Poolse werkwoorden

De eerste Poolse werkwoorden in de cursus: robić (maken), dostać (krijgen), mieć (hebben), jeść (eten), pić (drinken), spać (slapen), widzieć (zien), patrzeć na (kijken naar). Hieronder staan alle 223 werkwoorden, elk met een afbeelding, native audio en een voorbeeldzin.

Leer deze 223 woorden in de app

Met afbeeldingen, native audio, en elk woord komt terug vlak voordat je het zou vergeten. Gratis op iPhone en Android.

Gratis downloaden
Download in de App Store Ontdek het op Google Play Scan met de camera van je telefoon

Werkwoorden in het Pools: alle 223, les voor les

Fout melden

Vertel ons wat er niet klopt. We bekijken elke melding.

Wat klopt er niet?

Tik op een plaatje om het te horen.

Les 5 · Alledaagse werkwoorden — basishandelingen 12 woorden

  • robić maken

    Robię dobrą kawę.

    Ik maak goede koffie.

  • dostać krijgen

    Dostał prezent.

    Hij kreeg een cadeau.

  • mieć hebben

    Emma ma samochód.

    Emma heeft een auto.

  • jeść eten

    Oni jedzą jabłka.

    Zij eten appels.

  • pić drinken

    Czy pijesz kawę?

    Drink jij koffie?

  • spać slapen

    Chcę teraz spać.

    Ik wil nu slapen.

  • widzieć zien

    Czy widzisz ten dom?

    Kun je het huis zien?

  • patrzeć na kijken naar

    Adam lubi patrzeć na zdjęcia.

    Adam vindt het leuk om naar foto's te kijken.

  • czytać lezen

    Student czyta książki.

    De student leest boeken.

  • otwierać openen

    Otwiera okno.

    Zij opent het raam.

  • zamykać sluiten

    Zamykam drzwi.

    Ik sluit de deur.

  • przychodzić komen

    Przychodzisz tutaj codziennie.

    Je komt hier elke dag.

Les 11 · Alledaagse werkwoorden — communiceren & denken 12 woorden

  • wiedzieć weten

    Teraz już wiesz, jaka jest odpowiedź.

    Je weet het antwoord nu.

  • zapytać vragen

    Możesz zapytać swojego brata.

    Je kunt het aan je broer vragen.

  • słyszeć horen

    Czy słyszysz ten dźwięk?

    Kun je dat geluid horen?

  • uczyć się leren

    Codziennie uczysz się czegoś nowego.

    Je leert elke dag iets nieuws.

  • rozmawiać z praten met

    Lubisz rozmawiać z przyjaciółmi?

    Vind je het leuk om met je vrienden te praten?

  • powiedzieć zeggen

    Chcę coś powiedzieć.

    Ik wil iets zeggen.

  • wybierać kiezen

    Wybierasz swój ulubiony kolor.

    Je kiest je favoriete kleur.

  • pisać schrijven

    Studenci piszą opowiadanie.

    De studenten schrijven een verhaal.

  • zadzwonić bellen

    Zadzwonię do ciebie.

    Ik ga je bellen.

  • słuchać luisteren naar

    Słucham radia.

    Ik luister naar de radio.

  • uczyć się studeren

    Uczę się pilnie do każdego sprawdzianu.

    Ik moet hard studeren voor elke toets.

  • mówić vertellen

    Mówi mi swoje imię.

    Hij vertelt me zijn naam.

Les 12 · Werkwoorden — sociaal & informeel communiceren 12 woorden

  • spotkać ontmoeten

    Spotkam cię jutro.

    Ik ontmoet je morgen.

  • dołączyć zich aansluiten bij

    Ona dołączy do naszej grupy.

    Zij zal zich bij onze groep aansluiten.

  • lubić genieten van

    Lubimy tę muzykę.

    Wij genieten van de muziek.

  • opisywać beschrijven

    Chłopiec opisał zwierzę.

    De jongen beschreef het dier.

  • wyjaśniać uitleggen

    Ona wyjaśni ten problem.

    Zij zal het probleem uitleggen.

  • uczyć lesgeven

    Uczę nowych uczniów.

    Ik lesgeef de nieuwe studenten.

  • przedstawić voorstellen

    Przedstawię mojego przyjaciela.

    Ik zal mijn vriend voorstellen.

  • akceptować accepteren

    Ona akceptuje ten prezent.

    Zij accepteert het cadeau.

  • odmawiać weigeren

    Dziecko odmawia jedzenia.

    Het kind weigert het eten.

  • obiecywać beloven

    Obiecuję, że ci pomogę.

    Ik beloof dat ik je zal helpen.

  • omawiać bespreken

    Omawiają nowy plan.

    Zij bespreken het nieuwe plan.

  • skontaktować się contact opnemen met

    Skontaktuję się z lekarzem.

    Ik zal contact opnemen met de dokter.

Les 13 · Werkwoorden — geluid & lichaamstaal 12 woorden

  • śmiać się lachen

    Dzieci głośno się śmieją.

    De kinderen lachen hard.

  • krzyczeć schreeuwen

    Chłopiec krzyczy o pomoc.

    De jongen schreeuwt om hulp.

  • szeptać fluisteren

    Szepcze mi do ucha.

    Hij fluistert in mijn oor.

  • machać zwaaien

    Macha na pożegnanie.

    Ze zwaait gedag.

  • kiwać knikken

    Kobieta kiwa głową.

    De vrouw knikt met haar hoofd.

  • przytulać knuffelen

    Matka przytula swoje dziecko.

    De moeder knuffelt haar kind.

  • całować kussen

    Matka całuje swoje dziecko.

    De moeder kust haar kind.

  • wskazywać wijzen

    Dziecko wskazuje na psa.

    Het kind wijst naar de hond.

  • mrugać knipperen

    Szybko mruga oczami.

    Hij knippert snel met zijn ogen.

  • marszczyć brwi fronsen

    Ojciec marszczy brwi na widok syna.

    De vader fronst naar zijn zoon.

  • ziewać gapen

    Zmęczony mężczyzna ziewa.

    De vermoeide man gaapt.

  • wąchać snuiven

    Pies wącha jedzenie.

    De hond snuift aan het eten.

Les 18 · Veiligheid & hulp 2 woorden

  • chronić beschermen

    Policja nas chroni.

    De politie moet ons beschermen.

  • ostrzec waarschuwen

    Muszę ich ostrzec!

    Ik moet ze waarschuwen!

Les 19 · Alledaagse werkwoorden — werk, beweging & plannen 11 woorden

  • kupować kopen

    Możesz tu kupić owoce.

    Je kunt hier fruit kopen.

  • płacić betalen

    Musisz za to płacić.

    Je moet hiervoor betalen.

  • sprzedawać verkopen

    Sprzedają tutaj świeże owoce.

    Ze verkopen hier vers fruit.

  • położyć leggen

    Kładzie książkę na stole.

    Hij legt het boek op tafel.

  • siedzieć zitten

    Emma siedzi na tym krześle.

    Emma zit in die stoel.

  • stać staan

    Stoję przy drzwiach.

    Ik sta bij de deur.

  • pływać zwemmen

    Potrafią szybko pływać.

    Zij kunnen snel zwemmen.

  • prowadzić rijden

    Musisz prowadzić ostrożnie.

    Je moet voorzichtig rijden.

  • planować plannen

    Planują wkrótce przyjechać.

    Zij plannen om binnenkort op bezoek te komen.

  • skończyć afmaken

    Może skończyć pracę domową później.

    Hij kan zijn huiswerk later afmaken.

  • dawać geven

    Daję prezenty przyjaciołom.

    Ik geef cadeaus aan vrienden.

Les 28 · Alledaagse actiewerkwoorden 2 11 woorden

  • przynosić meebrengen

    Oni przynoszą jedzenie na imprezę.

    Zij brengen eten mee naar het feest.

  • brać pakken

    Zawsze bierzesz mój długopis.

    Je pakt altijd mijn pen.

  • nieść dragen

    On może nieść to pudełko.

    Hij kan de doos dragen.

  • odebrać ophalen

    Czy możesz odebrać tę paczkę?

    Kun je het pakketje ophalen?

  • upuścić laten vallen

    Jeśli upuścisz telefon, to się zepsuje.

    Als ik de telefoon laat vallen, gaat hij kapot.

  • podawać aanreiken

    Podasz mi sól?

    Kun je me het zout aanreiken?

  • odłożyć neerzetten

    Odłożyliśmy nasze plecaki.

    Wij zetten onze rugzakken neer.

  • odkładać opruimen

    Odkładam swoje zabawki.

    Ik ruim mijn speelgoed op.

  • wieszać ophangen

    Wieszają swoje płaszcze.

    Ze hangen hun jassen op.

  • włączać aanzetten

    Włączasz światło.

    Je zet het licht aan.

  • wyłączyć uitzetten

    Czy ktoś może wyłączyć radio?

    Kan iemand de radio uitzetten?

Les 29 · Werkwoorden — beweging & spel 12 woorden

  • skakać springen

    Kot skacze przez mur.

    De kat springt over de muur.

  • rzucać gooien

    Chłopiec rzuca kamieniem.

    De jongen gooit de steen.

  • łapać vangen

    On łapie piłkę.

    Hij vangt de bal.

  • jeździć rijden

    Chłopiec jeździ konno.

    De jongen rijdt op een paard.

  • lecieć vliegen

    Ptaki lecą po niebie.

    De vogels vliegen in de lucht.

  • raczkować kruipen

    Dziecko raczkuje po podłodze.

    De baby kruipt op de vloer.

  • pominąć overslaan

    Pominęła pierwszą stronę.

    Zij sloeg de eerste pagina over.

  • kopać schoppen

    Dziecko kopie piłkę.

    Het kind schopt tegen de bal.

  • odbijać się stuiteren

    Piłka odbija się od ziemi.

    De bal stuitert op de grond.

  • wspinać się klimmen

    Kot wspina się na drzewo.

    De kat klimt in de boom.

  • nurkować duiken

    Chłopiec nurkuje do wody.

    De jongen duikt in het water.

  • ślizgać się glijden

    Pudełko ślizga się po podłodze.

    De doos glijdt over de vloer.

Les 30 · Werkwoorden — praktisch & functioneel 12 woorden

  • uszczypnąć knijpen

    Uszczypnął mnie w ramię.

    Hij kneep in mijn arm.

  • ściskać knijpen

    Ona ściska moją dłoń.

    Zij knijpt in mijn hand.

  • szturchać prikken

    Dziecko szturchnęło mnie w ramię.

    Het kind prikte in mijn arm.

  • głaskać aaien

    Chłopiec głaska psa.

    De jongen aait de hond.

  • pocierać wrijven

    Pocieram moje zmęczone oczy.

    Ik wrijf in mijn vermoeide ogen.

  • skręcać draaien

    Mężczyzna skręca linę.

    De man draait aan het touw.

  • potrząsać schudden

    Dziecko potrząsa zabawką.

    De baby schudt met het speelgoed.

  • składać vouwen

    Składam papier.

    Ik vouw het papier.

  • naciskać drukken op

    Ona naciska czerwony przycisk.

    Zij drukt op de rode knop.

  • przyczepić bevestigen

    On przyczepi linę.

    Hij zal het touw bevestigen.

  • ciągnąć trekken

    Mężczyzna ciągnie ciężką linę.

    De man trekt aan het zware touw.

  • pakować inpakken

    Pakuję swoją torbę.

    Ik pak mijn tas in.

Les 31 · Waar is & ergens komen 1 woorden

  • szukam ik zoek

    Szukają toalety.

    Ze zijn op zoek naar een toilet.

Les 56 · Kleding & maten 2 woorden

  • mieścić się passen

    Wciąż mieści się w swoje stare dżinsy.

    Ze past nog steeds in haar oude spijkerbroek.

  • przymierzać passen

    Przymierzamy nowe czapki.

    Wij passen nieuwe hoeden.

Les 61 · Verloren & gevonden — basis 2 woorden

  • zgubić verliezen

    Zgubiłem klucze w parku.

    Ik ben mijn sleutels in het park verloren.

  • zwrócić terugbrengen

    Zwróci książkę jutro rano.

    Zij zal het boek morgenochtend terugbrengen.

Les 65 · Openbare borden & mededelingen 2 woorden

  • pchać duwen

    Pchają czerwone drzwi.

    Zij duwen de rode deur.

  • ciągnąć trekken

    Musisz pociągnąć drzwi.

    Je moet aan de deur trekken.

Les 70 · Huishoudelijke bezigheden 9 woorden

  • myć wassen

    Teraz umyję naczynia.

    Ik ga nu de afwas doen.

  • gotować koken

    Gotują obiad każdego wieczoru.

    Zij koken elke avond het avondeten.

  • gotować koken

    Gotujesz wodę na herbatę.

    Je kookt water voor thee.

  • smażyć bakken

    Czy często smażysz jedzenie?

    Bakt u uw eten vaak?

  • piec bakken

    Ona dzisiaj piecze chleb.

    Zij bakt vandaag brood.

  • zamiatać vegen

    Zamiatam podłogę szybciej.

    Ik veeg de vloer sneller.

  • odkurzać stofzuigen

    Odkurzamy salon.

    Wij stofzuigen de woonkamer.

  • podlewać water geven

    Podlewają ogród co tydzień.

    Ze geven wekelijks water aan de tuin.

  • wyłączać uitdoen

    Czy możesz wyłączyć światło?

    Kun je het licht uitdoen?

Les 71 · Koken & keukenwerkwoorden 11 woorden

  • nalewać schenken

    Ona nalewa wodę do kubka.

    Zij schenkt water in het kopje.

  • mieszać roeren

    Mieszam gorącą zupę.

    Ik roer in de hete soep.

  • rąbać hakken

    Mężczyzna rąbie drewno.

    De man hakt het hout.

  • zanurzać dopen

    Zanurza ścierkę w wodzie.

    Zij dopt de doek in het water.

  • obierać schillen

    Ona obiera pomarańczę.

    Zij schilt de sinaasappel.

  • trzeć raspen

    Ona trze warzywa.

    Zij raspt de groenten.

  • mieszać mengen

    Mieszam sól z wodą.

    Ik meng het zout en het water.

  • smarować besmeren

    Smaruje chleb masłem.

    Zij besmeert het brood met boter.

  • topnieć smelten

    Słońce topi lód.

    De zon smelt het ijs.

  • mierzyć meten

    Mierzę długą linę.

    Ik meet het lange touw.

  • napełniać vullen

    Napełniam kubek wodą.

    Ik vul de beker met water.

Les 73 · Reparaties & onderhoud 3 woorden

  • naprawiać repareren

    Naprawiamy tutaj zepsute rzeczy.

    Wij repareren hier kapotte dingen.

  • naprawiać repareren

    Wiesz, jak to naprawić?

    Weet je hoe je het moet repareren?

  • wymieniać vervangen

    Wymieniamy stare opony.

    Wij vervangen oude banden.

Les 76 · Bovenlichaam & gezicht 1 woorden

  • uśmiechać się glimlachen

    Dziecko uśmiecha się do mnie.

    Het kind glimlacht naar mij.

Les 78 · Lichaam & fitness 4 woorden

  • rozgrzewać opwarmen

    To pomaga rozgrzewać mięśnie.

    Dit helpt om de spieren op te warmen.

  • rozciągać się rekken

    Codziennie rano się rozciągam.

    Ik rek me elke ochtend uit.

  • biegać rennen

    Biegają bardzo szybko.

    Zij rennen erg snel.

  • spacerować lopen

    Lubi spacerować wieczorami.

    Ze houdt ervan om 's avonds te lopen.

Les 79 · Uitgaansleven 2 woorden

  • wychodzić uitgaan

    Zazwyczaj wychodzimy w piątki.

    Wij gaan meestal op vrijdag uit.

  • tańczyć dansen

    Moi przyjaciele zawsze chcą tańczyć.

    Mijn vrienden willen altijd dansen.

Les 81 · Pijntjes, wondjes & eerste hulp 8 woorden

  • płakać huilen

    Smutne dziecko płacze.

    Het verdrietige kind huilt.

  • spadać vallen

    Owoc spada z drzewa.

    De vrucht valt van de boom.

  • kroić snijden

    Ona kroi chleb.

    Zij snijdt het brood.

  • płonąć branden

    Suche drewno szybko płonie.

    Het droge hout brandt snel.

  • podrapać krabben

    Kot podrapał mnie w ramię.

    De kat krabde in mijn arm.

  • uderzyć się stoten

    Uderzyłem się w głowę.

    Ik stootte mijn hoofd.

  • wyzdrowieć herstellen

    Wyzdrowiał po chorobie.

    Hij herstelde van de ziekte.

  • goić się genezen

    Głęboka rana będzie się goić.

    De diepe wond zal genezen.

Les 82 · Stroom & elektriciteit 1 woorden

  • podłączyć inpluggen

    Zapomniał podłączyć ładowarkę do laptopa.

    Hij vergat de oplader van de laptop in te pluggen.

Les 85 · Cijfers — groter & verder 2 woorden

  • podwoić verdubbelen

    Sprzedawca podwoił cenę.

    De koopman verdubbelde de prijs.

  • potroić verdrievoudigen

    Cena chleba się potroić.

    De prijs van brood zal verdrievoudigen.

Les 95 · Maaltijden & eetmomenten 1 woorden

  • pomagać helpen

    Mój przyjaciel mi pomaga.

    Mijn vriend helpt mij.

Les 96 · De vijf zintuigen 1 woorden

  • czuć voelen

    Czuję zimną wodę.

    Ik voel het koude water.

Les 106 · Leuk & niet leuk vinden 2 woorden

  • lubię ik vind het fijn als ...

    Lubię, kiedy ludzie są szczerzy.

    Ik vind het fijn als mensen eerlijk zijn.

  • kochać ik houd van

    Kocham to, ponieważ jest moje.

    Ik houd van het, omdat het van mij is.

Les 108 · Voorkeuren in context 2 1 woorden

  • nie mogę się zdecydować ik kan niet kiezen

    Oni też nie mogą się zdecydować.

    Zij kunnen niet kiezen, ik ook niet.

Les 119 · Afspraken & planningen 1 woorden

  • przełożyć verplaatsen

    Oni przełożą to spotkanie.

    Zij zullen de vergadering verplaatsen.

Les 121 · Dagelijkse routine 7 woorden

  • budzić się wakker worden

    Ona lubi budzić się wcześnie.

    Ze houdt ervan om vroeg wakker te worden.

  • wstawać opstaan

    Wstają o wschodzie słońca.

    Zij staan bij zonsopgang op.

  • brać prysznic douchen

    Codziennie rano bierzesz prysznic.

    Je doucht elke ochtend.

  • ubierać się zich aankleden

    Muszę się ubrać przed szkołą.

    Ik moet me aankleden voor school.

  • jeść śniadanie ontbijten

    Codziennie rano jemy śniadanie.

    Wij ontbijten elke ochtend.

  • jeść obiad lunchen

    Jedzą obiad w południe.

    Zij lunchen om twaalf uur.

  • wracać do domu thuiskomen

    Wracam do domu po szkole.

    Ik thuiskom na school.

Les 123 · Dingen beschrijven — praktische bijvoeglijke naamwoorden 1 woorden

  • naprawić repareren

    Naprawił zepsuty rower.

    Hij repareerde de kapotte fiets.

Les 126 · Leren & studiegewoonten 3 woorden

  • powtarzać herhalen

    Proszę, powtórz instrukcje.

    Kun je de instructies alsjeblieft herhalen?

  • zapamiętywać uit het hoofd leren

    Łatwo zapamiętują swoje kwestie.

    Ze leren hun tekst makkelijk uit het hoofd.

  • poprawić verbeteren

    Możesz poprawić swoją ocenę.

    Je kunt je cijfer verbeteren.

Les 134 · Op bezoek & gastheer zijn 3 woorden

  • zapraszać uitnodigen

    Zapraszają przyjaciół na imprezę.

    Zij nodigen vrienden uit voor het feest.

  • gościć ontvangen

    Każdego lata goszczę gości.

    Ik ontvang elke zomer gasten.

  • przynosić ... meebrengen

    Przynosisz dobry deser.

    Je brengt een lekker dessert mee.

Les 137 · Huisdieren & dieren 2 woorden

  • karmić voeren

    Ona nakarmi psa.

    Zij zal de hond voeren.

  • przysmaki hondensnoepjes

    Bardzo lubią psie przysmaki.

    Ze zijn dol op hondensnoepjes.

Les 140 · Onderhoud & gereedschap in huis 3 woorden

  • naprawiać repareren

    On naprawia zepsute krzesło.

    Hij repareert de kapotte stoel.

  • cieknąć lekken

    Woda cieknie z rury.

    Er lekt water uit de pijp.

  • naprawić repareren

    Naprawię zepsute drzwi.

    Ik zal de kapotte deur repareren.

Les 143 · Problemen oplossen & noodgevallen 3 woorden

  • pomagać helpen

    Pomagam mojemu przyjacielowi.

    Ik help mijn vriend.

  • zgubić kwijtraken

    Zgubiłem swoją torbę.

    Ik ben mijn tas kwijtgeraakt.

  • ukraść gestolen

    Złodziej ukradł pieniądze.

    De dief heeft het geld gestolen.

Les 144 · Stadsvervoer & woon-werkverkeer 1 woorden

  • przejeżdżać passeren

    Pociąg przejeżdża przez stację.

    De trein passeert het station.

Les 145 · Zakendoen & handel 4 woorden

  • handlować handelen

    Handlują towarami na targu.

    Zij handelen in goederen op de markt.

  • importować importeren

    Importują żywność z innych krajów.

    Ze importeren voedsel uit andere landen.

  • eksportować exporteren

    Nasz kraj eksportuje ryż.

    Ons land exporteert rijst.

  • inwestować investeren

    Inwestujemy pieniądze w tę firmę.

    Wij investeren geld in het bedrijf.

Les 147 · Digitaal leven & connectiviteit 4 woorden

  • usunąć verwijderen

    Usunę tę wiadomość.

    Ik zal het bericht verwijderen.

  • szukać zoeken

    Mężczyźni szukają wody.

    De mannen zoeken naar water.

  • aktualizować bijwerken

    Zaktualizuję te informacje.

    Ik zal de informatie bijwerken.

  • pobrać downloaden

    Pobrałem nowy plik.

    Ik downloadde het nieuwe bestand.

Les 148 · Hobby's & vrije tijd 5 woorden

  • czytanie lezen

    Lubią codzienne czytanie książek.

    Ze vinden het leuk om dagelijks boeken te lezen.

  • śpiewanie zingen

    Lubią śpiewanie każdego dnia.

    Ze genieten elke dag van het zingen.

  • taniec dansen

    Ona uwielbia taniec na imprezach.

    Ze houdt van dansen op feestjes.

  • wędrówki wandelen

    Latem lubimy wędrówki.

    Wij wandelen graag in de zomer.

  • pływanie zwemmen

    Uwielbiam pływanie w jeziorze.

    Ik houd van zwemmen in het meer.

Les 150 · Creatieve hobby's 2 woorden

  • robienie na drutach breien

    Ona lubi robienie na drutach ciepłych szalików.

    Ze houdt van het breien van warme sjaals.

  • szycie naaien

    Jej umiejętności szycie poprawiają się z każdym tygodniem.

    Haar vaardigheden in het naaien verbeteren elke week.

Les 152 · Sport & spel 3 woorden

  • zdobywać scoren

    Zdobywam punkty w grze.

    Ik score punten in het spel.

  • wygrywać winnen

    Możesz wygrywać za każdym razem.

    Je kunt elke keer winnen.

  • tracić verliezen

    Czasami tracą piłkę.

    Ze verliezen de bal soms.

Les 153 · Sportwerkwoorden — op het veld 8 woorden

  • strzelać schieten

    Myśliwy strzela z łuku.

    De jager schiet de pijl af.

  • bronić verdedigen

    Żołnierze bronią miasta.

    De soldaten verdedigen de stad.

  • wiwatować juichen

    Ludzie wiwatują na cześć zwycięzcy.

    De mensen juichen voor de winnaar.

  • uderzyć slaan

    Chłopiec uderzył piłkę.

    De jongen sloeg de bal.

  • podnosić tillen

    On podnosi ciężkie pudełko.

    Hij tilt de zware doos op.

  • kozłować dribbelen

    Chłopiec kozłuje piłkę.

    De jongen dribbelt met de bal.

  • zmierzyć się z ... aanpakken

    Musimy zmierzyć się z tym trudnym problemem.

    We moeten dit moeilijke probleem aanpakken.

  • rzucać gooien

    Gracz rzuca piłkę.

    De speler gooit de bal.

Les 156 · Sport — buiten & actie 7 woorden

  • surfować surfen

    Mężczyzna surfuje na fali.

    De man surft op een golf.

  • łowić ryby vissen

    Łowimy ryby w rzece.

    Wij zijn in de rivier aan het vissen.

  • płynąć zeilen

    Statek teraz płynie.

    Het schip zeilt nu.

  • wspinanie się klimmen

    Chłopiec wspina się na drzewo.

    De jongen klimt in de boom.

  • biegać joggen

    Mężczyzna biega na zewnątrz.

    De man jogt buiten.

  • jeździć na rolkach skeeleren

    On jeździ na rolkach w parku.

    Hij skeelert in het park.

  • wiosłować peddelen

    Wiosłujemy małą łódką.

    Wij zijn de kleine boot aan het peddelen.

Les 158 · Entertainment thuis 4 woorden

  • streaming streamen

    Lubią streaming filmów online.

    Ze vinden het leuk om online films te streamen.

  • zatrzymać pauzeren

    Czy możesz proszę zatrzymać film?

    Kun je de film alsjeblieft pauzeren?

  • odtworzyć afspelen

    Mogę odtworzyć film z zeszłego tygodnia.

    Ik kan de film van vorige week afspelen.

  • przewinąć terugspoelen

    Przegapiłem tę część, proszę, przewiń!

    Ik heb dat stukje gemist, kun je alsjeblieft terugspoelen?

Les 159 · Entertainment buitenshuis 1 woorden

  • program show

    Uważa, że wszyscy kochają ten program.

    Hij denkt dat iedereen van die show houdt.

Les 161 · Digitaal leven 1 5 woorden

  • przesyłać uploaden

    Przesyłamy zdjęcia na stronę internetową.

    Wij uploaden foto's naar de website.

  • pobrać downloaden

    Pobierze ten plik później.

    Zij zal het bestand later downloaden.

  • udostępnić delen

    Czy możesz udostępnić mi ten film?

    Kun je die video met mij delen?

  • lajk like

    Wow, twoje zdjęcie ma tysiąc lajków!

    Wauw, je foto heeft wel duizend likes!

  • obserwować volgen

    W mediach społecznościowych obserwuje wielu artystów.

    Op sociale media volgt ze veel kunstenaars.

Les 173 · Heelal & kosmos 1 woorden

  • orbitować draaien om

    Księżyc orbituje wokół planety.

    De maan draait om de planeet.

Les 175 · Reisplannen 3 woorden

  • przesiąść się overstappen

    Może przesiąść się na inny lot.

    Zij kan overstappen op een andere vlucht.

  • odwołać annuleren

    Muszę natychmiast odwołać rezerwację.

    Ik moet de boeking direct annuleren.

  • zmienić wijzigen

    Możesz zmienić rezerwację w recepcji.

    Je kunt de boeking bij de balie wijzigen.

Les 178 · Praten over het verleden 2 — vertellen wat er gebeurde 1 woorden

  • poszedłem ik ging

    Poszedłem do domu po szkole.

    Ik ging na schooltijd naar huis.

Les 181 · Advies geven — vriendelijke suggesties 1 woorden

  • spróbować proberen

    Spróbuj potraktować to poważnie następnym razem.

    Probeer het de volgende keer serieus te nemen.

Les 183 · Problemen aanpakken — snelle oplossingen 1 woorden

  • spóźniłem się na ... Ik heb ... gemist

    Spóźniłem się na autobus, więc biegnę.

    Ik heb de bus gemist, dus ik ren.

Gratis voor persoonlijk gebruik en in de klas.

Snelle quiz

Vijf vragen over de woorden op deze pagina.

Werkwoorden in het Pools: leer ze in de app met afbeeldingen en audio.

De app leert ze je in lessen van vijf minuten en brengt elk woord terug voordat je het vergeet. Gratis op iPhone en Android.

Scan de code met de camera van je telefoon om de app te downloaden.