karera wa totemo hayaku hashirimasu Zij rennen erg snel.

  31. 歩く — lopen
    歩く aruku lopen

    彼女は夕方に歩くのが好きです。 kanojo wa yūgata ni aruku no ga suki desu Ze houdt ervan om 's avonds te lopen.

  32. ウエイトを持ち上げる — gewichten heffen
    ウエイトを持ち上げる ueito o mochiageru gewichten heffen

    ウエイトを持ち上げると筋肉が大きくなります。 ueito o mochiageru to kin'niku ga ōkiku narimasu Door gewichten heffen groeien je spieren.

  33. ヨガ — de yoga
    ヨガ yoga de yoga

    ヨガはとても落ち着きます。 Yoga wa totemo ochitsukimasu. Yoga voelt erg rustgevend.

  34. 呼吸 — ademen
    呼吸 ko kyū ademen

    私たちは深く呼吸する練習をします。 watashi tachi wa fukaku kokyū suru renshū o shimasu Wij oefenen met diep ademen.

  35. 健康を維持する — fit blijven
    健康を維持する kenkō o iji suru fit blijven

    私は走ることで健康を維持しています。 watashi wa hashiru koto de kenkō o iji shite imasu Ik blijf fit door hard te lopen.

  36. 休息日 — de rustdag
    休息日 kyūsokubi de rustdag

    彼女は休息日が必要です。 Kanojo wa kyūsokubi ga hitsuyō desu. Ze heeft een rustdag nodig.

  37. 出かける — uitgaan
    出かける dekakeru uitgaan

    私たちはたいてい金曜日に出かけます。 watashitachi wa taitei kin'yōbi ni dekakemasu. Wij gaan meestal op vrijdag uit.

  38. ナイトクラブ — de nachtclub
    ナイトクラブ naito kurabu de nachtclub

    ナイトクラブは夜中を過ぎると満員です。 Naito kurabu wa yonaka o sugiru to man'in desu. De nachtclub is na middernacht vol.

  39. バー — de bar
    バー bā de bar

    後でバーで会いましょう。 ato de bā de aimashō. Laten we straks afspreken bij de bar.

  40. たばこ — de sigaret
    たばこ tabako de sigaret

    彼は外で、たばこを吸っています。 Kare wa soto de, tabako o sutte imasu. Hij staat buiten een sigaret te roken.

  41. 灰皿 — de asbak
    灰皿 haizara de asbak

    灰皿を使ってください。 haizara o tsukatte kudasai Gebruik alsjeblieft de asbak.

  42. ライター — de aansteker
    ライター raitā de aansteker

    ライターを持っていますか? Raitā o motte imasu ka? Heb je een aansteker?

  43. お酒 — de alcohol
    お酒 osake de alcohol

    彼女はあまりお酒を飲みません。 Kanojo wa amari osake o nomimasen. Ze drinkt niet vaak alcohol.

  44. 栓抜き — de flesopener
    栓抜き sennuki de flesopener

    これには栓抜きが必要です。 Kore ni wa sennuki ga hitsuyou desu. We hebben een flesopener nodig voor deze fles.

  45. 踊る — dansen
    踊る odoru dansen

    私の友達はいつも踊りたがっています。 Watashi no tomodachi wa itsumo odori-tagatte imasu. Mijn vrienden willen altijd dansen.

  46. 酔う — dronken
    酔う you dronken

    彼は酔っているので、歩いて家に帰ります。 Kare wa yotte iru node aruite ie ni kaerimasu. Hij is dronken, dus hij loopt naar huis.

  47. ハンドバッグ — de handtas
    ハンドバッグ handobaggu de handtas

    彼女の携帯は赤いハンドバッグの中にあります。 kanojo no keitai wa akai handobaggu no naka ni arimasu. Haar telefoon zit in de rode handtas.

  48. 歌手 — de zanger
    歌手 kashu de zanger

    今夜の歌手は最高でした。 kon'ya no kashu wa saikō deshita. De zanger was geweldig vanavond.

  49. くしゃみ — de nies
    くしゃみ kushami de nies

    そのくしゃみはとても大きかったです。 sono kushami wa totemo ōkikatta desu Die nies was erg hard.

  50. 筋肉痛 — de spierpijn
    筋肉痛 kinnikutsū de spierpijn

    トレーニングで筋肉痛になりました。 Torēningu de kinnikutsū ni narimashita. Mijn training veroorzaakte spierpijn.

  51. つる — de kramp
    つる tsuru de kramp

    足がつるのは最悪です。 Ashi ga tsuru no wa saiaku desu. Kramp in je been is het ergste.

  52. 首のこり — de stijve nek
    首のこり kubi no kori de stijve nek

    この首のこりはどうすれば治りますか? Kono kubi no kori wa dō sureba naorimasu ka? Hoe kom ik van deze stijve nek af?

  53. あざ — de blauwe plek
    あざ aza de blauwe plek

    大きなあざがあります。 Ōkina aza ga arimasu. Ik heb een grote blauwe plek.

  54. 腹痛 — de buikpijn
    腹痛 fukutsuu de buikpijn

    昨日は腹痛になりました。 kinou wa fukutsuu ni narimashita Ik kreeg gisteren buikpijn.

  55. 歯痛 — de kiespijn
    歯痛 shitsū de kiespijn

    それはひどい歯痛ですね。 sore wa hidoi shitsū desu ne. Dat is een erge kiespijn.

  56. 腰痛 — de rugpijn
    腰痛 yōtsū de rugpijn

    おばあちゃんは今日、腰痛です。 Obaachan wa kyō, yōtsū desu. Oma heeft vandaag rugpijn.

  57. 耳の痛み — de oorpijn
    耳の痛み mimi no itami de oorpijn

    彼は今、耳の痛みがあります。 Kare wa ima, mimi no itami ga arimasu. Hij heeft nu oorpijn.

  58. 疲労 — de uitputting
    疲労 hirō de uitputting

    仕事は疲労の原因になることがあります。 Shigoto wa hirō no gen'in ni naru koto ga arimasu. Je baan kan leiden tot uitputting.

  59. アレルギー — de allergie
    アレルギー arerugī de allergie

    私のアレルギーは春が一番ひどいです。 Watashi no arerugī wa haru ga ichiban hidoi desu. Mijn allergie is het ergst in de lente.

  60. ここが痛いです — Het doet hier pijn
    ここが痛いです koko ga itai desu Het doet hier pijn

    ここが痛いです。 koko ga itai desu. Het doet hier pijn.

  61. 泣く — huilen
    泣く naku huilen

    悲しんでいる子供が泣いています。 kanashinde iru kodomo ga naite imasu. Het verdrietige kind huilt.

  62. 落ちる — vallen
    落ちる ochiru vallen

    果物が木から落ちます。 kudamono ga ki kara ochimasu. De vrucht valt van de boom.

  63. 具合が悪い — ziek
    具合が悪い guai ga warui ziek

    その子は具合がとても悪いです。 sono ko wa guai ga totemo warui desu Het kind is erg ziek.

  64. 元気 — goed
    元気 genki goed

    今日は元気です。 Kyō wa genki desu. Ik voel me vandaag goed.

  65. 切る — snijden
    切る kiru snijden

    彼女はパンを切ります。 kanojo wa pan o kirimasu. Zij snijdt het brood.

  66. 包帯 — het verband
    包帯 hōtai het verband

    彼は傷口に包帯を巻いた。 kare wa kizuguchi ni hōtai o maita Hij deed een verband op de wond.

  67. 燃える — branden
    燃える moeru branden

    乾いた薪はすぐに燃えます。 kawaita maki wa sugu ni moemasu. Het droge hout brandt snel.

  68. 引っ掻く — krabben
    引っ掻く hikkaku krabben

    猫が私の腕を引っ掻きました。 Neko ga watashi no ude o hikkakimashita. De kat krabde in mijn arm.

  69. ぶつける — stoten
    ぶつける butsukeru stoten

    頭をぶつけました。 atama o butsukemashita Ik stootte mijn hoofd.

  70. 傷跡 — het litteken
    傷跡 kizuato het litteken

    彼は古い傷跡に触れた。 kare wa furui kizuato ni fureta Hij raakte het oude litteken aan.

  71. 回復する — herstellen
    回復する kaifuku suru herstellen

    彼は病気から回復しました。 kare wa byōki kara kaifuku shimashita. Hij herstelde van de ziekte.

  72. 治る — genezen
    治る naoru genezen

    その深い傷は治ります。 sono fukai kizu wa naorimasu. De diepe wond zal genezen.

  73. 停電 — de stroomstoring
    停電 teiden de stroomstoring

    幸いなことに、停電は短かったです。 Saiwai na koto ni, teiden wa mijikakatta desu. Gelukkig was de stroomstoring kort.

  74. プラグ — inpluggen
    プラグ puragu inpluggen

    彼はノートパソコンの充電器のプラグを差し込むのを忘れました。 kare wa nōtopasokon no jūdenki no puragu o sashikomu no o wasuremashita. Hij vergat de oplader van de laptop in te pluggen.

  75. コンセント — het stopcontact
    コンセント konsento het stopcontact

    彼女はスマホを壁のコンセントに差し込みました。 kanojo wa sumaho o kabe no konsento ni sashikomimashita. Ze stak haar telefoon in het stopcontact aan de muur.

  76. 延長コード — het verlengsnoer
    延長コード enchou koodo het verlengsnoer

    この延長コードは長いです。 Kono enchou koodo wa nagai desu. Dit verlengsnoer is lang.

  77. 電源タップ — de stekkerdoos
    電源タップ dengen tappu de stekkerdoos

    彼女はコンピューターを電源タップに繋ぎました。 kanojo wa konpyūtā o dengen tappu ni tsunagimashita Ze sloot haar computer aan op de stekkerdoos.

  78. 変換プラグ — de wereldstekker
    変換プラグ henkan puragu de wereldstekker

    変換プラグが必要です。 Henkan puragu ga hitsuyō desu. Je hebt een wereldstekker nodig.

  79. ヒューズボックス — de meterkast
    ヒューズボックス hyūzu bokkusu de meterkast

    ヒューズボックスが壊れています。 hyūzu bokkusu ga kowarete imasu. De meterkast is kapot.

  80. ブレーカー — de stroomonderbreker
    ブレーカー burēkā de stroomonderbreker

    嵐の間にブレーカーが落ちました。 Arashi no aida ni burēkā ga ochimashita. De stroomonderbreker sloeg tijdens de storm uit.

  81. 電圧 — de spanning
    電圧 den'atsu de spanning

    この電圧はとても低いようです。 kono den'atsu wa totemo hikui yō desu. Deze spanning lijkt erg laag.

  82. 電池 — de batterij
    電池 denchi de batterij

    電池が懐中電灯を動かします。 denchi ga kaichūdentō o ugokashimasu. Een batterij voedt de zaklamp.

  83. バッテリー切れ — de lege batterij
    バッテリー切れ batterī kire de lege batterij

    バッテリー切れなので、充電する必要があります。 Batterī kire nanode jūden suru hitsuyō ga arimasu. We moeten de lege batterij opladen.

  84. 電池を交換する — de batterij vervangen
    電池を交換する denchi o kōkan suru de batterij vervangen

    よく電池を交換します。 yoku denchi o kōkan shimasu. Je vervangt de batterij vaak.

  85. 電気 — de elektriciteit
    電気 denki de elektriciteit

    明かりのために電気が必要です。 akari no tame ni denki ga hitsuyō desu. We hebben elektriciteit nodig voor licht.

  86. ガス — het gas
    ガス gasu het gas

    ガスのにおいが台所に広がりました。 gasu no nioi ga daidokoro ni hirogari mashita. De geur van gas vulde de keuken.

  87. 支払期限 — de uiterste inleverdatum
    支払期限 shiharai kigen de uiterste inleverdatum

    請求書の支払期限を確認してください。 Seikyūsho no shiharai kigen o kakunin shite kudasai. Controleer alsjeblieft de uiterste inleverdatum op de rekening.

  88. 暖房 — de verwarming
    暖房 danbō de verwarming

    暖房をつけてもらえますか? Danbō o tsukete moraemasu ka? Kun je de verwarming aanzetten?

  89. インターネット — het internet
    インターネット intānetto het internet

    彼らは毎日インターネットを使います。 Karera wa mainichi intānetto o tsukaimasu. Ze gebruiken dagelijks het internet.

  90. 請求書 — de rekening
    請求書 seikyūsho de rekening

    水道の請求書の支払い期限はいつですか? Suidō no seikyūsho no shiharai kigen wa itsu desu ka? Wat is de uiterste betaaldatum voor de waterrekening?

  91. 技術者 — de technicus
    技術者 gijutsusha de technicus

    技術者が回線の点検に来ました。 Gijutsusha ga kaisen no tenken ni kimashita. Er kwam een technicus om de lijn te controleren.

  92. 供給会社 — de leverancier
    供給会社 kyōkyū gaisha de leverancier

    供給会社が新しい契約書を送りました。 kyōkyū gaisha ga atarashii keiyakusho o okurimashita. De leverancier stuurde een nieuw contract.

  93. 契約 — het contract
    契約 keiyaku het contract

    契約が切れました。 Keiyaku ga kiremashita. Het contract is verlopen.

  94. プロバイダー — de provider
    プロバイダー purobaidā de provider

    私はインターネットのプロバイダーを変えました。 watashi wa intānetto no purobaidā o kaemashita Ik ben overgestapt naar een andere internetprovider.

  95. 口座番号 — het rekeningnummer
    口座番号 kouza bangou het rekeningnummer

    私の口座番号は何ですか? Watashi no kouza bangou wa nan desu ka? Wat is mijn rekeningnummer?

  96. カスタマーサービス — de klantenservice
    カスタマーサービス kasutamā sābisu de klantenservice

    私たちは素晴らしいカスタマーサービスを提供しています。 Watashitachi wa subarashii kasutamā sābisu o teikyō shite imasu. Wij bieden een uitstekende klantenservice.

  97. 用紙 — het formulier
    用紙 yōshi het formulier

    彼は印刷された用紙が必要です。 Kare wa insatsu sareta yōshi ga hitsuyō desu. Hij heeft een geprint formulier nodig.

  98. 署名 — de handtekening
    署名 shomei de handtekening

    私の署名だけで十分ですか? Watashi no shomei dake de jūbun desu ka? Is mijn handtekening voldoende?

  99. パスポート — het paspoort
    パスポート pasupōto het paspoort

    パスポートをなくしましたか? pasupōto o nakushimashita ka Ben je je paspoort verloren?

  100. ビザ — het visum
    ビザ biza het visum

    その国はビザが必要です。 sono kuni wa biza ga hitsuyō desu Dat land vereist een visum.

Gratis voor persoonlijk gebruik en in de klas.

Snelle quiz

Vijf vragen over de eerste 100 woorden.

Leer deze 1000 Japanse woorden op volgorde.

De app leert ze je 12 tegelijk, met afbeeldingen en audio, en brengt elk woord terug voordat je het vergeet. Gratis op iPhone en Android.

Scan de code met de camera van je telefoon om de app te downloaden.